|
Erwartung - Verwachting
Monodrama in één akte, op. 17
Muziek Arnold Schönberg (1909)
Libretto Marie Pappenheim (1909)
Inleiding
"Waarom schrijft u mij geen operatekst, juffrouw!" – augustus 1909: Schönberg, bracht samen met zijn familie, Alexander von Zemlinsky, Alban Berg, Anton Webern en Max Oppenheimer zijn vakantie door in Steinakirchen nabij Amstetten. In de cirkel rond Schönberg introduceerden Karl Kraus en Zemlinsky de aspirant-Weense arts Marie Pappenheim, die toen ze geneeskunde studeerde aan de Universiteit van Wenen gedichten schreef onder het pseudoniem Maria Heim en in het Neder-Oostenrijkse zomerresort door Schönberg gevraagd werd een libretto te schrijven. Pappenheim, wier gedichten in 1906 door Kraus werden gepubliceerd in de »Fackel«, was in juni 1909 gepromoveerd en had daarna een praktijk als dermatoloog, omdat ze ‘niet als dichteres door het leven wou wandelen’ Twee dagen na Schönbergs suggestie reisde ze door naar vrienden in Traunkirchen en vervaardigde binnen drie weken de tekst van het monodrama "Erwartung": "Ik schreef terwijl ik in het gras lag met potlood op een groot vel papier, had geen kopie, las wat er geschreven stond nauwelijks door."
Al tijdens de bewerking van het tekstmanuscript, dat Pappenheim hem in zijn vakantiehuis overhandigde, voegde Schönberg af en toe muzikale ideeën toe op verschillende plaatsen; de eerste minuten van de partituurschets ontstond in de korte periode tussen 27 augustus en 12 september 1909. (Later werd de hypothese geopperd dat de door voor getallenmystiek geïnteresseerde componist het opus nummer 17 hebben gekozen hebben bij de druk door Universal Edition met het oog op de zeventien-daagse ontstaansperiode.) De faire kopie van de partituur is gedateerd 4 oktober 1909. In een interview dat Marie Pappenheim in 1949 gaf, relativeerde zij de in onderzoek lang gekoesterde opvatting dat het conceptuele idee van "Verwachting" van Schönberg zou zijn gekomen: "Ik kreeg geen aanwijzing noch een opgave van wat ik moet schrijven (zou ik ook niet geaccepteerd hebben)."
De vestiging van de eenakter als een autonome genrevorm vond zijn beginpunt in het werk van August Strindberg, en werd door de Weense School overgenomen. Monodramatische aanwijzingen zijn het afzien van interacties tussen mensen en het verminderen van actiesequenties: kenmerken die in Pappenheims expressionistische drama met de hoogst mogelijke consequentie tot het uiterste doorgedacht zijn. Het ego-centreren neemt de meest radicale vorm aan in deze als het ware "lege" folie: In ‘verwachting’ van de minnaar gaat de vrouw op zoek en betreedt ze dwaalwegen op de haltes van onzekerheid – herinnering – hoop – "illusoire miskenning" (Erwin Ringel) – rationalisatie – jaloezie – verdriet – en uiteindelijk sublimatie van de man, die slechts als een dode rekwisiet fungeert. De diepgang van het bosscenario wordt de projectieruimte van angst-traumatische toestanden – duisternis, gevaar, dreiging, angst, eenzaamheid, gruwel, duisternis – en interpreteert de subjectieve ervaring van lijden, die de vrouw in vier scènes moet doormaken. Marie Pappenheims taalvoering bestaat uit paratactische, ongeorganiseerde reeksen fragmentarische zinnen, waaruit zich associaties in de vorm van een lyrische monoloog uit de psyche van de vrouw laten kristalliseren: "Ik heb altijd verheven geschreven, zonder richting, reflectie, censuur, pagina's lang, andere gedachten tussen de verzen."
De opheffing van de syntaxis in geconcentreerde monoloogtaal komt overeen met een bevrijding van de functionele structuren van de tonaliteit. Kleine motief-cellen zijn onderhevig aan een permanente mutatie en worden aangedreven door de innerlijke impuls van de tekst (recitatieve beweging zonder herhaling en rustpunten). Tempi wisselen volgens psychologische impulsen van angst, volgens een "seismografische registratie van traumatische schokken" (Theodor W. Adorno). Decentralisatie van consonantie, afschaffing van centrale tonaliteit en cadens – kenmerken van vrije atonaliteit –getuigen van expressieve vrijheid van uitdrukking in het libretto. Aan het einde van de vierde scène wordt door Pappenheim een inhoudelijke parallel met John Henry Mackay's gedicht "Am Wegrand" aangegeven, dat Schönberg in zijn (nog steeds tonale) lied op. 6 nr. 6, getoonzet heeft, en nu in de coda van "Erwartung" geciteerd in een gevarieerd herontwerp van de liedregel "Sehnsucht erfullt die Bezirke des Lebens ".
Bij het componeren van het monodrama had Schönberg in gedachten de stem van Maria Gutheil-Schoder, die de wereldpremière van zijn Tweede Strijkkwartet op. 10 de sopraanstem zong: "U zal zich herinneren dat ik herhaaldelijk met u heb gesproken over een toneelstuk waarin er een partij is voor jou. Een monodrama, slechts één, één enkele echte rol, die ik zag als een Gutheil-partij." (Brief van 22 augustus 1913) Al in 1910 begon Schönberg met dirigent Arthur Bodanzky van het Mannheim Nationaltheater over een uitvoering van »Erwartung« te onderhandelen. De planning werd uitgesteld tot 1913 en mislukte door de onderbezetting van het Mannheimer Orkest. Ook gesprekken met de WeenseVolksoper (1910) en de Weense Academische Vereniging (1913) bleven zonder succes. De première vond plaats op 6 juni 1924 in het Deutsche Landestheater in Praag als onderdeel van het Muziekfestival van het Internationale Gesellschaft für Neue Musik, onder leiding van Alexander von Zemlinsky, en werd in de vakpers erkend als een "protest tegen de operakitsch" ("Signale für die musikalische Welt") en "ongehoord dichte concentratie op een zielstoestand" ("Die Musik").
Therese Muxeneder © Arnold Schönberg Center
Scène I
Aan de rand van een bos. Maanverlichte wegen en velden; het bos hoog en donker. Alleen de eerste stammen en het begin van het brede pad zijn nog helder. (Een vrouw arriveert; delicaat gekleed in het wit. Gedeeltelijk ontbladerde rode rozen op het kleed. Sieraden.)
(Aarzelend:) Hier binnengaan? … Je kunt de weg niet zien ... Hoe de stammen zilverig glinsteren ... zoals berken (kijkt verdiept naar de grond). Oh! Onze tuin ... De bloemen voor hem zijn zeker wel verwelkt ... De nacht is zo warm. (Plotseling angstig:) Ik ben bevreesd... (Luistert naar het bos, gespannen:) Wat voor zware lucht waait eruit ... Als een storm die op handen is… (Handenwringend, kijkt achterom:) Zo vreselijk stil en leeg ... Maar hier is het tenminste klaar ... (Kijkt omhoog:) De maan was vroeger zo helder... (Hurkt neer, luistert, kijkt voor zich uit:) Oh! Nog steeds de krekel met zijn liefdeslied ... Niet praten ... Het is zo aangenaam bij jou... De maan is in de schemering ... (Staat op. Wendt zich tot het bos, aarzelt weer, dan heftig :) Laf, ben je ... Wil je hem niet zoeken? Sterf dan hier (Zachtjes:) Hoe dreigend is de stilte ... (Kijkt verlegen om zich heen:) De maan is vol ontzetting ... Kijkt die naar binnen? (Angstig:) Ik alleen ... In de grauwe schaduw (Vat moed, gaat snel het bos in:) Ik zal zingen, dan hoort hij me ...
Scène II
Diepste duisternis, breed pad, hoge, dichte bomen. Ze schrijdt tastend voorwaarts. (Nog steeds achter de schermen:)
Is dat de weg? … (Bukt zich, grijpt met haar handen:) Hier is het wel ... (schreeuwt:) Wat? … Laat los! (Probeert sidderend haar hand te ontwaren) Beklemd? … Nee, er is iets gekropen ... (Wild, graait zich in het gezicht :) En hier ook ... Wie raakt mij aan? … Weg ... (Slaat met haar handen om hem heen:) Weg, ga toch heen... om Godswil... (Gaat verder, met uitgestrekte armen :) Dus, de weg is breed ... (Stil, bedachtzaam:) Het was zo stil achter de muren van de tuin ... (heel stil:) Geen zeisen meer ... geen geroep en geloop ... En de stad in de heldere nevel ... Ik keek er zo verlangend naar uit ... En de lucht zo onmetelijk diep boven de weg die je altijd naar mij neemt... Nog doorzichtiger en verder ... de avondkleuren ... (Triest:) Maar jij bent niet gekomen. (Stopt:) Wie huilt er? (Roept, erg angstig:) Is er hier iemand? (Wacht. Luider :) Is er hier iemand? (Luistert weer:) Niets... Maar dat was ... (Hoort weer toe:) Nu ruist het daarboven ... Het slaat van tak naar tak ... (Vlucht ontzet zijwaarts:) Het komt op mij af … (Kreet van een nachtvogel.) (Woedend:) Niet hier! Laat me gerust ... Here God, help me... (Stilte. Gehaast:) Het was niets... Snel nu, snel nu… (Begint te rennen, valt neer. Nog achter de schermen :) Oh, oh, Wat is dat? … Een lichaam ... Nee, gewoon een stam...
Scène III
De weg nog altijd in het donker. Aan de zijkant van het pad een brede heldere streep. Het maanlicht valt op een open plek in de bomen. Daar zijn hoge grassen, varens, grote gele paddenstoelen. De vrouw komt uit het donker.
Daar komt een licht! (Ademt opgelucht in:) Ah! Het is slechts de maan ... Hoe goed ... (Weer half angstig :) Er danst iets zwarts daar... honderd handen ... (Onmiddellijk beheerst:) Doe niet zo dom ... Het is de schaduw... (Teder nadenkend:) Oh! hoe jouw schaduw valt op de witte wanden... Maar zoals het nu is, moet je meteen gaan. (Gerucht. Ze stopt, kijkt om zich heen en luistert even:) Roep je? … (weer dromend:) En tot de avond is het nog zo lang ... (Lichte windvlaag. Ze kijkt nog eens verder:) Maar de schaduw sluipt toch naderbij! Gele, wijde ogen ... (Geluid van de rilling) Zo opzwellend ... zoals op stengels ... Hoe het staart ... (Krakend geluid in het gras. Ontzet :) Geen dier, lieve God, geen dier ... Ik ben zo bang... Liefste, mijn liefste, help me... (Ze loopt verder.)
Scène IV
Maanverlichte, brede weg, die rechts uit het bos komt. Weiden en velden (afwisselend gele en groene strepen). Iets naar links gaat de weg weer verloren in de duisternis van groepen hoge bomen. Alleen volledig links zie je de weg open liggen. Daar komt ook een pad uit dat vanaf een huis komt. Daarin zijn alles ramen met donkere luiken afgesloten. Een balkon van witte steen. (De vrouw komt langzaam, uitgeput. Het gewaad is verscheurd, het haar in de war. Bloederige schrammen op het aangezicht en de handen. Even rondkijkend :) Hij is er ook niet... Niets levends op de hele lange straat ... en geen geluid ... (Rilling; luistert:) De uitgestrekte bleke velden zijn zonder adem als uitgestorven ... geen halm beweegt ... (Kijkt de straat af:) Nog steeds de stad ... En deze vale maan ... Geen wolken, niet de vleugelschaduw van een nachtvogel in de lucht ... Die grenzeloze doodsbleekheid ... (Ze blijft wankelend staan:) Ik kan nauwelijks verder ... En ze laten me ginds niet binnen ... De vreemde vrouw zal me wegjagen! … Als hij ziek is ... (Ze heeft zich tot dicht bij de boomgroepen gesleept, waaronder het volledig donker is :) Een bank ... Ik moet uitrusten... (Moe, besluiteloos, vol heimwee:) Maar ik heb hem al zo lang niet gezien … (Ze komt onder de bomen door, stoot met haar voeten tegen iets aan:) Nee, dit is niet de schaduw van de bank (tastend met zijn voet, geschrokken:) Dat is iemand ... (Bukt zich, luistert:) Hij ademt niet... (Ze tast onderaan:) Vocht ... Er vloeit hier iets ... (Ze stapt uit de schaduw in het maanlicht:) Het glanst rood ... Oh, mijn handen zijn met schrammen verwond... Nee, het is nog nat, het komt daarvandaan... (Probeert met enorme moeite het voorwerp tevoorschijn te halen:) Ik kan het niet. (Buigt zich voorover. Met een vreselijke schreeuw :) Het is hij: (Ze zakt neer.) (Na een paar momenten staat ze half op, zodat dat haar gezicht naar de bomen is gericht. Verward :) Het maanlicht ... Nee, daar ... Daar is het verschrikkelijke hoofd... het spook... (Kijkt strak voor zich uit :) Als het nu eindelijk zou verdwijnen ... zoals dat in het bos ... Een boomschaduw, een belachelijke twijg ... De maan is verraderlijk... omdat ze bloedloos is, schildert ze rood bloed ... (Wijzend met uitgestrekte vingers, fluisterend:) Maar het staat op het punt te verdwijnen ... Kijk niet ... Er niet op letten ... Het zal zeker weggaan ... zoals dat in het bos ... (Ze draait zich om met geforceerde kalmte, richting de weg :) Ik wil weg ... Ik moet hem zoeken ... Het moet al laat zijn ... (Stilte. Onbeweeglijk. Zij draait zich abrupt om, maar niet helemaal. Bijna jubelend :) Het is niet meer daar... Ik wist het... (Ze is verder omgedraaid, ziet plotseling weer het voorwerp:) Het is er nog steeds... Heer God in de hemel ... (Haar bovenlichaam valt voorover, ze lijkt ineen te stuiken. Maar ze kruipt voort, met neergezonken hoofd:) Het leeft (raakt aan:) Het heeft huid ... ogen ... haar … (Ze leunt helemaal opzij, alsof ze hem recht in het gezicht wil kijken:) zijn ogen ... het heeft zijn mond ... Jij ... jij ... ben jij het... Ik heb je al zo lang gezocht ... In het bos en ... (trekt aan hem:) Hoor je dat? Spreek toch ... Kijk me aan ... (Verschrikt, bukt zich volledig. Ademloos :) Goede God, wat is ... (schreeuwt, rent een eind weg:) Help... (Van ver naar het huis toe:) In godsnaam! … Snel! … Hoort niemand mij dan? … Hij ligt daar... (kijkt vertwijfeld om zich heen.) (Haast zich terug onder de bomen:) Wakker worden … Wakker worden... (smekend:) Niet dood zijn ... Mijn liefste... Toch niet dood zijn... Ik hou zo veel van je. (Teder, aandringend:) Onze kamer is gedempt helder ... alles wacht... de bloemen ruiken zo hevig... (De handen vouwend, wanhopig :) Wat moet ik doen ... Wat moet ik doen opdat hij wakker wordt? … (Ze reikt in de duisternis en pakt zijn hand:) Jouw lieve hand ... (ineenkrimpend, vragend:) Zo koud? … (Ze trekt de hand naar zich toe, kust ze. Verlegen vleiend :) Wordt ze niet warm op mijn borst? (Ze opent haar gewaad:) Mijn hart is zo heet van het wachten... (Smekend, zachtjes:) De nacht is zo voorbij ... Je wilde toch bij mij zijn deze nacht. (Uitbarstend:) Oh! Het is klaar heldere dag... Blijf je overdag bij mij? … De zon schijnt op ons ... Je handen liggen op mij... Jouw kussen ... Je bent van mij ... jij ... Kijk me toch aan, liefste, ik lig naast jou ... Dus kijk me toch aan ... (Ze staat op, kijkt naar hem, ontwakend:) Ah! hoe star ... Hoe verschrikkelijk zijn je ogen... (Schreeuwt het luid uit:) Je bent al drie dagen niet bij me geweest ... Maar vandaag ... zo zeker ... De avond was zo vol vrede... Ik keek uit en wachtte... (volledig in zichzelf verzonken:) Over de tuinmuur jou tegemoet ... Zo laag is die... En dan zwaaien we beiden ... (Schreeuwt het uit:) Nee, nee... het is niet waar... Hoe kun je dood zijn? … Overal leefde je nog ... Zo-even nog in het bos ... je stem zo dicht bij mijn oor ... Altijd, altijd was je bij me ... Jouw adem op mijn wang ... Je hand in mijn haar... (Angstig:) Niet waar … Het is niet waar? Je mond boog net nog onder mijn kussen... (wachtend:) Je bloed druppelt nog steeds met een zachte slag... Je bloed is nog steeds levend ... (Ze buigt zich diep over hem heen:) Oh! de brede rode streep ... Ze hebben het hart geraakt ... (Bijna onhoorbaar:) Ik wil het kussen... met de laatste adem ... je nooit meer loslaten... (richt zich half rechtop:) In jouw ogen kijken ... Alle licht kwam uit jouw ogen... Ik werd duizelig als ik naar jou keek ... (Glimlachend, mysterieus, teder in herinnering:) Nu kus ik mezelf dood op jou. (Diepe stilte. Ze kijkt hem star aan. Na een pauze plotseling:) Maar zo vreemd is je oog … (verrast:) Waarnaar kijk je? (Heviger:) Waarnaar ben je naar op zoek? (Kijkt om zich heen; naar het balkon :) Staat daar iemand? (Weer terug, hand op het voorhoofd:) Hoe was dat nog de vorige keer? … (steeds meer verdiept:) Was dat toen ook niet in je blik? (Zoekt hard in haar herinnering:) Nee, gewoon zo verstrooid... of ... en plotseling werd je weer jezelf ... (Altijd helderder wordend:) En je was drie dagen niet bij me ... geen tijd... Zo vaak heb je de afgelopen maanden geen tijd gehad ... (Jammerend, als het ware afwerend:) Nee, dat is toch niet mogelijk ... Dat is ... (in een flits van herinnering:) Ah, nu herinner ik me... De zucht half in slaap ... als een naam ... Je kuste de vraag van mijn lippen … (Somber:) Maar waarom beloofde hij vandaag naar mij toe te komen? … (In woedende angst :) Ik wil dat niet ... Nee, ik wil het niet... (Springt op, draait zich om:) Waarom heeft men je vermoord? … Hier voor het huis ... Heeft iemand je ontdekt? … (Schreeuwt het uit, alsof ze zich vastklampt:) Nee, nee... mijn enige geliefde... dat niet ... (Bevend:) Oh, de maan wankelt ... Ik kan niets zien... Kijk me toch aan... (plotseling haastig:) Kijk je weer daarheen? … (Naar het balkon:) Waar is ze dan ... de heks, de deerne... de vrouw met de witte armen ... (honend:) Oh, jij houdt wel van de witte armen ... hoe je haar rood kust ... (Met gebalde vuisten:) Oh, jij... jij ... jij ellendeling, jij leugenaar... jij ... Zoals je ogen me ontwijken! … Kronkel je van schaamte? … (Duwt met haar voet tegen hem aan :) Je hebt haar omhelsd ... Ja? … (geschokt van walging:) zo teder en hebzuchtig ... en ik wachtte... Waar is ze naartoe gelopen toen jij onder het bloed zat? … Ik wil haar aan de witte armen meesleuren ... zoals dit (gebaart; ineenstortend :) Er is daar geen plek voor mij ... (snikt:) Oh! Niet eens de genade met jou te mogen sterven ... (Zinkt neer, wenend:) Hoeveel, hoeveel ik van je hield ... Ik leefde ver weg van alles ... aan alles vreemd ... (zinkt weg in mijmering:) Ik kende niets behalve jou... dit het hele jaar door ... sinds je mijn hand voor het eerst vastnam... oh, zo warm ... Nooit eerder heb ik van iemand zo gehouden zo... Je glimlach en je praten... Ik hield zo veel van je... (Stilte en snikken. En dan zachtjes, zich oprichtend :) Mijn liefste... mijn enige lieveling... heb je haar vaak gekust? … terwijl ik stierf van verlangen ... (Fluisterend:) Heb je heel veel van haar gehouden? (Smekend:) Zeg niet: ja ... Je glimlacht smartelijk... Misschien heb je ook geleden, misschien riep je hart je toe ... (Stiller, warm:) Wat kan je eraan doen? … Oh, ik vervloekte je... Maar jouw medelijden maakte me gelukkig ... Ik dacht dat ik gelukkig was ... (Stilte. Deemstering aan de linkerkant in het oosten. Laag in de lucht, wolken verlicht door een zwakke gloed, geelachtig flikkerend als kaarslicht. Ze staat op:) Liefste, liefste de morgen komt ... Wat moet ik hier alleen doen? … In dit eindeloze leven … in deze droom zonder grenzen noch kleuren ... Want mijn grens was de plek waar je was ... En alle kleuren van de wereld braken uit jouw ogen … Het licht zal voor iedereen komen... maar ik alleen in mijn nacht? … De ochtend scheidt ons ... altijd de ochtend ... Zo hard kus je me ten afscheid ... weer een eeuwige dag van wachten ... Oh, je ontwaakt niet meer … Duizend mensen lopen voorbij... ik herken je niet... Allemaal leven ze, hun ogen branden ... Waar ben je? … (Stiller:) Het is donker ... jouw kus als een vlammenteken in mijn nacht... Mijn lippen branden en gloeien ... naar jou toe ... (schreeuwt het uit van vreugde:) Oh, ben je daar ... (tegen iets in de tegenovergestelde richting:) ik was op zoek ...
(werkvertaling Karel D’huyvetters © 2026)
Categorie:muziek
|