Op een nacht werd ik wakker met in mijn hoofd een flard van de tekst van een schlager: put your lips a little closer to… Door die woorden steeds te herhalen kwam er langzaam ook een ritme naar voren, en stilaan ook een melodie, maar de tekst bleef onvolledig. Plots hoorde ik die woorden ook geïntoneerd, door Elvis Presley.
’s Morgens was de herinnering aan die nachtelijke openbaring nog zeer levendig, en nog voor het ontbijt startte ik de laptop op om de gedeeltelijke tekst op te zoeken met Google. Dit is het resultaat.
Put your sweet lips a little closer to the phone
Let's pretend that we're together all alone
I'll tell the man to turn the juke box way down low
And you can tell your friend there with you he'll have to go
Whisper to me tell me do you love me true
Or is he holding you the way I do
Though love is blind make up your mind I've got to know
Should I hang up or will you tell him he'll have to go
You can't say the words I want to hear
While you're with another man
Do you want me answer yes or no
Darling I will understand
Put your sweet lips a little closer to the phone
Let's pretend that we're together all alone
I'll tell the man to turn the juke box way down low
And you can tell your friend there with you he'll have to go
Een vertaling is overbodig, lijkt me. Tekst en muziek is van Audrey en Joe Allison, en de country song He’ll have to go werd een hit in 1960 in de versie van Jimmy Reeves. Presley nam zijn versie op in 1976. Ik probeerde vruchteloos de ene of de andere versie te beluisteren op het internet, maar dat zal wel aan mij liggen.
Pure nostalgie… Maar wat me daarbij intrigeert is: waar komt die vrij accurate herinnering vandaan, na meer dan vijftig jaar?
Niet uit een recente gebeurtenis: in de voorbije dagen ben ik niet bewust teruggegaan naar ‘de tijd van toen’, en er waren ook geen externe verwijzingen naar vroeger in films, liedjes op de radio of nieuwsberichten… Uit de ontelbare dingen die in mijn geheugen opgeslagen liggen zonder dat ik me daarvan bewust ben, is die nacht ongevraagd en spontaan die tekst gedeeltelijk naar boven komen drijven, heeft me wakker gemaakt en heeft zich aan mijn slaapdronken bewustzijn opgedrongen. Door vervolgens mijn geheugen op een of andere manier denkend te bevragen en te activeren, woordeloos, zonder die vragen te formuleren, gewoon door mijn brein zijn gang te doen gaan met de luttele elementen die het zelf had opgehoest, kwamen er andere gegevens naar boven. De tekst was onvolledig en niet helemaal accuraat, maar wellicht is hij dat nooit geweest: in die tijd was mijn kennis van het Engels erg beperkt, en ik herinner me zeker niet dat ik het verhaaltje achter de tekst ooit gekend heb.
Elke morgen sta ik op met de herinnering aan het feit dat ik uitvoerig en zeer in detail gedroomd heb, dat er zich een theatervoorstelling heeft afgespeeld in mijn brein, of beter nog: een belevenis, alsof ze reëel was, in het echte verleden, maar anders dan in mijn herinnering; het is veeleer een fictieve vermenging van allerlei reële elementen, en in mijn droom weet ik op en of andere manier ook dat het een droom is, omdat het theater niet overeenstemt met mijn herinnering. Ik lijk wel wakend aanwezig in mijn droom, als een kritische toeschouwer, die weet hoe het echt was, en wat kan en wat niet kan. Meestal kan ik me de uiterst levendige dromen achteraf niet in detail herinneren, hoewel ik er ’s nachts van overtuigd ben dat dit wel het geval zal zijn, en blijft er slechts een vervelend knagend bijna-herinneren hangen tijdens de eerste uren van de dag.
Tijdens onze slaap verandert de activiteit van ons lichaam: wij reageren nog nauwelijks op zintuiglijke prikkels en we maken geen bewuste bewegingen. Voor het overige zijn er geen opvallende verschillen: onze autonome functies zoals ademen, de hartslag, de spijsvertering enzovoort gaan gewoon door. En ook onze hersenactiviteit valt niet stil. Wetenschappers hebben verschillende fasen ontdekt tijdens de slaap waarbij de hersenen typische meetbare kenmerkende activiteiten vertonen, maar er blijken geen grote verschillen te zijn met de soorten hersenactiviteit van overdag.
Ons leven gaat ’s nachts dus gewoon door, we zijn alleen minder mobiel, we verplaatsen ons nauwelijks en we zijn minder ontvankelijk voor stimuli van buitenaf. Ons brein is blijkbaar net zoals de rest van ons lichaam niet minder actief dan overdag, maar anders. Er zijn immers veel minder stimuli die moeten verwerkt worden, en er is geen bewuste activiteit die ontplooid wordt. Er is dus minder bewustzijn, omdat er minder is om ons bewust van te zijn. Maar hetzelfde brein, dat overdag zo spetterend actief kan zijn en ons toelaat bewust en ingrijpend te leven in de wereld, blijft actief, niet alleen om de andere, autonome lichamelijke activiteiten in stand te houden, zoals de ademhaling, de bloedsomloop en de spijsvertering, om nog te zwijgen van allerlei vormen van regeneratie, maar blijkbaar ook op het domein van de betekenis, het inhoudelijke denken, met woorden, beelden, kleuren en geuren.
Het verschil is dat het geen beleving is van de wereld buiten ons, maar een spel dat zich afspeelt in ons brein, met hetzelfde orgaan en dezelfde toepassingen als overdag. Wat we wakend kunnen, doen we ook al slapend, maar dan met wat er in ons geheugen is opgeslagen. Het zijn echter geen correcte herinneringen (al zijn die overdag ook meestal niet helemaal betrouwbaar); het lijkt wel alsof er een andere auteur en een andere regisseur aan het werk is, die met het bestaande geheugenmateriaal aan het werk gaat, en er een eigen toneelstuk mee maakt, een game, gebaseerd op een andere interpretatie van de gegevens, en met toevoegingen, weglatingen, vervormingen, zoals wij zelf soms doen in onze verbeelding, zoals kunstenaars doen in hun werk.
Soms, wanneer mijn dromen erg indringend zijn, word ik ’s morgens mentaal vrijwel uitgeput wakker, alsof ik een aangrijpende gebeurtenis heb meegemaakt, en dat is in feite ook zo, althans mentaal. Een droomgebeurtenis is voor mijn brein even reëel als een reële gebeurtenis, met dat verschil dat er geen fysieke gevolgen zijn van gebeurtenissen die zich enkel in mijn dromend brein hebben afgespeeld: nee, ik heb niet in mijn broek geplast, of op een plaats waar geen toilet is; nee, ik heb geen seks gehad met die persoon; nee, ik heb die boze woorden niet uitgesproken, en nee: mijn jeugdvriend leeft niet meer, Vader is niet ontwaakt uit zijn coma…
Meestal herinner ik me de details niet, maar omdat veel dromen herhaaldelijk terugkomen, weet ik nu ook bewust welke dat zijn, en zijn sommige droomelementen me op een vreemde manier vertrouwd. Het zijn nu herinneringen zoals die aan werkelijke gebeurtenissen, en soms weet ik niet meer of een herinnering reëel is, of een herinnering aan een droom, of misschien een reële herinnering die verzeild geraakt is in een droom, en zo een tweedegraads herinnering geworden is…
Ik lijk wel twee stadia te hebben in mijn leven. Ik ben één persoon, maar ik leef op twee manieren, de ene wakend, de andere slapend. Beide zijn noodzakelijk en onvermijdelijk, en het is hetzelfde lichaam dat beide doet, slapen en waken, zodat het een vreemde, diverse eenheid vormt, waarbij wat zich in mijn wakker brein afspeelt en opslaat, in het slapend brein als het ware een eigen leven gaat leiden, deels aangestuurd door bewuste en onbewuste elementen uit mijn wakend bestaan, deels in vrijloop en open associatie, een aleatorische draaikolk van aanwezige of verbeelde elementen, als in een boek van Borges of Calvino.
Ik aarzel om met mijn dromen anders om te gaan dan met grote terughoudendheid. Ik schrijf ze niet op, ik probeer niet actief om de herinneringen op te halen aan wat er zich ’s nachts heeft afgespeeld. Ik koester de tere restanten die zich aanbieden en benader ze omzichtig, als een pregnant maar ingetogen kunstwerk, dat zijn versluierde geheimen ongaarne prijsgeeft en suggestief een mysterievolle maar belangrijke, rijke betekenis in zich draagt, die zich slechts onthult wanneer men er niet actief naar op zoek gaat.
Onze dromen zijn een onvermoede rijkdom in ons leven. Ze zijn een andere activiteit van dezelfde persoon, maar dan louter mentaal, en zo spontaan en oncontroleerbaar dat het welhaast een wonder lijkt. Misschien is dat wat er gebeurt bij mensen met een mentale stoornis: dan gaat het brein zijn eigen gang, en verliest het grotendeels het contact met de werkelijkheid, en de mogelijkheid om daarin bewust en rationeel op te treden. Misschien is het ook dat wat mensen zoeken in allerlei drugs: een toestand waarin men in vervoering is, een vlucht uit de gore of oninteressante werkelijkheid. Misschien is ook dat ook de dimensie waar kunst ontstaat.
Het is een moeilijk evenwicht tussen waken en slapen, tussen bewustzijn en verbeelding, tussen denken en doen, tussen droom en daad.