|
De vijgenboom.
Het is weer die tijd van het jaar: de vijgenbomen dragen vruchten. Bij mijn buren staat een vijgenboom aan de straat, ik heb die zien opgroeien van een onooglijk plantje tot de metershoge boom die hij nu is. Sinds enkele jaren krijg ik van die lieve buren af en toe wat vijgen, wat ik ten zeerste apprecieer, we eten ze graag bij ons ontbijt van vers fruit en ontbijtgranen. In mijn jeugd kenden we alleen de gekonfijte vijgen, ik had geen idee hoe een verse vijg eruitzag. Die buren zijn nu op vakantie, en ze hebben me verzekerd dat ik zelf vijgen mag plukken, wat ik deze namiddag nog gedaan heb.
Er komt ook een vijgenboom voor in het Nieuwe Testament, bij Marcus 11, 12-14 en 20-24:
12 Toen zij de volgende dag Betanië verlaten hadden, kreeg Hij honger. 13 Hij zag in de verte een vijgenboom in blad staan en ging kijken of Hij er misschien iets aan kon vinden; maar bij de boom gekomen vond Hij niets dan blaren; het was trouwens niet de tijd van de vijgen. 14 Daarom richtte Hij zich tot de boom en zei: “Niemand zal in eeuwigheid nog vruchten van je eten!” Zijn leerlingen hoorden dat.
20 ‘s Morgens kwamen zij langs de vijgenboom en zagen dat hij tot op de wortel verdord was. 21 Petrus dacht weer terug aan het gebeurde en zei: “Meester, kijk!” De vijgenboom die Gij vervloekt hebt, is verdord.” 22 Jezus antwoordde hun: “Hebt geloof in God. 23 Voorwaar, Ik zeg u: Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden. 24 Daarom zeg Ik u: Alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen.
en Mattheüs 21, 18-22:
18 ‘s Morgens vroeg, op de terugweg naar de stad, kreeg Hij honger. 19 Hij zag een vijgenboom langs de weg staan en ging ernaar toe, maar vond er niets dan bladeren aan. Daarop sprak Hij tot de boom: “In eeuwigheid zult gij geen vrucht meer dragen.” En op slag verdorde de vijgenboom. 20 Bij het zien daarvan vroegen de leerlingen verbaasd: “Hoe is die vijgenboom zo ineens verdord.” 21 Jezus gaf hun ten antwoord: “Voorwaar, Ik zeg u: Als gij maar geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat Ik met die vijgenboom gedaan heb, maar zelfs als ge tot deze berg zegt: Heft u op en stort u in zee, dan zal het gebeuren. 22 En al wat gij in vertrouwvol gebed zult vragen, zult gij verkrijgen.”
Er is hier sprake van een mirakel: de vijgenboom sterft af, in het ene geval in de loop van de nacht, in het andere ogenblikkelijk, op het woord van Jezus. Dat is wat we volop te lezen krijgen in de Evangelies, en dergelijke mirakels worden als een overtuigend bewijs beschouwd van de almacht van Jezus, de Zoon van God en zelf ook God. Dat een boom afsterft is geen wonder, misschien zelfs niet dat die op vrij korte termijn verdort, maar van de ene dag op de andere, en tot in de wortel, of ogenblikkelijk, omdat Jezus het zegt? Dat is onmogelijk, en als het toch gebeurt is het een wonder, een mirakel dat Jezus verricht.
We zien Jezus hier niet van zijn meest gunstige kant. De episode speelt zich af in de tijd van het Joodse Paasfeest, Pesach, de herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij, in de tweede helft van maart tot de eerste helft van april, in de joodse eerste maand van het jaar, nisan, die begint met de nieuwe maan, en Pesach komt 14 dagen later, bij volle maan. Rond die tijd zijn er nog geen vijgen. Dat had Jezus even goed moeten weten als elke andere Jood. Hij had zich dan ook de moeite kunnen besparen om te zoeken naar vijgen tussen het loof om zijn honger te stillen. En hij had evenmin redenen om de boom ter dood te veroordelen omdat hij geen vijgen droeg op dat ogenblik.
Jezus legt zijn agressief gedrag uit aan de leerlingen: als je werkelijk in iets gelooft, is niets onmogelijk, ook niet voor zijn leerlingen. Vandaar de Bijbelse uitdrukking: geloof verzet bergen, die wij veeleer symbolisch interpreteren: wie werkelijk bevlogen is, kan veel bereiken, zelfs wat voor onmogelijk geacht wordt — zij het niet wat werkelijk onmogelijk is, zoals een boom doen afsterven met een gebod, of bergen verzetten.
Het christendom heeft die korte passage, die niet voorkomt bij Lucas of Johannes, aangegrepen als een gelijkenis, een parabel, niet alleen als een illustratie van de goddelijke almacht van Jezus, en voor de kracht van het smeekgebed (waarover ik hier onlangs nog schreef), maar als een beeldspraak voor Israël, het Joodse volk, dat hier vergeleken wordt met de vijgenboom die wel fraaie bladeren vertoont, maar geen vruchten draagt voor Jezus, en door hem daarom vernietigd wordt. Zo ook wordt het Joodse volk door God vernietigd omdat het Jezus niet alleen niet aanvaard heeft, maar hem bovendien vermoord heeft. De val van Jeruzalem in het jaar 70 en de nederlaag van de Joden in hun verzet tegen Rome, en de diaspora, de verjaging van de Joden uit hun land werd algemeen gezien als een straf van God. Die interpretatie was al aanwezig in de eerste eeuwen van het christendom, en werd algemeen verkondigd tot ver in de twintigste eeuw, en is ook vandaag nog aanwezig bij gelovigen en priesters. Ze is kenmerkend voor het christelijke antisemitisme, dat door een auteur en historicus als Jules Isaac (1877-1963) in verscheidene indrukwekkende publicaties aangewezen en aangeklaagd werd. In L’enseignement du mépris (1962) wijdt hij een kort maar indrukwekkend hoofdstuk aan die passus en zijn nawerking. In zijn andere werken toont hij overtuigend aan dat er geen sprake is van een algemeen antisemitisme vóór het christendom, en dat het christendom zich wel degelijk van meet af aan bewust schuldig gemaakt heeft aan een rabiaat antisemitisme, ook al zijn er daarvoor geen Bijbelse of dogmatische gronden.
In die zin moet het christendom, gezien zijn zo wijdverbreide en diepgaande invloed op onze beschaving, rechtstreeks verantwoordelijk geacht worden voor de talrijke vormen en gevallen van discriminatie en vervolging van de Joden, en voor het nog steeds bewust of onbewust aanwezige antisemitisme in de Westerse mentaliteit. Men mag zonder enige overdrijving stellen dat er zonder de katholieke Kerk geen antisemitisme zou geweest zijn zoals onze geschiedenis dat gekend heeft. Dat de Kerk daarvan lang na de holocaust eindelijk stilaan afstand is gaan nemen, althans in enkele officiële verklaringen, vooral mede door toedoen van personen zoals Jules Isaac, veeleer dan uit eigen berouwvol inzicht, is allicht op zich een verheugende vaststelling, maar het is onvoldoende om de afschuwelijke resultaten van een infame eeuwenlange officiële indoctrinatie ongedaan te maken, als dat ooit al mogelijk zal zijn. Het christelijke antisemitisme is wellicht niet de meest algemeen bekende misdaad van het christendom, en inzonderheid van de katholieke Kerk, maar door zijn historische omvang en onbegrijpelijke uitzonderlijke wreedheid is het als broeder- en oudermoord misschien wel de meest onchristelijke, en daardoor een van de meest onvergeeflijke.
Categorie:samenleving
|