Eerlijkheid
Intellectuele eerlijkheid
Eerlijk is eerlijk, toch? Is er dan een verschil tussen gewone eerlijkheid en intellectuele eerlijkheid?
Misschien bedoelen we met eerlijkheid zonder meer veeleer de morele eerlijkheid in de omgang met onze medemensen, het tegengestelde van oneerlijkheid, of bedrog. Eerlijkheid is dan de afwezigheid van boos opzet, of van kwade trouw. Eerlijke mensen kan men vertrouwen. Ze onthouden zich van liegen en bedriegen, men kan hen op hun woord geloven.
In het Johannesevangelie (1, 45-51) vinden we een merkwaardige uitspraak van Jezus:
Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.” 46Natanaël smaalde: “Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.” 47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!” 48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.” 49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.” 50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.” 51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”
Waarom Jezus over Natanaël die memorabele woorden sprak, die het christendom heeft vereeuwigd in zijn rituelen en gezangen: ‘Ecce vere Israelita, in quo dolus non est ‘, maar dan alluderend op Jezus zelf, gezien de ongewisheid over Natanaël, weten we niet. We weten immers niet eens of die Natanaël wel een apostel was (dezelfde als Bartholomeus, volg even deze link: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=419653, of Jacobus bij de synoptici, waar zijn naam niet voorkomt?). Het is een van die raadselachtige vermeldingen in het Nieuwe Testament waarover men na 2000 jaar nog altijd niet weet wat de bedoeling is. Maar net zoals de naam Nat(h)anaël heeft ook de uitdrukking standgehouden: homo in quo dolus non est, een mens zonder list.
Traditioneel maakt men een verder onderscheid tussen dolus bonus en dolus malus, wat we kunnen vertalen als respectievelijk te goeder trouw en te kwader trouw. Men kan zich immers oprecht vergissen, en dus spreken of handelen op grond van een onwaarheid of zelfs een leugen, maar als dat onverwist gebeurt, zonder het opzet te bedriegen, is dat weliswaar een dolus, maar geen dolus malus, boos of kwaad opzet om te bedriegen.
Men kan eerlijk zijn en zich toch vergissen. Onwetendheid over de ware toedracht is op zich geen vergrijp, tenzij er natuurlijk sprake is van ignorantia crassa et supina, dat wil zeggen dat men blijk geeft van zoveel onwetendheid dat het niet meer te verantwoorden is, dat men het eigenlijk hoort te weten. Daarmee komen we in de buurt van intellectuele oneerlijkheid. Wanneer men mag aannemen dat iemand beschikt over de intellectuele vermogens om te oordelen en wel degelijk op de hoogte is van de waarheid, maar toch handelt of spreekt in strijd met dat inzicht, is die persoon intellectueel oneerlijk.
Het gaat daarbij niet alleen om feitelijke gegevens, om fact-checking of zogenaamde alternatieve waarheden, of wat men in het Engels zo mooi prevarication noemt: het verhullen van de waarheid. Intellectuele eerlijkheid heeft dwingende ethische implicaties. Intellectueel inzicht beperkt zich niet tot wetenschappelijke kennis, het is alomvattend. Ware intellectuelen zijn het aan zichzelf verplicht om ook op ethisch vlak de hoogste waarheid te betrachten en ernaar te leven. Het is ondenkbaar dat men een misdadiger als een ware intellectueel zou beschouwen. Noblesse oblige, de nobele benaming van intellectueel verplicht tot moreel hoogstaande principes en handelingen. Statistieken tonen overigens aan dat intellectuelen minder vaak veroordeeld worden voor misdrijven of wandaden van gemeen recht.
Eenzelfde redenering geldt voor vrijdenkers, vrijzinnigen, humanisten, atheïsten, agnosten of hoe men hen ook wil noemen. In de loop van de geschiedenis heeft de Kerk er alles aan gedaan om deze mensen als amorele of immorele personen af te schilderen, omdat zij de geboden en verboden van de Kerk en haar gezag in ethische aangelegenheden niet aanvaardden. Alsof alleen de Kerk in staat is om te beslissen over goed en kwaad, en bevoegd is om dat te verkondigen, en alleen gelovigen in staat zijn om als goede mensen te leven – quod non, vandaar de biecht, penitentie, vagevuur en hel, en de hemel als beloning. Filosofen zoals Pierre Bayle betoogden echter al vroeg uitdrukkelijk dat atheïsten wel degelijk moreel hoogstaande personen kunnen zijn, en Spinoza geldt daarvan als een eminent voorbeeld.
Intelligentie en atheïsme gaan zelfs aantoonbaar samen, net zoals een tekort aan intelligentie geassocieerd wordt met bijgeloof en geloof. Het is immers door het gebruik van het gezond verstand dat men tot het inzicht komt dat het geloof onredelijk is, en de godsdienst misleidend. Vrijzinnigheid is het onontkoombare resultaat van zelfs maar het meest elementaire gebruik van de gewone menselijke mentale vermogens.
Men mag dan ook vooropstellen dat vrijdenkers geroepen zijn om de hoogste ethische principes te huldigen en zich op alle gebied principieel te onthouden van moreel afkeurenswaardig of verwerpelijk gedrag. Men mag van hen verwachten dat zij zich niet alleen houden aan de wetten en voorschriften van de maatschappij, maar in alles de meest nobele menselijke waarden nastreven en naleven.
Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat alle vrijdenkers altijd en overal volledig aan dat veeleisende ideaal beantwoorden. Errare humanum est, en intellectuelen zijn niet altijd de eersten om hun fouten toe te geven, zelfs niet als ze die inzien. Sommigen onder ons herinneren zich de infame Cambridge Five, die onder leiding van Kim Philby, het hoofd van de Britse contraspionage en een prominente intellectueel, als dubbelspion werkten voor de Sovjet-Unie en hun land verraadden, met desastreuze gevolgen voor velen. Daarnaast is ook geweten dat hoge competentie in een bepaalde tak van de wetenschap helaas geen garantie is voor meer algemene intelligentie. Aan de andere kant mogen en moeten we evenwel blijvend vooropstellen dat zowel ware intelligentie als vrijzinnigheid principieel niet verenigbaar zijn met bewuste en opzettelijke oneerlijkheid van welke aard dan ook, laat staan met misdadigheid.
Recentelijk kreeg ik te maken met een dergelijk geval van intellectuele oneerlijkheid. Sinds jaren recenseer ik boeken, en al geruime tijd verschijnen die recensies ook op een andere website dan deze. Het was mij opgevallen dat sommige recensies van een collega-recensent qua taal en stijl sterk afweken van zijn andere boekbesprekingen, en in gunstige zin opvielen. Het leek me onwaarschijnlijk dat die persoon, die ik ken uit de vele recensies en andere teksten die hij schrijft voor die website en op zijn eigen website, in staat was om op korte tijd zo’n diepgaande analyses te maken van die recente uiterst complexe en veeleisende teksten en daarover zulke hoogstaande recensies te schrijven. Toen ik uiteindelijk de proef op de som nam, bleek dat mijn argwaan en mijn vermoedens terecht waren: de recensies bestonden hoofdzakelijk uit plagiaat, dat wil zeggen dat teksten zonder bronvermelding overgenomen waren uit andere publicaties die op het internet ter inzage zijn.
De gedachte besloop me vervolgens dat een auteur die zo opvallend en vermetel plagieert in recensies, dat ook wel zal doen in de blogteksten die hij schrijft. Een snelle controle maakte meteen duidelijk dat ook dat vermoeden terecht was. Ook daar was er een tekst die zo sterk gunstig afweek van de gebruikelijke nogal onsamenhangende schrijfsels van deze persoon, dat die niet van hem afkomstig kon zijn. De bronnen waren snel geïdentificeerd.
Dat is dan wat ik bedoel met intellectuele oneerlijkheid. We hebben hier te maken met een hoogopgeleide persoon, die zich publiekelijk profileert als auteur en als kunstenaar, en een – min of meer – prominente plaats bekleedt in de georganiseerde vrijzinnigheid en in de loge, en van wie men dus mag verwachten dat die zich houdt aan de elementaire vereisten van de eerlijkheid. Door zo flagrant plagiaat te plegen, maakt hij zich schuldig aan opzettelijk bedrog en handelt hij te kwader trouw. Corruptio optimi pessima. Van onwetende, laaghartige en moreel laagstaande lieden kan men dergelijk gedrag nog verwachten, maar dat iemand die zich opwerpt als een boegbeeld van de vrijzinnigheid zich daartoe verlaagt, met geen andere bedoeling dan zich intellectueel beter voor te doen dan hij is, is ronduit schandelijk.
Die ervaring heeft me erg aangegrepen en diep gekwetst. Ze heeft me ertoe aangezet om me ernstig te bezinnen over wat ik schrijf en waar ik het publiceer. Het is beter dat ik in het vervolg alleen nog op mijn eigen website publiceer, dan blijft me althans de ergernis bespaard die gepaard gaat met de confrontatie met bedenkelijke en malafide personen.

