Waarheid en verzinsel
Waarheid en verzinsel
Iedereen is vertrouwd met het verschil dat men in de literatuur maakt tussen fictie en non-fictie. In veel gevallen is dat onderscheid terecht en adequaat. Een roman is fictie, een geschiedenisboek is non-fictie. Vaak zijn romans en dergelijke inderdaad ‘fictief’, verzonnen dus. Dat wil echter niet zeggen dat wat erin staat niet strookt met de werkelijkheid. Niet zelden zijn verhalen gebaseerd op waar gebeurde feiten. En zelfs als dat niet het geval is, schetsen ze een geloofwaardig en verhelderend beeld van de wereld, of beogen dat althans te doen. Dat lijkt een belangrijke functie te zijn van dat soort van literatuur: op een aantrekkelijke, boeiende maar verzonnen manier iets betekenisvols zeggen over onze wereld.
We maken wel degelijk terecht een scherp onderscheid tussen fictie en andere literaire vormen zoals geschiedschrijving, journalistiek, verslaggeving en getuigenissen. In fictie mogen auteurs de vrije loop laten aan hun verbeelding bij het voorstellen of interpreteren van de werkelijkheid; in non-fictie is dat uit den boze. Maar die fictie geeft bijna altijd een beeld van de werkelijkheid, hetzij concreet, hetzij door een omweg zoals de allegorie, het gebruik van symbolen of andere literaire conventies. Geschiedschrijving bevat naast objectieve altijd ook een aantal speculatieve, zeg maar verzonnen gegevens en interpretaties, zij het op grond van beschikbare aanwijzingen.
In sommige gevallen wordt een verzonnen verhaal voorgesteld als een objectief getuigenis over ware gebeurtenissen. Dat noemen we dan fraude. We willen altijd goed weten of wat verteld wordt waar is of fictie, ook als het over dezelfde feiten en gebeurtenissen gaat. Een verhaal dat als een ooggetuigenverslag wordt aangeboden, moet authentiek zijn. Men aanvaardt allicht nog een zekere marge van verdichting in de voorstelling, maar er mogen geen flagrante leugens in staan.
Een specifiek geval is de literatuur over de holocaust. Wegens het gruwelijke karakter en de omvang van die ontstellende gebeurtenissen zijn daarover ontelbaar veel boeken geschreven, zowel door ooggetuigen als door latere auteurs, zowel fictie als non-fictie, en zolang dat onderscheid duidelijk is, is er niets aan de hand. Als we daarover een roman lezen, weten we dat het een verzonnen verhaal is, en we houden daar uiteindelijk altijd rekening mee. We weten dat dergelijke zaken gebeurd zijn, ook al was dat anders dan zoals ze beschreven zijn. We nemen auteurs niet kwalijk dat ze ons een verzonnen verhaal vertellen, dat is immers hun goed recht, en verzonnen verhalen kunnen gerust heel wat boeiender, indrukwekkender of vreselijker zijn dan wat echt gebeurd is.
Er zijn evenwel een aantal bekende gevallen waarbij auteurs over de holocaust een verzonnen verhaal hebben voorgesteld als een ooggetuigenverslag, en zowel het publiek als de critici overtuigd hebben. Men heeft een aantal van dergelijke frauduleuze publicaties hoog geprezen om hun literaire kwaliteiten, of juist om het ontbreken daarvan, wanneer ze zogezegd door eenvoudige lieden geschreven zijn, of het verhaal vertellen vanuit een kind als ik-persoon. Ze zijn in vele talen vertaald en haalden de wereldpers. Er zijn filmversies van gemaakt, uitgaven voor de jeugd en zelfs stripverhalen. De auteurs zijn uitvoerig en enthousiast gelauwerd en verschenen in alle media. Tot men ontdekte, bijvoorbeeld op grond van details, dat het verhaal niet klopte.
Dat veroorzaakte fameuze schandalen. Maar waarom? Was alles wat voorheen gezegd was over die boeken plots niet meer waar? Waren de literaire kwaliteiten plots verdwenen omdat het niet om ware verhalen ging maar om fictie? Zouden die verhalen als ze van meet af aan als fictie waren aangeboden hetzelfde succes gehad hebben? Meer dan waarschijnlijk niet. En wanneer de auteurs als regelrechte bedriegers ontmaskerd waren, was de verontwaardiging groot. We gaan met ooggetuigen en hun verslagen anders om dan met fictie. We appreciëren beide genres, maar we aanvaarden niet dat men zich anders voordoet dan men is, dat men het respect dat men heeft voor ooggetuigen opeist op grond van een verzonnen verhaal. We willen niet bedrogen worden als het om de feiten gaat, zeker als dat belangrijke of uitzonderlijke feiten zijn.
Dat is zeker zo in flagrante gevallen, zoals dat van Binjamin Wilkomirski (Bruno Dössekker, geboren Grosjean) en zijn Bruchstücke (1995), Misha Defonseca (Monique De Wael) en haar Survivre avec les loups (1997), en Herman Rosenblat en zijn Angel at the Fence (gepland voor 2009, maar ingehouden).
Als we de zaak ruimer bekijken, dan moeten we ten minste uitgaan van de veronderstelling dat er ongetwijfeld nog meer getuigenissen zijn die minder geloofwaardig zijn dan men aanneemt, of zelfs volledig verzonnen zijn, en dat over alle mogelijke onderwerpen. Naast flagrante en opzettelijk fraude zijn er zeker nog meer gevallen van leugens om bestwil, getuigenissen die te goeder trouw afgelegd zijn, maar die vertekend zijn door de tijd of de omstandigheden, en interpretaties die niet altijd door de feiten ondersteund zijn. Wat wij menen te weten, berust niet altijd op de waarheid, de volledige waarheid en niets dan de waarheid. We zouden ons voortdurend moeten afvragen of wat we vernemen wel waar is, maar meestal ontbreekt het ons aan de middelen om dat na te gaan. Zo blijven heel wat frauduleuze zaken allicht voor altijd verborgen voor de meeste mensen, en zijn er heel wat zaken die iedereen voor waar aanneemt, maar het helaas niet zijn. Dat er geen enkel historisch bewijs is voor het bestaan van een persoon Jezus van Nazareth, of Paulus, verhindert de Kerk niet dat al tweeduizend jaar te verkondigen, noch de gelovigen om het voor waar aan te nemen. Men zegt dat de ‘Eskimo’s’ 52 woorden hebben voor sneeuw, maar dat klopt niet, ze hebben er maar ongeveer evenveel als wij.
Een conclusie die zich opdringt, is dat we voorzichtig moeten zijn met fictieve literatuur.
Een oorlogsdagboek is misschien wel authentiek, maar is het accuraat? Is dat het geval met Virginie Loveling over de Eerste Wereldoorlog (1999)? Met Ludo Simons over Jozef Simons (2016)? Met de ‘roman’ ‘Oorlog en terpentijn’ van Stefan Hertmans? Of de dagboeken van grootvader Hermans echt bestaan, zullen we allicht nooit weten. Veel van wat Livius schreef over de geschiedenis van Rome is zonder meer verzonnen. Of het verhaal van Abélard en Héloïse, of dat van Jan Breydel enige grond van waarheid heeft, is uiteindelijk triviaal voor de meesten onder ons, hoezeer die verhalen later in de literatuur ook opgang gemaakt hebben. De vraag naar de waarheid wordt pas echt relevant als het om echt belangrijke zaken gaat.
Dat is inzonderheid zo voor de geschriften die als basis dienen voor de zogenaamde godsdiensten van het boek, het jodendom, het christendom en de islam. De godsdiensten beschouwen die teksten als heilig, en zeker de laatste twee als door God zelf geïnspireerd. De impact van die teksten op onze wereld was en is onvoorstelbaar groot. En toch wist men al heel vroeg dat niet alles wat erin staat echt gebeurd kan zijn, en dat ze bedacht en geschreven en herschreven zijn door mensen.
Het boek Job is om verschillende redenen een opvallende verschijning in de Joodse Bijbel, in zoverre zelfs dat men veronderstelt dat het verhaal niet oorspronkelijk Joods is. Maar aan de andere kant is het wel een typisch Joods verhaal, omdat de God die erin optreedt alle kenmerken vertoont van de Joodse God. Hij veroorzaakt of duldt al het leed van Job, en beloont hem honderdvoudig voor zijn trouw geloof. We lezen het verhaal geboeid, maar we weten dat het een emblematisch en een stichtend, geen waargebeurd verhaal is. Als we lezen dat Salomo zevenhonderd vrouwen had en daarnaast driehonderd bijvrouwen (1 Kon 11:3), monkelen we even, halen de schouders op en lezen dan weer verder. Niemand neemt het verhaal met de sprekende ezelin van Bileam (Num 22:28-32) letterlijk. Maar toch verwacht men van de lezers van de Joodse Bijbel dat ze onvoorwaardelijk geloven in de almachtige, belonende en bestraffende God die erin beschreven wordt.
Ongetwijfeld het belangrijkste geloofspunt van het christendom is de verrijzenis van Jezus, de mens-geworden zoon van God, en de opstanding van alle gelovigen bij het einde der tijd. In Paulus 1ste brief aan de Korintiërs lezen we:
In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte.
Paulus geeft toe dat hij geen getuige was van de hemelvaart. De overlevering die hij ontvangen heeft over de verrijzenis vinden we enkel bij Lukas, in zijn Evangelie en de Handelingen, niet bij de andere drie evangelisten, en zelfs bij Lukas is de tekst erg twijfelachtig en contradictoir. ‘Volgens de Schriften’ betekent hier niet dat de gebeurtenissen in de (Joodse) Schriften beschreven staan, maar dat ze erin voorspeld werden. Dat verhindert Paulus niet om vervolgens te stellen:
Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens. Dan volgt zelfs dat wij over God een vals getuigenis hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus ten leven heeft gewekt, wat Hij niet gedaan heeft, indien, zoals zij beweren, de doden niet verrijzen. Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn.
Voor wie ook maar een greintje gezond verstand heeft, is het onbegrijpelijk dat iemand op zulke losse gronden heeft kunnen geloven dat wat Paulus zegt waar is. Dat mensen sterven en weer levend worden, dat is echt onmogelijk, dat heeft nog nooit iemand meegemaakt. En toch heeft men dat tweeduizend jaar lang staande gehouden, en dat doet men nog steeds, en dat is de basis en de bestaansreden voor het christelijk geloof, dat nog steeds 2,38 miljard mensen belijden.
Het dogma van de wederopstanding is niet zomaar een vreemd idee dat men blindelings moet geloven op het getuigenis van anderen. Het heeft ook enorme implicaties, en daar is het om te doen. Aan het leven na de dood zijn immers voorwaarden verbonden, en de essentie daarvan is dat men zich onderwerpt aan het gezag van de Kerk, en de voorschriften en verbodsbepalingen strikt naleeft. Doet men dat niet, dan zal me na de dood voor eeuwig gemarteld worden in de hel. Hemel en hel, beloning en bestraffing zijn dus de stok achter de deur om de mensen in het gareel te houden, niet alleen voor het onderhouden en uitvoeren van talloze banale of idiote rituele verplichtingen, maar ook voor het naleven van opgelegde gedrags- en samenlevingspatronen. De Kerk bepaalt alle aspecten van heel het privéleven en van de hele samenleving. Wie gelooft en de geboden en verbodsbepalingen naleeft, zal in dit leven gelukkig zijn; en mocht dat toch niet het geval zijn, dan gebeurt dat in het hiernamaals. Dat geldt vice versa ook voor wie dat niet doet; hun wacht onheil in dit leven, en eeuwige bestraffing na de dood, of de totale vernietiging.
De Kerk ziet toe op de verspreiding van die onzalige onzin, en op het naleven van de regels. De bedienaars van de eredienst bekleden een hoge gezaghebbende functie in het maatschappelijk leven en worden daarvoor gerespecteerd en goed betaald. En dat is in feite waar het hun om te doen is. Godsdienst is in feite niets anders dan een systeem van economische onderdrukking van de massa door een religieuze elite. De hele rituele inkleding is niet meer dan dat, een middel om het lucratieve machtssysteem in stand te houden.
Ik beweer niet dat godsdienst het enige onderdrukkingsmiddel is. Vanouds was er ook het recht van de sterkste, en ook dat kan vele vormen aannemen. Naast de fysieke overmacht is er ook de sluwheid, en gewiekste bedriegers vindt men overal. De politiek is altijd een kwestie van macht en sluwheid geweest en is dat nog steeds. Maar daarnaast zijn er ook altijd mensen geweest die een plaats in de samenleving wisten te veroveren door het vertellen van verhalen. Het Oude Testament is daarvan een krachtig voorbeeld, net zoals nadien het Nieuwe Testament en de Koran, en al de commentaren die erbij verteld en geschreven zijn. Naast al de eindeloze religieuze literatuur is er ook de profane, en die is verantwoordelijk voor vele andere ideeën die mensen overnemen en aankleven. Denk aan het Romeinse patriotisme, aan de feodaliteit, aan hoofse liefde, aan de gilden, aan romantiek, aan het kolonialisme, aan nationalisme, racisme, antisemitisme, socialisme, liberalisme, communisme, kapitalisme, ecologisme…
Literaire roem en commercieel succes is iets wat velen nastreven. Er bestaat een hele literaire industrie, met een geschatte waarde aan omzet van meer dan 100 miljard per jaar. Jaarlijks worden er massa’s ‘boeken’ gepubliceerd, naargelang de telling tussen de 500.000 en vier miljoen… Daarin worden feiten en gebeurtenissen weergegeven, en ideeën voorgesteld, waarvan die miljarden lezers kennisnemen. De waarheidswaarde van al die publicaties gaat van het absolute nulpunt tot een onbereikbaar hoogtepunt. Bovendien lezen mensen zelden heel kritisch. De kans is dus groot dat veel van wat geschreven wordt niet helemaal waar is, en toch door velen voor waar aangenomen wordt. Zo komt het dat sommige valse ideeën zelfs gemeengoed worden, terwijl ze door een enkeling verzonnen zijn. Dat kan verregaande gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal over de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein in Irak.
Wat de mens onderscheidt van andere levende wezens is ongetwijfeld de taal, als uitdrukking van onze hogere mentale vermogens. Taal is een machtig wapen, naast fysiek geweld. Taal kan bevrijden en verhelderen, maar ook onderdrukken en verduisteren. In onze mediatieke tijd is taal alomtegenwoordig, maar het is nu niet gemakkelijker om de waarheid te achterhalen dan vroeger. Nog nooit waren er zoveel mensen, objectief en relatief, die kunnen lezen en schrijven, en nog nooit is er zoveel onzin en onwaarheid verteld. Fake news wordt als waar verkocht, en geverifieerde feiten worden als fake news bestempeld. Stilaan krijgt nu ook AI het (laatste?) woord, en is er niemand meer hoofdelijk verantwoordelijk voor wat daar gezegd wordt. Fact-checken wordt alsmaar moeilijker, en eerlijke en competente journalistiek veeleer een zeldzaamheid. Alles is een verhaal, alles een fictie, een virtuele realiteit, een alternatieve waarheid, een opinie, een ideologie. We hebben de grote verhalen achter ons gelaten, en iedereen heeft nu een eigen verhaal, een eigen waarheid. De Babelse of Babylonische spraakverwarring (Gen 11:1-9) is compleet. We kunnen niemand nog geloven, en geloven in niets meer, omdat we al zo vaak bedrogen en verraden zijn. Tot we weer een andere rattenvanger achternalopen, verleid door een nieuw deuntje, door een nieuw verhaal, een nieuw beloofde land of een nieuwe catastrofe tegemoet.

