Op mijn eentje
In 't meervoud
Georges Brassens, 1966
Awel, meneer, zeggen ze mij wel eens, je bent er mij eentje,
Als ‘k weer eens weiger in te stappen op hun trein.
't Is waar, ongetwijfeld: 'k ben geen brave apostel, een buitenbeentje.
Ik, ik heb niemand anders nodig om er eentje te zijn.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In de lijst van de deelnemers zal je mijn naam niet vinden.
Lieve God, wat al processies, wat een ganzenpassen, wat een groepen,
wat een verzamelingen en stoeten allerhande,
al die liga’s, cliqua’s, meuta’s, al die troepen,
voor zo’n inventaris is geen Prévert voorhanden.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
Bij het huilen van de wolven zal je mijn stem niet vinden.
O, ja, het was een nobele zaak, een bovenste beste!
We waren verliefd, we zijn met haar getrouwd.
We wilden allemaal gelukkig zijn met haar, maar ten langen leste
waren we met te veel, en dat hebben we ons berouwd.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In de lijst van de uitverkorenen zal je de mijne niet vinden.
Ik ben die ene die de fanfare voorbij laat trekken,
in sourdine stil een opstandig liedje zit te zingen.
En tot die heren die mijn melodietje verstoort, zeg ik lekker:
bende lawaaimakers! Ik ben net zo goed in die dingen!
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In het rijtje pupiters zal je de mijne niet vinden.
Als je om madam te kozen met zijn twaalven moet zijn
dan amuseer ik me op mijn eentje wel.
Ik ben die ene die zich ver houdt van vrijen als een zwijn:
een obelisk is een monoliet, weet je wel?
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
Waar de piemels in rotten staan zal je de mijne niet vinden.
Jaloers ben ik voor geen cent op doden die in bosjes vallen.
Ik hoop dat ik groot genoeg ben om alleen mijn schup af te kuisen.
Ik wens geen hulp als ik in mijn kuil moet afdalen;
ik deel al wat je wil, maar niet het hemd om er van onder te muizen.
In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:
met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.
Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.
In een hoop knoken zal je mijn scheenbeen niet vinden.
Vertaling © Karel D’huyvetters, 19 juni 2007
Le pluriel, Georges Brassens, 1966
" Cher monsieur, m'ont-ils dit, vous en êtes un autre ",
Lorsque je refusai de monter dans leur train.
Oui, sans doute, mais moi, j'fais pas le bon apôtre,
Moi, je n'ai besoin de personn' pour en être un.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Dans les noms des partants on n'verra pas le mien.
Dieu ! que de processions, de monomes, de groupes,
Que de rassemblements, de cortèges divers, -
Que de ligu's, que de cliqu's, que de meut's, que de troupes !
Pour un tel inventaire il faudrait un Prévert.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Parmi les cris des loups on n'entend pas le mien.
Oui, la cause était noble, était bonne, était belle !
Nous étions amoureux, nous l'avons épousée.
Nous souhaitions être heureux tous ensemble avec elle,
Nous étions trop nombreux, nous l'avons défrisée.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Parmi les noms d'élus on n'verra pas le mien.
Je suis celui qui passe à côté des fanfares
Et qui chante en sourdine un petit air frondeur.
Je dis, à ces messieurs que mes notes effarent :
" Tout aussi musicien que vous, tas de bruiteurs ! "
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Dans les rangs des pupitr's on n'verra pas le mien.
Pour embrasser la dam', s'il faut se mettre à douze,
J'aime mieux m'amuser tout seul, cré nom de nom !
Je suis celui qui reste à l'écart des partouzes.
L'obélisque est-il monolithe, oui ou non ?
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Au faisceau des phallus on n'verra pas le mien.
Pas jaloux pour un sou des morts des hécatombes,
J'espère être assez grand pour m'en aller tout seul.
Je ne veux pas qu'on m'aide à descendre à la tombe,
Je partage n'importe quoi, pas mon linceul.
Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on
Est plus de quatre on est une bande de cons.
Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.
Au faisceau des tibias on n'verra pas les miens.

