mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
09-09-2011
de buigings-e
In mijn
tekst van gisteren staat te lezen: het onvermijdelijke en onherroepelijke
verlies. Ik had eerst geschreven: onvermijdelijk en onherroepelijk, dus
zonder e. Die toegevoegde e noemt men de buigings-e, het woord met de
buigingsuitgang is de verbogen vorm, daarzonder is het de onverbogen vorm.
Bij de
spellingcontrole van Word kreeg ik gisteren de boodschap dat onvermijdelijk
niet de juiste verbuiging gebruikt was. Ik liet me pramen en gehoorzaamde
braaf. Achteraf bedacht ik dat ik die tik op de vingers niet gekregen had voor onherroepelijk.
Er stond dus aanvankelijk te lezen: het onvermijdelijke en onherroepelijk
verlies en dat kan natuurlijk niet. Dus heb ik het deze morgen veranderd. De
beide woorden staan er nu in hun verbogen vorm.
En toch aarzelde
ik nog. Hoe moet het nu, verbogen of niet? De Algemene Nederlandse
Spraakkunst (ANS) is duidelijk: er moet een buigings-e staan, want verlies
is een het-woord en onvermijdelijk wordt voorafgegaan door het lidwoord. De
spellingcontrole had dus gelijk. En ongelijk, want ze had me ook moeten wijzen
op het feit dat ik onherroepelijk onverbogen had geschreven. Maar ja: een
computerprogramma is geen mens, zijn vermogen tot redeneren is beperkt; er
staat geen lidwoord voor het woord, dus kreeg ik geen waarschuwing. Het
programma houdt er geen rekening mee dat je in het Nederlands adjectieven kan
opstapelen, gescheiden door een komma of door en. In dat geval hoef je het
lidwoord niet te herhalen. Altijd blijven opletten bij automatische
spellingcontrole dus; niet blindelings toepassen, je eigen verstand gebruiken.
In Vlaanderen
gebruiken wij, meen ik, de verbogen vorm niet bij een het-woord. Zeker niet in
de gesproken taal: het lekker eten, het onherroepelijk verlies. Vandaar dat ik
en ongetwijfeld vele andere Vlamingen (en misschien ook Nederlanders?) de
neiging hebben om ook in de geschreven taal de onverbogen vorm te gebruiken.
Helemaal zinloos is dit niet, want de ANS geeft toe dat bij het-woorden in heel
wat gevallen de onverbogen vorm moet gebruikt worden, onder meer hier:
De onverbogen vorm (zonder sjwa)
treedt op in de volgende gevallen:
[A]Bij attributief, als bijvoeglijke voorbepaling, gebruikte adjectieven,
in combinatie met een het-woord (zoals het bier, het kind, het boek ) in het enkelvoud,
wanneer het adjectief niet voorafgegaan wordt door een ander woord of wanneer
het adjectief voorafgegaan wordt door: een ('n), geen, één, genoeg, veel,
weinig, wat, een beetje, ieder, elk, enig, menig, zeker, een dergelijk, zulk
een, wat een, wat voor een, welk , bijv.:
oud ijzer, fijn zand, lauw bier, een
aardig kind, geen leuk kind, genoeg wit papier, veel wit papier, weinig wit
papier, wat wit papier, ieder mooi plaatje, elk groot bed, menig lastig parket,
zo'n onaangenaam gevoel, zulk een oud gebouw, zulk oud hout.
Zo schreef
ik vroeger altijd het Oud Testament, het Nieuw Testament en zo stond het ook
in de studiegids van de Leuvense Universiteit, totdat een jonge Vlaamse exegeet
die enige tijd in Nederland had gedoceerd me erop wees dat de verbogen vorm hier
verplicht was. Achteraf gezien vraag ik me af of hij helemaal gelijk had
(meestal had hij dat immers niet ): moet in de titel van een college Nieuw Testament:
de Synoptische Evangeliën de verbogen vorm gebruikt worden? Er gaat immers
geen lidwoord vooraf
Mijn
taalgevoel zegt me dus dat de onverbogen vorm correct is bij het-woorden, of er
nu een lidwoord voorafgaat of niet. De ANS zegt dat ik ongelijk heb. Wat nu? Ik
denk dat ik op mijn leeftijd mijn informeel spraakgebruik niet meer zal
veranderen. Ik zal dus blijven zeggen: het Oud Testament, het onherroepelijk
verlies. Maar ik ben wel bereid om gevolg te geven aan de vingerwijzingen van
de spellingcontrole en in mijn schrijftaal de regels van de ANS toe te passen.
Als er af en toe toch ergens een onterecht onverbogen vormpje binnensluipt,
hoop ik te mogen rekenen op de welwillende toegeeflijkheid en
vergevingsgezindheid van mijn taalgevoelige lieve lezers.
Categorie:literatuur Tags:taal
08-09-2011
Weemoed
Enkele dagen
geleden kon je hier het beeldverhaal volgen van de Deuxpénitents van Anne
Cornil in onze tuin. De poëtische tekst die ik schreef voor de onthulling eindigde
met een oproep om onze overledenen te gedenken. Ik meen inderdaad dat het goed
is dat wij ons de mensen blijven herinneren die ons ooit dierbaar waren. Maar
waarom is dat goed?
Laten we
duidelijk zijn: de doden zelf hebben er niets aan dat wij aan hen denken. Dat
is een harde gedachte, maar we kunnen er niet om heen. Zoals de sneeuwman
verdwijnt bij het dooien, is een dode (zelfde etymologie) iemand die er niet
meer is. Zij zijn niet meer, op geen enkele manier. Alleen hun nagedachtenis
blijft over, maar dat is niet iets van hen, maar iets dat wij doen: het zijn
wij die hen gedenken. Wij kunnen hen zo voor ons aanwezig stellen, maar we
weten het maar al te goed: zij zijn er niet echt, het zijn maar herinneringen,
fantasieën soms. Het is iets dat zich afspeelt in ons geheugen, in onze
verbeelding, in onze gedachten.
Dat hoeft
ons niet te verwonderen, vooral als we het hebben over mensen die ons tijdens
hun leven erg nabij waren, met wie we intens samenleefden. Zij waren toen belangrijk
voor ons, zij waren zeer aanwezig, ze bepaalden mee ons doen en laten, ons
geluk en ons verdriet. Wij waren materieel en emotioneel sterk met hen
verbonden. Wij hadden hen nodig. Wanneer zij er dan plots of zelfs na lange
tijd niet meer zijn, komt er wel een bruusk einde aan hun bestaan en aan hun
fysieke aanwezigheid, maar niet meteen aan onze emoties. Het voorwerp van die
gevoelens is verdwenen en dat schept een probleem, want het overlijden is op
zich geen reden om anders over hen te denken: indien ze nog in leven waren, dan
zouden we ze nog steeds graag zien. Indien ze terug levend zouden kunnen
worden, zou ons dat heel gelukkig maken.
Daarom is
het goed dat wij hen gedenken, het is goed voor ons dat we ons bezinnen, dat we
ruimte laten voor onze gevoelens, dat we ons proberen te verzoenen met het onvermijdelijke
en onherroepelijke verlies, met de blijvende afwezigheid.
We moeten er
leren mee leven dat onze geliefden er niet meer zijn. Dat noemen we rouwen. Het
is een proces dat een leven lang duurt, maar dat vooral in het begin uiterst
moeilijk kan zijn. We willen hen nog even graag zien, maar ze zijn er niet
meer, wij blijven alleen achter. We hebben geen gezamenlijke toekomst meer, we
moeten verder zonder hen. Er is een einde gekomen aan het verhaal dat we samen
beleefden.
Dat wij aan
onze overledenen denken op allerlei manieren, dat wij vaak nog intens met hen
bezig zijn in onze gedachten en zelfs in onze gedragingen, dat heeft mensen vanouds
aangezet om aan de overledenen een of andere vorm van nabestaan toe te
schrijven. Men zegt dat ze ergens heen gegaan zijn, naar een ander land, aan de
andere kant van een rivier, in de onderwereld, of in een heerlijk land, waar ze
voor altijd genieten van al wat goed was hier op aarde: de eeuwige jachtvelden.
Het is een schimmig soort van bestaan, een schaduw wie ze waren, zonder
materiële behoeften of ziekte en honger of dorst.
Vooral het
christendom heeft dat sterk altijd aangemoedigd: de dood is niet het einde maar
het begin van een nieuw leven in hemelse heerlijkheid. Of eeuwige verdoemenis
in de hel. Maar dat de overledenen voortleven, daaraan mogen we niet twijfelen.
Het is de kern van het christelijk geloof. Jezus is voor ons gestorven, maar
hij is opgestaan uit het graf, hij is waarlijk verrezen, hij leeft voort na zijn
dood, hij heeft zijn leerlingen en vele anderen ontmoet en is na veertig dagen
voor de ogen van vele omstanders ten hemel opgestegen. Hij is ons voorgegaan,
door zijn tussenkomst kunnen wij er ook op rekenen dat wij niet helemaal zullen
sterven. Onze overledenen bestaan nog echt, in de hemel, of de hel, of het
vagevuur, of ergens tussenin, in afwachting van het Laatste oordeel, maar ze
zijn er, niemand verdwijnt in het niets. We blijven bestaan.
Niet alleen
Jezus is ons voorgegaan, ook Maria, de apostelen en de vele heiligen, voorbeeldige
mensen, martelaren die de kerk erkent en waarvan zij zeker is dat zij nu al in
de hemel zijn. Het zijn bijzondere doden, die we eren om wat ze ooit waren en die
in de hemel voor ons tussenbeide kunnen komen bij God. Wij kunnen door ons
gebed tot hen en door onze devotie voor hen, bekomen dat zij ten beste spreken
voor ons, dat God ons genadig zal zijn om hunnentwille. Het is een krachtig
beeld van de christelijke zekerheid van het voortbestaan na de dood: de
heiligen zijn in staat om God te beïnvloeden in wat hij hier op aarde laat
gebeuren of verhindert. De doden bepalen zo mee wat er hier gebeurt, zoals God
zelf ook de hele wereld in zijn hand houdt.
Voor de gelovigen
is dat een realiteit, ze geloven echt dat het zo is, niet op een of andere
abstracte of symbolische manier, nee, het is werkelijk zo. Het is niet door ons
gebed of onze devotie dat we er beter van worden, nee: wij kunnen Maria en de
heiligen door ons gebed, onze bedevaart, door afbeeldingen te maken en er kaarsen
voor te branden, door liederen te zingen echt beïnvloeden en zij kunnen dan God
vragen om ons beter te behandelen dan hij zou doen als we dat allemaal niet
zouden doen. Een beter argument voor het leven na de dood kan er niet zijn. De
heiligen zijn er, wij kunnen op hen een beroep doen voor concrete zaken. Als de
heiligen zo machtig zijn na hun dood, dan zullen ook wij na onze dood
voortleven, misschien niet meteen als heiligen, maar dan toch op een meer
bescheiden manier deel hebbend aan de eeuwige zaligheid, uiteindelijk.
Voor de
moderne mens is die zekerheid zo goed als volledig weggevallen. De meeste
mensen twijfelen zelfs niet meer: de doden leven niet op die manier voort. Zij hebben
geen enkel contact meer met de levenden, omdat zij niet meer bestaan als
zelfstandige personen. Als men hen nog enig bestaan toeschrijft, dan is het
zeer vaag, symbolisch, mythisch. Maar over het algemeen spreken wij over onze
overledenen vanuit onze herinnering en vanuit de gevoelens die wij nu hebben
tegenover hen, zoals ze toen waren; zij worden niet ouder dan toen ze stierven.
Wij dragen hen mee in ons leven, zij zijn aanwezig in onze gedachten.
Maar we
bedoelen dat helemaal niet letterlijk, het gaat niet om een manier waarop zij werkelijk
aanwezig zijn bij ons, maar om een manier waarop wij hen voor ons aanwezig
stellen in onze gedachten. Wij geven hen, zoals tijdens hun leven, een
emotionele plaats in ons denken en ons doen, ook al is er van hen uiteindelijk
niets materieels overgebleven, ook al zijn zij zelf er op geen enkele manier meer,
als actieve personen die een invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving. Met hun
lichaam is ook hun denken en voelen verdwenen, van het biologisch wezen dat zij
waren is er niets meer over, ook niets spiritueels of geestelijks, geen ziel,
niets. Zij zijn echt niet meer, aan hun tijdelijk bestaan is voor hen een
volledig einde gekomen op het ogenblik van hun dood.
Voor hen,
maar niet voor ons. Wij zijn in staat, zo lang als we leven, om ons hen te
herinneren. Wij, niet zij, zijn bij machte om met onze verstandelijke en
emotionele vermogens de grenzen van tijd en ruimte moeiteloos te overschrijden.
Het is een
manier van denken die steeds aanwezig is geweest in wat wij nu de mens noemen,
een dier dat zich ontwikkeld heeft tot het merkwaardige wezen dat wij nu niet
meer dierlijk durven noemen, maar dat net zoals alle dieren gegroeid is uit de
materie waaruit onze wereld bestaat. Een belangrijk keerpunt in die ontwikkeling
was de manier waarop de primitieve mens omging met de lichamen van de
afgestorvenen. Men eerde de nagedachtenis van de dierbaren, men gaf uitdrukking
aan zijn verdriet door zorgvuldig met hun dode lichaam om te gaan, door het te
wassen, te zalven en het een laatste rustplaats te geven, vergezeld van voorwerpen
en offergaven, door het graf binnenin te versieren, door de plaats te markeren
met een grafheuvel of een zerk. Het zou echter overdreven zijn om aan die
rituelen een andere betekenis te geven dan de uitdrukking van eerbied en verdriet.
Begrafenisrituelen hebben niet minder zin voor wie niet gelooft in een
hiernamaals. Zorgzaam omgaan met het lichaam van onze dierbaren en hen blijven gedenken
blijft zinvol als we aanvaarden dat voor hen het leven echt helemaal en
definitief voorbij is, of als we niet helemaal zeker zijn dat er iets is na de
dood.
De
herinnering aan onze geliefden kan soms uiterst acuut zijn, overweldigend, met
een concrete overtuigingskracht die ons totaal overstuur maakt. Soms lijkt het
of ze er echt zijn, alsof ze ons toespreken of zwijgend aanstaren of ons
verwijtend de rug toekeren. Het gebeurt dat wij hen aanspreken en hen zo voor
ons oproepen. Het zijn heel normale menselijke verschijnselen, er is niets
uitzonderlijks of vreemds aan. Het zou pas vreemd zijn indien we onze
overledenen meteen zouden vergeten, zomaar, van de ene dag op de andere, vanaf
het ogenblik van hun dood. Zo gaat het niet, of we dat willen of niet. Wij
blijven met hen verbonden in diepe genegenheid. En zoals tijdens hun leven, gebeurt
dat vooral aanvankelijk op een relationele manier, in een dialoog, een gesprek,
een speciale manier van samenzijn, gesteund op de herinnering aan het materiële,
lichamelijke bij elkaar zijn. We hoeven daar geen spoken of geesten in te zien:
het is de normale manier waarop wij met ons verstand en onze emoties omgaan met
de nagedachtenis aan onze overledenen.
Zoals ook
alle andere, minder ingrijpende en uitdagende herinneringen is ook het weerzien
van overledenen een verrijking van ons eigen leven. Maar het is goed dat we bij
dergelijke ontstellende en verwarrende ervaringen steeds voor ogen houden dat
wat wij meemaken zich enkel en alleen afspeelt in onze verstandelijke en
emotionele vermogens, in onze hersenen, louter op basis van de overvloed aan gevoelsgeladen
herinneringen die daar reeds prominent of latent aanwezig is, dus zonder enige reële,
spookachtige of bovennatuurlijke tussenkomst van buitenaf.
Door het
raam zie ik in de tuin de twee ingetogen, treurende gestalten staan, een
blijvende herinnering aan onze dierbaren. De regen kleurt de blauwgrijze steen
met donkere lijnen van trage tranen. Weemoed vervult ons hart. Ooit zullen deze
pleurants de plaats aanduiden waar
wij begraven liggen, voor wie ons kende een herinnering aan wie wij ooit waren,
voor allen een mementomori: denk eraan, eens zal je sterven.
Een van de
meest geciteerde werken in alles wat ik de laatste jaren gelezen heb, is zonder
enige twijfel Keith Thomas, Religion and
the Decline of Magic. Studies
in Popular Belief in Sixteenth- and Seventeenth-Century England,
Weidenfeld & Nicolson, London, 1971. Ik las een goedkope herdruk door Penguin, 1991, xx + 853 pp.,
ongeveer 15, maar ik raad lezers die (terecht) geïnteresseerd zijn in de
originele Engelse tekst aan om op zoek te gaan naar een gebonden exemplaar,
want 800 bladzijden kleine lettertjes is een marteling voor de ogen. Ik ben
zeer verheugd hier te kunnen vermelden dat er ook een Nederlandse vertaling is,
De Ondergang van de magische wereld. Godsdienst en magie in Engeland,
1500/1700 door Keith Thomas, Agon, 1989. Ik vond verscheidene exemplaren
in de catalogus van de openbare bibliotheken van Vlaams-Brabant, dus kijk het
eens na in jouw bibliotheek; er zijn nog tweedehandse exemplaren in omloop, bij
Antiqbook en ook bij bol.com.
Ik had de lectuur al enkele keren uitgesteld, maar ben er
dan toch maar aan begonnen en al na enkele bladzijden wist ik dat ik dit veel eerder had moeten doen,
enkele jaren geleden toen ik het kocht, maar beter nog in 1971 toen het voor
het eerst verscheen. Het had toen mijn leven grondig kunnen veranderen. Maar het
heeft geen zin om daarom te treuren, ons verleden kunnen we niet veranderen.
Maar wel het inzicht in het verleden, zowel dat van onszelf als meer in het
algemeen. Het is van uit het besef dat dit een belangrijk boek is, dat in staat
is om iemands leven indringend te beïnvloeden, dat ik deze tekst schrijf, in de
hoop dat ik zo misschien iemand ertoe breng om het te lezen, zodat hij of zij de
vruchten ervan kan plukken, in het beste geval op een jongere leeftijd dan
ikzelf. Dat het mogelijk is om ook de geschiedenis in het algemeen te
herbekijken en te herschrijven, daarvan is dit boek een schitterend voorbeeld.
De auteur, Keith
Thomas (1933-) was/is een prominent professor geschiedenis in Oxford. Hij
schreef nog twee andere merkwaardige boeken, waarover later ongetwijfeld meer.
Met dit werk heeft hij de toon gezet voor een nuchtere, zakelijke benadering
van twee intrinsiek vluchtige en met vele emoties beladen onderwerpen:
godsdienst en magie. Hij bekijkt de talrijke en verscheidene aspecten van deze
thematiek en hun concrete vormgeving zonder enige vooringenomenheid, als
menselijke verschijnselen. Op geen enkel moment laat hij zich verleiden om
uitspraken te doen over de echtheid, de waarachtigheid van magie of godsdienst.
Het heeft voor hem geen enkel belang of er een God is, hij beperkt zich tot wat
mensen daarover denken, zeggen en schrijven, hoe ze dat beleven, hoe ze dat gestalte
geven in hun leven en in hun leefomgeving, hoe ze ermee omgaan, hoe dat
evolueert onder invloed van de omstandigheden en welke maatschappelijke en
culturele gevolgen dat heeft voor henzelf en voor anderen. Met magie gaat hij
op dezelfde ernstige, respectvolle maar totaal onthechte manier om. Ook hier
geen oordeel over de werkzaamheid van magische praktijken, maar een grondige objectieve
studie van dit vreemd maar reëel verschijnsel in al zijn vormen.
Het is deze
bewonderenswaardige objectiviteit die dit boek tegelijk zo ongemeen belangrijk
en zo boeiend maakt. Dit is geen debat over christelijk geloof en ongeloof,
noch over zin of onzin van magie, waarin de auteur stelling neemt voor of tegen
en zijn overtuiging probeert te staven met allerlei argumenten en voorbeelden
uit de geschiedenis. Indien hij dat had gedaan, dan had hij onvermijdelijk een
selectie moeten maken uit de historische gegevens, waarbij hij wat in zijn
kraam paste naar voren bracht en aan wat niet met zijn opvattingen overeenkwam,
stilzwijgend voorbijging. Dit is niet wat professor Thomas heeft gedaan, gelukkig
maar. Hij presenteert ons de gegevens zoals hij die aantreft, zelfs als ze
elkaar lijken tegen te spreken, met open blik en probeert dan om ze te
verklaren, zo goed en zo kwaad als dat kan, gezien de afstand die ons van de
beschreven periode scheidt. Herhaaldelijk maakt hij daarbij gebruik van de
verworvenheden van de moderne antropologie, bijvoorbeeld de studie van de magie
bij primitieve Afrikaanse stammen, die verrassende gelijkenissen blootlegt met wat
hij vindt in de voormoderne tijd in Engeland.
Het is een
lijvig boek geworden, met vele honderden voetnoten die verwijzen naar de
bronnen of die bijkomende informatie geven voor wie niet vertrouwd is met de
details van de geschiedenis; de index alleen al omvat meer dan vijftig
bladzijden, twee kolommen per blad. Dat mag echter niemand afschrikken: het
boek leest als een roman! Professor Thomas is een meesterlijk verteller, zijn
historische objectiviteit is geen aanleiding tot gortdroge opsommingen of
abstracte bespiegelingen. Aan de hand van sprekende voorbeelden uit het
dagelijkse leven van de kleine man en vrouw schetst hij een levendig beeld van
een periode die wij niet genoeg kennen en die nochtans van grote betekenis is
geweest voor het ontstaan van onze moderne wereld: de voormoderne tijd, gaande
van rond 1500 tot rond 1700. De Renaissance in volle bloei, maar ontsierd door
godsdiensttwisten en oorlogen, de Reformatie en de Contrareformatie die Europa
en ook onze Nederlanden voorgoed verdeelden. De opkomst van de wetenschappen en
van de burgerij, de ontdekking van de Nieuwe Wereld, het begin van het
kolonialisme.
In Engeland was
de tweede helft van de zeventiende eeuw een revolutionaire tijd, meer dan
honderd jaar voor de Franse revolutie. Wij weten er veel te weinig over en af
en toe moet je een en ander opzoeken, dit boek is geschreven met een Brits
publiek voor ogen, niet specifiek voor een continental of Europees publiek,
daar was in 1971 nog geen sprake van.
Het viel mij
bij het lezen dan wel weer op dat magie niet streekgebonden is: de Britse voorbeelden
die de auteur aanhaalt, vinden we allemaal terug in onze folklore, zelfs tot op
vandaag. Met dertien aan tafel is ook bij ons geen goed idee; professor Thomas
ziet de oorsprong in het Laatste avondmaal, waar de dertiende evident de
verrader Judas was. Zo zijn er vele verhelderende anekdotes en typische
gebruiken die ook bij Vlaamse en Nederlandse (en vele andere Europese) lezers
belletjes zullen doen rinkelen. Is er dan toch een Europese cultuur? Evident!
Behoort Groot-Brittannië dan toch tot Europa? Waar zou het anders bij behoren!?
Wat kan ik
nog meer zeggen? Professor Keith Thomas is een uitzonderlijk verstandig man. Op
elke pagina staat ten minste één diepe gedachte, een verrassend inzicht, een
scherpe analyse, een gelukkige synthese, naast de ontelbare frisse voorbeelden.
Dit is een ander soort geschiedschrijving dan we gewoon zijn. De personages die
we ontmoeten zijn geen aangeklede poppen, het zijn mensen van vlees en bloed.
Dat komt omdat de auteur erin slaagt om ons in gedachten te verplaatsen naar de
tijd van toen, maar dan met onze kennis van nu. Wij worden zo tijdgenoten, wat
ons begrip voor de mensen van toen grondig verandert.
Ik begrijp nu
waarom dit boek zo vaak geciteerd wordt en ik hoop dat ik dat voor jullie een
beetje heb kunnen duidelijk maken. Het is een belangrijk boek, dat je inzicht
in de geschiedenis van de voormoderne tijd voor altijd zal veranderen. Het is ook
een zeer vlot leesbaar werk dat iedereen aankan. Niet aarzelen dus.
Categorie:historisch Tags:geschiedenis
05-09-2011
als 't God belieft
Elke mens is
een individu. Er is zoveel kans op verschil in al de mogelijke aspecten van ons
mens-zijn, dat het niet slechts onwaarschijnlijk maar werkelijk totaal uitgesloten
is dat we een volmaakte kopie van onszelf tegen het lijf zouden lopen. De
verschillen kunnen aanzienlijk zijn: een volwassen mens kan bijvoorbeeld 40
kilogram wegen, maar ook 240 De gedachten en opinies van mensen lopen eveneens
enorm uiteen. Er zijn fanatieke moslims en vrijzinnige humanisten, om maar twee
duidelijk onderscheiden types te noemen.
Het is
vooral over de ideologische verschillen dat ik het wou hebben. Zoals we mensen
naar hun uiterlijke kenmerken kunnen indelen (man en vrouw, blanken, negers,
chinezen en andere algemene categorieën), doen we dat ook voor andere, minder
zichtbare kenmerken. Een daarvan is: gelovig of niet-gelovig. Het is een
onderscheid dat mij al heel mijn leven bezighoudt en dat de jongste vijf jaar
aanleiding is geweest voor veel nadenken, lezen en opzoeken en dat, tot
frustratie van sommige lezers, ook heel vaak hier in mijn Kroniek aan bod is
gekomen.
In mijn
katholieke jeugd was er van dat onderscheid aanvankelijk geen sprake: iedereen
was gelovig. Dat was althans de geldende opvatting binnen de katholieke zuil.
Het was de houding die ons werd bijgebracht van kindsbeen af: geloof is evident.
Slechts heel langzaam en toevallig drong het tot ons door dat er mensen waren
die niet binnen de katholieke zuil leefden, dat er andere zuilen waren. Het
beeld dat ons van die mensen werd opgehangen was ook evident: zij waren de
vijand, het waren slechte mensen.
Die indeling
van de maatschappij was duidelijk afgelijnd: je had de gelovigen en de
ongelovigen. Het was een zwart-wit tegenstelling, een kwestie van ja of neen.
Je was het een of het ander. Er was geen plaats voor twijfel. Je bleef ook het
een of het ander: zeldzaam en bijzonder gehaat waren de figuren die van kamp wisselden,
de kazakkeerders, de overlopers, de verraders.
Nochtans was
de grond voor dat onderscheid, zoals voor alle andere overigens, niet zo
evident. Gelovigen en ongelovigen ontmoetten elkaar af en toe toch,
bijvoorbeeld op de wekelijkse markt, op publieke feesten of op
sportmanifestaties. Niet alles was verzuild, er waren nog aspecten van het
leven die eraan ontsnapten; niet veel, maar toch. En dan bleek dat die zo gediaboliseerde
anderen niet zo erg veel van ons verschilden. Ze gingen niet naar de mis, maar
voor de rest bleken het heel gewone mensen te zijn, die evengoed kerstmis
vierden als wij, en Sinterklaas kwam ook bij hen langs. De andere zuilen bleken
een kopie te zijn van de onze, met identieke verenigingen en identieke scholen
en ziekenhuizen.
Voor een
kind was het verwarrend: waarom die andere zuilen, die parallelle scholen en
jeugdbewegingen? Wat was het verschil? Wat was dat gelovig zijn dat ons
scheidde? Waarom waren zij niet gelovig? Hoe kon het dat zij niet gelovig waren
en toch niet door God gestraft werden, dat ze leefden zoals wij, met niet
minder geluk en niet meer ongeluk? Dat we hen in feite niets te verwijten
hadden, behalve dat ze niet geloofden? Ik heb het altijd een vreemde zaak
gevonden, maar ik heb er toen nooit lang (genoeg) bij stilgestaan, ook niet
toen ik volwassen werd en binnen de katholieke zuil mijn leven opbouwde. Op
geen enkel ogenblik heb ik overwogen om uit die verzuiling te stappen. Ik
stelde me ook geen vragen over de fundering van de eigen zuil en de verschillen
met de andere: je behoorde tot een groep omdat je daarin geboren was, niet op
grond van een bewuste beslissing.
Toen ik op
pensioen ging, op mijn zestigste, is dat veranderd. Ik meen dat het een met het
ander te maken had. Ik kreeg nu een staatspensioen, ik werd niet meer betaald
door een katholieke werkgever. Ik voelde me nu niet meer zo gebonden of
verzuild, ik, was een vrij man. Samen met de onbeperkte vrije tijd gaf me de
gelegenheid om mij te bezinnen over die verzuiling, over haar oorzaken en haar
redenen van bestaan, over het gelovig zijn.
Ik vroeg me
af wat mijn eigen geloof was en moest al gauw vaststellen dat het onbestaande
was. Ik wist relatief weinig over het christelijk geloof en hoe meer ik erover
bijleerde door intensieve lectuur, hoe minder christelijk ik wou zijn. Ik
ontdekte de verborgen geschiedenis van het atheïsme en ging me daarin verdiepen.
Ik stelde me duidelijk op buiten de katholieke zuil en manifesteerde me bewust
als atheïst.
Vrijwel
onmiddellijk stelde ik vast dat je daarmee in een soort van niemandsland
terechtkomt: je voelt je niet meer thuis in de katholieke zuil en je bent daar
ook niet meer welkom. Waarheen nu? Vijf jaar later moet ik hier bekennen dat ik
het niet weet. Ik heb contact gezocht bij de georganiseerde humanistische
vrijzinnigheid in Vlaanderen, maar dat was een grote teleurstelling over de
hele lijn. Was het omwille van mijn katholieke achtergrond, of omwille van mijn
karakter en persoonlijkheid, ik weet het niet, maar al mijn pogingen om daar
aansluiting te vinden bij gelijkgezinden zijn deerlijk mislukt. Ik kan niet
anders dan vaststellen dat mijn plaats niet daar is.
Ik heb ook
geen zin om bij een van de andere zuilen te gaan aankloppen, de socialistische
of de liberale. Ik ben een van de vele Vlamingen die zich niet meer thuis
voelen in een zuil. Wij verkiezen een open maatschappij, waarin de
dienstverlening aan de burger niet verloopt langs ideologische lijnen. Het
zwembad is er voor iedereen, de bibliotheek ook, de ziekteverzekering, de
uitkering van de werkloosheidsvergoedingen, de openbare diensten.
Het onderscheid
tussen de burgers dat vroeger zo belangrijk was, namelijk of zij gelovig zijn of
niet, is vandaag bijna helemaal weggevallen. Het doet er niet meer toe, het
maakt niets meer uit. Zelfs binnen de katholieke zuil is het geloof zo goed als
verdwenen. Men vernoemt het niet meer, bijvoorbeeld binnen de christendemocratische
partij of binnen de machtige christelijke vakbond of de ermee samenhangende
christelijke mutualiteit. Zelfs de Leuvense katholieke universiteit bezint zich
openlijk over de K in haar naam en over haar katholiek karakter.
Op grond van
de boeken die ik lees, begin ik me meer en meer de vraag te stellen of de
tijden echt veranderd zijn. Zou het echt zo zijn dat wij, moderne mensen, ons als
eersten gedistantieerd hebben van het onderscheid tussen geloof en ongeloof? Zijn
wij massaal ongelovig geworden, terwijl onze voorouders massaal gelovig waren?
Ik denk het
niet. Ik ben veeleer de mening toegedaan dat het onderscheid tussen geloof en
ongeloof nooit zo duidelijk en betekenisvol is geweest als men ons heeft willen
doen geloven.
Wanneer men
zegt dat Vlaanderen vroeger helemaal katholiek was, dan moeten we dat sterk
nuanceren. Enerzijds zijn er altijd andersdenkenden geweest, niet alleen
individuen maar ook mensen die zich daartoe verenigden. Anderzijds kunnen we
ons vragen stellen bij het katholieke karakter binnen de eigen zuil. Wat wist
een Vlaamse katholiek van zijn godsdienst? Waarin bestond zijn katholiciteit?
Wat was zijn geloof? En vooral: waarin verschilde hij van de niet-gelovigen?
Voor de gewone man en vrouw en hun kinderen is het antwoord: vrijwel niets. De
meeste mensen leefden hun leven zonder stil te staan bij de grond van de zaak. Het
geloof was niet hun drijfveer, hun motivering. Het was veeleer een algemeen maatschappelijk
en cultureel kader, met talrijke verwijzingen naar het geloof en met een
algemeen religieus taalgebruik, zoals het frequente als t God belieft. Maar dat
was allemaal heel oppervlakkig, een manier van doen en van zeggen, een gemeenschappelijke
cultuur veeleer dan een bewuste en geïnformeerde persoonlijke keuze of overtuiging.
Wij zien dat
vandaag nog bij voetbalsterren die een kruisteken maken als ze het veld betreden
of als ze een goal gescoord hebben. Het is een gebaar, een ritueel dat ze
gebruiken om uitdrukking te geven aan hun emoties van het moment. Heeft dat
kruisteken een religieuze betekenis? We zouden het hen moeten vragen, maar ik meen
van niet. Het is iets dat ze gezien hebben en dat ze nabootsen, zoals de blik
en de vinger naar de wolken om iemand te gedenken die net overleden is, of de
wiegende armen voor een pasgeboren baby. Usain Bolt heeft een gans ander en
origineel repertoire, met zijn bekende blitse overwinningspose. Niemand zal
daarin iets religieus zien en ik ben ervan overtuigd dat de vele kruistekens
van onze sportlui evenmin uitdrukking zijn van diepreligieuze gevoelens of
overtuigingen.
Zo was het vroeger
ook. Men heeft ons altijd voorgehouden dat de Middeleeuwen christelijk waren en
dat waren ze ook, ze waren bijvoorbeeld niet boeddhistisch. Maar wat wist de
ongeletterde Middeleeuwer van zijn christelijk geloof? Wat kon het hem schelen?
Het was een cultureel kader, maar het was niet bepalend voor wat men dacht en
deed. In de woelige 14de eeuw was men vooral bezig met overleven,
niet met ideologieën en religie. Zeker, ook toen waren er enkele mensen die
zich bezig hielden met geloofszaken en met filosofische bespiegelingen, maar
dat was een zeer, zeer kleine minderheid en dat is vandaag nog altijd zo.
Ik besluit
daaruit dat geloof een marginaal verschijnsel was en is, iets waarvan niemand
wakker ligt, iets heel vaags en dat uiteindelijk onbelangrijk is. Een
familielid dat onlangs overleed is in zijn hele volwassen leven nooit naar de
zondagsmis geweest, maar heeft op zijn sterfbed wel het viaticum toegediend gekregen
van de parochiepriester. Toen ik hem daarover sprak kort voor zijn dood, noemde
hij het een nostalgische aansluiting met zijn katholieke opvoeding, een ritueel
dat hem en zijn gezin verenigde op een emotioneel aangrijpend moment. Zij gingen
dankbaar in op het aanbod van de pastoor omdat ze geen ander ritueel kenden,
omdat ze niet de moeite deden of in staat waren om er zelf iets van te maken,
of er niet aan gedacht hadden een beroep te doen op een vrijzinnige consulent.
Ik ken
niemand, werkelijk niemand die zo intens met geloof en ongeloof bezig is als
ikzelf. Ik ben een hoge uitzondering, dat ervaar ik telkens wanneer ik met
anderen daarover praat. Dat bewijst mijn stelling: geloof is niet essentieel,
het is marginaal, een randverschijnsel. Mensen zijn daar niet mee bezig, ze
hebben het te druk met hun leven. En zo is dat altijd al geweest en zo zal het
ook wel blijven. De meeste mensen zijn niet bewust en overtuigd gelovig of ongelovig,
maar onverschillig tegenover die problematiek. Het zijn marginale uitzonderingen
die kiezen voor de uitersten: godsdienst of actief atheïsme en antiklerikalisme.
Laten we dus
heel voorzichtig zijn als we het hebben over de invloed van het geloof op de
maatschappij en op het individu, vroeger en nu, of dat nu over het christendom
gaat, de Islam, het Boeddhisme, Hindoeïsme, Taoïsme of wat dan ook. We mogen
ons niet laten imponeren door de vele en indrukwekkende uiterlijke tekenen, de
kathedralen, kerken, tempels en kloosters, de bedevaartsoorden, de bibliotheken
vol theologische en godvruchtige geschriften, de gebruiken en rituelen, het
taalgebruik, de christelijke zuil in de maatschappij. Het is allemaal veel
minder diepgaand dan men zou vermoeden, het heeft inhoudelijk allemaal veel
minder te betekenen dan men denkt en zegt.
Mijn reactie
is dan: laten we ernstig wezen en de rol van de godsdienst terugbrengen tot redelijke
proporties, in overeenstemming met het werkelijke belang ervan. Gisteren was ik
de hele dag aanwezig op de kunstmarkt in Tremelo, in de schaduw van de
kerktoren. Om de haverklap werden we overdonderd door het fanatieke gelui van
de kerkklokken die het begin of het einde van de mis aankondigden, elektronisch
aangestuurd, zonder dat er een mens aan te pas kwam en met zo goed als niemand
die de kerk binnenging.
Dat is wat
me ergert en af en toe zelfs wanhopig maakt: waarom? Waarom? Toen ik enkele
mensen op de kunstmarkt daarover aansprak, vond ik niemand die kerkelijk was,
niemand die wist waarom de klokken luidden om 14.30 uur op een zondagnamiddag,
maar ook niemand die daarbij stilstond: zo was het nu eenmaal, men haalde de
schouders op en deed verder waarmee men bezig was. Niemand vond het een
probleem, niemand had oog voor de verregaande arrogantie van het lawaaierige
minutenlang aanhoudende klokkengelui door een instelling die zo goed als niemand
vertegenwoordigt en die zelfs op de zeldzame kerkgangers geen diepgaande
invloed heeft. Maar als in onze steden de muezzin van op de minaret de moslims
oproept tot het gebed, dan vinden we dat ongehoord. Zie je wat ik bedoel?
Ik heb me in
de herfst van mijn leven tot doel gesteld om voor mezelf en voor wie het wil
horen of lezen, uit te maken wat de werkelijke rol en betekenis van godsdienst
is voor de mensheid, vroeger, nu en in de toekomst. Ik doe dat van uit een
diepgewortelde overtuiging dat het niet alleen even goed kan zonder godsdienst,
maar dat we zelfs beter af zijn zonder, dat godsdienst de mens ervan weerhoudt om
zichzelf ten volle te ontdekken en te ontplooien. Het is voor een individu als
ik een ambitieus programma. Ik wil het toch blijven proberen, binnen de perken
van mijn mogelijkheden, maar met mijn volle overtuiging en met inzet van al
mijn krachten, in woord en daad. Ik meen dat het een nobele en nodige taak is,
een die mijn totaal engagement volledig verantwoordt. Ik besef maar al te goed dat
het een eenzame strijd is, maar ik voel me gesterkt door de talrijke gelijksoortige
inspanningen die we vandaag overal ter wereld merken en door het stichtend voorbeeld
van zovelen in de rijke historische traditie van het ongeloof.
Een
boekenliefhebber zoekt en vindt overal boeken. Openbare bibliotheken liquideren
bijna constant werken uit hun collecties. Dat kan bijvoorbeeld zijn wegens
plaatsgebrek, een probleem waarvoor ik veel begrip heb. De gezamenlijke boekenschat
van Lut en mij strekt zich uit over vele meters en telt wellicht meer dan zevenduizend
exemplaren. Er is in ons huis geen muur meer vrij voor nog een boekenkast of plank.
We zijn nu in de situatie dat we enkel nog nieuwe boeken kunnen in huis halen
als we andere verwijderen. Maar een boekenliefhebber doet node afstand van zijn
boeken, ook al weet hij dat hij ze nooit zal lezen. Dat openbare bibliotheken
dus afstand doen van bepaalde werken om nieuwe te kunnen plaatsen, dat begrijp
ik best.
We mogen ons
wel vragen stellen bij de keuzes die men daarbij maakt. Uitleenstatistieken
zijn handig, maar is het gerechtvaardigd om enkel op basis daarvan werken te
verwijderen die op zich waardevol zijn? Mag men zich uitsluitend laten leiden
door de populariteit van een boek bij het grote publiek? Ik meen van niet, maar
hoe kunnen we dat corrigeren? Wat maakt een boek dat niemand leest toch waardevol
genoeg om het te behouden? Openbare bibliotheken zullen zich beroepen op hun
functie als ontleenbibliotheek en de bewaarfunctie afschuiven op
wetenschappelijke bibliotheken. Zij vergeten daarbij dat ook die te kampen
hebben met dezelfde ruimtenoden en eveneens een keuze moeten maken in wat zij
nog kunnen bewaren voor het nageslacht. Niet alles kan bewaard worden. Er
zullen ooit boeken zijn, er zijn er misschien nu al, waardevol of niet, die
niet meer bestaan, zelfs niet in een of andere verwijzing of in het geheugen
van een lezer. Boeken waarvan het laatste bestaande exemplaar nonchalant is
vernietigd. Een hallucinante gedachte!
Hoe dan ook meen
ik dat openbare bibliotheken op een of andere manier een waardeoordeel zouden
moeten inbouwen bij het afvoeren van boeken, zo niet dreigt een waardevol
patrimonium onvermijdelijk verloren te gaan. Zo heb ik persoonlijk meegemaakt
dat de Nederlandse vertaling van het geniale boek van Paul Hazard, La crise de la conscience européenne
naar de vergeethoek verbannen werd omdat het originele werk van 1935 dateert en
wellicht ook omwille van de titel: De crisis van het Europese denken (Agon,
1990). Ikzelf zou zonder enige scrupules het verzameld werk van bijvoorbeeld Jef
Geeraerts voor recyclage beschikbaar stellen om Hazard te redden, maar mijn
mening wordt ongetwijfeld door geen enkele plaatselijke bibliothecaris gedeeld of
ook maar enigszins geapprecieerd. Geeraerts, Aspe: die worden gelezen, Hazard
niet, dus En hoe kan een bibliothecaris weten dat Hazard geniaal is? In
tegenstelling tot wat men zou denken, lezen niet alle bibliothecarissen boeken,
noch hebben ze allen een uitgebreide algemene culturele bagage die hen zou
behoeden voor al was het maar de meest flagrante barbaarsheden.
Boekenliefhebbers
zijn er dus als de kippen bij als er weer eens boeken afgevoerd worden in
openbare bibliotheken, je kan er pareltjes vinden, vaak in uitstekende staat,
gratis en voor niets, misschien ben je zelfs de eerste lezer. Zo nam ik enige
tijd geleden een boekje mee dat me alleen al door zijn titel aansprak: Ludo
Milis, De indiscrete charme van Jan
Schuermans, pastoor van Ename (1645-1655), Hadewych, Antwerpen-Baarn, 1994,
157 blz., paperback.
Ludo Milis
(1940) was hoogleraar geschiedenis aan de Gentse Universiteit. Hij schreef
hiermee geen roman, zelfs geen historische, maar veeleer een historische
schets, een reconstructie van een gebeurtenis aan de hand van de bronnen. In de
eerste plaats is dat een dossier in de archieven van het Mechelse aartsbisdom
over de hoofdfiguur, pastoor Jan Schuermans, betreffende klachten bij de kerkelijke
overheid over zijn gedrag. Daarnaast consulteerde de auteur in allerlei andere
archieven documenten uit die tijd voor aanvullende informatie. Hij steunt zich
verder op de bestaande literatuur over deze soms verwarde periode in onze
geschiedenis.
Het verhaal
is schokkend in zijn banaliteit. De jonge pastoor wordt ervan beschuldigd een
kind verwekt te hebben bij de dienstmeid van een bevriend gezin. Het kind
sterft kort na de geboorte. De pastoor ontkent de beschuldigingen maar
ontvlucht zijn parochie uit vrees voor een gerechtelijke vervolging. Er komt
een vorm van kerkelijk proces, maar de aartsbisschop herstelt de pastoor in
zijn functie.
Dat is het,
in een notendop. Professor Milis licht de gebeurtenissen toe aan de hand van de
stukken die ons zijn overgeleverd en waarin hij inzage heeft gehad. Herhaaldelijk
stelt hij vast dat bepaalde elementen ontbreken, dat er voor sommige
vaststaande feiten geen concrete bewijzen zijn (zoals voor de priesterwijding
van de pastoor, toch geen onbelangrijk detail). Aan het eind van het boekje
stelt hij dat hij bewust geen verder onderzoek heeft gedaan naar wat er met de
pastoor gebeurd is na de verhaalde feiten: hij gunt hem de eeuwige rust.
Als bijlage
krijgen we enkele stukken uit het dossier. Er zijn ook 180 kortere en langere
eindnoten, evenals een aantal zwart/wit illustraties. De typografie is
verzorgd, de letter goed leesbaar.
Voor een
boek dat nog geen twintig jaar oud is, vind ik het toch nogal ouderwets. De
auteur was toen amper 54, in de fleur van zijn leven, geen ouderling. Toch schrijft
hij zoals ik veronderstel dat mijn of zijn grootvader moet geschreven hebben.
Heeft hij zich laten beïnvloeden door de documenten waarin hij zich ongetwijfeld
(of hopelijk?) gedurende geruime tijd heeft verdiept? Het zou interessant zijn
om andere publicaties van zijn hand daarop na te slaan. Ik vermoed echter dat
dit zijn eigen stijl is, helaas. Een zekere stunteligheid, een gebrek aan
elegantie, de totale afwezigheid van humor, het valt op in elke paragraaf, op
elke bladzijde. Daarbij komt een werkelijk ongepaste neiging tot ongegronde verdachtmaking,
geformuleerd in retorische uitroepen en verontwaardigde invectieven. Vanaf de
eerste bladzijden is hij overtuigd van de schuld van de pastoor, nog voor hij
één getuigenis naar voren brengt. Hij voert het onderzoek à charge, niet à decharge.
Hij heeft op geen enkel ogenblik ook maar enige twijfel over de ernst en de
echtheid van de verscheidene tenlasteleggingen, noch heeft hij anderzijds oog
voor de getuigenissen die de pastoor ondersteunen of voor de argumenten die
voor hem pleiten. Professor Milis is overtuigd van de wandaden van de
dronkenlap en vrouwenloper die volgens hem de pastoor van Ename was en voert
een niet-aflatend eenzijdig requisitoir tegen hem.
Het is
precies deze eenzijdigheid die het boekje zo ongenietbaar maakt. Indien de
auteur de kwestie zakelijk en onpartijdig had naar voren gebracht, zonder
vooringenomenheid, dan zou de lezer op basis van het beschikbare materiaal met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot de innerlijke overtuiging gekomen zijn dat de pastoor zich wellicht of vrijwel
zeker schuldig had gemaakt aan de feiten die hem worden aangewreven. Door
echter vanaf het eerste ogenblik uit te gaan van die schuld, nog voor de
argumenten gehoord zijn en door zijn onvermurwbaar vasthouden aan die schuld
bij het interpreteren van de gebeurtenissen, ontneemt de auteur zichzelf elke
geloofwaardigheid en dwingt hij de lezer, hoe ongaarne ook, om de pastoor het
voordeel van de twijfel te gunnen dat professor Milis, als aanklager van het openbaar
ministerie, hem zo deerlijk ontzegt.
Wij
verwachten terecht van elk historicus en zeker van professoren dat zij neutraal
zijn, objectief, onpartijdig. Het is niet aan hen om veroordelingen uit te
spreken, zelfs niet indien zij innerlijk overtuigd zijn van de schuld van een
van de partijen, tenzij de bewijzen overduidelijk zijn en de feiten dus bewezen
mogen geacht worden.
Of dat het
geval is voor de aantijgingen tegen Jan Schuermans, dat is allerminst duidelijk.
Er ontbreken belangrijke stukken in het dossier. Het onderzoek is niet
evenwichtig gevoerd, toen niet en nu niet. Er zijn vermoedens, zelfs
aanwijzingen, maar in de tijd voor het DNA-onderzoek moet men voor het
vaderschapsonderzoek uiteindelijk voortgaan op het woord en wederwoord van de
betrokkenen. Die spreken elkaar in dit geval tegen. We moeten dus concluderen,
zoals de aartsbisschop ongetwijfeld heeft gedaan, dat de schuld derhalve niet
bewezen is, precies omdat ze niet bewezen kon worden.
Professor
Milis heeft een ander standpunt ingenomen. Dat siert hem niet. Ik waag me niet
aan veronderstellingen over zijn motieven. Om welke reden hij er ook voor gekozen
heeft om tegenover de pastoor van Ename een zo uitgesproken beschuldigende
houding aan te nemen, daar waar het zo evident is dat er zo lang na de feiten
niets met zekerheid te bewijzen valt, daar hebben wij het raden naar. Maar dat
brengt ons geen stap verder: zelfs indien wij op nog andere gronden zouden
achterhalen dat die vooringenomenheid systematisch is geweest en gebaseerd op
bijvoorbeeld levensbeschouwelijke voorkeuren of ideologische verschillen, dan
nog zouden wij geen enkele grond hebben om ons oordeel over de pastoor in
kwestie bij te stellen. Het ongelijk van de aanklager is geen argument voor de
onschuld van de beschuldigde, net zoals zijn schuld niet bewezen wordt door het
tekortschieten van zijn verdediging.
De feiten zijn wat ze zijn en het is aan
de historici om ze te achterhalen. Indien dat niet mogelijk is, moet men zich
daarbij neerleggen en zich niet te buiten gaan aan welke veronderstellingen dan
ook. Het is niet voldoende dat de pastoor een kind verwekt heeft, men moet ook
kunnen bewijzen dat hij dat gedaan heeft. Als hij wel degelijk dat kind verwekt
heeft, maar hij ontkent en men kan het niet bewijzen, dan is dat jammer, maar
dat geeft ons geen vrijgeleide om hem toch te beschuldigen op basis van ons al
dan niet terecht aanvoelen van zijn schuld.
In het
Gentse studentenblad Schamper verscheen ooit een artikeltje over roddels onder
studenten over de echte of vermeende amoureuze escapades van enkele professoren
en assistenten. Ook professor Milis was het slachtoffer van een dergelijke
roddel: hij zou een affaire gehad hebben met de vrouw van een collega, die hem daarop
zelfs fysiek belaagd zou hebben. Tengevolge daarvan zouden de twee rivalen bij
de herverdeling van de kantoorruimten zo ver mogelijk uit elkaar gehuisvest
zijn. Het zijn maar roddels in een studentenblad, maar verscheidene elementen
uit het dossier Schuermans wegen echt niet zwaarder dan dat. Professor Milis
zou terecht zeer verontwaardigd zijn indien men aan dergelijke wellicht
ongegronde aantijgingen zoveel aandacht zou geschonken hebben als hij heeft
gedaan in het geval van de pastoor van Ename.
Met een
dergelijk pamflet, gehuld in de vorm van ernstig historisch onderzoek, heeft
professor Milis de historische wetenschap geen diensten bewezen. Wanneer de
coryfeeën van de kennis zich laten verleiden tot verregaande eenzijdigheid en manifeste
vooringenomenheid, wanneer zij hun wetenschappelijk discours doorspekken met verdachtmakingen,
innuendos, insinuaties, ongegronde morele veroordelingen en ongeoorloofde feitelijke
conclusies, dan past het om te spreken van corruptio
optimi pessima: het tekortschieten van de besten is het slechtste.
Lieve lezer,
je bent wellicht enigszins verbaasd wanneer deze atheïst de verdediging op zich
neemt van een allesbehalve onbesproken pastoor. Ik heb, dat is geweten, weinig
sympathie voor die kaste. Maar ik weiger mee te doen aan een historische lynchpartij,
350 jaar na de feiten. De waarheid is mij meer waard dan mijn antipathieën.
De laatste
paragraag van het boek van Ludo Milis luidt als volgt:
Naar wat met Jan Schuermans
in de periode na Ename gebeurde,
is met opzet niet gezocht.
We gunnen hem de eeuwige rust.
Dat is niet
alleen onwetenschappelijk en uitdagend hypocriet, het is vooral oneerlijk.
Schuermans krijgt, in tegenstelling met zijn beschuldigers, in het boekje van
Milis niet eens de kans om door zijn later gedrag aan te tonen dat de
beschuldigingen aan zijn adres ongegrond waren, of zelfs maar dat hij op
rijpere leeftijd berouw heeft gehad voor wat hij op vrij jonge leeftijd zou gedaan
hebben. Ludo Milis gunt hem helemaal de eeuwige rust niet. Door zijn
ondoordachte verdachtmakingen in dit boekje heeft hij voor eeuwig een smet
gelegd op het leven en de nagedachtenis van pastoor en mens Jan Schuermans.
Indien ik mij daaraan zou schuldig gemaakt hebben, zou zelfs mijn tijdelijke
rust hier op aarde ernstig in het gedrang komen. Voortgaande op dit boekje, vermoed
ik echter dat Ludo Milis daar geen last van heeft.
Om af te
sluiten: door dit boekje uit de openbare bibliotheek van Wezemaal te weren,
heeft de betrokken bibliothecaris zijn of haar doel ten enenmale gemist.
Veeleer dan definitief aan de aandacht van de lezers onttrokken te worden, is
het integendeel onverwacht onder de aandacht van althans deze lezer en meteen ook
van andere gebracht, wat wellicht anders niet zou zijn gebeurd. Zonder de
brutale desaffectatie zou dit boekje nog jaren een sluimerend bestaan gesleten
hebben ergens op een stoffige boekenplank in de bibliotheek, min of meer terecht
ongelezen, onbesproken, nukkig in zichzelf gekeerd, vervuld van zijn eigen
ongelijk, gloriërend in zijn ultieme onbenulligheid, het onbeduidend product
van de kleine kwade trouw van een man in wie onze maatschappij ooit haar hoop
had gesteld en aan wie ze ruime middelen heeft toebedeeld om zijn talenten te
ontwikkelen ten bate van de gemeenschap.
Door zijn
veroordeling heeft dit boekje een nieuwe kans gekregen. Ik heb die kans met
beide handen aangegrepen om het op zijn waarde te schatten en het te licht te bevinden.
Het moge nu in vrede rusten op mijn boekenplank, tot mijn erfgenamen het
prijsgeven aan de vergetelheid of de finale destructie.
Dat geeft me
een idee voor wanneer ik doodga: crematie met als combustibel materiaal al de ongelezen
boeken uit mijn bibliotheek en, als dat niet genoeg zou zijn, wat ik fervent
verhoop, al mijn boeken die niemand wil erven en die men zelfs aan een opkoper
van oude boeken niet gratis kwijt kan. Dat zullen er zeker meer dan genoeg zijn