Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: literatuur

Sofokles: Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes

Sofokles, Vier helden, Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes, Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Eindhoven: Damon, 2026, 350 blz., hardcover met leeslint, € 29,90.

Na de eerdere uitstekende vertaling van de drie Thebaanse tragedies rond Oidipous en Antigone (klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2625951) brengen Patrick Lateur en Uitgeverij Damon ons nu de vier overige bewaarde tragedies van Sofokles (496-406) in het bekende fraaie formaat dat de uitgaven van Damon kenmerkt en siert. Wat ik toen schreef blijft integraal gelden en wordt door deze nodige en bijzonder nuttige aanvulling bekrachtigd.

Het viel mij weer op dat je een zo’n tragedie op vrij korte tijd kan lezen zonder enige moeite: je blijft zonder meer geboeid door het verhaal, de dialogen en de scenische illusie die ook in deze ‘moderne’ vertaling zorgzaam bewaard blijven. Des te meer verwondert het me dat we toentertijd op school slechts moeizaam enkele verzen gelezen hebben van Homeros, en ik me weinig of niets herinner van andere Griekse auteurs, hoewel we vier tot zes uur per week Griekse les hadden, vijf jaar lang. Ook nadien heb ik deze tragedies nooit gelezen, hoewel ik toch enkele duizenden boeken gelezen heb in mijn leven. Dat is dus zonder enige twijfel de grote verdienste van de onvolprezen vertaler, Patrick Lateur, die al zoveel gedaan heeft voor de ontsluiting van de klassieke en met name de Griekse literatuur. In een tijd dat men de mond vol heeft van de verdediging van onze Westerse waarden past het dat we teruggrijpen naar de bronnen van onze beschaving, en in het besef van onze afhankelijkheid van het genie van mensen die vijfentwintig eeuwen geleden leefden, leren inzien wat precies die waarden zijn, en waarom andere, minder verheven en minder integere waarden, die ons vanuit andere tradities komen aanwaaien en zelfs bedreigen, resoluut ontkracht en afgewezen moeten worden.

Ook in deze tragedies gaat het in de eerste plaats om mensen, om hun aanvoelen, hun emoties, hun afwegingen, hun redeneringen, hun overhaaste of juist weloverwogen daden, en de gevolgen daarvan. Af en toe wordt verwezen naar goden, maar dat zijn niet meer dan pro forma literaire conventies en namen die men traditioneel geeft aan juist dat aanvoelen, die krachtige elementaire emoties, zoals liefde en haat en wrok, hoop en vrees en wanhoop en vreugde en wat die met mensen doen; en aan het wereldbestel, zoals het lot, de natuurwetten, leven en dood, ziekte, moord en vergelding.

Deze tragedies hebben hun Sitz im Leben, hun omkadering en hun herkenbaarheid in de rijke Griekse mythologie en literatuur. Het zijn als het ware commentaren, toevoegingen, parafrases, prequels en sequels op vooral de Homerische verhalencyclus, die toentertijd alom bekend was. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen hoe zelfs de kleinste allusie voldoende was om bij het publiek de juiste snaar van het collectieve geheugen te doen trillen. Als wij in onze huidige eigen cultuur zouden moeten gaan zoeken naar eenzelfde even algemeen gedeeld gedachtengoed, dan zou dat ons snel tot algehele en uitzichtloze verwarring brengen. Welke figuren, thema’s, verhalen uit onze beschavingsgeschiedenis zijn in onze veel grotere wereld alom bekend en geapprecieerd, tenzij precies die enkele uit de klassieke oudheid zoals Oidipous, Elektra, Antigone, Odysseus, Heracles, Orpheus en Erydice, Hector en Achilles? Het is niet verwonderlijk dat grote figuren uit de wereldliteratuur niet zelden naar dergelijke figuren teruggegrepen hebben als inspiratiebron voor hun eigentijdse (her)scheppingen.

Het belang van publicaties als deze kan dan ook niet overschat worden. Uitzonderlijke vertalers als Patrick Lateur, die nog bij machte zijn om op eigen kracht en met grote kennis van zaken deze teksten uit het oorspronkelijke Grieks voor een zo ruim mogelijk publiek te onthullen en te vrijwaren, kunnen niet genoeg geprezen worden om hun onverdroten inspanningen, die hun even weinig roem als gewin opbrengen, zonder dat hen dat blijkbaar ooit ontmoedigt. En een even uitzonderlijke uitgeverij als Damon verdient een ereplaats in de helaas steeds meer bedreigde, altijd al dun bezaaide rij van ernstige instellingen die zich nog bekommeren om ons gezamenlijke culturele erfgoed, en niet toegeven aan de ontstellende banaliteit van kookboeken, reisgidsen, thrillers, egotrippers en pornostrippers. Tolle, lege!

Stuur door

Schreien en schreeuwen

Schreien en schreeuwen

Als je veel leest, en in verscheidene talen, vallen er allengs allerlei eigenaardigheden op, gelijkenissen en verschillen, overeenkomsten en afwijkingen. Al een hele tijd ben ik geïntrigeerd door een verwante groep werkwoorden die een gemeenschappelijke stam lijkt te hebben, zoiets als skr of schr, wat eigenlijk hetzelfde is, of cr en kr.

Laten we beginnen met het Engelse cry. Als werkwoord, to cry heeft het twee specifieke betekenissen, namelijk roepen en wenen. Het is afgeleid, zoals veel Engelse woorden na 1066, van het Franse crier, dat enkel de oorspronkelijke betekenis van roepen heeft, niet die van wenen; die is er in het Engels gekomen vanaf de 13de eeuw, en was er algemeen vanaf de 16de eeuw. Het is opvallend dat eenzelfde evolutie zich niet heeft voorgedaan in het Frans.

Hetzelfde verschijnsel als in het Engels zien we wel in het Duits: schreien betekent zowel schreeuwen als wenen of huilen. In het Nederlands hebben we echter schreien voor wenen, en schreeuwen voor roepen. Maar er is ook ‘schremen’ voor wenen, althans in het Vlaams, vanaf de 16de eeuw, een variant van schreeuwen; vergelijkbaar met het Engelse to scream, dat echter enkel de betekenis heeft van roepen. Huilen heeft wel dezelfde twee betekenissen van luid roepen en wenen, maar is etymologisch niet verwant. Schreeuwen is dan weer een afleiding van schreien, maar opvallend zonder de betekenis van wenen. Ook krijten en krijsen (allicht zoals het Franse crier en het afgeleide Engelse cry) zijn verwant, gezien hun betekenis van gillen, schreeuwen, en zelfs huilen, van kinderen dan.

Wenen, althans het hoorbare aspect ervan, en roepen zijn vaak niet van elkaar te onderscheiden als uitingen van hevige emoties, bijvoorbeeld bij fysiek of psychisch leed. Vandaar dat sommige woorden beide betekenissen hebben in sommige talen, maar andere slechts één van beide specifieke betekenissen, hoewel ze taalkundig verwant zijn.

Taal is heel menselijk. Onze talen, zowel de Romaanse als de Germaanse, zijn elk intern sterk met elkaar verwant, en door volksverhuizingen en nabuurschappen zijn ook de Romaanse en Germaanse door elkaar beïnvloed. Maar onze talen zijn ook een autonoom leven gaan leiden, zeker wanneer er voor het onderricht regels opgesteld werden en de taal (min of meer) vastgelegd werd. Van al die bewegingen zien we sporen in ons taalgebruik. Ik althans vind het ongemeen boeiend om me daarin te verdiepen. Ik zou niet zo ver gaan als in een citaat dat aan Goethe toegeschreven wordt, namelijk dat zoveel talen iemand spreekt, zoveel malen die mens is, maar voldoende vertrouwd zijn met andere talen om er waardevolle teksten in te lezen, zij het met behulp van woordenboeken en online vertaaltechnieken, ervaar ik zeker als een persoonlijke verrijking.

Stuur door

Waarheid en verzinsel

Waarheid en verzinsel

Iedereen is vertrouwd met het verschil dat men in de literatuur maakt tussen fictie en non-fictie. In veel gevallen is dat onderscheid terecht en adequaat. Een roman is fictie, een geschiedenisboek is non-fictie. Vaak zijn romans en dergelijke inderdaad ‘fictief’, verzonnen dus. Dat wil echter niet zeggen dat wat erin staat niet strookt met de werkelijkheid. Niet zelden zijn verhalen gebaseerd op waar gebeurde feiten. En zelfs als dat niet het geval is, schetsen ze een geloofwaardig en verhelderend beeld van de wereld, of beogen dat althans te doen. Dat lijkt een belangrijke functie te zijn van dat soort van literatuur: op een aantrekkelijke, boeiende maar verzonnen manier iets betekenisvols zeggen over onze wereld.

We maken wel degelijk terecht een scherp onderscheid tussen fictie en andere literaire vormen zoals geschiedschrijving, journalistiek, verslaggeving en getuigenissen. In fictie mogen auteurs de vrije loop laten aan hun verbeelding bij het voorstellen of interpreteren van de werkelijkheid; in non-fictie is dat uit den boze. Maar die fictie geeft bijna altijd een beeld van de werkelijkheid, hetzij concreet, hetzij door een omweg zoals de allegorie, het gebruik van symbolen of andere literaire conventies. Geschiedschrijving bevat naast objectieve altijd ook een aantal speculatieve, zeg maar verzonnen gegevens en interpretaties, zij het op grond van beschikbare aanwijzingen.

In sommige gevallen wordt een verzonnen verhaal voorgesteld als een objectief getuigenis over ware gebeurtenissen. Dat noemen we dan fraude. We willen altijd goed weten of wat verteld wordt waar is of fictie, ook als het over dezelfde feiten en gebeurtenissen gaat. Een verhaal dat als een ooggetuigenverslag wordt aangeboden, moet authentiek zijn. Men aanvaardt allicht nog een zekere marge van verdichting in de voorstelling, maar er mogen geen flagrante leugens in staan.

Een specifiek geval is de literatuur over de holocaust. Wegens het gruwelijke karakter en de omvang van die ontstellende gebeurtenissen zijn daarover ontelbaar veel boeken geschreven, zowel door ooggetuigen als door latere auteurs, zowel fictie als non-fictie, en zolang dat onderscheid duidelijk is, is er niets aan de hand. Als we daarover een roman lezen, weten we dat het een verzonnen verhaal is, en we houden daar uiteindelijk altijd rekening mee. We weten dat dergelijke zaken gebeurd zijn, ook al was dat anders dan zoals ze beschreven zijn. We nemen auteurs niet kwalijk dat ze ons een verzonnen verhaal vertellen, dat is immers hun goed recht, en verzonnen verhalen kunnen gerust heel wat boeiender, indrukwekkender of vreselijker zijn dan wat echt gebeurd is.

Er zijn evenwel een aantal bekende gevallen waarbij auteurs over de holocaust een verzonnen verhaal hebben voorgesteld als een ooggetuigenverslag, en zowel het publiek als de critici overtuigd hebben. Men heeft een aantal van dergelijke frauduleuze publicaties hoog geprezen om hun literaire kwaliteiten, of juist om het ontbreken daarvan, wanneer ze zogezegd door eenvoudige lieden geschreven zijn, of het verhaal vertellen vanuit een kind als ik-persoon. Ze zijn in vele talen vertaald en haalden de wereldpers. Er zijn filmversies van gemaakt, uitgaven voor de jeugd en zelfs stripverhalen. De auteurs zijn uitvoerig en enthousiast gelauwerd en verschenen in alle media. Tot men ontdekte, bijvoorbeeld op grond van details, dat het verhaal niet klopte.

Dat veroorzaakte fameuze schandalen. Maar waarom? Was alles wat voorheen gezegd was over die boeken plots niet meer waar? Waren de literaire kwaliteiten plots verdwenen omdat het niet om ware verhalen ging maar om fictie? Zouden die verhalen als ze van meet af aan als fictie waren aangeboden hetzelfde succes gehad hebben? Meer dan waarschijnlijk niet. En wanneer de auteurs als regelrechte bedriegers ontmaskerd waren, was de verontwaardiging groot. We gaan met ooggetuigen en hun verslagen anders om dan met fictie. We appreciëren beide genres, maar we aanvaarden niet dat men zich anders voordoet dan men is, dat men het respect dat men heeft voor ooggetuigen opeist op grond van een verzonnen verhaal. We willen niet bedrogen worden als het om de feiten gaat, zeker als dat belangrijke of uitzonderlijke feiten zijn.

Dat is zeker zo in flagrante gevallen, zoals dat van Binjamin Wilkomirski (Bruno Dössekker, geboren Grosjean) en zijn Bruchstücke (1995), Misha Defonseca (Monique De Wael) en haar Survivre avec les loups (1997), en Herman Rosenblat en zijn Angel at the Fence (gepland voor 2009, maar ingehouden).

Als we de zaak ruimer bekijken, dan moeten we ten minste uitgaan van de veronderstelling dat er ongetwijfeld nog meer getuigenissen zijn die minder geloofwaardig zijn dan men aanneemt, of zelfs volledig verzonnen zijn, en dat over alle mogelijke onderwerpen. Naast flagrante en opzettelijk fraude zijn er zeker nog meer gevallen van leugens om bestwil, getuigenissen die te goeder trouw afgelegd zijn, maar die vertekend zijn door de tijd of de omstandigheden, en interpretaties die niet altijd door de feiten ondersteund zijn. Wat wij menen te weten, berust niet altijd op de waarheid, de volledige waarheid en niets dan de waarheid. We zouden ons voortdurend moeten afvragen of wat we vernemen wel waar is, maar meestal ontbreekt het ons aan de middelen om dat na te gaan. Zo blijven heel wat frauduleuze zaken allicht voor altijd verborgen voor de meeste mensen, en zijn er heel wat zaken die iedereen voor waar aanneemt, maar het helaas niet zijn. Dat er geen enkel historisch bewijs is voor het bestaan van een persoon Jezus van Nazareth, of Paulus, verhindert de Kerk niet dat al tweeduizend jaar te verkondigen, noch de gelovigen om het voor waar aan te nemen. Men zegt dat de ‘Eskimo’s’ 52 woorden hebben voor sneeuw, maar dat klopt niet, ze hebben er maar ongeveer evenveel als wij.

Een conclusie die zich opdringt, is dat we voorzichtig moeten zijn met fictieve literatuur.

Een oorlogsdagboek is misschien wel authentiek, maar is het accuraat? Is dat het geval met Virginie Loveling over de Eerste Wereldoorlog (1999)? Met Ludo Simons over Jozef Simons (2016)? Met de ‘roman’ ‘Oorlog en terpentijn’ van Stefan Hertmans? Of de dagboeken van grootvader Hermans echt bestaan, zullen we allicht nooit weten. Veel van wat Livius schreef over de geschiedenis van Rome is zonder meer verzonnen. Of het verhaal van Abélard en Héloïse, of dat van Jan Breydel enige grond van waarheid heeft, is uiteindelijk triviaal voor de meesten onder ons, hoezeer die verhalen later in de literatuur ook opgang gemaakt hebben. De vraag naar de waarheid wordt pas echt relevant als het om echt belangrijke zaken gaat.

Dat is inzonderheid zo voor de geschriften die als basis dienen voor de zogenaamde godsdiensten van het boek, het jodendom, het christendom en de islam. De godsdiensten beschouwen die teksten als heilig, en zeker de laatste twee als door God zelf geïnspireerd. De impact van die teksten op onze wereld was en is onvoorstelbaar groot. En toch wist men al heel vroeg dat niet alles wat erin staat echt gebeurd kan zijn, en dat ze bedacht en geschreven en herschreven zijn door mensen.

Het boek Job is om verschillende redenen een opvallende verschijning in de Joodse Bijbel, in zoverre zelfs dat men veronderstelt dat het verhaal niet oorspronkelijk Joods is. Maar aan de andere kant is het wel een typisch Joods verhaal, omdat de God die erin optreedt alle kenmerken vertoont van de Joodse God. Hij veroorzaakt of duldt al het leed van Job, en beloont hem honderdvoudig voor zijn trouw geloof. We lezen het verhaal geboeid, maar we weten dat het een emblematisch en een stichtend, geen waargebeurd verhaal is. Als we lezen dat Salomo zevenhonderd vrouwen had en daarnaast driehonderd bijvrouwen (1 Kon 11:3), monkelen we even, halen de schouders op en lezen dan weer verder. Niemand neemt het verhaal met de sprekende ezelin van Bileam (Num 22:28-32) letterlijk. Maar toch verwacht men van de lezers van de Joodse Bijbel dat ze onvoorwaardelijk geloven in de almachtige, belonende en bestraffende God die erin beschreven wordt.

Ongetwijfeld het belangrijkste geloofspunt van het christendom is de verrijzenis van Jezus, de mens-geworden zoon van God, en de opstanding van alle gelovigen bij het einde der tijd. In Paulus 1ste brief aan de Korintiërs lezen we:

In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte.

Paulus geeft toe dat hij geen getuige was van de hemelvaart. De overlevering die hij ontvangen heeft over de verrijzenis vinden we enkel bij Lukas, in zijn Evangelie en de Handelingen, niet bij de andere drie evangelisten, en zelfs bij Lukas is de tekst erg twijfelachtig en contradictoir. ‘Volgens de Schriften’ betekent hier niet dat de gebeurtenissen in de (Joodse) Schriften beschreven staan, maar dat ze erin voorspeld werden. Dat verhindert Paulus niet om vervolgens te stellen:

 Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens. Dan volgt zelfs dat wij over God een vals getuigenis hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus ten leven heeft gewekt, wat Hij niet gedaan heeft, indien, zoals zij beweren, de doden niet verrijzen. Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn. 

Voor wie ook maar een greintje gezond verstand heeft, is het onbegrijpelijk dat iemand op zulke losse gronden heeft kunnen geloven dat wat Paulus zegt waar is. Dat mensen sterven en weer levend worden, dat is echt onmogelijk, dat heeft nog nooit iemand meegemaakt. En toch heeft men dat tweeduizend jaar lang staande gehouden, en dat doet men nog steeds, en dat is de basis en de bestaansreden voor het christelijk geloof, dat nog steeds 2,38 miljard mensen belijden.

Het dogma van de wederopstanding is niet zomaar een vreemd idee dat men blindelings moet geloven op het getuigenis van anderen. Het heeft ook enorme implicaties, en daar is het om te doen. Aan het leven na de dood zijn immers voorwaarden verbonden, en de essentie daarvan is dat men zich onderwerpt aan het gezag van de Kerk, en de voorschriften en verbodsbepalingen strikt naleeft. Doet men dat niet, dan zal me na de dood voor eeuwig gemarteld worden in de hel. Hemel en hel, beloning en bestraffing zijn dus de stok achter de deur om de mensen in het gareel te houden, niet alleen voor het onderhouden en uitvoeren van talloze banale of idiote rituele verplichtingen, maar ook voor het naleven van opgelegde gedrags- en samenlevingspatronen. De Kerk bepaalt alle aspecten van heel het privéleven en van de hele samenleving. Wie gelooft en de geboden en verbodsbepalingen naleeft, zal in dit leven gelukkig zijn; en mocht dat toch niet het geval zijn, dan gebeurt dat in het hiernamaals. Dat geldt vice versa ook voor wie dat niet doet; hun wacht onheil in dit leven, en eeuwige bestraffing na de dood, of de totale vernietiging.

De Kerk ziet toe op de verspreiding van die onzalige onzin, en op het naleven van de regels. De bedienaars van de eredienst bekleden een hoge gezaghebbende functie in het maatschappelijk leven en worden daarvoor gerespecteerd en goed betaald. En dat is in feite waar het hun om te doen is. Godsdienst is in feite niets anders dan een systeem van economische onderdrukking van de massa door een religieuze elite. De hele rituele inkleding is niet meer dan dat, een middel om het lucratieve machtssysteem in stand te houden.

Ik beweer niet dat godsdienst het enige onderdrukkingsmiddel is. Vanouds was er ook het recht van de sterkste, en ook dat kan vele vormen aannemen. Naast de fysieke overmacht is er ook de sluwheid, en gewiekste bedriegers vindt men overal. De politiek is altijd een kwestie van macht en sluwheid geweest en is dat nog steeds. Maar daarnaast zijn er ook altijd mensen geweest die een plaats in de samenleving wisten te veroveren door het vertellen van verhalen. Het Oude Testament is daarvan een krachtig voorbeeld, net zoals nadien het Nieuwe Testament en de Koran, en al de commentaren die erbij verteld en geschreven zijn. Naast al de eindeloze religieuze literatuur is er ook de profane, en die is verantwoordelijk voor vele andere ideeën die mensen overnemen en aankleven. Denk aan het Romeinse patriotisme, aan de feodaliteit, aan hoofse liefde, aan de gilden, aan romantiek, aan het kolonialisme, aan nationalisme, racisme, antisemitisme, socialisme, liberalisme, communisme, kapitalisme, ecologisme…

Literaire roem en commercieel succes is iets wat velen nastreven. Er bestaat een hele literaire industrie, met een geschatte waarde aan omzet van meer dan 100 miljard per jaar. Jaarlijks worden er massa’s ‘boeken’ gepubliceerd, naargelang de telling tussen de 500.000 en vier miljoen… Daarin worden feiten en gebeurtenissen weergegeven, en ideeën voorgesteld, waarvan die miljarden lezers kennisnemen. De waarheidswaarde van al die publicaties gaat van het absolute nulpunt tot een onbereikbaar hoogtepunt. Bovendien lezen mensen zelden heel kritisch. De kans is dus groot dat veel van wat geschreven wordt niet helemaal waar is, en toch door velen voor waar aangenomen wordt. Zo komt het dat sommige valse ideeën zelfs gemeengoed worden, terwijl ze door een enkeling verzonnen zijn. Dat kan verregaande gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal over de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein in Irak.

Wat de mens onderscheidt van andere levende wezens is ongetwijfeld de taal, als uitdrukking van onze hogere mentale vermogens. Taal is een machtig wapen, naast fysiek geweld. Taal kan bevrijden en verhelderen, maar ook onderdrukken en verduisteren. In onze mediatieke tijd is taal alomtegenwoordig, maar het is nu niet gemakkelijker om de waarheid te achterhalen dan vroeger. Nog nooit waren er zoveel mensen, objectief en relatief, die kunnen lezen en schrijven, en nog nooit is er zoveel onzin en onwaarheid verteld. Fake news wordt als waar verkocht, en geverifieerde feiten worden als fake news bestempeld. Stilaan krijgt nu ook AI het (laatste?) woord, en is er niemand meer hoofdelijk verantwoordelijk voor wat daar gezegd wordt. Fact-checken wordt alsmaar moeilijker, en eerlijke en competente journalistiek veeleer een zeldzaamheid. Alles is een verhaal, alles een fictie, een virtuele realiteit, een alternatieve waarheid, een opinie, een ideologie. We hebben de grote verhalen achter ons gelaten, en iedereen heeft nu een eigen verhaal, een eigen waarheid. De Babelse of Babylonische spraakverwarring (Gen 11:1-9) is compleet. We kunnen niemand nog geloven, en geloven in niets meer, omdat we al zo vaak bedrogen en verraden zijn. Tot we weer een andere rattenvanger achternalopen, verleid door een nieuw deuntje, door een nieuw verhaal, een nieuw beloofde land of een nieuwe catastrofe tegemoet.

Stuur door

Peter Venmans, Gastvrijheid (recensie)

Gastvrijheid. Filosofisch essay.
Wie enigszins vertrouwd is met Peter Venmans boeken zal meteen zijn modus operandi herkennen. Hij kiest een treffend thema uit onze cultuur, en gaat dan op zoek naar allerlei aanknopingspunten, in de literatuur, de filosofie, de antropologie, de godsdienst, de reclame, de media, de hedendaagse samenleving, de politiek, de actualiteit. Het levert een aangename en vrij boeiende tekst op, waarbij de lezer zich veelal bevestigd voelt in zijn overtuigingen en gevoelens, en tevens heel wat interessante informatie opdoet.
Peter Venmans is geen filosoof met de hamer: hij hanteert de pen veeleer als een ganzenveer, waarmee hij lichtvoetig de gedachten schetst die bij hem opkomen bij zijn veelzijdige opzoekingen rond dit thema. Hij heeft geenszins de bedoeling ons te overtuigen van zijn opvatting ter zake, voor zover hij die al zou hebben. Hij lijkt ons veeleer te willen aanzetten om zelf te denken, zoals Kant voor hem: sapere aude! Menig filosoof zou er goed aan doen iets vaker deze methode te gebruiken dan de al te zelfzekere, zo al niet arrogante stijl waarin ze ons vaak proberen te overweldigen.
Deze losse, bijna badinerend benadering van een belangrijk thema, die overigens eigen lijkt aan het genre van het essay, mag dan al bij een ruim publiek goed onthaald worden, ze heeft desondanks toch haar grenzen. Door de vele aangehaalde voorbeelden en vindplaatsen en de talloze verwijzingen, de uitvoerige citaten en parafrasen, raakt men soms de rode draad kwijt, of komt men tot het besef dat die eigenlijk ontbreekt. De auteur vertrekt niet van een klare definitie van het behandelde onderwerp, maar besluipt als het ware zijn prooi vanuit talloze hinderlagen en uitkijkposten, zonder ze ooit echt te strikken of zich ervan meester te maken. Zijn idee van ‘gastvrijheid’ is niet gebaseerd op enige definitie, en is dus uiterst breed en ruim, wat hem in staat stelt om te rade te gaan bij de meest uiteenlopende bronnen. Dat is misschien wel een van de charmes van Venmans’ benadering, maar voor de veeleisende lezer kan het af en toe wat gemakkelijk lijken. Verscheidene voorbeelden van gastvrijheid die hij aanhaalt, hebben, hoe interessant zij verder ook zijn, met wat men daaronder gemeenlijk verstaat in feite niets te maken, tenzij men wel heel breeddenkend is; dat levert dan evenwel het gevaar op van onduidelijkheid en vaagheid over het begrip gastvrijheid zelf.
Wanneer men, zoals typisch is voor onze auteur, zich heel sterk steunt op literaire bronnen, moet men zich steeds zeer goed ervan bewust zijn dat literatuur een beschrijving en vooral een interpretatie van de werkelijkheid is, en niet de werkelijkheid zelve. Het hele eerste hoofdstuk is gebaseerd op de gastvrijheid in de Griekse oudheid, niet aan de hand van historische studies, maar van (vooral) de Odyssee. Venmans lijkt voortdurend ervan uit te gaan dat de zaken zich echt zo hebben voorgedaan zoals ze beschreven staan. Dat lijkt een wel erg vermetel vertrouwen in de literatuur in haar geheel en in een complex meesterwerk uit de verten van onze beschaving in het bijzonder. Zijn interpretatie van de antieke godenwereld is naïef te noemen: het is onwaarschijnlijk dat de gewone Griekse mensen, laat staan de intellectuele elite, ook maar enig geloof of belang zouden gehecht hebben aan de zogenaamde tussenkomsten van de goden in het gewone leven of in de uitkomst van grote conflicten tussen volkeren. Dat behoorde vrijwel uitsluitend tot het literaire genre en tot de volkse traditie, ongeveer zoals wij zeggen dat de weergoden niet met ons waren wanneer een manifestatie uitregent. Of denkt men werkelijk dat hier bij ons de mensen echt geloofden dat de H. Antonius ervoor zou zorgen dat ze wonnen bij de Nationale (k)loterij?
Eenzelfde bedenking geldt voor het derde hoofdstuk, dat over de christelijke naastenliefde handelt. Dat leest bijwijlen als een (slechte) preek. Het lijkt al te gemakkelijk om aan de hand van enkele overbekende (maar uit hun verband gerukte) citaten uit het Oude en het Nieuwe Testament die naastenliefde als een absoluut ethisch gebod voor te stellen. Daarbij gaat men voorbij aan het feit dat noch bij de eerste christenen, noch op enig moment in de geschiedenis daarna deze ‘universele en absolute’ naastenliefde ook maar enigszins een realiteit is geweest in het christendom, wel integendeel, zeer, zeer integendeel, daarvoor is het zelfs overbodig om de ontelbare afschuwelijke voorbeelden aan te halen. Men kan goede argumenten aanhalen die erop wijzen dat die naastenliefde tot de middelen behoorde waarvan het vroege christendom gebruik maakte om ingang te vinden onder de onderlagen van de bevolkingen. Wanneer onze auteur de Franse filosofen Levinas en Derrida ten tonele voert, gebeurt dat om begrijpelijke redenen in kort bestek; helaas blijft hij daardoor nogal aan de oppervlakte van deze vaak diepzinnige, om niet te zeggen duistere lieden. Wanneer het bekende beeld wordt gebruikt van het appel dat de andere aan ons doet, wordt weinig aandacht besteed de mogelijkheidsvoorwaarde van dat appel, namelijk de menselijke empathie, waarzonder elk appel vruchteloos zou zijn. Het hoofdstuk over hospitality, dat wil zeggen over commerciële vormen van gastvrijheid, lijdt onder het ontbreken van een definitie van het kernbegrip. De auteur zelf stelt terloops wel de vraag of men nog wel van gastvrijheid kan spreken bij het massatoerisme naar bijvoorbeeld Thailand, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om dat aspect vrij uitvoerig te behandelen. Andere voorbeelden van vermeende gastvrijheid, zoals de vele ‘goede werken’ van het christendom, worden dan weer uitsluitend gezien als vormen van die absolute ‘gastvrijheid’ die de christelijke naastenliefde (zogezegd) is, terwijl het wel degelijk commerciële ondernemingen waren, waarbij talloze religieuzen niet alleen hun brood verdienden, maar zelfs uitgebreide rijkdommen verzamelden, en niet zelden grote wereldse macht.
Peter Venmans is een begaafde verteller, zijn taal is heel toegankelijk, zijn stijl direct en ongecompliceerd. Er zijn wat Vlamismen, maar enkel strenge Nederlandse critici zullen daarover struikelen. Heel af en toe laat hij zich verleiden om een geleerde term te gebruiken, en niet altijd gepast of nodig (double bind, principe van de niet-tegenstrijdigheid). Soms gaat hij zonder meer voort op onnauwkeurige clichés, bijvoorbeeld over de uitdrukking ‘pecunia non olet’, die niet in die vorm te vinden is bij Suetonius en veeleer uit de 19de eeuw lijkt te stammen. Hij geeft in het nawoord zelf toe dat hij zich weleens herhaalt, soms zelfs letterlijk en op dezelfde pagina (133). In de bibliografie verwijst hij voor het citaat van Spinoza correct naar de aftandse vertaling van Suchtelen, maar geeft hij als datum en plaats van uitgave die van Corinna Vermeulen. Zijn uitleg over inclusief taalgebruik klinkt (nogal) aannemelijk, maar hier en daar vervalt hij al te gemakkelijk in de – slechte – oude gewoonte van het eenzijdig mannelijke taalgebruik, wat toch echt niet meer van deze tijd is, en wat overigens vaak eenvoudig kan vermeden worden.
Ten slotte waag ik me aan wat in dit boek – bewust – ontbreekt, namelijk een eenvoudige definitie van ‘gastvrijheid’, en wel op etymologische grond. We weten allemaal intuïtief wat ermee bedoeld wordt, maar als we het woord zelf bekijken, aarzelen we over het tweede deel van de samenstelling, ‘vrij’. Dat moet men hier lezen als een vorm van ‘vriendelijk, genegen’. Men is gastvrij als men positief staat tegenover (het onthaal van) een of meer gasten, als men veeleer geneigd is om hen te ontvangen dan om het niet te doen. Wie die gasten zijn, heeft dan verder niet zo heel veel belang. En zoals bij vele andere karaktertrekken is ook gastvrijheid er een die sommige mensen in aanzienlijk ruimere mate hebben dan anderen, zonder dat daarvoor meteen ook een verklaring is, zowel bij de gastvrije persoon zelf als bij anderen.
Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 12

Ego à volonté in Privé-domein (2)

Hugo D’hertefelt
Hasselt, april-mei 2021

De auteurs

Even herhalen voor wie het eerste deel heeft gemist.
Privé-domein is een boekenreeks met egodocumenten van de Nederlandse uitgeverij Arbeiderspers. Sinds de start in 1966 verschenen 314 titels, bijeen geschreven door ongeveer 240 auteurs, want een groot aantal heeft meer dan één boek in de reeks. Enkele auteurs hebben zelfs vijf of meer titels.

Wie zijn de ‘lievelingen’?

Elias Canetti
De absolute topper met negen titels is Elias Canetti. Zijn autobiografie omvat drie delen met in de titel telkens een verwijzing naar een zintuig. Het eerste deel, De behouden tong, gaat over zijn prille jeugd met de traumatische ervaring van de dood van zijn vader toen hij zes was en de beladen relatie met zijn moeder daarna. In De fakkel in het oor vertelt hij over zijn studietijd in Frankfurt, Wenen en Berlijn. Hij leert politici en kunstenaars kennen, leest bibliotheken bij elkaar, ontmoet meisjes en ten slotte zijn toekomstige vrouw. In Het ogenspel is hij terug in Wenen en vastbesloten schrijver te worden. Hij heeft al een zekere literaire reputatie omdat zijn roman Het Martyrium in manuscriptvorm onder intimi circuleert. Party tijdens de blitz had het vierde deel van zijn autobiografie moeten worden, maar dat is er niet van gekomen. Het bevat zijn herinneringen aandebewogen jaren in Engeland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Canetti heeft heel zijn leven aantekeningen gemaakt. Zijn nalatenschap omvat meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden. Daar zijn vijf delen mee gevuld in Privé-domein. Het zijn korte teksten, meestal bespiegelingen afgewisseld met aforismen. Hij begon er mee in 1942 als uitlaatklep toen hij worstelde met zijn levenswerk Massa en macht.
Enkele ‘proevertjes’.

‘Iemand zoeken die men niet wil vinden.’
‘Jij hebt onder dieren geen enkele vriend. Noem je dat leven?’
‘Een leer kan zo waar zijn dat met hem daarvoor verwerpt.’
(Uit
Het geheime hart van het uurwerk)

‘Fransen: ze gaan zitten eten alsof het het eeuwige leven is.’
‘Hij leert maar en hij leert maar en kan niets vergeten, de aartsdomoor.’
(Uit Het pantheon van de vergeten dingen)

Paul Léautaud
Privé-domein is geïnspireerd op diens Journal particulier, in Frankrijk lange tijd onder de toonbank verkocht omwille van de erotische inhoud. Léautaud noteerde zowat alles wat hij deed en rondom zich zag gebeuren. Zijn Journal littéraire verscheen in negentien delen. Daarin fileerde hij het Franse literaire wereldje van de eerste helft van de vorige eeuw. Hij haatte aanstellerij en velen waren beducht voor zijn oordeel. Dat is hem niet in dank afgenomen, want in de officiële Franse literatuurgeschiedenis heeft hij een weinig gerespecteerde plaats gekregen. Het in Privé-domein verschenen Literair dagboek 1893-1921 bevat slechts een kleine selectie uit de dagboeken van die periode.
Onvoltooid verleden tijd en Lichtzinnige herinneringen zijn pogingen om zelf ‘literatuur’ te schrijven. Van zijn Particulier dagboek verschenen drie delen in de reeks. Het zijn openhartige beschrijvingen van zijn liefdesrelaties, met alles erop en eraan. Een van de vrouwen is madame Gayssac, die hij de Gesel noemt omwille van de ‘incompatibilité des humeurs’, maar waar hij niet los van kan omdat ze zo goed is in bed.
Al die werken verschenen in de eerste twintig jaar van de reeks. Tenslotte komt in 2009 nog een zevende titel, Brieven aan mijn moeder. Ze hebben mekaar in twintig jaar niet gezien; de briefwisseling begint in een stemming van euforie, maar algauw volgt een definitieve breuk. 

Konstantin Paustovskij
Zo rommelig het werk van Paul Léautaud in Privé-domein, zo samenhangend dat van Paustovskij. Tussen 1967 en 1984 verschijnen zes delen over de geschiedenis van zijn leven, samen ongeveer tweeduizend vlot leesbare bladzijden dankzij Paustovskij’s heldere en directe stijl, maar ook dankzij het knappe vertaalwerk van Wim Hartog. Paustovskij schrijft niet alleen over de vaak spectaculaire gebeurtenissen die hij meemaakt, maar heeft ook warme aandacht voor mensen en natuur.

Geboren in 1892 maakt Paustovskij tijdens zijn eerste vijfentwintig jaren de tsaristische tijd en de Eerste Wereldoorlog mee. Daarover gaan Verre jaren en Onrustige jeugd. De Russische revolutie maakt hij drie keer mee: in Moskou in 1917, in Kiev in 1919 en in Odessa in 1920 waar hij het verschrikkelijke hongerjaar 1920-1921 beleeft. Daarover vertelt hij in Begin van een onbekend tijdperk en De tijd van de grote verwachtingen. De titels zeggen al veel. Tot dan is er in de vier delen een geleidelijke opbouw van spanning en van chaos, want het zijn turbulente tijden. In het vijfde deel is er een zekere ontspanning want in De sprong naar het Zuiden trekt hij naar de Kaukasus en daar ‘verschraalt de humor onder geen enkele omstandigheid’. In het Boek der omzwervingen, ten slotte, vertelt hij over zijn journalistiek werk en bezoekt hij vrienden en schrijvers, wat boeiende portretten oplevert.  

In 1987 verschijnt een zevende titel, De gouden roos. Literaire herinneringen, een bundel met aantekeningen over schrijven, schrijvers en persoonlijke ervaringen met mensen en boeken.

Alexander I. Herzen
‘Vera Artamonovna, toe, vertel nog eens, hoe de Fransen Moskou binnenkwamen’, dat vroeg de kleine Alexander aan zijn kinderjuffrouw. Het is de eerste zin van de tweeduizend bladzijden memoires van Alexander Herzen, geboren in 1812, kort voor Napoleon met zijn troepen Moskou binnentrok en het in brand stak.

De vijf delen van zijn memoires verschijnen in Privé-domein tussen 1983 en 1988. Niet met raadselachtige titels als die van Canetti maar gewoon Feiten en gedachten en dan telkens een periode van zijn leven erachter: 1812-1838 voor zijn kinderjaren, universiteit, gevangenschap en verbanning, 1838-1847 voor zijn tijd in Vladimir, Moskou, Petersburg en Novgorod, 1847-1852 voor zijn definitieve emigratie naar West-Europa met reizen naar Italië en verblijf in Parijs, 1852-1864 voor zijn verblijf in Engeland en 1864-1868 voor zijn herinneringen aan ‘Russische schaduwen’.

Het geheel van de Privé-domein-reeks mocht van omslagontwerper Kees Kelfkens geen portrettengalerij worden, maar voor de memoires van Herzen is daar een terechte uitzondering op gemaakt. De illustratie op elke omslag is een ets, gravure, schilderij of foto van de steeds ouder wordende auteur. Sober, mooi en toepasselijk.
Elk deel is ruim voorzien van aantekeningen, bezorgd door vertaler Charles B. Timmer. Hij schreef ook een essay over deze Russische auteur, Herzen in gesprek met zichzelf. Timmer vindt dat Alexander Herzen hetzelfde vertegenwoordigt voor het tsaristische Rusland van de negentiende eeuw als de dissidenten in de Sovjet-Unie van de twintigste eeuw (na Stalin dan wel, want voordien kregen ze gewoon geen kans om dissident te zijn). Op literair vlak is hij voor de negentiende eeuw wat Paustovskij was voor de twintigste.

Hoe komt Privé-domein aan zijn auteurs?

Door de vertaal-en uitgaverechten te kopen van de boeken die in het buitenland reeds zijn verschenen, neem ik aan. Of door uitleningen van auteurs die in fondsen van andere Nederlandse uitgevers zitten. Zo kon de Arbeiderspers Graham Greene en Annie Salomons van uitgeverij Bert Bakker krijgen en Johan Polak stond Canetti af. Dit is naar het schijnt heel ongewoon in uitgeversland. In Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten gebeurt het niet zo gauw. Maar ook in Nederland verloopt het niet altijd van een leien dakje. Het duurt tot 2003 vooraleer A.F.Th. van der Heijden in de reeks verschijnt en Renate Rubinstein komt er pas in 2020 in, lang na haar dood.

De Nederlandse en Vlaamse auteurs uit het eigen fonds, dat is gemakkelijk. Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij, Louis Paul Boon, Arthur Japin, Ilja Leonard Pfeijffer en Koos van Zomeren hebben allemaal twee titels in de reeks. Maarten ’t Hart zelfs drie. Hij heeft dan ook gesmeekt om erbij te mogen zijn. In een gesprek met redacteur Martin Ros bekent hij:

‘Wel heb ik er al heel lang naar verlangd om ook met een boek in de reeks te zijn omdat ik het zo’n mooie serie vind. En daar fondsauteurs als Brouwers en Komrij mij al waren voorgegaan (en zij waren toch ook maar veertigers!) leek me dat ik ook maar eens in de reeks vertegenwoordigd moest zijn’.

Hij kreeg nummer 100 en nog twee titels extra (om van zijn gezeur af te zijn?). Boudewijn Büch is niet aan twee titels geraakt, hoewel hij een eigen fondsauteur was. Zijn dagboek Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998 kwam uit in 1999, maar drie jaar later overleed hij, drieënvijftig jaar oud.

Internationaal, maar overwegend Europees

Internationaal, jawel, maar toch overwegend een Europese club. Slechts een twintigtal auteurs is van buiten Europa. En dan nog. Nabokov, Singer, Sorokin hebben Europese roots, maar zijn geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Omgekeerd, Julien Green was een Amerikaan, maar schreef in het Frans. Dat deed Claire Goll ook, hoewel ze van herkomst Duitse was.

Het is niet gemakkelijk om sommige auteurs een nationale identiteit te geven. Klasseren is moeilijk als de werkelijkheid zich niet in vakjes laat dwingen. Paul Léautaud is een Fransman, Konstantin Paustovskij een Rus, Maarten ’t Hart een Nederlander, Thomas Mann een Duitser. Maar Canetti? Geboren in het Bulgaarse Roestsjoek (nu Roese), schooljaren in Manchester, hogere studies in Wenen, Frankfurt en Berlijn, afwisselend wonend op al die plaatsen maar ook in Engeland en Zwitserland waar hij uiteindelijk in Zürich overlijdt en begraven ligt. Een Europeaan die in het Duits schrijft.

De diversiteit binnen Europa is nu ook weer niet zó groot. Nederlanders, Fransen en Russen maken samen meer dan de helft van de auteurs uit. De laatste jaren is er een toename van Nederlandse auteurs. Onder de eerste vijftig titels tel ik er zes, onder de laatste vijftig is dat bijna de helft. De Fransen zijn nog even sterk vertegenwoordigd als in het begin, maar het aandeel van Russen en Duitsschrijvenden neemt af.

‘Kleur’ is beperkt in de club. Een zwarte Amerikaanse, een Nederlandse Surinamer met Indiaanse roots, een naar Groot-Brittannië geëmigreerde eilander van de Caraïben, een in Den Haag opgegroeide Nederlander met een Nederlands-Indische vader en twee Japanners.  Dat is het zowat, voor zover ik er zicht op heb.

Hoe zit het met de Vlamingen? Louis Paul Boon, Paul de Wispelaere, Luuk Gruwez en Julien Weverbergh zijn samen goed voor zes titels. Maar zijn Benno Barnard en Jeroen Brouwers geen halve Vlamingen? Barnard schrijft in Uitgesteld paradijs toch onder meer over zijn jeugd in Brussel. En Brouwers heeft het over Mijn Vlaamse jaren en woont ondertussen opnieuw al lange tijd in Vlaanderen, in het Limburgse Lanaken meer bepaald.

Genoeg chauvinisme en identitair geneuzel. Lees wat de in Jeruzalem geboren Palestijn Edward W. Said te zeggen heeft over zijn identiteit in Ontheemd. Een jeugd in het Midden-Oosten (zowel zijn vader als zijn moeder waren opgegroeid met flarden Engelse en/of Amerikaanse invloeden die ze doorgaven aan hun zoon)

‘Het kostte me zo’n vijftig jaar om een beetje te wennen aan, of beter gezegd, om wat minder onwennig te staan tegenover ‘Edward’ die vreemde Engelse voornaam die op zo een gespannen voet stond met de onmiskenbaar Arabische achternaam Said, die daaraan was vastgeplakt. …
Iedere plaats waar ik woonde – Jeruzalem, Cairo, Libanon, de Verenigde Staten – had een ingewikkeld dicht net van waarden dat zeer bepalend was voor mijn opvoeding, voor de vorming van mijn identiteit en voor mijn bewustzijn van mijzelf en van anderen.’

Uit welke tijd?

Er liggen meer dan driehonderdzestig jaren tussen de oudste en de jongste auteur.  

De oudste is Padre António Vieira, een jezuïetenpater, geboren in 1608 in Lissabon. Al heel jong verhuist hij naar Salvador Bahia in Brazilië. Daar maakt hij als jonge novice de bezetting door de Hollanders mee. Een natte hel bevat brieven en preken waarin hij fel uithaalt naar de Hollandse ketters. Behalve priester is hij diplomaat, filosoof, theoloog, historicus, adviseur van de koning van Portugal, gerenommeerd prediker, verdediger van de joden, bestrijder van de inquisitie, lansbreker voor de indianen en nog een en ander.

De jongste is Arnon Grunberg, geboren in 1971. Hij zit in de reeks met het brievenboek Aan nederlagen geen gebrek. De titel zegt genoeg. Via brieven volg je het begin van zijn carrière die niet gespeend is van tegenslagen. Uiteindelijk komt alles goed met het verschijnen van zijn debuutroman Blauwe maandagen.

Ouderdomsdeken van de nog levenden is Julien Weverbergh, sinds vorig jaar negentig. Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers zijn tachtigers, zo ook de Française Danièle Sallenave. Samen met Grunberg, dit jaar vijftig, zijn Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer, al iets langer vijftig, de ‘jongere ouderen’ (of zijn het ‘oudere jongeren’? Even checken bij Koot en Bie).

Ongeveer de helft van alle Privé-domein-auteurs is geboren in de negentiende eeuw, maar de meesten in het laatste kwartaal, zodat ze een groot deel van de twintigste eeuw hebben meegemaakt. Samen met de negentig auteurs die na 1900 zijn geboren zijn ze voor ons als lezer redelijk ‘dichtbij’.

De zeventiende en de achttiende eeuw liggen wat verder weg, maar ze leveren enkele interessante figuren zoals de Engelse ambtenaar Samuel Pepys, die op 1 januari 1660 aan een dagboek begint, hij is dan zevenentwintig. Negen jaar lang schrijft hij nauwkeurig op wat hij doet, in een geheimschrift dat pas in het begin van de negentiende eeuw wordt ontcijferd. Hij beschrijft letterlijk alles wat hij meemaakt, van zijn moeilijke stoelgang tot wat de koning tegen hem als ambtenaar aan het Navy Office zegt. Pepys’ Dagboek van een puritein toont wat verborgen moest blijven: een bon vivant die houdt van smakelijk eten, vrouwen, muziek, theater en zoveel meer. Maar je leert ook heel wat over de maatschappij van toen. 

Dat doe je ook met de Memoires van Louis de Rouvray, hertog van Saint-Simon die leefde in de tijd van Lodewijk XIV en bijna een leven lang aan het hof vertoefde. ’s Nachts schreef de dwerg (hij was nogal klein van stuk) alles op wat hij rondom zich waarnam en hekelde hij de zwakheden, de ijdelheid en de ambitie.

De Nederlandse Belle van Zuylen maakte Lodewijk XIV niet mee, maar wel de tijd erna met de Verlichting op volle toeren. Zij was van oorsprong een Nederlandse, maar het heeft lang geduurd voor men dat in Nederland door had, want door haar huwelijk was ze Madame de Charrière geworden en haar brieven schreef ze in het Frans. Rebels en beminnelijk is de titel van haar brievenboek. Waarom rebels? Omdat ze haar stand compromitteerde met hand- en spandiensten aan de Franse Revolutie die ze op haar negenenvijftigste meemaakte. De uitwassen ervan zinden haar echter niet:

‘Zoals uit naam der vrijheid men ons nu tiranniseert, zo, in naam van een goede god, verbrandde de moederkerk ons eertijds en hing ons op.
… Wij blijven bedrogenen, dwaas, leugenachtig en wreed.’

In hetzelfde jaar geboren als Belle van Zuylen is Louis Sébastien Mercier, de eerste columnist, om zo te zeggen, want hij werd wereldberoemd in Europa en daarbuiten met zijn Tableau de Paris, een twaalfdelig boekwerk met 1050 hoofdstukjes over de meest uiteenlopende onderwerpen waarvan er 72 zijn opgenomen in Niemand ontbijt meer met een glas wijn. Een van de acteurs in zijn toneelstukken typeerde de veelschrijver aldus:

‘Hij is de Franse auteur die de grootste bijdrage aan de bevordering van de papierhandel heeft geleverd’.

Schrijver, jawel, maar mag het iets meer zijn?

De meeste auteurs in Privé-domein zijn/waren schrijver en beoefen(d)en een of meerdere verschillende genres van de ‘schone letteren’. Maar ze deden/doen vaak nog wat meer dan alleen maar schrijven. Strindberg was ook kunstschilder en fotograaf. De Engelse schrijver Anthony Trollope was hoofdinspecteur bij de posterijen in Ierland en heeft in een aantal Engelse koloniën de postdienst georganiseerd.
Pablo Neruda was professioneel diplomaat, net zoals de Schotse schrijver Norman Douglas, die daarnaast ook amateurwetenschapper was én hedonist (!). De dichter W.B. Yeats was Iers senator. De Nederlands Surinaamse schrijver Albert Helman was ook een tijdje politicus én verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Franse schrijver, diplomaat, avonturier en dandy Paul Morand ging niet in het verzet, maar collaboreerde met het Vichyregime, kwam daardoor in opspraak na de oorlog en moest uitwijken naar Zwitserland. Pas in 1968 stond De Gaulle toe dat hij zou toetreden tot de Académie Française.
Jean Cocteau was dichter, roman- en toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. De titel van zijn boek liegt er niet om, Dagboek van een duizendkunstenaar. Er zijn er nog die niet voor één gat te vangen zijn. De Fransman Félix Nadar schrijft Toen ik fotograaf was, maar op Wikipedia lees je dat hij ook tekenaar, journalist, ballonvaarder én schrijver was. De Duitser Harry Graaf Kessler, nog zo’n veelzijdige figuur, was politiek actief in de Weimarrepubliek als diplomaat en pacifist, maar ook kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver en publicist.

Niet iedereen was zó veelzijdig. Italo Svevo, gewoon een zakenman, Alfred Döblin een arts, net als Slauerhoff en Victor Segalen. Die laatste was toch ook archeoloog en etnoloog. Maarten ’t Hart is etholoog (studie gedrag van dieren). Hij promoveerde op een proefschrift over het doorkruipgedrag van de driedoornige stekelbaars.

En Leopardi? Die had meer dan genoeg aan zijn volledige naam, want die luidde (even adem happen): Graaf Giacomo Taldegardo Francesco di Sales Saverio Pietro Leopardi.

Niet alleen schrijvers

De schrijvers, welk genre ze ook beoefenen, vormen de grootste groep, zoveel is zeker.  Maar er zijn auteurs voor wie de letteren niet hun hoofdbezigheid was of is.
Er zijn musici, beeldende kunstenaars, filosofen, enkele politieke figuren en wetenschappers.

Zo’n wetenschapper is de Nederlandse historicus Jacques Presser. Hij zit in de reeks met een boek over zijn jeugdjaren, maar het is interessant om te weten dat hij als historicus in de jaren vijftig van de vorige eeuw het begrip egodocument in het Nederlands introduceerde. Hij had aandacht voor het persoonlijke element in de geschiedenis, de anekdote, de persoonlijke getuigenissen zoals neergeschreven in dagboeken, brieven, (politieke) memoires, herinneringen en autobiografieën. Precies waar Privé-domein voor staat!

De ‘politiek’ in brede zin is vertegenwoordigd door Michael Bakoenin en Lodewijk Napoleon.

Bakoenins biecht verschijnt in 1976, verjaardagsjaar van zijn overlijden in 1876. Het is de eerste complete Nederlandse vertaling geredigeerd en ingeleid door Arthur Lehning. Opgezet als een biecht aan tsaar Nikolaas I verhaalt Bakoenin zijn revolutionaire activiteiten. Na de Russische revolutie ontdekt men in de tsaristische geheime archieven een manuscript met in de marge commentaar, die is ook in de Nederlandse vertaling opgenomen.  

Lodewijk Napoleon was een jongere broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere keizer Napoleon III. In 1806 stelt Napoleon I hem aan als koning van Holland. Tegen de instructies van zijn broer in probeert hij een eigen koers te varen en op te komen voor de belangen van het Koninkrijk Holland. Dat leidt tot conflicten en in 1810 moet hij aftreden. In Gedenkschriften geeft hij een inkijk in zijn regeerperiode en zijn lastige positie.

Vrouwen

De helft van de wereldbevolking maar een minderheid in schrijversland. Zo ook in Privé-domein. Twee dingen vallen op.
Weinig vrouwen hebben meer dan één titel. Alma Mahler is de enige met twee eigen werken. Anna Achmatova heeft één eigen werk, in het andere vertelt Lidija Tsjoekovskaja over haar. George Sand deelt haar twee brievenboeken met respectievelijk Alfred de Musset en Gustave Flaubert.

Weinig Nederlandse vrouwen. Slechts drie in de eerste vijftig jaar van de reeks. Na 2016 tel ik er vijf. Goed zo. Daar is Laurie Langenbach bij, mij niet bekend, wellicht omdat ze vrij jong is gestorven en daardoor niet de Nederlandse Virginia Woolf is geworden, wat Heere Heeresma voor mogelijk hield. De nog levende Anna Enquist is er bij met Een tuin in de winter, een relaas over haar vriendschap met de dichter Gerrit Kouwenaar.

Ook nog in leven is de tachtigjarige Franse schrijfster Danièle Sallenave. Zij werd in 2011 verkozen tot lid van de Académie Française. Die eer is Colette niet gegund, maar haar literaire status is in Frankrijk onbetwist, getuige de vier kloeke delen in de prestigieuze Pléiade-reeks. Haar tachtigste verjaardag was een nationale gebeurtenis en in 1954 kreeg zij als eerste vrouw een staatsbegrafenis in Frankrijk.

Wie geen staatsbegrafenis kreeg voor haar prestatie was Beryl Markham. Zij vloog in haar eentje als eerste de Atlantische Oceaan over van oost naar west om bij de landing met een uitgevallen motor in een moeras terecht te komen. Ongetwijfeld de meest avontuurlijke van heel het pak Privé-domein-vrouwen (én -mannen?).

In het prille begin van de reeks wisten de redacteuren niet goed op welke literaire poot ze zouden dansen. Met Léautaud als inspiratiebron kon het ook de triviale kant op. Daar zorgden meisje van lichte zeden Majbritt Morrison en onderwereldkoningin Zoe Progl voor. Maar algauw koos de redactie voor het serieuze werk van bekende(re) figuren. Als vrouwen waren dat dan bijvoorbeeld de Nederlandse Annie Romein-Verschoor met Omzien in verwondering, de eveneens Nederlandse van herkomst maar Frans schrijvende Belle van Zuylen, de Engelse Virginia Woolf en de Duits-Franse Claire Goll.

Over die laatste valt een en ander te vertellen. Ze zou ‘vrouw van’ kunnen genoemd worden, want ze nam de kunstenaarsnaam van haar tweede man aan, de dichter Yvan Goll. Maar dat is haar onrecht aandoen. Ze publiceerde samen met haar man enkele dichtbundels in het Frans, maar schreef ook veel eigen werk: romans, verhalen, gedichten en het autobiografische Alles is ijdelheid dat in Privé-domein is opgenomen. Een ongelooflijke aantal beroemdheden passeert de revue in haar memoires. ‘Een schrijvend scheermes’ noemde het Algemeen Dagblad haar na het verschijnen van dat boek, want ze is niet mals voor sommige ‘groten’ van de literatuur (nietwaar, James Joyce?). Haar man was naar het schijnt een rokkenjager, maar zij kon er ook wat van. Veel minnaars en veel adoratie, maar weinig genoegens in bed, schrijft ze, want pas als ze 76 is leert ze van een twintigjarige jongen wat de liefde is en dat je als vrouw niet noodzakelijk moet ‘onder’ liggen.
Maar beste lezeressen, denk niet dat ze een feministe was, want ondanks haar zeer onafhankelijke aard vond ze de man superieur aan de vrouw.

Twee auteurs, hoewel sterke persoonlijkheden, zijn wel ‘de vrouw van’.
Sofia Tolstoj was zestien jaar jonger dan de beroemde schrijver en er achtenveertig jaar mee getrouwd. Zij was zelf actief als schrijver maar ‘mijn lot was het een dienstverlenende factor te zijn voor een schrijvende man’, troostte ze zichzelf. En dus pende ze zijn geschriften netjes over en verdroeg ze zijn woedeaanvallen zo goed en zo kwaad als het kon, evenals zijn seksuele veeleisendheid waar zij, preuts en puriteins als ze was, moeite mee had.  

Anna Dostojevskaja was de tweede vrouw van de beroemde schrijver en vijfentwintig jaar jonger. Zij was bij hem in dienst gekomen als stenografe op haar twintigste. Hij was toen al enkele jaren weduwnaar. Haar belang voor Dostojevski’s schrijverschap is niet te onderschatten, want ze zorgde voor een ordelijk leven en ze hielp hem van zijn gokverslaving af. Tussen 1911 en 1916, vijfendertig jaar na zijn dood, schreef zij haar Herinneringen op.  

Andere Russische vrouwelijke auteurs zijn de grote dichteressen van de eerste helft van de twintigste eeuw. In zijn ode aan de poëzie Iedereen dichter (Lannoo, 2018) wijdt de dichter Ivo van Strijtem mooie paragrafen aan Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. Mij totaal niet bekend is Zinaida Hippius, een andere Russische dichteres. Ivo van Strijtem vermeldt haar niet in zijn boek en ook in zijn poëzielezingen heb ik hem er nooit over horen spreken. Wellicht omdat ze tot de symbolisten behoort en die poëzie ligt hem niet, denk ik.

Is ‘t gedaan?

Voorlopig wel, hoewel er nog veel valt te vertellen over de Privé-domein-boeken en -schrijvers. Misschien iets voor later. Tot dan?

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 10

Ego à volonté in Privé-domein
De boeken

Hugo D’hertefelt, Hasselt, maart-april 2021

Intro

In de jaren 1980 was er in Hasselt een boekhandel, De Markies van Carabas, uitgebaat door Wim Heynen. Op zekere dag kreeg Wim het op zijn heupen, denk ik, van mijn besluiteloos rondhangen in zijn winkel want plots duwde hij mij een boek in mijn handen met de boodschap: ‘Hier, dat moet ge lezen’. Wat later stond ik buiten, een beetje beduusd van zijn optreden, met Verre jaren: Herinneringen aan het tsaristische Rusland van Konstantin Paustovski. Ik heb me de aanschaf van het boek niet beklaagd en ik ben Wim altijd dankbaar gebleven voor zijn abrupte advies. Want ook de zes andere delen van de autobiografische verhalen van Paustovski heb ik gekocht én gelezen. Een aanrader overigens, maar daar wil ik het nu niet over hebben, wel over de boekenreeks waarin ze zijn verschenen: Privé-domein.

Ontstaan

De Nederlandse uitgeverij Arbeiderspers start de reeks in 1966. Initiatiefnemers zijn Joop Veeninga, de toenmalige adjunct-directeur,enMartin Ros. De inspiratie voor de reeks vinden ze bij de Franse schrijver Paul Léautaud, meer bepaald bij zijn Journal particulier, een boek met erotische verhalen dat in het midden van de jaren 1960 in Frankrijk onder de toonbank wordt verkocht en waar de uitgever Éditions du Cap uit Monte Carlo een schuilnaam voor gebruikt: Domaine Privé.

Van 1966 tot 1997 heeft Martin Ros de leiding, want Joop Veeninga overlijdt na een auto-ongeval op 1 mei 1966. Hij maakt het verschijnen van de eerste titel niet mee. In 1997 moet Martin Ros noodgedwongen afhaken na een herseninfarct. (In december 2020 overlijdt hij ten gevolge van corona, net geen vierentachtig.)

Het allereerste boek in de reeks is Herinneringen aan mijn Roomse jeugd van Mary McCarthy. De keuze zou zijn ingegeven door Martin Ros, die ooit een gelijkaardig boek had willen schrijven. (In 1997 heeft hij dat ook gedaan, het verscheen niet in Privé-domein.)
In het begin bevat de reeks ook triviale, minder hoogstaande literatuur, maar algauw evolueert de reeks naar hoogwaardige egodocumenten van literaire of andere bekende figuren.

Een luxueus blokboek

Er gaat veel zorg naar de vormgeving van de boeken. De toenmalige productiechef Wim Mol kiest voor een afwijkend formaat, geen Gulden Snede (wat dat ook moge zijn) maar 11,5 bij 19,5 cm. Dat geeft de boeken een geblokt uitzicht. Ze lijken gebonden maar ze zijn het niet, ze bestaan uit genaaid gebrocheerde katernen wat intensief gebruik toelaat zonder dat de pagina’s loslaten. Ook de papierkeuze bepaalt mee de allure van de boeken. Geen krijtwit-gebleekt papier dat toen in de mode was, maar crèmekleurig gevergeerd papier, wat een extra cachet geeft. En in de plaats van een harde of geplastificeerde kaft heeft de omslag zowel voor- als achteraan een flap, zodat de boeken toch stevig aanvoelen. Als symbool voor de beslotenheid van het onderwerp staan de paginacijfers tussen haakjes en is op de bladzijde tegenover het titelblad de naam van de reeks tussen guillemets (Franse aanhalingstekens) geplaatst: «PRIVÉ-DOMEIN», met daaronder het nummer van het boek.

Verzorgde omslag

Het basisontwerp van de omslag is van Kees Kelfkens. En al is die man in 1987 overleden, de opvolg(st)ers zijn eraan trouw gebleven. Zijn naam staat nog altijd in het colofon. Bravo!

Ik laat Kees Kelfkens zelf aan het woord:

‘In een van de talloze voorontwerpen verschijnt voor het eerst het gekleurde kader - als verzinnebeelding van het begrip privé-domein. […] De kleuren op de omslagen -nooit meer dan twee, plus zwart (voor de titel) – worden niet ‘verzonnen’, zoals men soms denkt, maar komen uit de boeken zélf voort. Daarom zijn geen twee omslagen gelijk van kleur – en zijn ook geen twee boeken hetzelfde. Voor de kleuren is er bijna altijd wel een aanleiding of associatie met de inhoud van het boek. Paars werd de kleur voor Mary McCarthy’s Herinneringen aan mijn roomse jeugd. Strindbergs Inferno kreeg de kleuren van het vuur, bij Céline past een gifgroen en bij Paustovskij’s Sprong naar het zuiden een mediterraan blauw. […] Elk omslagontwerp wordt eerst op ambachtelijke wijze uitgeschilderd, soms drie- of viermaal, telkens met een ander verfje.’

De variatie in de omslag van de boeken zit ook in de achtergrondillustraties. Het mocht geen portrettengalerij worden, vond Kees Kelfkens. Het vinden van toepasselijke illustraties gaat vaak gepaard met tijdrovende expedities naar bibliotheken, instituten of fotoarchieven. Soms levert een auteur zelf het nodige illustratiemateriaal aan.

In meer dan 50 jaren vrijwel niets veranderd. Schitterend!

In het begin brengt men de boeken uit op de Franse niet-opengesneden wijze om het ‘privé-domein’-karakter extra te benadrukken. De lezer moet dan de bladzijden zelf opensnijden. De Nederlandse lezers kunnen het slechts matig appreciëren (‘De bewuste uitvinder van dit gedoe moest beter weten: het veroveren van een boek zit niet in een mes’). En ook de boekhandelaren zijn er niet dol op. In 1974 stopt men er mee.
Dat is de enige wijziging in het oorspronkelijke ontwerp van het boek sinds 1966.
Cyrille Offermans kon dat opensnijden nochtans wel appreciëren. In een recensie van Berlijnse Jeugd van Walter Benjamin in De Groene Amsterdammer schrijft hij:

‘De materiële verschijningsvorm van die reeks kon voor Berlijnse jeugd bedacht zijn: het sepiakleurige omslag met flappen, het niet te witte en te gladde papier, de rafelranden van de met een papiermes open te snijden katernen. De ‘onopengesneden’ pagina’s corresponderen fraai met de sfeer van geduldige, maar gespannen verwachting zoals beschreven in het stukje over de viering van Eerste Kerstdag in ‘Bloemshof 12’, de reusachtige woning van Benjamins grootmoeder, waar hij zich als kind ‘zelfs nog meer geborgen voelde’ dan in zijn ouderlijk huis.’

Prestigeobject

De reeks is een blijver. Alleszins tot nu toe. In januari 2021 verschijnt nummer 314, een brievenboek van Charles Baudelaire ter gelegenheid van zijn geboortejaarverjaardag.
Meer dan driehonderd boeken in vijfenvijftig jaar, gemiddeld vijf à zes per jaar dus. De jaren 1980 zijn echte topjaren. Tussen 1984 en 1994 verschijnen jaarlijks gemiddeld tien nieuwe titels. In 1988 zijn er dat zelfs zestien. Ronald Dietz, directeur van de AP in die tijd, naar eigen zeggen nochtans een koele minnaar van series, vindt de reeks een waardevol prestigeobject, goed voor het ‘corporate image’, vertelt hij in een interview aan Lisa Kuitert, die het verschijnsel boekenreeks in Nederland heeft bestudeerd.

Ilja Leonard Pfeijffer ziet het anders. In Brieven uit Genua suggereert hij, met een sarcastische sneer, dat ‘die man’ (Dietz dus) in zijn tijd de reeks heeft verkwanseld aan mindere goden. Tegelijk spreekt hij in zijn brief van 20 februari 2015 aan Peter Nijssen, uitgever bij de Arbeiderspers, zijn waardering uit ‘dat de reeks dankzij jouw inspanningen bij een opnieuw zelfstandige Arbeiderspers volgend jaar zijn gouden jubileum kent’. En hij voegt eraan toe ‘Het is een mooie samenloop van omstandigheden dat mijn boek in dat jubileumjaar kan verschijnen’. Blijkbaar heeft het niet veel gescheeld ‘of de hele reeks was onder druk van de wurgende winstverwachtingen van het WPG-concern opgeheven.’ Maar Pfeijffer is trots op Peter Nijssen omdat hij ‘als een verbeten samoerai onder de gerafelde banier van de militant onverkoopbare literatuur een gevecht [heeft] geleverd voor het behoud van deze voorbeeldig vormgegeven vrijplaats voor kattenbelletjes en private sores’.

Een mooi verwoorde ode aan de reeks en aan hen die knokken voor het behoud ervan, maar of het gevaar van verdwijning helemaal is geweken, valt nog te bezien.

Verkoop en herdrukken

Een echt verkoopsucces is de reeks nooit geweest. Een oplage van vijfduizend exemplaren is al veel. De verkoopstopper is (was?) Omzien in verwondering van Annie Romein-Verschoor uit 1971 met vijftigduizend exemplaren. De reeks heeft een klein, maar geïnteresseerd publiek, zoveel is zeker. Kuitert schrijft daarover: ‘De delen zijn zo luxe en gewild, dat ze bij veel boekhandelaren achter glas staan: Privé-domein hoort evenals de Russische Bibliotheek tot de bij winkeldieven meest geliefde boeken.’

Sommige boeken zijn meer gegeerd dan andere, dat is te merken aan de herdrukken.
De behouden tong van Elias Canetti uit 1978 haalt in 2018 een tiende druk. En van het tweede deel van zijn autobiografie De fakkel in het oor verschijnt in 2020 een zesde en zevende herziene druk. Haat is een deugd van Gustave Flaubert uit 1979 zit in 2009 aan een negende druk, speciaal verguld want het boek is, in een door de Arbeiderspers georganiseerde poll, door de lezers verkozen tot Gouden Privé-domein.
Toen ik me omstreeks 1987 de boeken van Paustovski aanschafte, waren drie van de zes al aan hun vierde of vijfde druk toe. Van Stefan Zweigs De wereld van gisteren uit 1990 verschenen minstens twee herdrukken. Beide auteurs komen ook voor in de eerst vijf van de poll om het Gouden Privé-domeinboek.

Ook recentere uitgaven hebben succes. De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van de Franse schrijfster Colette uit 2017 had in datzelfde jaar al drie herdrukken, en het exemplaar dat ik in de bib ontleende was een vierde druk van 2018.

Verzamelobject

Anderzijds zijn heel wat titels niet meer of moeilijk beschikbaar. Er is een tweedehands circuit in antiquariaten, bij de Slegte en andere tweedehandsboekhandelaren. In die antiquarische handel is het een kwestie van vraag en aanbod. Sommige boeken zijn zeer goed verkrijgbaar, maar niet gewild en andere zijn heel erg gewild, maar moeilijk te krijgen. Er is een klein groepje verzamelaars dat op zoek is naar titels die bijna niet meer te vinden zijn. Anderen zoeken gericht naar bepaalde boeken, die van componisten, bijvoorbeeld, of die van Russische auteurs. Het aanbod hangt af van de oplage, het jaar van uitgave en of er al dan niet herdrukken zijn geweest. Titels met kleine oplages zijn zeldzamer en hetzelfde geldt voor oudere uitgaven, hoewel er uitzonderingen zijn.

Titels

Afgaand op de titel is het vaak raden waar het boek over gaat. Maar de titel zelf is dikwijls een pareltje. Ik beken, ik heb geleefd van Pablo Neruda. Mooi toch, de viriliteit spat ervan af. Soms is het geheimzinnig. Wat gaat er schuil onder Heksensabbat van Maurice Sachs, Adder onder adders van Victor Alexandrov, Een olifant omleggen van Georges Orwell of Sartres Schemeroorlog?
Mijn leven als genie van Salvador Dalí, dat is duidelijk. Maar op wie slaat Zo’n genie ben je nu ook weer niet?Tot je erachter komt dat auteur Alice Schwarz de moeder is van Harry Mulisch. Lodewijk van Deyssel koos de ultieme titel voor een egodocument, Het IK, maar A.H.J. Dautzenberg zegt: opgepast, Ik bestaat uit twee letters en Atte Jongstra voegt eraan toe: er zijn ook Klinkende ikken.

Het is een vloek een meisje te zijn,vindt Alma Mahler. Dat zal wel, zegt Arthur Schopenhauer, want Er is geen vrouw die deugt, maar even later is het De wereld deugt niet. Globalisering avant la lettre? Er zijn nóg titels met een moraliserende ondertoon: Alles is ijdelheid bij Claire Goll, Roem is een slang bij Vasili Rozanov, Haat is een deugd bij Gustave Flaubert. Die laatste vindt ook Geluk is onmogelijk, maar Arthur Japinpareert met Geluk, een geheimtaal.

Wat bedoelt Colette met De eerste keer dat ik mijn hoed verloor, Georges Grosz met Een klein ja, een groot nee, Paul de Wispelaere met Het verkoolde alfabet, Elias Canetti met Behouden tong, De fakkel in het oor en Het ogenspel? Marie Bashkirtseff verdedigt zich bij voorbaat met Waarom zou ik liegen. Overbodig, oordeelt J.J. Peereboom, want Vraag niet waarom. Geniet toch van De schittering van woorden zegt Zinaida Hippius. Oké, maar wel met mondmasker en afstand houden, want Heere Heeresma’s motto is: Bleib gesund!

Genres

Autobiografische verhalen
Dit genre komt het meest voor. Soms is het gemakkelijk te herkennen. Ivan Toergenjev en Anna Dostojevskaja houden het simpel met Herinneringen. Sommigen voegen er nog wat aan toe. Paul Léautaud heeft Lichtzinnige herinneringen, Françoise Sagan Dierbare herinneringen, Annie Salomons Herinneringen uit de oude tijd. Bij Saint-Simon zijn het gewoonweg Memoires, maar Heinrich Heine schrijft Memoires en bekentenissen. Yeats houdt het op Autobiografieën, terwijl V.S. Naipaul blijkbaar een aanloop nodig heeft met een Proloog voor een autobiografie. Dekindertijd of de jeugdjaren is voor velen een reden om in de pen te kruipen, denk aan Mary McCarthy, maar zij is lang niet de enige.

Dagboeken
Het idee van de reeks is ontstaan uit de dagboeken van Paul Léautaud. Die man was een fenomeen in het noteren van zijn bezigheden, zielenroerselen en amoureuze escapades. Postuum zijn van zijn Journal littéraire negentien delen gepubliceerd van elk gemiddeld vierhonderd bladzijden. En Matth. Koekelkoren voegt eraan toe in zijn nawoord van een selectie ervan in Literair dagboek 1893-1921 ‘wat zeker niet alles geweest zal zijn gezien de vraatlust van zijn talrijke katten en honden en het door hem persoonlijk in de tuin opgestookte.’
Zo zijn we bij het verschijnsel vertaler/samensteller/ bezorger. Wanneer de omvang van het gepubliceerde materiaal te groot is, moet er geselecteerd worden. Daar zorgt meestal de vertaler voor, maar niet altijd. Duiding krijg je dan in een voorwoord en/of nawoord, aantekeningen zorgen voor informatie over gebeurtenissen, personen en andere nuttige verklaringen. De waarde van de bezorger kan niet onderschat worden.

Tal van coryfeeën uit de wereldliteratuur en andere bekendheden hielden dagboeken bij. Om er maar enkele te noemen: de schrijvers Virginia Woolf, Bertolt Brecht, Sylvia Plath, de filosoof Kierkegaard, de ‘duizendkunstenaar’ Jean Cocteau, de componist Sergej Prokofjev.

Brievenboeken
Brieven schrijven is uit de mode, maar is een intensief tijdverdrijf (geweest) voor heel wat auteurs. Gustave Flaubert, bijvoorbeeld, was een grootmeester. Hij deed dat ‘na zijn uren’ als verpozing na de dagelijkse arbeid en ook om contact te houden met de buitenwereld. Van die omvangrijke correspondentie, voor sommigen hét meesterwerk van Flaubert, is het overgrote deel bewaard gebleven. Ze omvat vier forse Pléiade-delen. Een selectie is opgenomen in Privé-domein in vier brievenboeken.

Jeroen Brouwers heeft ‘ongetwijfeld meer dan tienduizend brieven geschreven’, bekent hij in zijn brievenboek Kroniek van een karakter. Ze zijn bedoeld ‘om mij te ontspannen van mijn serieuze schrijverij’. Is hij de Flaubert van de Lage Landen?
Sommige brievenboeken zijn beperkt tot een bepaalde periode. Er zijn er zelfs die slechts op één jaar slaan, zoals Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid van Ronald Giphart.

Verschillende brievenboeken gaan over reizen of langere verblijven in het buitenland, zoals de Braziliaanse brieven van August Willemsen, de Afrikaanse brieven van Arthur Rimbaud, de Brieven uit China van Victor Segalen en de Brieven uit Rusland van de negentiende-eeuwse Franse schrijver Astolphe Marquis de Custine.

Reisverhalen
kleine groep egodocumenten heeft betrekking op reizen, maar niet in de vorm van een brievenboek. Er zijn de wereldglobetrotters van de twintigste eeuw, Graham Greene en de Pool Ryszard Kapuściński. Maar reeds in de negentiende eeuw maakt de Russische schrijver Ivan Gontsjarov een Reis om de wereld. Het eerste reisverhaal in de reeks is Heinrich Heine’s De Harzreis, een wandeltocht die hij als student maakte in de herfst van 1824 en die tegenwoordig de "Heinrich-Heine-Weg" wordt genoemd. De Nederlandse schrijver Marcellus Emants gaat in 1875 Op reis door Zweden omdat hij zich meer thuis voelt in bergachtige gebieden dan op het vlakke land van Nederland en ook om de in Nederland heersende moraal te ontlopen.De Nederlandse Surinamer Albert Helman brengt in Het eind van de kaart verslag uit van een expeditie in de nog onontgonnen binnenlanden van Suriname en komt daarbij niet alleen de natuur, maar ook zichzelf tegen.

Gesprekken
Een andere, wat aparte vorm van egodocument is een boek dat over iemand anders gaat dan de auteur zelf. Gesprekken met Goethe van Johann Peter Eckermann is daar een voorbeeld van. Een ander voorbeeld is Gesprekken met James Joyce van Arthur Power, ook een Ier, die evenals Joyce op jonge leeftijd zijn land had verlaten. Hij slaagde erin tot de intieme kring van Joyce door te dringen en hem aan de praat te krijgen. In De kroniek van een vriendschap vertelt Robert Craft, als intiemste vriend, over de laatste twintig levensjaren van Igor Stravinsky. De door Lidija Tsjoekovskaja opgetekende Ontmoetingen met Anna Achmatova omspannen bijna een kwarteeuw, te beginnen aan het einde van 1938. In Verhoor: Mooi weer vandaag, op naar het kerkhof interviewt de latere Nobelprijswinnaar Patrick Modiano de Frans-Joodse essayist Emmanuel Berl, kort voor diens dood in 1976. Verder zijn er in dit genre nog Uren met Flaubert van Maxime du Camp, het boek van Valentin Boelgakov over het laatste levensjaar van L.N. Tolstoj en Rondom Tsjechov van diens broer Michael.

Aforismen
Er zijn egodocumenten waarin de auteur weinig feitelijke informatie geeft over zichzelf of over de wereld waarin hij leeft maar wel in korte of langere teksten zijn mening spuit over van alles en nog wat, vaak afgewisseld met korte, puntige uitspraken, die men aforismen noemt. Een grootmeester op dat vlak was Arthur Schopenhauer. Er is geen vrouw die deugt is een bundel essays en aforismen gebaseerd op de zogenaamde ‘Kleine Schriften' (Parerga und Paralipomena) vol prikkelende uitspraken, aforismen en anekdoten over letterlijk van alles: vrouwen, verveling, godsdienst, opvoeding, politiek, lawaai, zelfmoord, et cetera.

Een veelschrijver in dit genre is Elias Canetti. Vijf van zijn negen boeken in Privé-domein zijn gevuld met ‘aantekeningen’ uit een bepaalde periode. Dat is niet allemaal autobiografisch materiaal, want bij ontlening in de bib kom ik erachter dat het grotendeels aforismen en andere korte teksten zijn die weinig of geen verband hebben met de realiteit van zijn bestaan, maar die wel veel zeggen over zijn persoon en zijn schrijfkunst.  

Mengvormen
Uiteraard zijn er egodocumenten die zich niet laten klasseren. Als voorbeeld daarvan twee boeken van onze West-Vlaamse Hasselaar Luuk Gruwez. Met een interval van iets meer dan twintig jaar verschenen Het land van de wangen en Het land van de handen. Het zijn boeken met dagboekaantekeningen, brieven, reisnotities, droomrelazen en andere schrijfsels. Zo zijn er nog wel meer in de reeks.

Speciale uitgaven

Twee nummers van de reeks zijn gewijd aan besprekingen van de reeds verschenen titels. In 1978 verschijnt Privé-domein. Schrijvers over zichzelf van Martin Ros en Th. A. Sontrop. In 1984 doen Martin Ros en Emile Brugman het nog eens uitgebreider over met Privé-domein 1966-1984. In 2013 verschijnt Schrijvers op reis. Privé-domein gaat op vakantie, een nummer met reisverhalen van auteurs die reeds in de reeks zijn opgenomen, maar ook van andere.
Sommige speciale uitgaven zijn niet opgenomen in de reeks. Peter J. Claessens legt zich in Familieportret van Privé-domein toe op de familierelaties van o.a. Paul Auster, H. C. Andersen, Klaus Mann, Pessoa, Rousseau. Uit hartstocht en woede: Het mooiste over muziek uit Privé-domein is een bloemlezing van Bas van Putten met Privé-domeinfragmenten over muziek en musici. Rosita Steenbeek deed hetzelfde in Liefdesdomein maar dan met fragmenten over liefdeservaringen van vermaarde auteurs. Mels De Jong en Martin Ros stelden een boek samen over Paul Léautaud. 1872-1956: Een portret in foto’s en teksten. Verder is er een Privé-domein Verjaardagskalender met de verjaardagen van alle tot 2015 verschenen auteurs en een Privé-domein Scheurkalender.

Epiloog

Het is een lange zoektocht geweest om informatie te vinden over auteur en inhoud van zijn/haar boek. Het begon in 2018 als voorbereiding op een korte voorstelling in het Cultuursalon van De Tijd Hervonden. Ik vond toen op de website van de Arbeiderspers een catalogus van alle Privé-domeinboeken inclusief korte inhoud en gevisualiseerd met de omslag, interviews met Martin Ros, redacteur Peter Claessens, onderzoekster Lisa Kuitert, een rubriek vraag, aanbod, prijs en zeldzaamheid.

Niets daarvan vond ik begin 2021 terug. Op de achterflap van de boeken staan tegenwoordig drie ‘officiële’ informatiekanalen. Ik heb ze alle drie geraadpleegd.

Als ik arbeiderspers.nl intik, kom ik terecht op de website van Singel Uitgeverijen, waar verschillende andere Nederlandse uitgeverijen zijn ondergebracht met hun fonds. Er heeft zich blijkbaar een centralisering voorgedaan van de informatie over de beschikbare boeken. Via de pagina van de Arbeiderspers op deze website krijg ik slechts informatie over zes boeken als ik Privé-domein intik. De hele catalogus… Niet te vinden. Onbegrijpelijk, het was toch een prestigeobject!

Met de tweede piste, privedomein.nl, kom ik terecht op de website van De Slegte. Heel eigenaardig. Die is wel goed voorzien, maar niet volledig, en niet alle boeken hebben een inhoudsbeschrijving, wel informatie over beschikbaarheid, tweedehands of ramsj.

De derde mogelijkheid is facebook.com/privedomein. Ik zit daar niet op, maar toch geprobeerd bij vrienden. Enkel puur commerciële informatie over de laatstverschenen titel.

Privé-domein is literair erfgoed, vind ik. Het is treurig dat de informatie over de reeks als geheel zo stiefmoederlijk wordt behandeld. Schaam je, literair Nederland!

Uiteindelijk heb ik het zo opgelost. Op Wikipedia staat een lijst met de 314 titels en de naam van de auteur, zonder inhoudsbeschrijving. Door naam en titel te googelen kon ik de inhoud van heel wat boeken achterhalen via de websites van De Slegte of Bol.com en informatie over de auteurs vond ik uiteraard via Wikipedia. De bibliotheek Hasselt-Dusart heeft een behoorlijke collectie Privé-domeinboeken met soms een inhoudsbeschrijving. Maar ook weer niet volledig, ongeveer zeventig titels ontbreken. Waarom eigenlijk?

Het in handen houden, besnuffelen, er in grasduinen is tenslotte dé manier om te weten waar een boek voor staat. Daar ben ik mee bezig. Wordt vervolgd.

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 9

Joseph Roth
Journalist. Romanschrijver. Zuipschuit.

Hugo D’hertefelt, Hasselt, januari 2021

In het begin van de jaren 2000 maakte ik kennis met het werk van Joseph Roth. Was Radetzkymars het eerste? Dat weet ik niet meer. Wat ik wel nog weet, is dat ik er weg van was en al zijn boeken die ik in de bibliotheek kon vinden, een na een heb gelezen. Ik heb die boeken toen niet gekocht. Daar heb ik nu spijt van, want de mooi uitgegeven reeks – met stevige gekartonneerde rode kaft en met mooi papier – zou niet misstaan hebben in mijn boekenkast naast de andere schrijvers waarvan ik een heel of gedeeltelijk oeuvre heb verzameld. Wat ik mij wel heb aangeschaft, zijn de zes bundels met journalistiek werk die tussen 2013 en 2019 zijn verschenen. In 2018 verscheen dan, als kers op de taart, de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig in Nederlandse vertaling. Zo leerde ik de complete Roth kennen, de Oostenrijker Joseph, niet de Amerikaan Philip welteverstaan.
Joseph Roth is voor mij een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Omwille van de nog steeds belangwekkende inhoud van zijn romans, krantenartikelen en reportages, maar ook omwille van de meeslepende taal waarin ze zijn geschreven.

Roth schrijft over het Europa van vóór de Tweede Wereldoorlog, geschiedenis via verhalen over mensen en dingen die al lang niet meer bestaan maar eigenlijk nog springlevend zijn. Het verleden kennen om het heden te begrijpen, wie zei dat ook alweer? Zijn verhalen situeren zich in Midden- en Oost-Europa. Die landen maken nu deel uit van de Europese Unie. Ze bepalen mee ons lot. Ik wil meer weten over hun geschiedenis en mijn interesse gaat verder terug in de tijd dan de Koude Oorlogsperiode. Bij Joseph Roth ben je dan aan het goede adres. Of zoals Benno Barnard het formuleert: ‘Als één schrijver voor mij het oude Europa belichaamt, dan wel Joseph Roth. Wat een droevig genot hem te lezen.’

De schrijfstijl van Roth is direct en bevattelijk. Geen ingewikkelde zinsconstructies zoals bij ‘oude’ Duitse schrijvers vaak het geval is. Tommy Wieringa zegt het zo: ‘Joseph Roth raakt altijd meteen aan de kern van een menselijk wezen. [..] Zijn karakterbeschrijvingen, zijn beschrijvingen van situaties en mensen zijn onovertroffen. Maar altijd met een soort eenvoud geschreven dat je denkt: hoe doet hij het?’ En Geert Mak steekt eveneens zijn bewondering niet onder stoelen of banken: ‘Joseph Roth is al eeuwen mijn held – en ik ben waarachtig niet de enige. Zo moet het dus, dacht ik, toen ik hem voor het eerst leerde kennen. Zo moet je kijken. Zo moet je vragen. Zo breng je een stemming over op de lezer. Allemachtig, wat heb ik veel van die man geleerd.’
Benno Barnard, Tommy Wieringa en Geert Mak zijn maar enkele van de vele Nederlandse en Vlaamse schrijvers en kunstenaars die de lof zingen van Joseph Roth. Er is een echte ‘cultus van Roth’ ontstaan. Daarover later meer. Eerst een antwoord op de vraag

Wie was Joseph Roth?

Roth is geboren in 1894 in Brody, Galicië, aan de uiterste oostelijke grens met Rusland van de toenmalige Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie, het grote rijk van de Habsburgse keizer Frans Jozef. Brody was sinds 1881 een doorgangsstation voor joodse emigranten die voor pogroms uit Rusland waren gevlucht. Het was ook een multiculturele stad.
Roth groeide op in de joodse gemeenschap die Jiddisch sprak. Maar hij leerde ook de Duitssprekende bureaucraten en soldaten kennen, evenals de Slavische boeren en handelslui die Pools, Russisch en Oekraïens spraken. In tegenstelling tot de meeste van zijn leeftijdsgenoten koos hij voor een Duitstalige school. Hij leerde er de Duitse klassieke literatuur kennen en kwam er in aanraking met geassimileerde joden.
De vader van Roth was een koopman die echter zeer vroeg is gestorven. Roth heeft hem nooit gekend. Zijn moeder stond er alleen voor en was afhankelijk van de financiële steun van haar familie.

Studies en legerdienst

Na een kort verblijf aan de universiteit van Lviv trok Roth naar Wenen, waar hij filosofie en Duitse taal-en letterkunde studeerde. In 1916 nam hij vrijwillig dienst in het leger. Hoewel hij later opschepte dat hij in Russische krijgsgevangenschap had gezeten, was hij nooit in actieve dienst, wel medewerker van de Illustrierte Kriegszeitung. Bij het leger leerde hij drinken en dat zal hij blijven doen tot het eind van zijn dagen. Als de Dubbelmonarchie na WOI uiteenviel, werd Brody Pools (nu ligt het in Oekraïne). Roth wou echter absoluut Oostenrijks staatsburger blijven en slaagde erin om zijn geboorteplaats te laten veranderen in Swaby.

Sterreporter

Vanaf 1920 ontpopte Roth zich als een sterreporter voor diverse kranten, waaronder de gereputeerde Frankfurter Zeitung, die een externe redactie had in Berlijn. De jaren 1920 waren de hoogtijdagen van het krantenfeuilleton. Roth ontwikkelde een heel eigen stijl met rake observaties van het dagelijkse leven en van allerlei mensen en groepen. Hij schreef over de assimilatie en het verlies aan identiteit van de Oost-joden die in Berlijn waren neergestreken of over de overlevingsstrijd van Russen, Chinezen, Armenen en andere buitenlanders in de stad. Hij slaagde erin om zich in de situatie van de armsten te verplaatsen. Moest hij nu leven, zou hij schrijven over asielzoekers, illegalen en daklozen.

Aan de cultuurbijlage van de krant gaf hij een nieuwe functie. Hij schreef een soort literaire miniatuurtjes en essayistische teksten van blijvende waarde. Niet gespeend van eigenwaarde schreef hij in 1925 in een brief aan de Frankfurter Zeitung: ‘Ik ben geen dessert, geen toetje, maar het hoofdgerecht. […] Ik maak geen geestige cursiefjes. Ik teken het gezicht van de tijd. Dat is de taak van een grote krant.’

Ook over het verkeer en de technische organisatie van een miljoenenstad schreef hij, want dat was voor hem tegelijk imponerend en beangstigend. Eigenlijk hield hij niet van Berlijn en hij was blij dat hij er later uit weg kon. In het boek Joseph Roth in Berlijn is een aantal artikelen uit de Berlijnse tijd opgenomen en van commentaar voorzien door Michael Bienert. De ondertitel ‘Een leesboek voor wandelaars’ is misleidend, want het geeft de indruk dat het om een toeristische gids gaat en dat is het boek allerminst.

Reisreportages

In totaal schreef Roth ongeveer duizendvijfhonderd krantenartikelen. Een deel daarvan zijn reportages over de vele reizen die hij deed.
In 1925 stuurde de cultureel redacteur van de Frankfurter Zeitung hem naar Parijs. Roth was verrukt. Aan zijn redacteur schreef hij ‘U moet hierheen komen. Wie niet hier is geweest, is maar een half mens en zeker geen Europeaan.’ Zijn liefde voor Parijs en Frankrijk zal nooit overgaan:

‘Op mijn dertigste kreeg ik eindelijk de witte steden te zien waarvan ik als kind had gedroomd. Ik had een grauwe kindertijd, die ik doorbracht in grauwe steden. […] Ik was nieuwsgierig om te weten te komen hoe het eruitziet achter onze schutting. Want we zijn omgeven door een schutting, wij die schrijven voor een Duits publiek. […] Achter de schutting heb ik mezelf terugveroverd.’ Hij beschouwde zich als ‘een Fransman uit het Oosten, een aanhanger van het humanisme, een rationalist die gelooft, ...’

Van de zomer 1926 tot het voorjaar 1927 verbleef Roth in de Sovjet-Unie. Hij belichtte verschillende facetten van de nieuwe samenleving: boeren en partijambtenaren, modderige Wolgadorpen en theaters in Moskou, de nieuwe seksuele zeden en wat er overschoot van de religie, de subtiele krantencensuur, verwoede alfabetiseringspogingen en het lot van Russische emigranten. Hij was zeer kritisch. ‘Na de terreur is de bureaucratie ingetreden. De opwinding van de Revolutie is voorbij en een natie opbouwen blijkt behoorlijk prozaïsch werk. Mensenwerk met alle mankementen van dien.’

Enkele maanden na zijn bezoek aan de Sovjet-Unie was Roth in Albanië en in de herfst van 1928 bezocht hij Italië. Beide landen waren toen dictaturen. Roth had er niet de minste sympathie voor en stak zijn afkeer niet onder stoelen of banken. Tot zijn grote woede knipte de Frankfurter Zeitung in zijn reportages en artikelen over Italië.

Door zijn ervaringen in de Sovjet-Unie en de dictaturen van Albanië en Italië evolueerde Roth geleidelijk naar een meer conservatieve kijk op de samenleving. Uiteindelijk werd hij een voorstander van het terug aan de macht brengen van Otto van Habsburg in Oostenrijk.

Hotelmens

Roth was een moderne nomade. Zijn post liet hij opsturen naar de redactieadressen van de kanten waar hij voor werkte. Slechts één keer huurde hij een woning, maar dat duurde niet lang. Een vast adres had hij niet. Hij logeerde bij vrienden, in cafés, pensions en hotels.
In 1922 huwde hij met Friederike Reicher. Het nomadenleven van Roth kon zij niet aan. Ze werd ziek en opgenomen in een psychiatrische instelling. Ze zou daar niet meer uitkomen. In 1940 werd ze door de nazi’s omgebracht in het kader van hun euthanasieprogramma.

Begin jaren 1930 leerde Roth Andrea Manga Bell kennen die gescheiden leefde van de vader van haar twee kinderen, een Kameroense Prins. Roth begon met haar een relatie die ongeveer zes jaar duurde. Hij bleef zich daarna wel financieel verantwoordelijk voelen voor haar en haar twee kinderen.

De eerste romans

In 1923 verscheen zijn debuutroman Het spinnenweb. Daarin beschreef hij heel nauwgezet de werking van de rechts-radicalen in Duitsland en de wortels van het nationaalsocialisme, tien jaar vóór de machtsovername door Hitler. Roth had zich als rechtbankverslaggever intensief verdiept in de rechtse illegaliteit naar aanleiding van het proces in Leipzig tegen de moordenaars van de joodse industrieel en minister van Buitenlandse Zaken Walter Rathenau. Het boek was een zeer profetische waarschuwing voor de gevaren van het fascisme.

Hotel Savoy verscheen in 1924. Het beschrijft het leven in een hotel dat is bevolkt met mensen van allerlei slag, waaronder ik-verteller Gabriel Dan, die terugkeert uit de oorlog na drie jaar krijgsgevangenschap in een Siberisch kamp. Het hotel staat symbool voor de maatschappij. Ook in het hotel wordt een strikt onderscheid gemaakt naar rangen en standen: hoe lager de afkomst en de financiële situatie van de gasten, hoe hoger en armoediger hun kamers (zoals die van Gabriel Dan). Roth schetste een somber maar bij tijden ook geestig beeld van de chaotische naoorlogse situatie en van het onbegrip voor de terugkerende soldaten. 

In Job: Roman over een eenvoudige man uit 1930 vertelt Roth het verhaalvan de vrome jood Mendel Singer die emigreert naar Amerika maar die geplaagd wordt door alle denkbaar onheil: zijn beide zoons komen door oorlogsgeweld om het leven, zijn dochter wordt krankzinnig, zijn vrouw overlijdt en hij wordt overmand door schuldgevoel omdat hij zijn gehandicapte zoon in Rusland heeft achtergelaten bij een pleeggezin. Roth verbindt de moderne problematiek van de emigratie, waar veel van zijn vrienden voor kozen, met het Bijbelse verhaal van Job.

Zijn meest bekende werk en zijn verdere internationale doorbraak als romancier kwam er met Radetzkymarsch. Het verscheen in 1932. Het gaat over drie generaties van de familie Trotta. De grootvader redde het leven van de jonge keizer Frans Jozef tijdens een veldslag en werd daardoor ‘de held van Solferino’. De vader bracht het tot plichtsgetrouwe ambtenaar en met de zoon gaat het (verder) bergaf. De Trotta’s staan symbool voor de totale neergang van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Het boek had een overweldigend succes. In januari 1933 waren er al vijfendertigduizend exemplaren van verkocht.

Exil

Maar in dezelfde maand kwamen de nazi’s aan de macht. Geert Mak schrijft in zijn voorwoord tot de in 2020 verschenen nieuwe Nederlandse uitgave van Radetzkymars: ‘Roth besefte onmiddellijk wat er voor hem, als jood, op het spel stond. Duitsland zou hij nooit meer terugzien. [..] Zijn meesterwerk zou, met zijn andere boeken, vier maanden later op de brandstapels verdwijnen.’
Dat zijn boeken werden verboden door de nazi’s betekende een financiële strop voor Roth want zijn royalty’s werden in beslag genomen, net nu het hem voor de wind ging. Roth nam onmiddellijk een militante en uitdagende houding aan tegenover het naziregime. Over zijn exil zei hij: ‘Ik ben een letterkundig emigrant. Vrijwillig weggegaan. Iemand die geen lust heeft om te schrijven voor uitgevers van een land waar de vrijheid van de letterkundigen tot het verleden behoort’.

Zoals vele andere exilschrijvers vestigde hij zich in Parijs. Daar schreef hij nog verschillende romans en verhalen. In de Pariser Tageszeitung publiceerde hij ook artikelen en commentaren over de politieke actualiteit en in de Österreichische Post, een blad van de monarchisten, had hij een column. Naast schrijven hield hij zich ook heel actief bezig met hulp aan uitgeweken Oostenrijkse vluchtelingen
 

Roth in Nederland en België

Roth moest andere uitgevers vinden en hij vond ze in Nederland: Querido en Allert De Lange. Beide uitgevers boden een voorlopig veilige vluchthaven voor exilauteurs. Het succes van Roths boeken droeg ertoe bij dat hij gemakkelijk contracten kon krijgen, maar hij geraakte voortdurend gebrouilleerd met zijn uitgevers omdat hij steeds om voorschotten zeurde en zich zelden aan de afgesproken inlevertijden hield.

Zijn uitgaven waren steeds groter dan zijn inkomsten, want hij betaalde niet alleen voor het verblijf van zijn vrouw in de psychiatrie maar hij was ook zeer genereus voor Andrea Manga Bell en haar twee kinderen. En uiteraard was er de geldverslindende levensstijl in hotels en cafés, want ‘huizen dienen om in te sterven’, zei hij ooit eens tegen Anton van Duinkerken.

Roth verbleef geregeld in Amsterdam. Hotel Eden was daar zijn vaste verblijfplaats. Ook in België dook hij op, onder meer in Oostende, waar hij zijn vriend Stefan Zweig ontmoette.
Daar leerde Roth de 31-jarige Irmgard Keun kennen, waar hij een relatie mee begon. Over hun eerste contact schreef Keun later: ‘Ik had het gevoel een mens voor mij te hebben die van verdriet het volgende uur zou kunnen sterven’.

De volgende anekdotes illustreren zijn twee grote problemen: drankzucht en geldnood.

Op 12 juni 1936 geeft Roth een lezing in Amsterdam. Hij wordt onwel nadat hij van het glas water drinkt dat op de pupiter staat. De baas van hotel Eden laat gauw een waterkruik met jenever aanrukken, want anders wil Roth de lezing niet geven.
Na de lezing in Amsterdam komt een groep schrijvers samen in een café. Er ontstaat een discussie over de ongehoorde winsten van de uitgevers. Afschaffen die handel, een coöperatie van schrijvers is beter. Iedereen kijkt naar Roth om te vernemen wat hij ervan vindt. Hij zegt enkel: ‘Wer gibt mir Vorschüsse?’.

1939 - zijn laatst levensjaar

Op tekeningen werd Roth steevast afgebeeld met een fles en/of een glas in of bij de hand. Tijdens een interview in Parijs, afgenomen door Gerth Schreiner, uiteraard in een café, maakte Mies Blomsma een tekening van de schrijver. Roth schreef erbij: ‘Das bin ich wirklich, böse, besoffen aber gescheit’ (Dat ben ik echt, boos, bezopen maar helder).

In zijn laatste levensjaar schreef Roth Het sprookje van de 1002de nacht en in mei 1939 De legende van de heilige drinker dat postuum werd uitgegeven.
Roth kreeg een inzinking toen hij vernam dat zijn vriend Ernst Toller zich had verhangen. In het Parijse armenziekenhuis waar men hem naartoe bracht, weigerde men hem alcohol te geven. Hij kreeg een longontsteking en vier dagen later was hij dood.

In mei 2009, bij de herdenking van de zeventigste verjaardag van zijn overlijden in Gent, zei Geert Mak in een toespraak:

‘Roths begrafenis paste in alle opzichten bij zijn manier van leven en bij zijn onafhankelijke geest. Het werd één grote oploop van katholieke christenen, joodse emigranten, Oostenrijkse monarchisten, Duitse sociaaldemocraten, communisten en liberalen. Spreker na spreker lijfde de overledene in bij de eigen gelederen, voor eens en altijd. De stemmen en tegenstemmen werden steeds luider. Uiteindelijk kwam het hier en daar zelfs tot een handgemeen’.

Joseph Roth in het Nederlands

De romans

In het begin van de jaren 2000 leerde ik de romans van Joseph Roth kennen dankzij de uitgeverij Atlas. Die had het plan opgevat om het hele oeuvre van Roth opnieuw uit te geven, vaak met nieuwe vertalingen onder de eindredactie van Elly Schippers. Zo heb ik kort na mekaar en met veel plezier een groot deel van Roths werk gelezen.

Atlas Contact heeft sindsdien verschillende werken van Roth heruitgegeven en ondergebracht in de reeks L.J. Veen Klassiek, samen met andere kleppers van de wereldliteratuur. Biecht van een moordenaar uit 2016 was Roths eerste werk dat in die reeks verscheen met een vertaling van Elly Schippers. Het is een werk dat hij tijdens een verblijf in Nederland voltooide. In 2018 volgde de bundel De buste van de keizer en andere verhalen waarin kort proza van Roth is opgenomen. Die boeken zijn minder fraai verzorgd dan de ‘rode’ reeks van begin jaren 2000.

De nieuwe uitgave in 2020 van Radetzkymars bij Van Oorschot is andere en betere koek. Niet alleen qua vorm (verzorgde stijve kaft en mooi papier) maar ook inhoudelijk, met een nieuwe vertaling én nawoord van vertaalster Els Snick, een voorwoord van Geert Mak en tekeningen van Jan Vanriet.

Atlas Contact wou blijkbaar niet onderdoen voor Van Oorschot, want in 2020 verscheen een (eerste?) Nederlandse vertaling van Tarabas, een werk van Roth uit 1934, het eerste na zijn exil uit Duitsland, toen uitgegeven door Querido. Het kreeg ook weer een plaats in de L.J. Veen Klassiek-reeks, het negende boek van Roth al, met iets beter papier én een voorwoord van Tommy Wieringa.

Het journalistieke werk

Wat Atlas Contact deed voor de romans, deed Els Snick voor het journalistieke werk van Roth. Nadat ze een proefschrift maakte over Roth (waarvan een bewerkte versie verscheen in 2013 bij uitgeverij Bas Lubberhuizen: Waar het me slecht gaat is mijn vaderland. Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen)startte ze met het vertalen van zijn krantenartikelen en reportages. Daar kunnen we haar niet dankbaar genoeg voor zijn, want die teksten zijn zeker zo belangwekkend en even goed geschreven als de romans.

Tussen 2014 en 2019 verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen zes mooie bundels met een voorwoord van een bekende schrijver en geïllustreerd met tekeningen.Ze kwamen telkens eind mei op de markt om de verjaardag van Roths dood op 27 mei 1939 te herdenken.

In Joseph Roth: Hotelmens geeft Els Snick via krantenreportages en brieven een beeld van Roths hotelbestaan en waarom hij daarvoor kiest.De tekeningen zijn van Peter van Hugten.
Bij De blonde neger en andere portretten schreef Tommy Wieringa een voorwoord en werden tekeningen van Frans Masereel ingevoegd. Niet verwonderlijk, want de portretten tonen Roths sociale betrokkenheid. Masereel deed hetzelfde met zijn houtsneden. Op de achterflap van het boek staat terecht: ‘In de portretten snijdt hij maatschappelijke thema’s aan die frappante gelijkenissen vertonen met de problemen van onze tijd, zoals politieke en economische crisis, discriminatie van minderheden en religieus fanatisme.’
In Joden op drift zijn de tekeningen van Paul van der Steen en het voorwoord van Geert Mak. In haar nawoord laat Els Snick de auteur zelf aan het woord, uit een brief aan zijn vriendin Irmgard Keun:

‘Hoe verder in het Westen een jood geboren wordt, hoe meer joden er zijn waarop hij neerkijkt. De jood uit Frankfurt minacht de Berlijnse jood, de Berlijnse jood minacht de Weense jood, de Weense jood minacht de jood uit Warschau. En pas helemaal aan het eind komen de joden uit Galicië, op wie iedereen neerkijkt, en daar kom ik vandaan. Ik, de laatste der laatste joden.’


Bart Van Loo schreef een voorwoord voor In het land van de eeuwige zomer: Reportages uit Frankrijk. Els Snick vertaalde de impressies van de ‘witte steden’ (een aanzet tot een boek dat nooit is afgeraakt) en nog 35 andere reportages en krantenartikelen over Frankrijk. De tekeningen zijn van Joep Bertrams.
Voor Spoken in Moskou schreef Tom Lanoye een voorwoord en zorgde Gerda Dendooven voor prenten.

De reportages die Roth schreef in 1927 en 1928 over zijn reizen in Albanië en Italië zijn gebundeld in het laatste deel van deze reeks: Charleston op de vulkaan (2019). Piet de Moor schreef het voorwoord, de tekeningen zijn van Koenraad Tinel.


Het brievenboek

In de zomer van 1936 was Roth in Oostende, samen met Stefan Zweig. Roth is dan 42, maar ziet eruit als een zestigjarige. De meest bekende foto van de twee vrienden staat op het schutblad van Joseph Roth en Stefan Zweig: Elke vriendschap met mij is verderfelijk: Brieven 1927-1938, de 300ste titel in de bekende reeks Privé-domein.Els Snick vertaalde dat brievenboek. Het is het relaas van een vriendschap die geleidelijk wordt verpest door het gezeur van Roth over zijn financiële problemen (waar Zweig hem vaak bij helpt), door Roths alcoholisme (waar Zweig voorzichtig voor waarschuwt, maar wat hem niet in dank wordt afgenomen) en ook door hun meningsverschillen over de naziterreur. Ze wezen allebei het naziregime af, maar Roth deed dat zeer strijdbaar door openlijk zijn mening te ventileren in bladen en tijdschriften, terwijl Zweig alleen invloed wou uitoefenen via zijn literair werk. In een brief van 8 september 1937 schrijft Roth: ‘Beste vriend, het is me te gemakkelijk zoals u zich neerlegt bij die vreselijke feiten. Ik kan dat niet.’ In dezelfde maand antwoordt Zweig vanuit Londen: ‘ik ben hier gewoonweg naartoe gevlucht, om me vast te klampen aan mijn schrijftafel, ons enige houvast. […] Nee Roth, niet hard worden omdat de tijden zo hard zijn, […] Niet strijdlustig worden, niet meedogenloos omdat de meedogenlozen door hun wreedheid triomferen – er liever een antwoord op bieden door het anders-zijn […]’. Waarop Roth dan weer antwoordt: ‘Wat een overschatting van ons schrijversbestaan! Waarom geen artikelen als ik daarmee een einde kan maken aan de praktijken van een paar schoften? Of ze ook maar dwarsboom?’ En Zweig dan weer in een volgende brief: ‘Roth, vriend, broeder, – wat gaat die rotzooi om ons heen ons aan!’
In 1938 valt er een stilte van de kant van Roth waar Zweig het moeilijk mee heeft: ‘u kunt zich dan ook niet voorstellen hoe pijnlijk uw stilzwijgen en uw afwezigheid voor mij zijn’ en in zijn allerlaatste brief aan Roth van december 1938: ‘ik meen door onze oude vriendschap het recht te hebben u te vragen wat u met deze hardnekkige en hopelijk niet slecht bedoelde stilte wilt zeggen’.

Een schrijnend einde van een hechte vriendschap. Vijf maanden later was Roth dood en enkele jaren later pleegde Zweig zelfmoord in Brazilië.

De ‘cultus van Roth’

In haar nawoord bij Charleston op de vulkaan, de laatste bundel vertaald journalistiek werk, schrijft Els Snick: ‘Tot de ‘cultus van Roth’ bekeren zich de laatste jaren bij ons steeds meer kunstenaars, die behalve als illustrator of inleider van Joseph Roth in hun werk naar de schrijver verwijzen. Behalve de eerdergenoemden zijn dat o.a. Arnon Grunberg, Pieter Waterdrinker, Jeroen Olyslaegers, Joke van Leeuwen, Herman Brusselmans, Elvis Peeters, Erik Vlaminck, Koen Peeters, Heleen Debruyne, Martin Michael Driessen, Frank Westerman, Joke Hermsen, Annelies Verbeke.’ Elders kwam ik ook de namen tegen van Geert van Istendael, Brigitte Raskin, Erwin Mortier, Maarten ’t Hart.

In navolging van het Internationale Joseph Roth Gesellschaft, waar zij wetenschappelijk lid van is, richtte Els Snick in 2014 hetJoseph Roth Genootschap op, waarmee zij het werk van Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen bekend wil maken. Het Genootschap steunt de verspreiding van nieuwe uitgaven en organiseert literaire evenementen.

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 7

Tijl Uilenspiegel
Charles De Coster en Daniel Kehlmann vergeleken

Hugo D’hertefelt, maart 2021

Een aantal jaren geleden verbleef ik tijdens een weekend in B&B Rosario te Bever. In de gemeenschapsruimte lag De legende van Tijl Uilenspiegel van Charles de Coster. Ik begon erin te lezen en heb het boek – na ontlenen in de bib – thuis verder uitgelezen.
In januari 2019 stond Tijl van Daniel Kehlmann op de leeslijst van de door Ingeborg Dusar opgerichte en voortreffelijk geleide Anna Blume leeskring voor Duitse literatuur. Ik had dat boek al gelezen, want Daniel Kehlmann leerde ik kennen in de leeskring bij de bespreking van Het meten van de wereld. Dat boek had me zo aangesproken dat ik meer wou lezen van die schrijver. Toen Tijl verscheen in 2017 heb ik het dan ook onmiddellijk in huis gehaald.

De auteurs

Charles De Coster is een man van de 19de eeuw. Hij is geboren in 1827 te München. Zijn vader, een Vlaming, is er hofmeester van de apostolische nuntius bij het Beierse hof. Zijn Waalse moeder is er linnenvrouw. Terug in Brussel sterft zijn vader. Na zijn middelbare studies werkt hij enkele jaren op een bank, maar dan gaat hij studeren aan de pas opgerichte ULB. Daar vertoeft hij in kringen met duidelijke progressief-liberale en antiklerikale opvattingen. In 1856 richt hij samen met Félicien Rops het Brusselse satirische weekblad Uylenspiegel op waarvoor hij verhalen schrijft die later gebundeld en uitgegeven worden als Légendes flamandes (1858) en Contes brabançons (1861). In 1858 wordt hij vrijmetselaar. Tussen 1860 en 1864 werkt hij op het Rijksarchief en daar vindt hij in oude kronieken en historische geschriften materiaal voor zijn grote werk De legende van Tijl Uilenspiegel. Veel heeft hij daarna niet meer geschreven. Hij sterft in 1879 en wordt begraven te Elsene, straatarm en zo goed als vergeten. Pas jaren later zal men hem de grondlegger van de Franstalige ‘Vlaamse’ school noemen. Navolgers zijn Emile Verhaeren, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Max Elskamp en Michel De Ghelderode.  

Daniel Kehlmann is ook geboren in München. Wel bijna 150 jaar later, want Kehlmann is van 1975. De vader van Kehlmann is een regisseur, zijn moeder een actrice. Als hij zes is verhuizen ze naar Wenen. Daar studeert hij later filosofie en literatuurwetenschappen. Daniel Kehlmann heeft zowel de Oostenrijkse als de Duitse nationaliteit. Lange tijd woont hij afwisselend in Wenen en Berlijn. Zijn literair werk situeert zich volledig in de 21ste eeuw. Over zijn politieke opvattingen weet ik niets. Ze zijn mijns inziens niet belangrijk voor zijn Tijl-boek (bij De Coster is dat wel het geval). Vanaf 2007, na het succes van Het meten van de wereld, is Daniel Kehlmann voltijds schrijver. Kehlmann verdeelt tegenwoordig zijn tijd geografisch tussen New York en Berlijn, want sinds 2015 bekleedt hij de Eberhard Berent Chair aan de aan de universiteit van New York.

De boeken

De oorspronkelijke en volledige titel van het boek van De Coster luidt (houd u vast): La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’ Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs. Het verschijnt in 1867. Het boek is bekend in heel de wereld, vertaald in alle Europese talen, maar heeft aanvankelijk weinig succes in eigen land. De Belgische burgerij en de gezagsinstanties moeten niet veel hebben van de vrijheidsgeest die het boek uitwasemt: politieke vrijheid (tegen bezetting door een vreemde mogendheid), gewetensvrijheid (tegen katholieke dominantie), vrijheid van meningsuiting. De figuur Uilenspiegel is voor kritische geesten van die tijd een symbool om zich af te zetten tegen de burgerij, het conformisme, de beknotting van hun streven naar vrijheid.
In de loop der jaren zijn er verschillende Nederlandse vertalingen verschenen, zelfs in 2015 nog. De vertaling die ik heb gelezen is van Willy Spillebeen. Ze dateert van 1984 en werd in 1989 gecorrigeerd en grondig herwerkt. De versie van 1984 bevatte 150 houtsneden van Frans Masereel. Die van 1989 is uitgegeven door het Davidsfonds met tekeningen van Pieter Bruegel. Het is wellicht die uitgave die ik jaren geleden las. De uitgave die ik onlangs toevallig in de tweedehandsboekhandel Snuffel op de kop kon tikken, heeft geen illustraties, hoewel het om de 1989 editie gaat volgens de aantekeningen van vertaler Willy Spillebeen. Ze bevat een nawoord van professor Vic Nachtergaele, waaruit ik heb kunnen putten voor achtergrondinformatie over schrijver, boek en de tijd waarin het verscheen.

Tijl (oorspronkelijke titel Tyll, korter kan niet) verscheen in oktober 2017, juist 150 jaar na het boek met de lange titel van De Coster. Op twee jaar tijd zijn er in Duitsland 600.000 exemplaren van verkocht. Het is ook onder recensenten goed onthaald. Zijn beste roman volgens de Frankfurter Allgemeine Zeitung en Der Spiegel, zijn beste boek sinds Het meten van de wereld volgens de Süddeutsche Zeitung, een meesterwerk volgens de Neue Zürcher Zeitung. In 2018 krijgt Kehlmann er de Friedrich-Hölderlin-Preis voor. Er zijn al verschillende theaterversies van gemaakt in Duitsland. De Engelse vertaling die in februari 2020 verschijnt, komt prompt op de longlist van de International Booker Prize. Er wordt gewerkt aan een tv-reeks voor Netflix. De Nederlandse vertaling van Josephine Rijnaarts verschijnt bij Querido in hetzelfde jaar als het origineel. 

Structuur en achtergrond van de boeken

De Coster situeert zijn Tijllegende in de 16de eeuw, tijdens het conflict tussen Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. Het boek volgt de chronologie van de gebeurtenissen zoals we die ook in Het Geuzenboek van Louis Paul Boon aantreffen (zie aflevering 4 van mijn leesportefeuille). De structuur van het verhaal is lineair opgedeeld in vijf delen. Het eerste deel is veruit het langste, het begint met de geboorte van Tijl en loopt van 1527 tot 1559. Het tweede deel vertelt over de periode 1559-1567 die ongeveer samenvalt met het bewind van Margaretha van Parma. Het derde deel gaat over de eerste jaren van het bewind van Alva (1567-1571), het vierde deel over de laatste jaren ervan (1571-1573) en het laatste deel eindigt met de afscheiding van de Noordelijke provincies.

Daniel Kehlmann plaatst zijn Tijl in de 17de eeuw tijdens de Dertigjarige oorlog die begint in 1618 en eindigt met het Verdrag van Westfalen in 1648. Hier is geen sprake van chronologie van de gebeurtenissen. De eerste zin van het boek luidt ‘De oorlog had ons tot nog toe niet bereikt’. Hij was dus al bezig. In het derde hoofdstuk is hij bijna afgelopen want de protagonisten komen ongewild terecht in de vuurlinie van de allerlaatste slag uit de oorlog, die van Zusmarshausen. In het vierde hoofdstuk is de eerste periode van de oorlog (de Boheems-Paltse fase) pas achter de rug, want de calvinistische keurvorst Frederik van de Palts en zijn vrouw Elizabeth zitten als ballingen in Den Haag. Die Frederik wordt de Winterkoning genoemd omdat hij slechts één jaar koning van Bohemen is geweest, overigens de reden waarom de oorlog is begonnen. In het tweede deel van dat hoofdstuk gaat Frederik tevergeefs aankloppen bij Gustaaf II Adolf van Zweden om zijn erfgebieden terug te krijgen. We zijn dan in de laatste fase van de oorlog, met de succesvolle tussenkomst op het slagveld van de Zweedse koning. Het laatste hoofdstuk speelt zich af tijdens de vredesonderhandelingen in Munster en Osnabrück. In de hoofdstukken 2, 5 en 6 is er amper sprake van de oorlog, in hoofdstuk 7 wel, want er is een beleg van de stad Brno aan de gang, drie jaar voor de laatste slag. In zijn geheel krijg je in dit boek flarden mooi verpakte en suggestieve informatie over de Dertigjarige Oorlog zonder dat je er echt veel wijzer van wordt, wat ook niet de bedoeling was, denk ik.[1]

De hoofdfiguur: Tijl Uilenspiegel

Bij De Coster wordt Tijl Uilenspiegel een vrijheidsstrijder die actief deelneemt aan de strijd tegen de Spaanse overheerser. Er zijn parallellen met andere vrijheidsstrijders zoals Ivanhoe en Willem Tell. Het opkomend nationalisme in de 19de eeuw ging gepaard met verzet tegen vorsten. De Coster laat Tijl op dezelfde dag geboren worden als de latere Filips II. In het eerste deel vertelt hij afwisselend hoe het beide vergaat. Tijl, hoewel een grappenmaker, schildert hij af als eerlijk mens, rechttoe rechtaan in woord en daad. Van Filips (‘de ijskoude’) maakt hij een afschuwelijk mens die er plezier aan heeft om anderen te vernederen. Na een aantal vrolijke hoofdstukjes in het eerste deel wordt het algauw ernst wanneer de spanning in het land oploopt, de revolte dreigt en de repressie toeneemt. Wanneer de oorlog losbarst, is Tijl te vinden in de voorste gelederen, nu eens hier, dan weer daar (soms moeilijk te volgen). Bij de Watergeuzen in het Noorden vecht hij als een ervaren kanonnier. Wanneer admiraal Lumey een gegeven woord niet houdt, gaat Tijl er vierkant tegenin (‘soldatenwoord is gulden woord’). Zijn rechtlijnigheid (‘ik lik de hielen van de heren niet’) brengt hem in nauwe schoentjes, hij ontsnapt ternauwernood aan ophanging.
De Tijl van De Coster is een eerlijke, heldhaftige figuur.

De Tijl van Daniel Kehlmann is omgeven door mysterie. Over de geboorteplaats van Kehlmanns Tijl komen we niet veel te weten, vermoedelijk ergens in het katholieke Zuid-Duitsland, want zijn vader is gevlucht uit het Lutherse Noorden. De Coster laat er geen twijfel over bestaan: zijn Tijl is geboren in Damme. Maar hij heeft niet echt een vak. Die van Kehlmann wel. Hij is wat men in het Duits noemt een Gaukler, een rondreizend artiest, kunstenmaker, goochelaar, jongleur (al van jongs af oefent hij in het koorddansen). Het was in die tijd een gevaarlijk vak, want rondreizende artiesten hadden geen bescherming, ze mochten beroofd of zelfs gedood worden zonder proces. De Tijl van De Coster heeft het niet voor vorsten, die van Kehlmann trekt zich daar niets van aan. Hij wordt hofnar van een vorst als hem dat goed uitkomt. Dan zegt hij dingen waar een gewone sterveling voor op het schavot zou komen. In hoofdstuk vier is hij nar bij Frederik de Winterkoning en zijn vrouw Elizabeth tijdens hun ballingschap in Den Haag. In hoofdstuk drie laat de keizer hem door een escorte weghalen uit een klooster waar hij om niet nader genoemde redenen is verzeild geraakt. Hij is dus zowel nar bij een protestantse als bij een katholieke vorst. Niemand weet trouwens aan welke kant hij staat in het conflict. Kehlmann volgt geen rechte lijn in de ontwikkeling van zijn Tijlfiguur, hij springt van de hak op de tak, laat hem opkomen en verdwijnen zonder veel uitleg. Ook weer anders dan de Tijl van De Coster neemt die van Kehlmann niet deel aan de oorlog. Hij komt er soms wel in terecht, in de vuurlinie zelfs, maar buiten zijn wil, zoals in het hoofdstuk over de slag van Zusmarshausen. We vernemen in dat hoofdstuk ook dat hij ooit bij de belegering van Brno mineur is geweest (omdat hij het had verbruid bij de stadscommandant met een opmerking over diens gezicht!). In hoofdstuk 7 komen we meer te weten over de hachelijke situatie waarin Tijl samen met enkele andere mineurs verzeild geraakt. Hoe hij eraan ontsnapt, blijft een raadsel.
De Tijl van Kehlmann is een enigmatische figuur.

De vader van Tijl

Bij De Coster heet hij Klaas, bij Kehlmann Claus. Klaas is kolenbrander, Claus molenaar. Als persoon verschillen ze nogal. Klaas is sterk en geblokt, een zware stem, een stoere werkman met een vrolijk uiterlijk, een man uit één stuk. Claus is iemand die boeken heeft én leest, zich bezighoudt met kruiden, ziekten bij mens en dier geneest; genoeg om argwaan te wekken in die tijd. Dat gebeurt ook als twee jezuïeten neerstrijken in het dorp en vernemen (van Tijl nog wel) dat er daar een man is die nadenkt, stel je voor (‘Heeft hij meningen? Leest hij?’). Heel listig ondervragen ze Claus later bij hem thuis. En de naïeveling, verrukt dat er belangrijke mensen naar hem willen luisteren en ondanks de waarschuwingen van zijn vrouw, laat zich meetronen en levert zich helemaal uit aan de inquisiteurs après la lettre. Claus eindigt aan de galg. Klaas eindigt op de brandstapel. In de eerste helft van de 16de eeuw draaide de inquisitie immers op volle toeren. Klaas wordt ervan verdacht aan te pappen met de nieuwe godsdienst en dus is hij een ketter. De inquisitie maakt gebruik van verklikkers en hun zucht naar geldgewin want de bezittingen van een veroordeelde worden aangeslagen door de vorst en een deel ervan gaat naar de aanbrenger. Zo gebeurt met Klaas. Bij De Coster is dit voer voor zijn virulent antiklerikalisme. Kehlmann is subtieler maar hij beschrijft toch nauwkeurig hoe sluw de jezuïeten te werk gaan om Claus erin te luizen (suggereert hij: niet te vertrouwen, die gasten?).

Nele

Zowel bij De Coster als bij Kehlmann komt Nele uit hetzelfde dorp als Tijl. Verder verschillen ze sterk van mekaar. Bij De Coster heeft zij, net als Tijl zelf, een symbolische waarde. Nele is het hart, Tijl de geest van Vlaanderen. Er is een grote verbinding tussen beiden.
Bij Kehlmann is er van symboliek geen sprake. Tijl en Nele vluchten samen uit hun dorp, leren de Gaukler-stiel, trekken door het land als rondreizende artiesten of zijn samen in dienst bij een vorst (bij de Winterkoning). Tijl zegt nooit dat Nele zijn vrouw is, hoogstens zijn zus, wat ook niet waar is. Uiteindelijk gaan ze ieder hun weg. Nele trouwt met een professor die ze op hun tocht tegenkomen. Ze krijgt kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. ‘Ze was geliefd en genoot aanzien en geen mens kwam op het idee dat ze ooit iets anders was geweest dan een eerbare vrouw’. Maar tot op haar sterfbed blijft ze de hoop koesteren ‘dat de jongen met wie ze ooit haar dorp van haar ouders had verlaten op een dag terugkwam om haar mee te nemen’.

Nevenpersonages

Lamme Goedzak en Katelijne zijn nevenfiguren die niet voorkomen bij Kehlmann. Lamme staat voor het volk, is de maag van Vlaanderen en een compagnon op de route van Tijl. Samen trekken ze ten strijde tegen de Spanjaarden. Lamme evolueert van een ‘brave sul’ tot ‘Lamme de Leeuw’, een gerespecteerde strijder. Bij de Watergeuzen schopt hij het zelfs tot meester-kok op het schip Den Briel en hij zal ‘met wet, recht en macht beletten dat elkeen het deel van de anderen komt opeten’.
Katelijne is vroedvrouw en helpt bij de geboorte van Tijl. Wanneer ze als ongetrouwde vrouw zwanger wordt, zullen Klaas en zijn vrouw Soetkin voor haar dochtertje Nele zorgen om te voorkomen dat ze moeilijkheden krijgt. Ze is ook een helderziende en al in het begin van het boek doet ze voorspellingen over Tijl (‘grootmeester in kwinkslagen en schelmenstreken’) en de latere Filips II (‘de beul’). Die moeilijkheden komen er toch wanneer men haar beschuldigt van tovenarij. Na haar aanhouding wordt ze voor drie jaar verbannen en ten gevolge van de folteringen is ze waanzinnig voor de rest van haar leven. Uiteraard zijn er bij De Coster de historische figuren uit die tijd: keizer Karel, Filips II, de Zwijger, Brederode, Egmont, Lumey, e.a.

Bij Kehlmann is het vierde hoofdstuk volledig gewijd aan Frederik, de Winterkoning, en zijn Engelse vrouw Elizabeth. Vooral die laatste krijgt heel wat aandacht. De onderhandelingen ter voorbereiding van de vrede van Westfalen in het laatste hoofdstuk worden beschreven door haar ogen, want zij is daar om de belangen van haar zoon te behartigen.
De twee jezuïeten Oswald Tesimond en Anasthasius Kirchner spelen hun verderfelijke rol in het onheil dat de vader van Tijl over zich heen krijgt. Kirchner duikt nog eens op wanneer hij samen met Adam Olearius op zoek gaat naar de laatste draak die zou kunnen helpen om een middel tegen de pest te vinden. Het is met die Olearius, een wiskundige aan ergens een hof, dat Nele zal trouwen en kinderen krijgen.
Het escorte dat Tijl uit een klooster moet halen en naar de keizer brengen staat onder de leiding van de ‘dikke graaf’ Martin van Wolkenstein. Hij beschrijft zijn belevenissen op latere leeftijd zoals hij ze herinnert. Een subtiele hint van Kehlmann dat verslaggeving van ‘feiten’ ook wel eens fictie wordt: de ‘dikke graaf’ baseert zich voor de weergave van de slag van Zusmarshausen (waar hij nota bene middenin heeft gezeten) op Simplicissimus van Grimmelshausen; die heeft de slag bij Wittstock meegemaakt, maar in zijn weergave gebruikt hij de woorden van een door Martin Opitz vertaalde Engelse romanschrijver die ‘nooit ofte nimmer bij een veldslag was geweest’!
En dan is er tenslotte nog Pirmin. Van hem leren Tijl en Nele de Gaukler-stiel. Ze trekken met hem rond maar hij is kwaadaardig en behandelt hij hen slecht. Ze zullen zich van hem ontdoen door middel van vergiftigde paddenstoelen.

Het einde van Tijl

Bij De Coster gaat het zo. Nele en Tijl hebben zich ingesmeerd met toverzalf en hallucineren. Als Nele wakker wordt, vindt ze Tijl naast zich, ‘marmerkil’. Ze denkt dat hij dood is. Een pastoor wil hem wat graag begraven want ‘De grote Geus is dood, God zij geloofd’. Maar Tijl is helemaal niet dood en kruipt recht vanuit het gegraven gat en vanonder het reeds uitgestrooid zand. De laatste zin van het boek luidt: ‘En hij ging samen met haar weg en zong zijn tiende lied, maar niemand weet waar hij het laatste heeft gezongen’.
Over die slotzin is een controverse ontstaan. Zij die droomden van een onsterfelijke vrijheidsheld interpreteerden het zo dat Tijl altijd zou blijven leven. Vertaler Willy Spillebeen is het daar niet mee eens. In het origineel staat ‘Et il partit avec elle en chantant sa dixième chanson, mais nul ne sait où il chanta sa dernière.’ Volgens Spillebeen wijst ‘où il chanta’ op iets definitiefs. En hij vervolgt ‘Uilenspiegel mag dan al levend uit het graf zijn opgestaan, blijkbaar is hij later, niemand weet waar, toch gestorven. Want hij heeft het laatste lied gezongen!’
En zo maakt De Coster er dan toch een gewone sterveling van, oordeelt Spillebeen.

Niet zo bij Kehlmann. In het voorlaatste hoofdstuk zit Tijl samen met andere mineurs vast in een ondergrondse schacht tijdens de belegering van de stad Brno. Enkelen hebben al het loodje gelegd. Aan het eind van het hoofdstuk en te midden van de ontploffingen zegt Tijl:
‘Ik ga nu. Zo heb ik het altijd gedaan […] Ik ga hier niet dood. […] Ik ga niet dood!’
Tijdens de Westfaalse onderhandelingen, aan het eind van het boek, ontmoeten Winterkoningin Elizabeth en Tijl mekaar. Dan ontspint zich een prachtige dialoog.

‘Het wordt vrede, Tijl. Ik ga naar huis. De zee over, naar Engeland. Wil je mee? Ik geef je een warme kamer en je hoeft geen honger te lijden. Ook niet als je op een dag niet meer kunt optreden’. […]
‘Wil je me het genadebrood geven, kleine Liz? Elke dag soep, een dikke deken en warme pantoffels tot ik vredig sterf?’
‘Zo slecht is dat niet.’
‘Maar weet je wat nog beter is? Nog beter dan vredig sterven?’
‘Vertel.’
‘Niet sterven, kleine Liz, dat is veel beter.’
Ze draaide zich om …Toen ze zich weer naar hem toekeerde, was hij er niet meer.

Deze scene illustreert de magisch-realistische stijl die Kehlmann hanteert. Niet alleen de figuur van Tijl, maar het hele boek is ervan doordrenkt.

Wat te denken van die twee Tijlfiguren?

Hoe moeten we de ophemeling van Vlaanderen bij De Coster begrijpen? Vic Nachtergaele schrijft in zijn nawoord: ‘De boodschap [van De Coster] is duidelijk: “Franstalige landgenoten, jullie moeten de Vlamingen kennen, waarderen en bij de uitbouw van België betrekken, het parool ‘L’union fait la force’ indachtig.”’ België was nog niet zo lang onafhankelijk. Er bestond toen heel wat wantrouwen tegenover Frankrijk omwille van mogelijke annexatieplannen. Zo irreëel waren die niet; Nachtergaele schrijft: ‘men wist dat Napoleon III met die idee speelde’. Sommigen wilden de eenheid met Nederland herstellen, maar De Coster was geen orangist, hoewel hij een alliantie bij dreiging niet uitsloot. Aan het eind van het boek zingen de Geesten tijdens het hallucineren van Tijl:
‘Tussen Nederland en België / Zal hechte vriendschap zijn / En een mooi verbond.’
Om de eenheid van België te benadrukken, laat De Coster Tijl zowel door Vlaanderen als Wallonië trekken en komen in het vijfde boek de termen ‘het land België’, ‘Belgisch land’ en ‘het Belgische volk’ voor. Daar neem hij wel een loopje met de geschiedenis, want tijdens de strijd met de Spaanse overheerser was er helemaal geen eenheid. In tegenstelling tot de Vlaamse provincies, kozen de Waalse provincies en hun edelen overwegend voor Spanje.
Volgens vertaler Willy Spillebeen heeft De Coster ‘tot in de taal van zijn boek de Belgische identiteit willen aantonen en bewijzen dat hij wel degelijk over het hele volk van België schrijft’. Nachtergaele borduurt daarop voort en vernoemt de archaïserende taal die De Coster gebruikt. Hij schrijft geen 16de-eeuws Frans maar creëert een taal met naast hedendaags Frans ook oude woorden en wendingen, ‘een gepatineerd Frans’ noemt Spillebeen het. Maar de tekst staat ook vol (oud-)Nederlandse en Vlaamse termen, zegswijzen en flandricismen. Zo wou De Coster ‘een werk schrijven in het Frans voor een Franstalig publiek, dat als Vlaams zou overkomen’ schrijft Nachtergaele. Onvertaalbaar in het Nederlands, oppert hij. Spillebeen vreesde ‘dat het archaïseren van de taal meteen ook het verouderen van de tekst zou versnellen’ en daarom heeft hij ‘gekozen voor een modern Nederlands, met de voorkeur voor de jij-jullie boven de gij-vorm’.  

Kehlmann schrijft een moderne, toegankelijke taal. Het is heerlijk om te lezen, niet alleen om de inhoud, maar ook om de manier waarop die is verwoord. De stijl van De Coster is verhalend, er staat wat er staat. Die van Kehlmann is suggestief, wekt de indruk dat er meer is dan wat er staat. Dat intrigeert. Heeft hij politieke bedoelingen gehad? Ik denk het niet. Behalve misschien dat polarisering nefast is (Tijl kiest geen kant in de strijd tussen protestanten en katholieken). Met de Dertigjarige oorlog snijdt hij wel een echt Duits thema aan, dat nog altijd gevoelig ligt. Daar heeft hij bewust voor gekozen, heb ik hem tijdens een interview in Passa Porta horen zeggen, nieuwsgierig naar een stuk geschiedenis. Na ‘Het meten van de wereld’ waarin hij twee oer Duitse wetenschappers ten tonele bracht (de rusteloze wereldreiziger Humboldt en de saaie thuiszitter Gauss) is Tijl zijn tweede boek over een typisch Duits onderwerp met een universele betekenis, net zoals de Tijl van De Coster niet eng Vlaams is maar een universele ode aan de vrijheid.

[1] Als je meer wil weten over deze rampzalige oorlog kan je terecht bij Dick Harrison, De Dertigjarige Oorlog. De allereerste wereldoorlog 1618-1648. Een turf van 600 bladzijden. Goed gedocumenteerd. Vooral interessant omdat de schrijver ook aandacht heeft voor het onheil dat de gewone mensen in steden, dorpen en op het platteland ondergingen, zodanig zelfs dat er (ik durf het bijna niet schrijven) een beklemmende eentonigheid van uit gaat.

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 6

Alfred Hitchcock (1899 – 1980)

Hugo D’hertefelt, Hasselt
December 2020

Alfred Hitchcock als filmmaker is voor mij pure nostalgie. Zijn films, 53 in totaal, maakte hij pal in het midden van de vorige eeuw, tussen 1925 en 1976. Ik zag ze in de bioscoop, niet in de filmclubs die ik geregeld bezocht. Voor een filmclub moesten films ‘inhoud’ hebben en daar ontbrak het aan bij Hitchcock. Een Amerikaanse filmcriticus verwoordde het zo: ‘He’s rich and successful, but his movies have no substance.’ Daar is iets van waar. Hitchcock hechtte niet zoveel belang aan de inhoud. Hij was meer met filmtaal bezig én hij wou spanning creëren. Hij werd terecht ‘de meester van de suspense’ genoemd. In de betere filmkringen werd daarop neergekeken. Hitchcock was commercieel en daar was de kous mee af. Dat hij niet serieus werd genomen door vele ernstige (sic) filmcritici had Hitchcock een beetje aan zichzelf te danken. Hij was toch zó tuk op publieke aandacht.

Hitchcock als publieksfiguur

Hij deed er alles aan om zichzelf in de kijker te plaatsten. Al in het begin van de jaren 1930 richtte hij een firma op om aan zelfpromotie te doen met de bedoeling zijn naam en prestaties te verspreiden onder het publiek. Met deze PR avant la lettre wilde hij een verkoopbare naam creëren door bijvoorbeeld zijn naam voldoende groot op de affiche te doen verschijnen.

Cameo’s

Door korte optredens als figurant zette hij zichzelf in de kijker in zijn eigen films. Cameo's noemt men zoiets in het filmjargon. Daar begon hij al heel vroeg mee. De eerste keer was het eerder toevallig. In 1927 wou hij reliëf brengen in een shot van de film The lodger waarin op een krantenredactie verslag wordt uitgebracht van een moord op een vrouw in de straten van Londen. Er moest iemand vooraan in het beeld breeduit aan een telefoon zitten. Hij vond niet onmiddellijk iemand, dus deed hij het zelf (hij was er breed genoeg voor). Van dan af is hij in bijna al zijn films even te zien. Zelfs in Lifeboat, een film uit 1945 die zich volledig afspeelt in een reddingssloep, slaagde hij erin: hij liet iemand een krant lezen waarin een reclame voor een vermageringsproduct staat met zijn silhouet.

Tv-figuur

Midden jaren 1950 sprong hij op het medium tv met zijn tv-filmreeks Hitchcock presents, die wekelijks op het scherm kwam.  Hij introduceerde persoonlijk elke aflevering en zo werden zijn figuur en zijn silhouet bekend in heel de wereld.

Marketing

En dan is er zijn aandeel in de marketing van zijn films. Het verst is hij daarin gegaan met Psycho uit 1960. Hij creëerde een regelrechte hype lang voor dat fenomeen gemeengoed werd. Van bij het begin van de opnamen legde hij de filmploeg zwijgplicht op. Ze mochten aan niemand iets vertellen over de inhoud van de film. Tijdens de opnamen mocht geen enkele buitenstaander op de set komen: de pers niet, zelfs de studiobazen niet. Als de film in roulatie kwam, vroeg hij aan de zaaluitbaters om niemand binnen te laten als de film begonnen was. Dat was toen heel ongewoon, want het was de tijd van de doorlopende vertoningen; de filmindustrie had het moeilijk met de concurrentie van de tv. En ten slotte vroeg hij op de lanceerband van de film aan het publiek om te zwijgen over de afloop. Van de studio had hij slechts 800.000 dollar gekregen, want niemand geloofde in het project. Maar na twee jaar had de film al 15 miljoen dollar opgebracht. Met een affiche bedankten de Belgische filmexploitanten Hitchcock voor de recordopbrengst die ze hadden behaald.  

Wie was Hitchcock?

Hitchcock is geboren in 1899, in een volkswijk van Londen waar zijn ouders een winkel hadden. Van gewone komaf dus. Hij werd streng katholiek opgevoed. Dat maakte hem een beetje atypisch in het anglicaanse Engeland. Later, in de VS, koketteerde hij met zijn ‘britishness’ en deed hij geen moeite om over te komen als een Amerikaan. Eigenlijk was hij als kind eerder verlegen. Een schoolgenoot bevestigde wat Hitchcock daarover zelf vertelde: hij was eerder een eenzame jongen, mollig, verlegen, zonder fysieke vaardigheden, hij speelde vaak alleen en bedacht allerlei spelletjes. Later gedroeg hij zich overdreven extrovert.

Gevolgen van een strenge katholieke opvoeding

Hitchcock zat drie jaar op een strenge kostschool bij de jezuïeten. ‘Ze bezorgden me doodsangsten, en nu word ik weer mezelf door andere mensen schrik aan te jagen’, zei hij daar later over. In zijn films zitten invloeden van die strenge katholieke opvoeding. Steeds terugkerende thema’s zijn angst, schuld/onschuld, straf, boete. In interviews vertelde hij vaak de volgende anekdote. Hij is vijf jaar en zijn vader geeft hem een briefje met de vraag om dat af te geven in het plaatselijke politiekantoor. Hij doet dat en de agent van dienst sluit hem op in een cel. Na vijf minuten laat hij hem weer los en zegt ‘Dat is wat gebeurt met jongetjes die niet braaf zijn’. Misschien is het door die ervaring dat de autoriteiten in zijn films er niet altijd positief uitkomen: ze zitten op het verkeerde spoor of komen steevast te laat, politie en gerecht zijn soms een beetje corrupt of laten eigenbelang primeren op de officiële taak.

Victoriaanse invloeden

Hitchcock droeg in zich nog de invloeden van het victoriaanse Engeland.
Eerste kenmerk daarvan was het belang van gezinswaarden, deftigheid, orde en regelmaat.
Hitchcock was een family man. Hij is met zijn vrouw, Alma Reville, getrouwd gebleven, toch eerder uitzonderlijk in Hollywood, waar hij in 1940 naartoe trok. Hij was ook een man die hield van gewoonten: altijd dezelfde kleding met pak en das, dezelfde hotels als hij op verplaatsing was, dezelfde dagindeling, liever een 9 to 5 job in de studio dan tijdrovende en lastige buitenopnamen, daar had hij een hekel aan.
Een tweede kenmerk was de belangstelling voor misdaad en seks. Denk maar aan de Jack the Rippermoorden aan het einde van de 19de eeuw. Hitchcock volgde al zeer jong moordprocessen in Old Baily.  
Een derde kenmerk was de tegencultuur: het verzet, vooral verbaal, tegen de deftige buitenkant van de samenleving en een voorkeur voor ‘l’art pour l’art’, vorm was belangrijker dan inhoud. Bij Hitchcock kwam dat tot uiting in zijn droogkomisch wijze van praten en in zijn films is duidelijk te merken dat de verhaallijn ondergeschikt is aan de filmtaal.

Voorkeur voor blondines

Als je meerdere films van Hitchcock ziet, valt het op. Hij had duidelijk een voorkeur voor hoogblonde actrices: Ingrid Bergman (Spellbound, Notorious, Under capricorn), Grace Kelly (Dial M for murder, Rear window, To catch a thief), Kim Novak (Vertigo), Eve Marie Saint (North by Northwest), Tippi Hedren (The birds, Marnie). Grace Kelly was voor hem de perfectie. In To Catch a thief uit 1955 speelt ze een goed opgevoede, gereserveerde vrouw die onverwacht alle zelfcontrole verliest en heel passioneel wordt. Dat sprak hem blijkbaar aan in een vrouw. Hij had haar nog graag in een film gehad nadat ze getrouwd was met prins Rainier van Monaco, maar naar het schijnt zou die daar een stokje voor hebben gestoken.
Hij probeerde zijn actrices te modelleren zoals hij wou dat ze waren, niet alleen op de set, maar ook in hun privéleven: hoe ze zich moesten kleden, met wie ze moesten omgaan, enzovoort. Het verst is hij daarin gegaan met Tippi Hedren.
Actrice Ann Todd zei over hem: ‘Hij was een zeer gecompliceerd man, eigenlijk een uit zijn kracht gegroeide schooljongen, die nooit volwassen was geworden en in zijn eigen fantasiewereld leefde. Geobsedeerd door seks. Hij beschikte over een eindeloze voorraad vieze, platte en ondeugende verhalen en grappen. Die vermaakten hem veel meer dan anderen. Maar ik denk dat hij in wezen droevig was.’

De Britse filmjaren (1925 – 1939)

Na de kostschool bij de jezuïeten volgde Hitchcock enkele jaren technisch onderwijs en tekenlessen. Wanneer er in zijn buurt een filiaal van een Amerikaanse filmstudio neerstreek trok hij zijn stoute schoenen aan en bood hij zich aan met een map tekstkaarten. (In de tijd van de stille film werden stukken dialogen of de voortgang van het verhaal aangegeven met tekstkaarten tussen de bewegende beelden.) Hij werd aangenomen en behalve tekstkaarten hielp hij ook met decorbouw en met allerlei andere klussen. Na verloop van tijd werd hij regieassistent en nog later mocht hij zelf regisseren.

Het duo Hitchcock/Reville

Zijn eerste film, The pleasure garden, maakte hij in 1925. De film werd opgenomen in Italië en in München. Zijn latere vrouw, Alma Reville, deed de montage. Hij leerde haar kennen in de filmstudio waar hij werkte. Aanvankelijk stond zij hoger in de hiërarchie. Hij heeft haar pas ten huwelijk gevraagd toen ze terugkwamen van een verblijf in de Duitse filmstudio’s. Hij was opgeklommen en stond iets hoger dan zij. Puur professioneel is zij voor hem belangrijk gebleven. Zij zou waarschijnlijk zelf een heel goed regisseur geweest zijn, maar zij heeft zich ‘achter de man’ geplaatst. Zij heeft hem altijd bijgestaan. Ze bespraken samen alle aspecten van de film die hij ging maken of aan het maken was. Bij de opnamen van Psycho heeft zij hem vervangen op de set toen hij ziek was en niet in staat om de filmploeg te leiden. Bij Psycho is zij het geweest die hem over de streep trok om door te zetten met het project op het moment dat hij zo ontmoedigd was door alle tegenkantingen.

De eerste “Hitchcockiaanse” film: The Lodger (1927)

The lodger uit 1927 is losjes gebaseerd op de Jack the Rippermoorden. Een man die een kamer huurt in de buurt waar de moorden plaatsvinden, wordt verdacht. De dochter des huizes wordt verliefd op de man, terwijl zij eigenlijk verloofd is met de politie-inspecteur die het onderzoek naar de moorden leidt. De politie is aanvankelijk meer dan een beetje bevooroordeeld, maar komt toch nog net op tijd om te verhinderen dat de onschuldige wordt gelyncht. De film bevat typische Hitchcockmotieven: een onschuldige verdachte, de politie vergist zich en is bevooroordeeld, handboeien, trappen, raamlatten, enzovoort.

De eerste Britse geluidsfilm: Blackmail (1929)

Blackmail was eerst als stille film opgenomen. Bij de versie met geluid moest iemand achter de schermen de teksten inspreken, want de Duits-Tsjechische actrice had een te zwaar accent. Maar er is meer. Hitchcock had onmiddellijk door dat hij geluid als dramatisch element kon gebruiken. Dit blijkt in de volgende scène. Een vrouw heeft ’s nachts met een mes haar belager gedood en zit ’s morgens aan de ontbijttafel bij haar ouders terwijl een buurvrouw de moord becommentarieert. De kletsmajoor gebruikt om de haverklap het woord knife, waarvan de klank wordt versterkt en de camera tegelijk inzoomt op de hoofdpersoon en het effect op haar laat zien, ze laat zelfs haar tafelmes vallen.

Invloeden

In zijn jonge jaren bezocht Hitchcock de talrijke filmzalen van Noordoost-Londen. Hij zag er de Amerikaanse films van D.W. Griffith, Harold Lloyd en Chaplin. Hij waardeerde ze voor de knappe technische kant ervan.
De Duitse film leerde hij kennen door een verblijf in de UFA-studio’s van München. Hij was aanwezig bij de opnamen van Der letzte Mann van Friedrich Wilhelm Murnau en had de kans om Murnau bezig te zien en met hem te praten. (Der letzte Mann was een stille film zonder tekstkaarten. Pure cinema.) Hitchcock leerde zo het Duitse expressionisme kennen, met zijn zwart-witcontrasten en zijn belangstelling voor misdaad, waanzin en horror.
Een derde invloed was de Sovjetfilm van de jaren 1920-1930. Samen met andere kunstenaars keek hij naar die films en ze werden druk besproken. Hij leerde het belang van de montagetechnieken, vooral hoe je met het monteren van beelden een emotie kunt teweegbrengen. Hij illustreerde dat zelf vaak met het volgende voorbeeld: na het beeld van een baby ziet het publiek het beeld van een man, reactie ‘zie hoe vertederd die kijkt, wat een lieve man’; na het beeld van een jonge vrouw in bikini of helemaal bloot ziet het publiek hetzelfde beeld van de man, reactie ‘zie die viespeuk, wat een voyeur’.

Het Britse thrillersextet (1934-1939)

Tussen 1925 en 1939 maakte Hitchcock 25 films waarvan 10 stille films. Hij bouwde een reputatie op van beste Britse filmer. Zes films vormen het Britse thrillersextet: The man who knew too much (1934), The 39 steps (1935), The secret agent (1936), Sabotage (1936), Young and innocent (1937) en The lady vanishes (1938).
De vooroorlogse Britse film stelde niet veel voor. Van de honderd beste Britse films zijn er slechts drie van voor 1940. Twee ervan zijn van Hitchcock: The 39 steps en The lady vanishes.

Het is te begrijpen dat de ambitieuze Hitchcock naar de andere kant van de oceaan wou, naar de schier oneindige mogelijkheden van Hollywood.

De Amerikaanse jaren (1940 – 1976)

De Selznickperiode (1939-1947)

Hitchcock tekende een contract van zeven jaar met David O. Selznick, die pas had geschitterd met Gone with the wind. Ze zouden samen echter maar drie films maken. De eerste is Rebecca. Een groot succes, met een Oscar voor beste film, maar die ging naar de producer David O. Selznick, niet naar de regisseur Alfred Hitchcock. Het boterde niet tussen beide heren. Selznick bemoeide zich te veel. Hij wou zijn film maken, maar Hitchcock wou dat ook, want daarvoor was hij naar Hollywood gekomen. Hitchcock counterde de bemoeizucht van Selznick op allerlei manieren. Tijdens opnames ging er altijd iets mis: een camera deed het niet, het decor moest veranderd worden, enzovoort. Ook in de postproductie en de montage zette hij Selznick een hak. Hij maakte heel weinig opnames zodat de speelruimte bij de montage heel klein was. Als er heel veel materiaal is, kan men door te monteren nog alle kanten op. Dat was de manier die Selznick verkoos, want zo kon hij zijn klemtonen in de film te leggen. Maar Hitchcock had meestal de hele film, beeld per beeld, in zijn hoofd zodat hij het aantal opnames minimaal kon houden.
Ten einde raad verhuurde Selznick Hitchcock dan maar aan andere studio’s. Die waren best geïnteresseerd, want Hitchcock had ook in Amerika snel een behoorlijke reputatie opgebouwd. Tussen 1940 en 1947 maakte hij zes films voor andere studio’s. Selznick verdiende daar goed aan, want de studio’s moesten hem 10.000 dollar betalen, maar Hitchcock kreeg van de studio slechts 5.000 dollar.
Dat zinde Hitchcock niet, want behalve films maken wou hij ook geld verdienen.

Eigen productiemaatschappij in 1948

In 1948 richtte Hitchcock een eigen productiemaatschappij op. Voor het geld werkte hij nog samen met andere studio’s maar hij had nu meer artistieke vrijheid en kon eindelijk van scenario tot montage bepalen hoe zijn film er zou uitzien. Tot zijn laatste film in 1976 zal hij niet alleen de regie maar ook, geheel of gedeeltelijk, zijn films zelf produceren.
Al wou hij films maken voor een groot publiek, hij experimenteerde ook graag. Dat deed hij onmiddellijk met Rope, zijn eerste film in eigen productie en ook zijn eerste film in kleur. Het was niet met de kleur dat hij experimenteerde. Hij wou een film maken met negen lange shots van tien minuten. Dat was toen het maximum wat op één filmrol kon. Na tien minuten moest een nieuwe filmrol in de camera. Een extra moeilijkheid was de ruimtelijke beperking, want de film speelt zich volledig af in een kamer. Het was technisch een heksentoer om met een zware camera zoiets te doen en ervoor te zorgen dat het wisselen van de rol niet opviel voor de kijker.
De film was niet zo’n groot succes bij het publiek, misschien ook door het thema. Twee jonge studenten zijn behept met übermenschtheorieën. Ze vermoorden een vriend en houden een feestje met diens familie en hun vroegere prof, waarbij het buffet op een kist staat waarin ze het lijk hebben opgeborgen. Een beetje luguber. Maar toch een knappe film omwille van de spanning die Hitchcock opbouwt.

De meester van de suspense

Nu zijn we waar we moeten zijn, bij spanning: Hitchcock als ‘meester van de suspense’.
Hij zei zelf het volgende over het verschil tussen spanning (suspense) en verrassing (surprise)

Surprise/verrassing is een instant reactie. De emotie die het teweegbrengt, duurt slechts enkele seconden. Een voorbeeld: stel dat je twee mannen aan een tafel ziet zitten en plots gaat er een bom af die onder de tafel ligt. Het emotioneel effect duurt ongeveer 45 seconden.

Bij suspense duurt de emotie veel langer. Hetzelfde voorbeeld: je ziet die twee mannen zitten, maar je weet dat er een bom onder de tafel ligt en je weet ook om hoe laat ze gaat ontploffen, maar de mannen weten dat niet. De emotie die die situatie teweegbrengt, kan minutenlang aanhouden.

Mind game: spelen met de verwachtingen van de toeschouwer

Hitchcock koos voor suspense in zijn films. Daarvoor speelde hij een spel met de verwachtingen van de toeschouwer en hun clichés of kennis die ze denken te hebben over de afloop. Die ‘mind game’ was voor hem de belangrijkste taak van de regisseur. Hij deed dat bijvoorbeeld door het publiek te laten sympathiseren met in gevaar verkerende personages of door het publiek meer informatie te geven dan de protagonisten in de film.  

Een voorbeeld:  
In Sabotage uit 1936 stuurt een terrorist een jongetje met een bompakket de stad in omdat hij zelf in het oog wordt gehouden. Het jongetje weet niet dat hij een bompakket draagt, de toeschouwer wel. Hij weet alleen dat hij het ten laatste om kwart voor twee ergens moet afleveren. Het publiek weet dat de bom op dat tijdstip zal ontploffen, want de opdracht ‘The birds will sing at 1:45’ werd getoond. Door allerlei omstandigheden wordt het jongetje opgehouden tijdens zijn tocht door de stad. De spanning is om te snijden. Verschillende close-ups van de grote minutenwijzer van Big Ben die langzaam het vermaledijde tijdstip nadert, doen er nog een schep bovenop.

Het belang van de camera

‘Wanneer Hitchcock emotie wil oproepen bij het publiek, doet hij dat met bewegingen van de camera’, zei Bruce Dern, een acteur die voor Hitchcock werkte. De camera is de echte acteur.
Een voorbeeld, ook uit Sabotage.
Het jongetje dat is omgekomen bij de ontploffing van de bom is het broertje van de vrouw van de terrorist. Zij was niet op de hoogte van diens activiteiten. We zien een scene waarin de vrouw erachter komt dat haar man verantwoordelijk is voor de dood van haar broertje. De actrice vond het vreemd dat ze in die scene niets moest zeggen. Achteraf gaf ze toe dat de scene veel sterker was zonder tekst. De camera deed zijn werk.

Suspense in de films van Hitchcock

In het creëren van suspense is Hitchcock niet voor één gat te vangen. Het is onvoorstelbaar in hoeveel verschillende situaties en met hoeveel verschillende vormen hij daarin slaagt. Een overzicht.

De dubbele achtervolging

Dit is een situatie waarin een onschuldige door de autoriteiten wordt verdacht van een misdrijf en door de politie wordt achtervolgd. Om zijn onschuld te bewijzen gaat hij (zelden een zij) op zijn beurt op zoek naar informatie die hem vrij kan pleiten of spoort hij de persoon op die hij verdenkt. The 39 steps uit 1935, Young and innocent uit 1938 en North by Northwest uit 1959 zijn daar voorbeelden van.
Er wordt in die films nogal wat afstand afgelegd. In The 39 stepsgaat het van Londen naar het hoge noorden van Schotland en in North by Northwest van het oosten van de VS tot op Mount Rushmore in het noordwesten. Schitterend in die laatste film is de meer dan acht minuten durende scène (zonder muziek!) waarin de onschuldige Cary Grant ‘in the middle of nowhere’ een afspraak heeft om informatie in te winnen over zijn ‘dubbelganger’ maar na een hele tijd wachten vanuit een vliegtuig wordt beschoten. 
In Young and innocent zijn de jonge vrouw en haar vriend erna lang zoeken achter gekomen dat de dader van de moord waarvan hij onterecht wordt verdacht, zich in een hotel bevindt waar een dansfeest plaatsheeft. Een oudere man die hen helpt, is de enige die de echte dader ooit gezien heeft. In een heel langzame tracking shot door de zaal en over de hoofden van de dansende mensen laat Hitchcock de camera inzoomen op de drummer van het orkest, die zichzelf verraadt als hij de oude man herkent in het publiek. Tijdens de scene is er alleen de dansmuziek, er wordt geen woord gezegd, de camera doet zijn werk.

Spionage, complot, terrorisme, oorlog

Een knap spionageverhaal is Notorious uit 1946. Cary Grant en Ingrid Bergman proberen erachter te komen wat een groep nazi-sympathisanten in Argentinië in het schild voeren.

In verband met deze film een uitstapje naar een MacGuffin. Een MacGuffin is een element in een verhaal dat de plot in gang zet of grotendeels stuurt, maar verder niet zoveel belang heeft. Het komt vaak voor in thrillers en Hitchcock maakte er veel gebruik van. Waar de term van dan komt is onduidelijk. Hitchcock zei dat hij het woord had gehoord in een mop over een dialoog tussen twee treinreizigers: ‘Wat zit er in het grote pak dat u daar hebt?’ ‘Een MacGuffin.’ ‘Wat is dat?’ ‘Een apparaat om leeuwen te vangen in de Schotse Highlands.’ ‘Daar zitten toch geen leeuwen.’ ‘O, dan is het geen MacGuffin.’ Een staaltje Hitchcock-humor.  
In Notorious is de MacGuffin het radioactieve materiaal dat de beide speurneuzen vinden in de wijnkelder van een van de nazisympathisanten. In The 39 steps is het Mr. Memory die de geheime plannen van een vliegtuigmotor in zijn hoofd heeft opgeslagen. In North by Northwest is het een microfilm met staatsgeheimen in een beeldje. In Rear window is het de vermoedelijke moord aan de overkant van fotograaf James Stewarts appartement. 

In The man who knew too much plant een terroristische groep een aanslag op een buitenlandse personaliteit. De eerste versie werd gemaakt in 1934 en behoort tot het Britse thrillersextet. In 1956 maakte Hitchcock een remake met James Stewart en Doris Day, die in de film het (toen) bekende Que sera zingt. De ontknoping van de film speelt zich af in de Londense Albert Hall tijdens een concert waarbij het fatale schot zal worden gelost op het moment dat twee cimbalen tegen mekaar kletsen. De protagonisten weten dat er daar iets gaat gebeuren, maar weten niet wat. De kijker wel.

In de jaren 1960 maakte Hitchcock twee films die zich afspelen in het Koude Oorlogsklimaat van die tijd. In Torn curtain uit 1966 loopt een Amerikaanse nucleaire fysicus zogezegd over naar de DDR, maar eigenlijk moet hij erachter komen hoe ver men daar staat in de nucleaire wedloop. Topaz uit 1969 heeft de Cubaanse rakettencrisis als achtergrond. Het zijn niet de beste films van Hitchcock. Vooral Topaz vind ik een miskleun. Die film wordt trouwens algemeen beschouwd als het dieptepunt van Hitchcocks filmloopbaan.

Psychodrama

In heel wat films van Hitchcock komt de spanning voort uit de relaties tussen mensen en/of hun innerlijke strijd over schuld, straf, boete.

Rebecca, zijn eerste film in Hollywood uit 1940, gaat over de psychische terreur die de housekeeper in een ouderwets Engels kasteel uitoefent op de nieuwe, jonge en onervaren vrouw van de kasteelheer-weduwnaar. De housekeeper vereert nog altijd diens eerste vrouw en wil de tweede weg door haar tot zelfmoord te brengen.

In Shadow of a doubt uit 1943is het kernthema de innerlijke strijd die een jonge vrouw voert tussen de adoratie voor haar oom, die ze van jongs af heeft gekoesterd, en het stilaan rijpende besef dat hij een moordenaar is.

Lifeboat uit 1944 speelt zich volledig af in een reddingssloep met een twaalftal overlevenden van een getorpedeerd Brits vrachtschip. Maar ook de kapitein van een getroffen Duitse onderzeeër wordt aan boord genomen. De spanning betreft hier de onderlinge verhoudingen maar ook de mentale processen die zich bij bepaalde individuen afspelen.

In The wrong man uit 1956verdenkt men een doodbrave jazzmuzikant (rol van Henry Fonda) van een roofoverval op een bank. Hij wordt opgesloten en veroordeeld, wat desastreuse gevolgen heeft voor zijn vrouw, die er helemaal onderdoor gaat. Hijzelf blijft in zijn onschuld geloven en wordt uiteindelijk vrijgesproken als de echte dader wordt gevat. Maar zijn leven is verwoest. Het zou een waargebeurd verhaal zijn. De film is in een vrij documentaire stijl gedraaid op de plekken waar het echt gebeurde. Het katholieke geloof van de hoofdpersoon speelt een rol in deze film.

Dat is nog uitdrukkelijker het geval in I confess uit 1953. Montgomery Clift speelt een priester in het katholieke Quebec die verdacht wordt van een moord die hij niet heeft gepleegd. Maar hij kan zijn onschuld niet bewijzen omdat de moordenaar bij hem is komen biechten. Spanning door een gewetensconflict. De film had in de VS niet zo’n succes omdat de overwegend protestantse Amerikanen het biechtgeheim niet verstonden.

Traumaverwerking

Een variante van de psychodrama’s zijn films waarin de hoofdpersonages kampen met een trauma. Het trauma speelt expliciet een rol in de ontwikkeling van het verhaal of van de evolutie van de personages.

In Spellbound uit 1945 worstelt Gregory Peck met een verdrongen jeugdtrauma en helpt Ingrid Bergman hem om dat te ontrafelen. Dat is nodig om erachter te komen wie de moord heeft begaan waarvan hij verdacht wordt. In een droomscene wordt een en ander duidelijk. Gedeelten daarvan zijn gefilmd op basis van een ontwerp van Salvador Dalí.

In Vertigo uit 1958 kampt James Stewart, ex-politie-inspecteur, met hoogtevrees, opgelopen tijdens een achtervolging van een crimineel. Hangend aan een dakgoot van een hoge building is hij maar op het nippertje gered. Die hoogtevrees speelt hem parten om de vrouw waarop hij verliefd is, en die zogezegd aan wanen lijdt, te beletten zich van een hoge toren te gooien. Daarna gaat hij obsessief op zoek naar het evenbeeld van die vrouw.

In Marnie uit 1964 is het Tippi Hedren die met een onverwerkt jeugdtrauma kampt. Als volwassen vrouw gaat zij als oplichtster door het leven en gedraagt ze zich heel zelfstandig.  Tot Sean Connery haar ontmaskert, voor haar valt en met haar trouwt. De film werd minder goed onthaald, sommigen vonden het zelfs een totale mislukking. Behalve het onderwerp, namelijk een zieke psyche, zal ook wel meegespeeld hebben dat de decors in bepaalde scenes van bordkarton waren. In de jaren 1960 begon men iets meer beeldrealisme te verwachten in een film. Een voorbeeld: een scène speelt zich af in de havenstad Baltimore, waar de moeder van Tippi Hedren woont. Ze woont in een arbeidershuis met aan het einde van de straat een zicht op de haven. Het is overduidelijk dat het een geschilderd decor is. Voor Hitchcock was zoiets niet belangrijk, want slechts een stijlelement.

Psychopaten

In twee films voert Hitchcock psychopaten op die moorden plegen waarvan anderen verdacht worden.

In Strangers on a train uit 1951 heeft de psychopaat een toevallige ontmoeting met een medereiziger op de trein. Hij stelt vast dat ze allebei een probleem hebben: hij met zijn tirannieke vader en de andere met zijn vrouw die niet wil scheiden terwijl hij met een andere wil trouwen. De psychopaat stelt een ‘crisscross’-moord voor: ik vermoord uw vrouw en gij vermoordt mijn vader. Te gek om los te lopen, denkt de ander, maar de psychopaat doet het en verwacht dat de ander zijn ‘contract’ nakomt.

Frenzy uit 1972is gedraaid in Engeland en speelt zich af in de Londense wijk waar Hitchcock is opgegroeid. Het is een Jack the Ripperverhaal, zoals The lodger uit 1927. Maar nu komt de moordenaar-psychopaat veel meer in beeld. Een onschuldige wordt verdacht. Hitchcock zet hem neer als een vulgaire, grofgebekte kerel. Dat heeft hij bewust gedaan, want in de VS kon dat niet. Het moet voor hem een verademing geweest zijn om eens niet in het puriteinse keurslijf van Hollywood te zitten.

Komedies

Er komt meer humor voor in de films van Hitchcock dan je zou denken. In North by Northwest,bijvoorbeeld, maar ook in andere zitten grappige scenes. Twee films kunnen als uitgesproken komedies worden beschouwd.

In The trouble with Harry uit 1955wordt de hele tijd met een lijk gesold, letterlijk, want het wordt meerdere keren begraven en weer opgegraven. Maar de sfeer is goedmoedig en het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de warme herfstkleuren in het noordoosten van de VS: een en al lieflijkheid en goedhartigheid. Een anekdote. De buitenopnamen werden verstoord door storm en onweer en moesten stopgezet worden omdat er geen blaren meer aan de bomen hingen. Men heeft dan blaren verzameld en meegenomen naar de studio en daar de herfstsfeer nagebootst. Film is illusie.

Family plot uit 1976 is Hitchcocks laatste film. Een eenvoudig verhaal over een stel oplichters en een koppel naïevelingen die met mekaar in aanraking komen, waaruit allerlei gekke toestanden voorvloeien.

Horror en rampen

De meest creatieve periode van Hitchcock liep van begin jaren 1950 tot begin jaren 1960. Met Psycho uit 1960 en The birds uit 1963 sluit Hitchcock die periode af.

Voor Psycho heeft hij moeten knokken. De studio geloofde er niet in. Horror was niets voor hem, vond men. Uiteindelijk stemde de studio toch in met het project, maar hij kreeg slechts 800.000 dollar. Hitchcock nam een hypotheek op zijn woning om de film te helpen financieren. Om de kosten te drukken, deed hij beroep op een sneller werkende tv-ploeg zodat de opnametijd kon worden ingekort. Hij koos ook niet voor steracteurs. De censuur deed moeilijk en legde allerlei beperkingen op: er mocht geen bloed te zien zijn, dus draaide hij de film in zwart-wit; een mes in een lichaam mocht niet, het is inderdaad niet te zien; geld dat in het toilet wordt weggespoeld, waar is dat voor nodig, enzovoort.

De opname van de bekende douchescène met de eerste moord vergde zeven dagen. In de film duurt ze 45 seconden maar er waren zeventig camerastandpunten nodig. Alles werd nauwgezet voorbereid met tekeningen. Hitchcock had zijn films meestal beeld per beeld in zijn hoofd.

Voor The birds waren er ook heel wat schetsen en tekeningen, maar voor die film werd meer geïmproviseerd op de set.

Erkenning of miskenning?

Heeft Hitchcock iets betekend voor de filmkunst? Volgens mij wel. Heeft hij daar erkenning voor gekregen? Zeer weinig. Zeker als je erkenning afweegt aan prijzen op festivals of andere filmevenementen. Op geen enkel Europees filmfestival heeft hij als regisseur een prijs gekregen. En hoeveel Oscars heeft hij gekregen, denk je? Het antwoord is: geen enkele.

Late erkenning in Hollywood

In 1979, één jaar voor zijn dood, kreeg hij uiteindelijk een Life Achievement Award van de Amerikaanse filmindustrie. Heel late erkenning dus. Toen zei hij het volgende: ‘Ik vraag toestemming om slechts vier mensen bij naam te noemen die me de meeste affectie, waardering en aanmoediging hebben gegeven, en voortdurende medewerking. De eerste is een filmeditor, de tweede is een scenarioschrijver, de derde is de moeder van mijn dochter Pat en de vierde is een kok die wonderen heeft verricht in een huiselijke keuken. En hun namen zijn ……. Alma Reville’. Zijn erkenning voor de bijdrage(n) van zijn vrouw aan zijn werk en zijn privéleven.

Erkenning door La nouvelle Vague

Een groep jonge Franse filmmakers die zich in de jaren 1950-1960 afzetten tegen ‘le cinéma de papa’ waardeerden Hitchcock wel als filmmaker. Al heel vroeg, niet vlak voor zijn dood. Het was een los verband van cineasten dat onder de naam La Nouvelle Vague bekend werd en waar onder andere Jean-Luc Godard, François Truffaut, Éric Rohmer, Claude Chabrol en Robert Bresson deel van uitmaakten. Hitchcock maakte in hun ogen echte auteurscinema: een filmmaker die schrijft met zijn camera zoals een schrijver met zijn pen, ‘de regisseur als scheppend kunstenaar, quoi’.

Truffaut/Hitchcock

François Truffaut is in die waardering het verst gegaan. Hij is in 1962 Hitchcock gaan interviewen. Gedurende een ganse week zaten ze samen en bespraken uitvoerig elke film. Helen Scott tolkte, want Truffaut sprak geen Engels en Hitchcock verstond geen Frans. Die gesprekken zijn gepubliceerd in het boek Hitchcock/Truffaut. In de inleiding van het boek bevestigt Truffaut de miskenning van Hitchcock door de Amerikaanse en Europese filmcritici. Ze zetten hem zijn commercieel succes betaald met neerbuigendheid door elke nieuwe film te bagatelliseren of te kleineren. Als illustratie van hun totale onbegrip (en onkunde) vermeldt Truffaut de volgende ervaring. Tijdens een interview in de VS prijst hij Rear window de hemel in. Een Amerikaanse filmcriticus verwondert zich daarover en zegt dat dat wellicht komt doordat hij als buitenlander Greenwich Village niet kent. Truffaut is verbijsterd door zo’n absurde veronderstelling en antwoordt: ‘Rear window gaat niet over Greenwich Village, het is een film over cinema, en daar weet ik wel iets over.’ In Rear window is James Stewart een fotograaf die door een ongeval met een been in het gips zit en van verveling de buurt waar hij woont bespiedt met zijn camera en verrekijker en zo op een vermoeden van moord komt in een appartement aan de overkant. De film gaat over voyeurisme, obsessie en spanning omtrent het ontrafelen van een misdaad. De locatie is van geen belang.

Uiteindelijk toch een genie?

Sinds 1952 doet het British Film Institute om de tien jaar een rondvraag bij filmcritici wat naar hun mening de beste film aller tijden is. Gedurende zestig jaar, van 1952 tot en met 2002, stond steeds dezelfde film op de eerste plaats, namelijk Citizen Kane van Orson Welles. In 2012 werd die verdrongen naar de tweede plaats. Hitchcocks Vertigo klom in 2012 naar de eerste plaats na een gestage opmars over de laatste decennia. Met de jaren beter gewaardeerd, zoals goede wijn. Op dat fenomeen is ongetwijfeld een uitspraak van toepassing van John Michael Hayes die voor vier scenario’s met Hitchcock heeft samengewerkt:

‘In het begin vond ik hem een genie. Daarna een goede filmmaker. Later opnieuw een genie. Veel van de subtiliteiten in zijn films heb ik pas later begrepen.'

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 5

Duitsland. Biografie van een natie.  
(Hollands Diep, 2016, 2de druk)

Over de auteur

Dit prachtige boek over Duitsland is geschreven door een Brit. Neil MacGregor was van 1985 tot 2000 directeur van de National Gallery en van 2000 tot 2015 directeur van het British Museum. Sinds januari 2016 is hij hoofd van de oprichtingscommissie van het Humboldtforum in Berlijn, een museumproject dat het etnologisch museum en het museum van Aziatische kunst integreert.
Hij kreeg voor Duitsland verschillende prijzen: de Friedrich-Gundolf-Preis, de Goethe-Medaille en de Deutsche Nationalpreis in Duitsland en in Engeland de Nayef Al‑Rodhan Prize for Transcultural Understanding. Hij schreef ook A History of the World in 100 Objects. Dat behoort tot de bestverkochte boeken aller tijden van Penguin Press.

Het boek

Het boek is geschreven in een heel toegankelijke taal en is schitterend geïllustreerd. Een echt geschenkboek, zowel voor de inhoud als voor de vormgeving.

De Engelse ondertitel is Memories of a Nation. Het zijn inderdaad herinneringen, verhalen en beschouwingen over het Duitsland van de laatste zeshonderd jaar. MacGregor neemt je mee in een zoektocht naar het ‘Duits-zijn’. Zo krijg je een cultuurgeschiedenis van Duitsland aan de hand van beschrijvingen van mensen, voorwerpen, gebeurtenissen, plaatsen, kunstwerken, gebouwen, geschriften. En toch is het geen chaotisch boek. Het is helder gestructureerd en de verhalen hebben een grote samenhang. Het bestaat uit zes delen.


Waar ligt Duitsland?

Goethe en Schiller vroegen zich dat ook al af. Het gaat over de instabiliteit van de geografie en de grenzen van Duitsland en over de gefragmenteerde geschiedenis.

Duitsland verbeeld

De zoektocht van de Duitsers naar een nationale identiteit via taal, verhalen, symbolen, mythes. Van Luther over Goethe en het Walhalla tot bier en worst.

Het hardnekkige verleden

Een stukje politieke, economische en culturele geschiedenis. Van Karel de Grote en de strijd om zijn erfenis over de betekenis van de Hanze tot hoe Duitsland aan zijn vlag is gekomen.
 

Made in Germany

Het vakmanschap van de Duitsers. Over Gütenberg en de boekdrukkunst, de marketing van Dürer, het witte porselein van Saksen, de vaardigheid om met metaal iets te doen en de moderniteit van Bauhaus.

Neergang

Over de duistere kanten en gebeurtenissen in Duitsland. De opgang en de neergang van Bismarck, Käte Kollwitz als de treurige getuige, de geldcrisis, de entartete Kunst, Buchenwald.

Leven met de geschiedenis

Hoe herstelt een land zich van een extreem trauma na Stunde Null? Over de Heimkehr van de verdreven Duitsers na WOII, de heropbouw en de bijdrage van de Trümmerfrauen, de al of niet integratie van de joden vroeger en nu, de (pacifistische) engel van Barlach, het hernieuwde Duitsland.

 

Enkele hoofdstukken nader toegelicht


Van lappendeken tot eenmaking onder Pruisen

De verre oorsprong van de Duitse natie is het Heilige Roomse Rijk (HRR). Rooms staat hier niet voor Rooms-Katholiek, maar voor Romeins. Karel de Grote wou het ter ziele gegane Romeinse Rijk herbouwen. In veertig jaar oorlog veroverde hij gebieden die zich uitstrekten van de Pyreneeën in het Westen tot aan de Elbe en de Donau in het Oosten en een groot deel van Italië. Hij kreeg daarvoor de zegen van de paus, vandaar het Heilige Roomse Rijk. Op de eerste kerstdag van het jaar 800 werd Karel de Grote in Rome door de paus tot keizer gekroond. In 843 viel zijn rijk uiteen en begon een meer dan duizendjarige twist tussen het Duitse en het Franse gedeelte.

Het Heilige Roomse Rijk was eeuwenlang een lappendeken van een duizendtal grote en kleine vorstendommen. Er was geen centraal gezag zoals zich dat in Frankrijk en Engeland had ontwikkeld. MacGregor noemt de geschiedenis van Duitsland dan ook een gefragmenteerde geschiedenis. Maar de fragmenten weten wel dat ze bij elkaar horen. Het leidde tot een politiek systeem waarbij het centrale gezag macht delegeert en er compromissen moesten gesloten worden. 

Geleidelijk werden de deelstaten van het HRR groter of gingen deelgebieden op in andere politieke eenheden. In de periode voor 1789 was hun aantal gedaald tot driehonderd. In 1806 heft Napoleon het HRR op en werd een Duitse Bond gesticht van 37 staten onder de leiding van het Habsburgse Oostenrijk. Oostenrijk wordt echter buiten gewipt na oorlogen met Pruisen dat in 1864 een Noord-Duitse Bond opricht en in 1871 het eengemaakte Duisland sticht met een Hohenzollern als eerste Duitse keizer. Het ter ziele gegane HRR heeft dan twee keizers: een Habsburger in Oostenrijk en een Hohenzollern in Berlijn.

In de ontwikkeling van Duitsland speelt Pruisen een belangrijke rol. MacGregor gaat niet zo diep in op de verre geschiedenis ervan. (De Britse historicus Norman Davies doet dat wel in zijn boek Vergeten Koninkrijken. De verborgen geschiedenis van Europa. De Bezige Bij, 2012).
De kaarten in het begin van MacGregors boek tonen hoe Pruisen in de loop van de eeuwen is geëvolueerd. Vlak voor de eerste eenmaking van Duitsland in 1871 (onder Bismarck) was Pruisen uitgegroeid tot een bijna aaneengesloten geheel van de Rijnprovincie en Westfalen in het Westen tot het verre Königsberg aan de grens met het tsaristische Rusland in het Oosten.

MacGregor illustreert de fluïde grenzen en de inkrimping van Duitsland met een hoofdstuk over de verloren hoofdsteden en een over de zwevende stad.
De verloren hoofdsteden zijn Königsberg en Praag.
Königsberg ligt in Oost-Pruisen. Daar hebben de Hohenzollerns zich teruggetrokken toen Napoleon Berlijn veroverde. Het is de stad van Kant en ook de 20ste-eeuwse filosofe Hannah Arendt is er geboren. De stad ligt nu in de Russische enclave Kaliningrad.
Praag is ook eeuwenlang een Duitse stad geweest. De eerste Duitstalige universiteit is er opgericht in 1348. Ze was vaak de residentie van Duitse keizers. Het is de stad van Kafka, en die schreef niet in het Tsjechisch, maar in het Duits.

De zwevende stad is Straatsburg. In het HRR was Straatsburg ook een van de keizersteden. Maar de Elzas is heel vaak een twistpunt geweest tussen Duitsland en Frankrijk en meerdere keren van ‘eigenaar’ veranderd.  Na de brute bezetting door de nazi’s zijn de Elzas en Straatsburg definitief Frans geworden. ‘Vaak is gezegd dat de Duitsers in viereneenhalf jaar wisten te bereiken wat de Fransen in de twintig jaar daarvoor niet was gelukt: van de bevolking van de Elzas Fransen maken’, noteert MacGregor.

Er is ook een hoofdstuk over de deling van Duitsland na WOII. De titel ervan is ontleend aan een boek uit 1963 van de Oost-Duitse schrijfster Christa Wolff. Het gaat over een jong koppel waarvan de man kiest om in West-Berlijn te blijven na het optrekken van de Muur. De vrouw kiest om terug naar Oost-Berlijn en de DDR te gaan, want ze kan niet aarden in de glitter en de reclame van West-Berlijn.


De zoektocht naar een eigen identiteit

De taal

Luther schreef in 1534 een Bijbel in het Duits. Hij koos voor een compromistaal tussen het Hoogduits en het Laagduits. Maar belangrijk is dat hij in een zeer eenvoudige en toegankelijke taal schreef. De boekdrukkunst zorgde voor een snelle verspreiding. De hevige controverse die de Reformatie opriep en de pamfletten die werden geschreven zorgden voor een grote verspreiding van de eenheidstaal. Aan het einde van 16de eeuw was het geschreven Duits in heel het HRR het Duits van de Bijbel van Luther.

Oer-Duits archetype: het woud

Vele sprookjes van de gebroeders Grimm spelen zich af in het woud. Dat is geen toeval. Daar wordt karakter getoond en het kwaad overwonnen. Het woud staat symbool voor de angst en de hoop over het lot van Duitsland.
Archetypisch Duits is het Teutoburger Wald, ongeveer 90 km ten noordoosten van Keulen. Het is een plek van groot nationalistisch belang want daar staat het Hermannsdenkmal. De Germaan Hermann versloeg in het jaar 9 een Romeins leger en verhinderde zo dat de Romeinen verder oprukten. Per jaar komen meer dan honderdduizend mensen een bezoek brengen aan het kolossale beeld, net buiten de stad Detmold. Het geheel is 53 m hoog, het brozen beeld alleen meer dan 26 m. Het monument herdenkt de bevrijding van Duitsland na de Napoleontische oorlogen en is voltooid in 1875 na de overwinning van Pruisen op Frankrijk. Hermann steekt triomfantelijk zijn zwaard omhoog en kijkt richting Frankrijk. De meeste Duitsers generen zich nu voor de onversneden agressie van het Hermannsdenkmal. In 2009 waren er geen plechtigheden om de 2000ste verjaardag te vieren. In Hermann, een stad in de Amerikaanse staat Missouri, door Duitse kolonisten gesticht in de jaren 1930, toen de Hermann-cultus op zijn hoogtepunt was, werd die verjaardag wel herdacht.

Walhalla: ‘het marmeren schedelveld’

Na de opheffing van het HRR door Napoleon in 1807 wilde kroonprins Ludwig van Beieren een galerij van nationale helden oprichten om de gekwetste nationale trots te milderen. Er werden bustes in marmer gemaakt van onder andere Frederik de Grote en Maria Theresia (politiek), Glück en Haydn (muziek), Leibniz en Kant (filosofie), Schiller en Goethe (literatuur).
Toen Ludwig koning van Beieren was geworden in 1825 begon de bouw van een tempel aan de over van de Donau, vlak bij de voormalige keizerstad Regensburg. De plechtige opening vond plaats in 1842. Er waren toen al 160 bustes. Het was een heel persoonlijk Pantheon van Ludwig. Bij de selectie huldigde hij het principe ‘overal waar Duits wordt gesproken, is het Duitse vaderland’. Zo geraakten Erasmus, Rubens en Van Dijck aan een buste, want voor Ludwig waren het Nederlands en het Vlaams Duitse dialecten.
Er waren nogal wat controverses. De Fransen ergerden zich aan het accapareren van Karel de Grote, de Russen deden hetzelfde in verband met hun tsarina Catharina de Grote, van oorsprong een Duitse prinses. En er waren behoorlijk wat hiaten. Luther was er niet bij in 1842 want het Walhalla stond in het katholieke Beieren. Hij kreeg pas zijn buste in 1848. De protestant Bach moest tot 1913 wachten. Van joden was er helemaal geen sprake, geen Marx, geen Freud. Einstein is de eerste jood met een buste, in 1900.
Heinrich Heine spotte met het Walhalla. Hij noemde het ‘het marmeren schedelveld’. Sinds 2010 staat hij er toch ook bij. Onder de nazi’s kwam alleen Brückner erbij. En de allerlaatste bijgekomen buste is die van Sophie Scholl, de jonge studente die zich verzette tegen de nazidictatuur en dat met haar leven moest bekopen.


Symbolenstrijd om het verleden: de erfenis van Karel de Grote

De strijd om de erfenis van Karel de Grote is dubbel. Enerzijds zijn er de erfvijanden Frankrijk en Duitsland. Anderzijds zijn er de twee rivaliserende Duitse dynastieën: de Habsburgers en de Hohenzollerns.

De strijd tussen Frankrijk en Duitsland gaat erom wie zich de erfgenaam van Karel de Grote mag noemen. De Fransen vinden dat zij evenveel recht hebben op hun Charlemagne als de Duitsers op hun Karl der Grosse. En als de Duitsers zeggen dat ze de kroon van Karel de Grote hebben, waarmee eeuwenlang Duitse keizers zijn gekroond, dan hebben de Fransen zijn zwaard. Om de kroon geven ze niet want Napoleon heeft zich met een nieuwe kroon van eigen makelij tot keizer laten kronen.

Anders is het gesteld met de rivaliteit tussen de Habsburgers en de Hohenzollerns. Daar gaat het wel om de kroon van Karel de Grote. Ze is gemodelleerd op de achthoekige kapel die onderdeel vormde van de kathedraal en het kasteel van Karel de Grote in Aken. Momenteel bevindt ze zich in Wenen, waar de Habsburgers eeuwenlang de baas waren. En ze mag daar niet weg. Toen keizer Willem II van Duitsland ze aan het eind van de 19de eeuw in bruikleen vroeg voor een tentoonstelling, kreeg hij ze niet. Hij heeft in 1914 dan maar een replica laten maken, die zich nu in het stadsmuseum van Aken bevindt. Er zijn nu dus twee kronen van Karel de Grote: de echte in Wenen en een replica in Aken. Het straffe van het verhaal is dat het in geen van beide gevallen om de kroon van Karel de Grote gaat. Eigenlijk is ze van Otto I, die in 962 door de paus tot Heilige Roomse keizer werd gekroond.


Tilman Riemenschneider: een kunstenaar van de Reformatie

De beeldhouwer/houtsnijder Tilman Riemenschneider is geboren rond 1460 en heeft de woelige periode van de Reformatie en de Boerenopstand van 1525 meegemaakt.
In 1483 ging hij werken voor de bisschop van Würzberg. Hij was zeer succesvol. Op een bepaald moment had hij meer dan veertig leerlingen in zijn atelier. Hij maakte ongeveer 150 altaarstukken en andere religieuze sculpturen, grafstenen en beelden. Zijn favoriete medium was, heel traditioneel voor Duitsland, lindehout. De Vier Evangelisten is een werk van hem. Het is een beeldengroep die nu is ondergebracht in het Bodemuseum te Berlijn. Kunsthistoricus Julien Chapuis, groot kenner van Riemenschneider en directeur van het Bodemuseum, zegt daarover: ‘We moeten voor ogen houden dat toen deze beelden rond 1490 werden gemaakt, het grootste deel van de beelden in Duitsland werd gekleurd, verguld en beschilderd. […] Maar als je een beeld maakt dat niet wordt gekleurd, is je guts het enige middel waarmee je zo’n beeld uitdrukking kan geven.  En daarin was Riemenschneider onovertroffen.’
Riemenschneiders bloeiende carrière viel samen met een periode van groeiende religieuze en politieke instabiliteit. Onbekend is waar Riemenschneiders religieuze voorkeur lag, maar volgens Julien Chapuis is zijn kunst nooit theatraal. Zijn kunst schreeuwt niet, maar spreekt zacht en overtuigend. Zijn talent is dat hij God op persoonlijk niveau toegankelijk maakt en in die zin mag je wel zeggen dat hij een kunstenaar van de Reformatie is, hoewel hij heel zijn leven voor de Rooms-Katholieke kerk heeft gewerkt.
MacGregor brengt Riemenschneider ook in verband met de Boerenopstand van 1525. Hij was toen namelijk burgemeester van Würzberg en hij opende de stad voor het boerenleger. Dat werd hem na het neerslaan van de opstand door het leger van de Schwabische Bund kwalijk genomen. Hij werd gearresteerd en de legende wil dat hij zou gemarteld zijn. Maar dat is niet bewezen. Met zijn carrière als beeldhouwer was het wel gedaan.
Er is nogal wat werk van Riemenschneider bewaard. Door de gedecentraliseerde structuur van het HRR met zijn lappendeken van onafhankelijke staten is er in Duitsland geen grootscheepse beeldenstorm geweest zoals in Frankrijk, Engeland en de Nederlanden. Luther had ruimhartige opvattingen over de rol die de kunst bij de eredienst kon spelen. In verband met de opstand koos hij wel de kant van de vorst.
Riemenschneider werd geëerd met een postzegel in de BDR en met een vijfmarkmunt in de DDR.  Over zijn politieke standpunten is er nog altijd onduidelijkheid, hij is nog steeds voorwerp van debat. Thomas Mann vernoemde hem in 1945 in zijn toespraak in de Library of Congress in Washington.


Vlag en nationale hymne

De kleuren zwart, rood en goud van de Duitse vlag komen van een groep Pruisische vrijwilligers die in opstand kwamen tegen Napoleon. Ze droegen zwarte uniformen met rode knopen en goudgalon. Daarna werden die kleuren op kokardes gedragen en stonden ze symbool voor de strijd van het volk tegen overheersing. De kleuren werden ook gebruikt tegen de eigen vorsten. Bij de revoluties van 1830 en 1848 werden ze als vlag gebruikt. De vlag symboliseerde de hoop op een eigen natiestaat en een verenigd Duitsland. In 1849 hing ze aan overheidsgebouwen en was ze een vernedering voor de Pruisische autoriteiten. De revolutie mislukte en de vorsten herstelden hun gezag. De driekleur werd verboden. Onder Bismarck waren zwart, rood en wit de kleuren van de vlag.
In de 19de eeuw ontstond ook het nationaal volkslied met een tekst van Hoffmann en de muziek van de Kaiserhymne van Haydn uit 1797. Het lied drukte uit dat Duitsland belangrijker is dan de plaatselijke vorst. De eerste strofe waarvan de eerste regel luidt ‘D. D. über alles’ wordt nu niet meer gezongen. Na 1945 is ze vervangen door de derde strofe die begint met ‘Einigkeit und Recht und Freiheit’.


De engel van Barlach

In de protestantse kathedraal van Güstrow, een stadje 150 km ten noorden van Berlijn, hangt een oorlogsmonument. Het is een levensgrote figuur van brons, horizontaal hangend aan het plafond boven de oude doopvont, het traditionele christelijke symbool voor vergiffenis van zonden en nieuw leven. De officiële naam is Der Schwebende, maar vaak heeft men het over ‘de Engel’. De lippen van de engel zijn gesloten, geluidloos. De oorlog is naar binnen gekeerd. Afgrijzen en angst komen des te harder aan doordat ze niet worden verwoord. Ook de ogen van de engel zijn gesloten, misschien uit onvermogen om alle pijn en lijden aan te zien. De figuur is het werk van de beeldhouwer Ernst Barlach (1870-1938). De engel is ‘een gedenkteken, maar geen vermaning’. Barlach vond dat we zo de oorlog moesten opvatten: als Erinnerung und innere Schau.

Net als veel kunstenaars en dichters aan het begin van de 20ste eeuw was hij een geestdriftig voorstander van de oorlog en in 1915 nam hij, als 45‑jarige, vrijwillig dienst. Maar de oorlog werd een keerpunt. Hij gruwde van wat hij aan het front had meegemaakt en werd een overtuigd pacifist. Zijn oorlogsmonumenten zijn voor Duitsland misschien wel wat de treurdichten van de Britse oorlogsdichters voor Groot-Brittannië zijn. Volgens Volker Probst, de directeur van de Barlach Stiftung, heeft Barlach een nieuw soort oorlogsmonument bedacht, zonder heroïek, zonder verheerlijking van de dood. Zijn engel is een tijdloos symbool van vrede en geweldloosheid.
De opdracht voor de engel kreeg hij in 1926 als onderdeel van de viering van het zevenhonderdjarig bestaan van de kathedraal van Güstrow. Een van de opvallendste kenmerken van het beeld is het gezicht dat sprekend op Käthe Kollwitz lijkt, een goede vriendin van Barlach en eveneens een activiste tegen de oorlog.

De nazi’s moesten zijn werk niet. Na 1933 verdwenen zijn sculpturen en andere kunst uit de openbare ruimte. De Engel werd in 1937 uit de kerk van Güstrow verwijderd en in het begin van de jaren veertig omgesmolten voor de oorlogsinspanning. De gipsen mal om het beeld te gieten werd echter door vrienden en bewonderaars gered. Ze maakten stiekem een tweede afgietsel. In de loop van de oorlog is de gipsen mal bij een bombardement vernietigd, maar het beeld zelf was verstopt in een dorp bij Lüneburg en heeft de oorlog overleefd.

Na de oorlog stemden de nabestaanden van Barlach ermee in dat het beeld zou worden tentoongesteld. Maar Lüneburg lag nu in West-Duitsland en Güstrow in de DDR. Na veel gedoe is de Engel in 1952 aan de Antoniter Kirche in Keulen gegeven. Daar hangt het nu nog steeds met eronder een natuurstenen plaat. Aan 1914-1918 is ook 1939-1945 toegevoegd.
Maar wat hangt er dan in Güstrow boven de doopvont? Een kopie van het beeld in Keulen dat in 1953 in de kathedraal werd opgehangen.

Tijdens een officieel bezoek aan Oost-Duitsland op 13 december 1981 bracht de West-Duitse kanselier Helmut Schmidt samen met Erich Honnecker een bezoek aan de kathedraal van Güstrow en stonden ze samen bij de Engel. 

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten