mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
15-07-2022
recensie: Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
Een kleine cultuurgeschiedenis van de (grote) neus.
Wat kan een kunsthistoricus (sic) zoals Caro Verbeek, die zelf ook gezegend is met een flinke neus, veel anders dan een boek schrijven over opvallende en grote neuzen in de geschiedenis, de kunst en de cultuur? Dat leverde dit bijzonder fraai uitgegeven en rijkelijk en kleurrijk geïllustreerd werk op.
De auteur ging op zoek naar figuren uit onze beschaving die opvielen door de vorm en/of de afmetingen van hun voorgevel, en naar de al dan niet wetenschappelijke indelingen die van het menselijk reukorgaan gemaakt zijn. Ze stelt daarbij vast dat de neus niet het minst een betekenisvolle rol toebedeeld heeft gekregen. Uit de vorm en vooral de afmetingen van de neus leidde men resoluut positieve of juist negatieve karakteriële eigenschappen af, alsof die innerlijke eigenschappen noodzakelijkerwijs aanleiding gaven tot een dergelijke specifieke fysieke vormgeving bij een persoon. Het is natuurlijk ook mogelijk dat men is voortgegaan op het geprononceerde profiel van prominenten om dan dezelfde eigenschappen toe te schrijven aan personen met een gelijksoortig faciaal sieraad. Wel valt daarbij op dat lange tijd een flinke neus zowat vereist was bij mannen, terwijl dat bij vrouwen veeleer als een ontsiering beschouwd werd. De hele kwestie van het uiterlijk als een weerspiegeling van het innerlijk heeft al bij al weinig grond onder de voeten, alle volkswijsheid en pseudowetenschap ten spijt. Zo wordt het courante idee dat de afmetingen van de neus van een man recht evenredig zijn met de afmetingen van dat andere prominente orgaan niet bevestigd door de feiten, in zoverre daarover concreet veldonderzoek gebeurd is, natuurlijk. Dat geldt evenzeer voor het veronderstelde omgekeerd evenredige verband tussen de grootte van de vrouwelijke neus en haar… vruchtbaarheid.
Het meest boeiende aspect van dit werk is ongetwijfeld de opvallende rijkdom aan zonder meer prachtige artistieke en historische illustraties, bijna alle in fraaie kleuren, die de auteur volop de gelegenheid bieden om aan de hand van prachtige afbeeldingen uit de beeldende kunsten typische of ‘karakteristieke’ neuzen te laten zien en daarbij zowel boeiende kunsthistorische bedenkingen te maken als er leuke anekdotische weetjes aan vast te knopen, niet zelden met autobiografische elementen. Dat maakt van deze publicatie een waar genoegen voor de lezer, en een feest voor het oog. Hier toont de auteur zich van haar beste kant, en ik bedoel dan haar meesterlijke professionele kwaliteiten, en niet een van haar overigens elegante kanten die ze ons laat zien op haar sprekende portretten (211 en de binnen-vouw van de achterflap).
Caro Verbeek is naar verluidt bovendien geurwetenschapper: ze promoveerde op ‘kunsthistorische geuren’. Haar belangstelling gaat dus niet alleen naar de uiterlijke vorm van de neus, maar nadrukkelijk ook naar de functie, het ruiken, de sensatie van het waarnemen van geuren, of juist de afwezigheid ervan, de anosmie, een verschijnsel dat recentelijk onder de aandacht gekomen is als een tijdelijk nevenverschijnsel van de corona-infectie. Toepasselijke olfactorische bijzonderheden en wetenswaardigheden duiken dan ook op bijna elke bladzijde op. Er ontgaat haar ook vrijwel geen enkele woordspeling, synoniem of grapje over de neus.
Zoals het een kunsthistorisch boek betaamt, is dit boek uitzonderlijk fraai vormgegeven: gebonden in volle band, inclusief kapitaalbandjes, voortreffelijk van typografie, met leuke rode kleuraccenten voor de tussenkopjes, de onderschriften en de paginanummers. Zoals we al opmerkten zijn de illustraties overvloedig en van hoge kwaliteit. Er zijn (bijna!) geen typo’s, en evenmin (bijna!) geen versprekingen of taalfouten. Ik vermeld slechts ‘grit’ waar waarschijnlijk grid bedoeld is (blz. 40), een enkele dt-fout (82). Lyell was natuurlijk geen botanicus maar een geoloog (99) en Asa Gray was geen ‘botaniste’, maar ondanks de voor ons vrouwelijk klinkende voornaam een man, zoals blijkt uit zijn portret, waarbij niet de neus maar de fraaie sinterklaasbaard de weggever is. Dat de minuscule steentjes van antieke mozaïeken vermicelli (wormpjes) zouden genoemd worden (106), daarvan vond ik nergens bevestiging; het gaat om tesserae, die samen ‘als wormen’ in golvende lijnen rond de contouren van de figuren het opus vermiculatum (wormvormig werk) vormen (vandaar misschien de culinaire lapsus). De naam van Geppetto (niet Gepetto!), de ‘vader’ van Pinokkio (die hier wegens zijn bij het liegen groeiende neus niet mocht ontbreken) in het verhaal, heeft wellicht niet te maken met ceppo, boomstronk, zoals vermeld (122): het is een familiair diminutief voor Guiseppe, zoiets als Seppe(ke). Maar dat zijn slechts scrupules, die niets afdoen aan de onmiskenbare overvloedige kwaliteiten van deze kleine maar fijne cultuurgeschiedenis van de (grote) neus.
PS Dit boek werd me door de uitgeverij ongevraagd toegestuurd, samen met een andere publicatie waarvan wel om een recensie-exemplaar verzocht was. Een mens gaat zich dan afvragen waarom je de uitverkorene bent? Tenzij iemand bij Atlas Contact mij van ziens kent, natuurlijk.
Categorie:literatuur
12-07-2022
Pascals gok
Le pari de Pascal (Pascals gok)
Een klassiek argument voor het bestaan van God werd door Blaise Pascal (1623-1662) geformuleerd in zijn 'Pensées' (fragment 397). Eerst geven we de Franse tekst van het eerste argument, dan onze eigen werkvertaling daarvan. Vervolgens geven we het tweede argument weer (enkel in het Nederlands). Ten slotte bekijken we de argumenten kritisch.
'Nous connaissons donc l'existence et la nature du fini parce que nous sommes finis et étendus comme lui.
Nous connaissons l'existence de l'infini, et ignorons sa nature, parce qu'il a étendue comme nous, mais non pas des bornes comme nous.
Mais nous ne connaissons ni l'existence ni la nature de Dieu, parce qu'il n'a ni étendue, ni bornes.
S'il y a un Dieu, il est infiniment incompréhensible, puisque n'ayant ni parties ni bornes il n'a nul rapport à nous. Nous sommes donc incapables de connaître ni ce qu'il est, ni s'il est. Cela étant, qui osera entreprendre de résoudre cette question ? Ce n'est pas nous qui n'avons aucun rapport à lui.
Examinons donc ce point et disons : Dieu est ou il n'est pas. Mais de quel côté pencherons‑nous ? La raison n'y peut rien déterminer. Il y a un chaos infini qui nous sépare. Il se joue un jeu à l'extrémité de cette distance infinie, où il arrivera croix ou pile. Que gagerez‑vous ? Par raison vous ne pouvez faire ni l'un ni l'autre. Par raison vous ne pouvez défendre nul des deux.
Ne blâmez donc pas de fausseté ceux qui ont pris un choix, car vous n'en savez rien. Non, mais je les blâmerai d’avoir fait, non ce choix, mais un choix, car encore que celui qui prend croix et l'autre soient en pareille faute, ils sont tous deux en faute. Le juste est de ne point parier.
Oui, mais il faut parier. Cela n'est pas volontaire, vous êtes embarqué. Lequel prendrez‑vous donc ? Voyons. Puisqu'il faut choisir, voyons ce qui vous intéresse le moins. Vous avez deux choses à perdre : le vrai et le bien, et deux choses à engager, votre raison et votre volonté, votre connaissance et votre béatitude ; et votre nature a deux choses à fuir, l'erreur et la misère. Votre raison n'est pas plus blessée, puisqu'il faut nécessairement choisir, en choisissant l'un que l'autre. Voilà un point vidé. Mais votre béatitude ? Pesons le gain et la perte en prenant croix que Dieu est. Estimons ces deux cas : si vous gagnez, vous gagnez tout, si vous perdez, vous ne perdez rien. Gagez donc qu'il est sans hésiter.'
'Wij kennen dus het bestaan en de aard van het eindige omdat wij eindig en uitgebreid zijn zoals het eindige.
We kennen het bestaan van het oneindige, en kennen de aard ervan niet, omdat het oneindige uitgebreidheid heeft zoals wij, maar geen grenzen zoals wij.
Maar we kennen noch het bestaan noch de aard van God, omdat die noch uitgebreidheid, noch grenzen heeft.
Als er een God is, is die oneindig onbegrijpelijk, aangezien, daar hij noch delen noch grenzen heeft, hij geen enkel verband heeft met ons. We zijn dus niet bij machte, noch om te weten wat hij is, noch dat hij is. Als de zaken er zo voor staan, wie zal het dan aandurven om te proberen deze kwestie te beslechten? Dat zullen wij niet zijn, die geen enkel verband hebben met hem.
Laten we dus dat punt onderzoeken en zeggen: God is of hij is niet. Maar naar welke kant zullen we geneigd zijn? De rede kan er niets over uitmaken. Er is een oneindige chaos die ons scheidt. Er speelt zich een spel af aan de uiterste grens van deze oneindige afstand, waar het zal neerkomen op kruis of munt. Wat zal je gokken? Aan de hand van de rede kan je noch het ene noch het andere maken. Aan de hand van de rede kan je geen van beide verdedigen.
Verwijt degenen die een keuze gemaakt hebben dus niet dat ze fout zijn, want je weet er niets van. – Nee, maar ik zal hun verwijten, niet dat ze die keuze gemaakt hebben, maar dat ze een keuze gemaakt hebben, want ook al is degene die kruis neemt en de andere evenzeer fout, ze zijn allebei in fout. Juist is niet te gokken.
Ja, maar men moet gokken. Dat is niet vrijwillig, je bent betrokken partij. Welke optie neem je dan? Laten we even kijken. Aangezien men moet kiezen, laten we dan bekijken wat ons het minst aanbelangt. Je hebt twee zaken te verliezen: het ware en het goede, en twee zaken die je kan gebruiken, je rede en je wil, je kennis en je zaligheid; en je aard heeft twee zaken te ontvluchten, de vergissing en de ellende. Aangezien je noodzakelijkerwijs moet kiezen, is je rede niet meer gekwetst bij het kiezen voor het ene dan voor het andere. Dat is al een punt dat geregeld is. Maar wat met je zaligheid? Laten we winst en verlies afwegen wanneer we kruis nemen dat God is. Laten we deze twee gevallen nemen: als je wint, win je alles, als je verliest, verlies je niets. Gok dus zonder aarzelen dat hij is.'
Laten we eerst even de bekende benaming van het argument bekijken. Pascal gebruikt het woord pari niet. Hij heeft het over kruis of munt, kop of letter (croix ou pile), en over het maken van een keuze (choix, choisir). Hij gebruikt wel het werkwoord parier. Het gaat over het afwegen van winst en verlies. Ten slotte is er het werkwoord gager.
Gewoonlijk vertaalt men dit als 'De weddenschap van Pascal', maar dat lijkt onnauwkeurig, zelfs onjuist. Er wordt immers geen weddenschap aangegaan, waarbij men iets, bijvoorbeeld een geldsom, inzet op de uitkomst van iets waarover (nog) geen zekerheid bestaat, bijvoorbeeld de uitslag van een sportwedstrijd. Dat is niet het geval. Het gaat veeleer over een keuze die moet worden gemaakt tussen twee tegenstrijdige alternatieven, tussen twee mogelijkheden, zoals bij kruis of munt. Als men niet kan uitmaken wat de juiste keuze is, laat men het uiteindelijk aan het toeval over: kruis of munt. Dat is echter evenmin wat Pascal hier bedoelt. Hij stelt veeleer dat de vraag of God al dan niet bestaat niet kan worden opgelost door de rede. Men moet dus wel gokken op een van beide alternatieven.
Zijn advies is dan duidelijk: kies ervoor dat hij bestaat, zonder aarzelen. De reden daarvoor is eenvoudig: als je gokt dat hij bestaat, en het blijkt ook zo te zijn, dan win je de gok die je gewaagd hebt, je blijkt de juiste keuze gemaakt te hebben. Als je verliest, dat wil zeggen dat je verkeerd gegokt hebt, en dat God niet bestaat, dan verlies je in feite niets. Je hebt in je leven gehandeld alsof God bestaat, terwijl hij niet bestaat, maar die vergissing heeft geen kwalijke gevolgen, je hebt immers goed gehandeld. Er valt anderzijds niets te winnen als God niet bestaat. Maar als hij wel bestaat en je weigert dat te aanvaarden, en je leeft alsof hij niet bestaat, dan zet je alles op het spel, vooral je eeuwige leven.
Onsterfelijkheid, het leven na de dood is een belangrijke zaak voor de mens. Als er zoiets bestaat, dan heeft dat consequenties voor onze manier van leven. Dat leven hier op aarde is kort en biedt ons slechts oppervlakkig genot. We weten, dat beweert althans Pascal, dat er ons een eeuwigheid te wachten staat waarin we ofwel in het niets verdwijnen, ofwel in de eeuwige verdoemenis als we niet goed, dat wil zeggen zonder God geleefd hebben, ofwel de eeuwige zaligheid, als we stellen dat God bestaat en we leven volgens de voorschriften van zijn Kerk.
En dan is het evident: als je voor God kiest en je hebt juist gegokt, dan wacht je de eeuwige zaligheid. Als je verkeerd gegokt hebt en er is geen God, dan heb je hooguit een leven geleid dat op een illusie gebaseerd was, maar een behoorlijk leven. Maar wat als je gokt dat God niet bestaat? Als je juist gegokt hebt en er dus geen God is, dan heb je een kort leven gehad en daarna niets meer. Maar wat als je verkeerd gegokt hebt en er wel een God is? Dan sta je mooi te kijken: eeuwige verdoemenis is je lot, en je mist de eeuwige zaligheid. Volgens Pascal kan niemand anders besluiten dan voor God te kiezen: je hebt niets te verliezen en alles te winnen; in het andere geval heb je niets te winnen en alles te verliezen. Je zou wel gek zijn.
Pascal gaat in deze passage van dePenséesechter verder in zijn redenering, die we hier niet citeren, maar parafraseren. Als je niet in God gelooft, kan je het ene leven dat je hier hebt, doormaken zonder rekening hoeven te houden met allerlei restrictieve religieuze verplichtingen. Dat lijkt een aantrekkelijke, hedonistische optie. Maar dat is slechts één leven dat je kan winnen, en daartegenover staan ontelbare levens, namelijk de eeuwige zaligheid, die je staat te verliezen als er toch een God blijkt te zijn. De kansen dat er een God is en dat er geen God is, zijn dus niet even groot. Zelfs als de kans dat hij niet bestaat n + 1 is, dat wil zeggen elk denkbaar getal plus één, is de kans dat hij wel bestaat, uitgedrukt in gelukkige levens, oneindig gedeeld door n + 1, en dat is nog altijd oneindig, terwijl als hij niet bestaat, je nog altijd slechts één leven hebt. Kortom: in het ene geval kan je één leven winnen, maar alles verliezen, als je verkeerd gegokt hebt; in het andere geval kan je de onsterfelijkheid en de eeuwige zaligheid winnen, en enkel dat ene leven enigszins verliezen.
Je moet niet slimmer zijn dan Pascal om in te zien dat er van alles niet klopt aan zijn argumentatie. Vooreerst is een geloof dat steunt op koele berekening, op een keuze voor de veiligste optie, geen geloof, maar een koehandel. Zo'n geloof is ook niet simpel: het is niet omdat je inziet dat geloven de beste oplossing is dat je ook in staat bent om te geloven, met alles erop en eraan. Pascal antwoordt: als je lang genoeg doet alsof, dan ga je het op den duur echt geloven. Hij heeft waarschijnlijk gelijk, maar het is een extreem cynische manier van denken en dan nog wel over God en geloof.
Pascal is ook oneerlijk in zijn voorstelling van zaken. Waarom zou het zo zijn dat we niet kunnen weten of God bestaat of niet? Als we geen goede redenen hebben om aan te nemen dat God bestaat, dan mogen we aannemen dat hij niet bestaat: afwezigheid van bewijs is bewijs van afwezigheid, tot bewijs van het tegendeel. En nog: waarom zou iemand die niet in God gelooft noodzakelijk een moreel verwerpelijk leven leiden, en een gelovige altijd een voorbeeldig? Ook de onvolmaakte gelovige riskeert de hel, terwijl het leven van de ongelovige even deugdzaam kan zijn als dat van de gelovige, dus ook hij kan naar de hemel, zelfs als hij er niet in gelooft? En nog: waarom moeten we aannemen dat er een eeuwige verdoemenis zou zijn? Wat voor God is dat, die mensen voor eeuwig doet branden voor een of andere 'misdaad', zoals het overtreden van erg menselijke regels zoals het eten van vlees op vrijdag? Wat voor God is het, die mensen die uit onwetendheid niet in hem geloven eeuwig laat roosteren? Pascal zelf heeft daar moeite mee: hoe is het mogelijk dat een onmondig kind veroordeeld wordt tot de eeuwige straf van de hel, enkel en alleen omdat Adam zesduizend jaar tevoren (zo telde men toen) een zonde beging?
De premissen van Pascal zijn uiterst betwistbaar. Hij gaat er zonder meer van uit dat er zoiets als een God kan bestaan, met al de attributen die de (katholieke!) godsdienst eraan verbindt, en met heel de katholieke theologie en al het bijgeloof. Het gaat niet zozeer om het bestaan van God, maar om de godsdienst, de Kerk. Zelfs als zou God bestaan, dan betekent dat niet ipso facto dat de mens onsterfelijk is (onder bepaalde voorwaarden). Dat legt een zware hypotheek op de gok: de tegenstelling tussen het ene hedonistische leven en de eeuwige zaligheid, de basis voor de keuze voor het godsbestaan, vervalt indien er geen individuele onsterfelijkheid is. Dan wordt het een keuze tussen een vrij leven en een leven onder het juk van de Kerk, en als men die keuze vrij kan maken, zonder enige dwang, dan is het antwoord duidelijk, zoals we elke dag zien.
Ook de argumentering dat de rede onmachtig is om te beslissen over het bestaan van God, houdt weinig steek. Hij definieert God eerst als totaal verschillend van de mens, om te kunnen concluderen dat hij derhalve onkenbaar is middels de rede. Dat is alvast in tegenspraak met de katholieke theologie, die stelt dat God door het natuurlijk licht kenbaar is voor de mens vanuit de wereld. Het is tevens een grove miskenning van de rede. De mens kan wel degelijk een goede afweging maken van de argumenten voor en tegen het bestaan van God. Op basis van het cumulatieve inzicht van de mens, zoals weerspiegeld in de beschaving, kan men eveneens tot het besluit komen dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat er een leven na de dood is, waarbij individuele personen beloond of bestraft worden voor hun goede en slechte daden tijdens hun leven. Men kan zelfs overtuigend aantonen dat dit een verzinsel is van mensen, en geen geopenbaarde waarheid. De rede is wat de mens onderscheidt van de dieren, het is onze hoogste kwaliteit, ons grootste vermogen, dat erkent ook Pascal, en hij is er een uitzonderlijk goed voorbeeld van. Dat diezelfde rede niet bij machte zou zijn de mens te leiden bij het nemen van een zo belangrijke beslissing als het bestaan van God en het leven na de dood, is een anomalie. Het is volgens de rede immers veel waarschijnlijker dat er geen God is en geen hiernamaals. Dat ontkennen is de mens tekortdoen. Stellen dat het geloof wel bij machte is om geldige uitspraken te doen over een bovennatuurlijke God en het hiernamaals, is een veronderstelling waarvoor er geen andere gronden zijn dan het geloof in een goddelijke openbaring, wat neerkomt op een petitio principii, een kringredenering.
Pascal zat gevangen in het katholieke denkpatroon van zijn tijd en omgeving. Voor hem is er geen alternatief mogelijk. Geen boeddhisme, geen hindoeïsme, geen atheïsme. Hij beperkt de mogelijkheden tot juist die twee: katholicisme, met God en onsterfelijkheid, of de hel, kop of letter. Het is duidelijk dat er meer mogelijkheden moeten zijn. Zijn gok gaat niet op, wij zijn niet gehouden aan zijn uitdaging. We kunnen met God geen koopje sluiten, we kunnen niet gokken op de eeuwigheid. De mens is een rationeel wezen, dat is onze grootheid. Door dat te ontkennen, verlagen we ons tot nietige schepsels van een almachtige God, en machteloze onderdanen van machtsgeile kerkvorsten.
Categorie:God of geen god?
09-07-2022
recensie: Rudi Laermans, Gedeelde angsten
Gedeelde angsten. Kleine sociologie van maatschappelijke onzekerheid. Rudi Laermans
Angst is een emotie, en dat lijkt in eerste instantie een individuele aangelegenheid. De mens leeft tussen hoop en vrees in een complexe omgeving. Men kan dat benaderen vanuit de psychologie, en desgevallend behandelen met psychotherapie. Rudi Laermans doceert sociologie in Leuven, en hij bekijkt de angst veeleer als een maatschappelijk verschijnsel, zoals blijkt uit de titel. Niemand ontsnapt helemaal aan de onzekerheid, die dus een maatschappelijk verschijnsel is, zoals de angst niet enkel individueel is, maar ook een gemeenschappelijk menselijk verschijnsel. Bovendien is het maatschappelijk samenleven zelf medeoorzaak van onzekerheid en dus van angst.
In zijn beschrijving van dit indringende aspect van ons mens-zijn voert de auteur ons langs verscheidene vormen die deze angst kan aannemen, niet zozeer als pathologische afwijkingen, maar als kenmerken van ons gewone bestaan. Vanzelfsprekend put hij daarvoor uit het dagelijkse leven van de individuele mens van vandaag, en onvermijdelijk leunt hij dan aan bij de psychologie, maar zijn insteek is veeleer wat elk van de aspecten van de angst voor gevolgen heeft in de maatschappij, en wat voor gevolgen de maatschappij heeft voor deze vormen van angst.
Hij heeft het achtereenvolgens over smetvrees, waarbij de heersende covid-19 pandemie vanzelfsprekend ruim aan bod komt; faalangst, vooral ten gevolge van het uiterst competitieve neoliberalisme; controleangst, in de zin van angst om de controle te verliezen, zoals tegenover de onmiskenbare dreiging die uitgaat van de klimaatveranderingen; vrijheidsangst, die hij vooral situeert in de meer onzekere relatievormen van onze tijd; statusangst, wegens de economische en sociale onzekerheid; en angstcultuur en angstpolitiek, waarin onder meer de rol van de media in het verspreiden en uitvergroten van de angst ter sprake komt, bijvoorbeeld bij terreurdreiging, evenals het inspelen van populistische politieke partijen op reële maar vooral op vermeende of aangeprate angsten. In een laatste hoofdstuk reikt de auteur dan enkele remedies aan tegen onze angsten, en daarbij treedt naast het vertrouwen uiteraard de hoop naar voren, het emotionele tegendeel van de vrees, dat door het hele essay heen wat op de achtergrond bleef bij het focussen op de angst zelf.
Dit boek-essay vindt zijn oorsprong in een schrijfopdracht van de Nacht van de Sociologie 2021, een ambitieus evenement in Rotterdam, met lezingen, debatten en theater.
Het essay is bij uitstek de gelegenheid voor een auteur om naast het loutere uiteenzetten van een idee tevens uit te pakken met de eigen eruditie, belezenheid en taalvaardigheid. Daaraan ontbreekt het hier allerminst. Er zijn honderd bibliografische noten, in minuscule lettergrootte opeen gepropt op zeven drukke bladzijden. De auteur vervlecht in zijn betoog geestige anekdoten, puntige woordspelingen, sprekende uit het leven gegrepen voorbeelden en leuke terzijdes. De taal is essayistisch, dat wil hier zeggen enigszins gekunsteld, zelfs ietwat gemaakt hoogdravend en geleerd. Dat blijkt vooral uit een wat ten minste on-Vlaamse voorkeur voor bastaardwoorden in plaats van hun normale en oerdegelijke Nederlandse equivalent (committeren, memoreren, seconderen (?), effectueren, adresseren, dependentie, changeren, modificatie, supportéren, protegeren, courage, bravoure, grossieren, satureren, besognes, amplificeren, abdiceren, fêteren, corrumperen, prevaleren, prefereren, protegeren, offreren, precariseren, flankeren, majoriteit, fiducie; soms naeen: modificeert, exploiteert, decimeert, liquideert); voor complexe en abstracte substantieven (contemporaniteit, precariteit, detraditionalisering, risicocompetentie, expertweten, culturalisering, genderemancipatie, ideaaltypische kartering, securitisering, dalingsmaatschappij, verliessocialisatie, mogelijkheidscontainers), en dito werkwoorden (tertiariseren, transnationaliseren), en leenwoorden uit vele talen (liquid fear, in a nutshell, facit, Gestimmtsein, de-skilling ). Ook althans voor mij onbekende uitdrukkingen duiken weleens op: in regie nemen (?), zich van iets loszingen, evenals neologismen en ongebruikelijke woorden (verontzekeren, ont-liberaliseren, desolidariseren, verstatelijken) en gewaagde metaforen (behapbare waaier, aangedikte ecologische voetafdruk, in het luchtledige fietsen, ajuinvormige samenleving, oude handen). Het verdubbelen van woorden is een andere hebbelijkheid: angstangst, geïndividualiseerd individu, onder-onder-onder-beslissingen).
Het gevolg van dat nogal geaffecteerde taalgebruik is een allicht onbedoelde maar reële afstandelijkheid: de auteur zondert zich daardoor als waarnemer vanop eenzame elitaire hoogte af van de gewone burger en de maatschappij die hij waarneemt en beschrijft, en zo meteen ook van de lezer. De talrijke rake en betekenisvolle inzichten van de auteur verliezen aan kracht door een taalgebruik dat niet meteen blaakt van empathie met de angstige mens. Het blijft dan vaak bij badineren in hogere sferen voor een geleerd publiek, veeleer dan de betrokken en doorleefde aanklacht die men over dit onderwerp zou mogen verwachten.
Het valt ook op dat, in tegenstelling tot andere sociologische analyses, alle ondersteunende data en alle cijfermateriaal ontbreken. Gelukkig misschien, althans voor de leesbaarheid, maar af en toe zou het toch interessant zijn om te weten over hoeveel mensen het gaat, bijvoorbeeld wanneer de auteur beweert dat de middenklasse gekrompen is.
Dit boek-essay blijft zeker de moeite waard omwille van het actuele en prangende onderwerp, dat deskundig en met flair uitgespit en geduid wordt door een meer dan competente auteur. Door de bijzondere taal en stijl plaatst het zich wellicht in een even bijzonder marktsegment van lezers die zich niet gemakkelijk laten afschrikken door enige improviserende taalvirtuositeit (blz. 71).
Categorie:samenleving
05-07-2022
'Geef mij een kind tot het zeven is, en ik zal je de volwassene laten zien.'
'Geef mij een kind tot het zeven is, en ik zal je de volwassene laten zien.'
Deze uitspraak wordt toegeschreven aan Aristoteles, en later aan Ignatius van Loyola, de stichter van de Jezuïetenorde, en aan Franciscus Xaverius. Het is hoe dan ook een bekend gegeven in het katholicisme, dat vanouds groot belang hecht aan de vorming van kinderen en in vele landen een prominente rol speelt in de schoolse en buitenschoolse opleiding. Deze inzet van een godsdienst voor de algemene vorming van kinderen mag dan al zonder meer bewonderenswaardig lijken, het loont echter de moeite om daar iets dieper op in te gaan.
Ik spreek nu uit eigen ervaring. Ik ben geboren in Vlaanderen in 1946, in een katholiek 'moederhuis' en daar meteen gedoopt. Mijn ouders waren godsdienstig en stonden erop dat wij onze religieuze plichten zouden vervullen. Van toen ik drie jaar oud was, ging ik naar de (gemengde) katholieke kleuterschool. De eerste twee jaren van het lager onderwijs ging ik naar de 'broederschool' van de Broeders van Liefde voor jongens alleen. Daar deed ik mijn eerste communie, en sindsdien mocht ik naar de mis en te communie. Daarna vijf jaar lager onderwijs in de pas opgerichte katholieke lagere school, verbonden aan het plaatselijke bisschoppelijke college. In het zesde jaar deden we onze plechtige communie en werden we 'gevormd'. Vervolgens drie jaar naar het middelbaar onderwijs aan dat college. Toen mijn toestand daar onhoudbaar werd, trok ik naar de katholieke normaalschool in een Vlaamse provinciehoofdstad, waar ik drie jaar op internaat was; het laatste jaar was ik 'op kot', weeral omdat mijn toestand op het internaat 'onhoudbaar' geworden was. Na de humaniora ging ik naar de katholieke universiteit in Leuven, waar ik drie jaar kotstudent was. Toen mijn vriendin zwanger was, heb ik mijn studies afgebroken zonder diploma. We zijn voor de Kerk getrouwd. Ik ben dan als administratief medewerker begonnen aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Leuvense universiteit. Na dertig jaar ben ik overgestapt naar het centraal bestuur, waar ik tot aan mijn pensioen op 60-jarige leeftijd een directiefunctie heb uitgeoefend. Mijn kinderen zijn gedoopt, gevormd, ze zijn naar katholieke scholen geweest en naar de katholieke universiteit, en een van hen is leraar in een katholieke school.
Gedurende enkele jaren van de lagere en de middelbare school ben ik lid geweest van een katholieke jeugdbeweging.
Iedereen in de familie en zelfs in de kennissenkring had dezelfde voorgeschiedenis en was in dezelfde situatie, en daarbij werden er geen vragen gesteld. Als die er toch kwamen, bleven zinvolle antwoorden uit. We behoorden tot de katholieke zuil. Dat betekende niet alleen dat je naar de katholieke school ging, maar dat je hele leven in katholiek verband verliep. Je ging naar de mis, biechtte je zonden op, bad, vierde de grote kerkelijke feesten, onderhield de vasten, ging naar kerkelijke begrafenissen, bezocht paters en nonnen in hun klooster of ontving hen thuis; je ontleende boeken in de parochiale bibliotheek, was bij de katholieke turnvereniging enzovoort. Je aankopen deed je bij andere katholieken of bij een katholieke coöperatieve. Je was aangesloten bij een katholieke mutualiteit, die ook vakanties organiseerde. De dokter was katholiek en ook het ziekenhuis, en uiteindelijk ook de begrafenis en je plaats op de begraafplaats. Ook voor de ontspanning was enkel het katholieke aanbod aanvaardbaar: café, cinemazaal, theater, fanfare … En wat niet in katholieke vorm aanwezig was, daar bleef je weg. Geen enkel aspect van je leven ontsnapte aan het alom aanwezige en alomvattende katholieke kader.
Vooral in de lagere school werd het er goed ingehamerd. Dagelijkse godsdienstles, frequente misvieringen, vaak dagelijks, op zondag tweemaal, de catechismus van buiten leren, plus allerlei gebeden, rituelen en gebruiken, liederen, bedevaarten, processies.
Als ik erop terugkijk, dan overvalt me een grote droefenis, tezamen met een diepe verontwaardiging. Op geen enkel ogenblik van mijn leven, tot mijn zestigste, heb ik me vrij gevoeld. Als ik me schikte naar wat van mij verwacht werd, voelde ik me verdrukt; als ik dat niet deed, en dat gebeurde vanaf mijn prilste jeugd, voelde ik me schuldig. En vandaag, nu ik 76 ben, besef ik dat ik nog altijd gebukt ga onder mijn katholieke verleden. Het is me zo krachtig opgedrongen, dat zelfs zeventig jaar van opstandigheid en verzet niet opgewassen zijn om mij ervan te bevrijden. Intellectueel ben ik ermee klaar, ik doorzie het hele systeem en verwerp het. Maar ik blijf iemand die in dat midden opgegroeid is, en daarin zijn hele actieve leven heeft doorgebracht, zelfs als dat niet als actieve gelovige was. Ik weet niet hoe het is om zonder God, Kerk of godsdienst op te groeien.
Vooral de seksualiteit was een heikel punt. Enerzijds bestond die niet: er werd niet over gepraat, nooit. Dat mocht niet en dat hoorde niet. Anderzijds was het verboden: als kind moest je kuis zijn, en zelfs geen onzedige gedachten hebben. Onkuisheid was een, of liever dé hoofdzonde. Het woord masturberen werd nooit vernoemd, en evenmin dat iemand dat deed, alleen of met mannelijke vriendjes, maar het was evident wat met onkuisheid bedoeld werd. Dat je iets met een meisje zou doen was ondenkbaar, genoeg om een groot schandaal te veroorzaken. Als je toch onkuis was geweest, moest je dat gaan biechten: hoe vaak, alleen of met anderen. Anders mocht je niet te communie gaan; en wie dus bleef zitten bij de communie, die had 'het' weer gedaan. Net zoals degenen die tijdens de mis zaten aan te schuiven om nog gauwgauw te biechten.
Maar ook het idee van God zelf raak je niet meer kwijt. Noch dat van een onsterfelijke ziel, van hemel, hel en vagevuur, van zonde en vergeving, of van mirakels. Er gaat nog altijd iets uit van de kerkelijke structuur, van de machtsverhoudingen van gelovigen tegenover de kerkelijke gezagsdragers. Je kan dat allemaal betwisten, ontkennen, bestrijden, of zelfs belachelijk maken, maar je kan het niet uit je herinnering of uit je denken verbannen. Je blijft iemand die dat kent, die dat meegemaakt heeft, willens nillens, je blijft zitten met de sporen die dat nagelaten heeft, de herinnering aan gewetensconflicten en botsingen met opvoeders en bedienaars van de eredienst. Je zet je ertegen af, maar dat betekent dat ze er waren en er zijn, en dat ze een invloed hebben gehad en blijven hebben. Je kan je gewoon niet indenken hoe het zou zijn als dat alles er niet geweest was. Zelfs als je alles achter jou gelaten hebt, blijft het aanwezig. Je kent het, door en door, tot in de details, het behoorde ooit tot je dagelijkse leven, tot je bestaan. Het maakt deel uit van wie je bent, je kan het nooit meer kwijt. Je was ooit een van de nostri, en dat kan je tot driemaal toe ontkennen, maar dan kraait er toch een haan naar, al ben je de enige die dat hoort, en ween je inderdaad bittere tranen.
Dat is de enorme kracht van systematische indoctrinatie vanaf zeer jonge leeftijd binnen een grootschalige sekte. Wie dat heeft meegemaakt, is voor het leven getekend. Fecisti nos ad te, domine, et inquietum est cor nostrum donec requiescat in te. (Augustinus, Confessiones 1,1) Ons hart is door die indoctrinatie inderdaad blijvend verontrust, omdat het op God gericht is, en daardoor alleen bij die God rust kan vinden.
Dat is de uitdaging waarvoor je als afvallige staat: je moet zoals Clovis, maar dan andersom, verbranden wat je aanbeden hebt, en aanbidden wat je verbrand hebt. Je moet je Vader en je Moeder, je broeders en zusters, je familieleden, de belangrijke figuren uit je jeugd en in mijn geval ook uit mijn professionele leven, verlaten; niet om Christus te volgen, zoals in het Bijbelwoord, maar precies om ook Christus te verlaten, en God en al zijn heiligen en engelen, en alles wat daarbij hoort, en wat eens jouw hele leven gestalte gaf en bepaalde. En erger nog, je moet een verrader worden, niet alleen een afvallige, maar zelfs een overloper: je moet met de vijand heulen, en omgaan met degenen die vroeger met alle banbliksems vervloekt werden en die niet alleen de toegang tot de kerk, of een plaats in gewijde grond, maar vooral de eeuwige zaligheid ontzegd werd. Je moet een ongelovige worden, een atheïst, een vrijzinnige, een antiklerikaal. Je moet het systeem en de mensen aanvallen die je voortgebracht, opgevoed en gedragen hebben, die je kansen gegeven hebben, die je aan hun borst gekoesterd hebben, die je vertrouwd hebben en zelfs liefgehad. Aan al dat kazakkeren zal je geen vreugde beleven; je zal nooit zorgeloos blij kunnen zijn om wat je gewonnen hebt, omdat je altijd achtervolgd zal worden door wat je verloren hebt.
Je hebt aan je geloof en aan je verleden verzaakt, je ben een renegaat. Je hebt huis en haard, ouders en outer verlaten, je bent weggegaan, en je kan nooit meer terugkeren naar huis, als na een ballingschap of een verre reis. Je hebt geen huis en geen thuis meer, je bent voor immer en altijd een vreemde in een vreemd land, altijd te gast, nooit chez soi. Waar je ook voet aan de grond zet, en hoezeer je ook integreert in je nieuwe omgeving, je blijft een vreemdeling, een intellectuele allochtoon.
Er wacht je bij je nieuwe goddeloze vrienden evenmin een onthaal als van de verloren zoon. Er is al meteen het wantrouwen tegenover iemand van aan de andere kant: is het een spion? Is iemand met een dergelijk verleden ooit te vertrouwen? Wat komt die vreemde snoeshaan hier zoeken? En je blijft anders, omdat je een andere bent, een ander verleden hebt. En ook omdat je misschien zoals alle bekeerlingen nogal zelotisch bent en overdreven ijverig bezig met het afzweren van je verleden, en niet in staat om je nieuwverworven inzichten als vanzelfsprekend te beschouwen, als een 'rustige zekerheid', zoals die anderen, die nooit iets anders gekend hebben, en nog altijd in het huis wonen waarin ze geboren en getogen zijn, en trots de familietradities in ere kunnen houden.
Iets van dat alles moet Denis Diderot gevoeld hebben toen hij, eveneens als afvallige, zijn Pensées philosophiques neerpende. In de Additions lezen we als laatste deze tekst:
'Er was eens een man die in de steek gelaten was door zijn kinderen, zijn vrouw en zijn vrienden. Onbetrouwbare vennoten hadden hem in het ongeluk en de armoede gestort. Vervuld als hij was door haat en een grondig misprijzen voor de menselijke soort, liet hij de maatschappij achter zich en trok zich helemaal alleen terug in een grot. Daar, met zijn vuisten in de ogen gedrukt, en denkend aan een wraakneming die in verhouding zou zijn met zijn hevige gevoelens, sprak hij: De ontaarden! Wat zal ik doen om hen te straffen voor het onrecht dat ze me aangedaan hebben, hoe kan ik hen zo ongelukkig maken als ze verdienen te zijn? O, als het mogelijk zou zijn om iets te bedenken, hen een groot waanidee in het hoofd te prenten dat ze voor belangrijker zouden houden dan hun leven, en waarover ze het nooit eens zouden worden! Meteen stormt hij naar buiten uit de grot, al roepend: God! God! Om hem heen herhalen ontelbare echo's God! God! Die vreesaanjagende naam verspreidt zich van pool tot pool en wordt overal beluisterd met verbazing. De mensen buigen eerst diep neer, komen dan weer overeind, stellen zich vragen, discuteren, worden verbitterd, excommuniceren elkaar, haten elkaar, snijden elkaar de keel over en zo wordt de dodelijke wens van de misantroop bewaarheid. Dit is het verhaal geweest in het verleden, en zo zal ook het verhaal zijn in de toekomst, van een wezen dat altijd even belangrijk zal zijn als onbegrijpelijk.'