Foto
Categorieën
  • etymologie (84)
  • ex libris (83)
  • God of geen god? (190)
  • historisch (29)
  • kunst (7)
  • levensbeschouwing (251)
  • literatuur (42)
  • muziek (77)
  • natuur (8)
  • poëzie (98)
  • samenleving (245)
  • spreekwoorden (12)
  • tijd (13)
  • wetenschap (55)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Vrijdenkers
  • Uitgeverij Coriarius
  • Het betere boek
    Archief per maand
  • 02-2026
  • 01-2026
  • 12-2025
  • 11-2025
  • 10-2025
  • 09-2025
  • 08-2025
  • 07-2025
  • 06-2025
  • 05-2025
  • 04-2025
  • 03-2025
  • 02-2025
  • 01-2025
  • 12-2024
  • 11-2024
  • 10-2024
  • 09-2024
  • 08-2024
  • 07-2024
  • 06-2024
  • 05-2024
  • 04-2024
  • 03-2024
  • 02-2024
  • 01-2024
  • 12-2023
  • 11-2023
  • 10-2023
  • 09-2023
  • 08-2023
  • 07-2023
  • 06-2023
  • 05-2023
  • 04-2023
  • 03-2023
  • 02-2023
  • 01-2023
  • 12-2022
  • 11-2022
  • 10-2022
  • 09-2022
  • 08-2022
  • 07-2022
  • 06-2022
  • 05-2022
  • 04-2022
  • 03-2022
  • 01-2022
  • 12-2021
  • 11-2021
  • 06-2021
  • 05-2021
  • 04-2021
  • 03-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 08-2020
  • 07-2020
  • 05-2020
  • 04-2020
  • 03-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 10-2019
  • 07-2019
  • 06-2019
  • 05-2019
  • 03-2019
  • 10-2018
  • 08-2018
  • 04-2018
  • 01-2018
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 07-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    09-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.de buigings-e

    In mijn tekst van gisteren staat te lezen: “…het onvermijdelijke en onherroepelijke verlies.” Ik had eerst geschreven: ‘onvermijdelijk’ en ‘onherroepelijk’, dus zonder –e. Die toegevoegde –e noemt men de buigings-e, het woord met de buigingsuitgang is de verbogen vorm, daarzonder is het de onverbogen vorm.

    Bij de spellingcontrole van Word kreeg ik gisteren de boodschap dat ‘onvermijdelijk’ niet de juiste verbuiging gebruikt was. Ik liet me pramen en gehoorzaamde braaf. Achteraf bedacht ik dat ik die tik op de vingers niet gekregen had voor ‘onherroepelijk’. Er stond dus aanvankelijk te lezen: ‘het onvermijdelijke en onherroepelijk verlies’ en dat kan natuurlijk niet. Dus heb ik het deze morgen veranderd. De beide woorden staan er nu in hun verbogen vorm.

    En toch aarzelde ik nog. Hoe moet het nu, verbogen of niet? De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is duidelijk: er moet een buigings-e staan, want ‘verlies’ is een het-woord en ‘onvermijdelijk’ wordt voorafgegaan door het lidwoord. De spellingcontrole had dus gelijk. En ongelijk, want ze had me ook moeten wijzen op het feit dat ik ‘onherroepelijk’ onverbogen had geschreven. Maar ja: een computerprogramma is geen mens, zijn vermogen tot redeneren is beperkt; er staat geen lidwoord voor het woord, dus kreeg ik geen waarschuwing. Het programma houdt er geen rekening mee dat je in het Nederlands adjectieven kan opstapelen, gescheiden door een komma of door ‘en’. In dat geval hoef je het lidwoord niet te herhalen. Altijd blijven opletten bij automatische spellingcontrole dus; niet blindelings toepassen, je eigen verstand gebruiken.

    In Vlaanderen gebruiken wij, meen ik, de verbogen vorm niet bij een het-woord. Zeker niet in de gesproken taal: het lekker eten, het onherroepelijk verlies. Vandaar dat ik en ongetwijfeld vele andere Vlamingen (en misschien ook Nederlanders?) de neiging hebben om ook in de geschreven taal de onverbogen vorm te gebruiken. Helemaal zinloos is dit niet, want de ANS geeft toe dat bij het-woorden in heel wat gevallen de onverbogen vorm moet gebruikt worden, onder meer hier:

    “De onverbogen vorm (zonder sjwa) treedt op in de volgende gevallen:

    [A]  Bij attributief, als bijvoeglijke voorbepaling, gebruikte adjectieven, in combinatie met een het-woord (zoals het bier, het kind, het boek ) in het enkelvoud, wanneer het adjectief niet voorafgegaan wordt door een ander woord of wanneer het adjectief voorafgegaan wordt door: een ('n), geen, één, genoeg, veel, weinig, wat, een beetje, ieder, elk, enig, menig, zeker, een dergelijk, zulk een, wat een, wat voor een, welk , bijv.:

    oud ijzer, fijn zand, lauw bier, een aardig kind, geen leuk kind, genoeg wit papier, veel wit papier, weinig wit papier, wat wit papier, ieder mooi plaatje, elk groot bed, menig lastig parket, zo'n onaangenaam gevoel, zulk een oud gebouw, zulk oud hout.”

    Zo schreef ik vroeger altijd ‘het Oud Testament, het Nieuw Testament’ en zo stond het ook in de studiegids van de Leuvense Universiteit, totdat een jonge Vlaamse exegeet die enige tijd in Nederland had gedoceerd me erop wees dat de verbogen vorm hier verplicht was. Achteraf gezien vraag ik me af of hij helemaal gelijk had (meestal had hij dat immers niet…): moet in de titel van een college ‘Nieuw Testament: de Synoptische Evangeliën’ de verbogen vorm gebruikt worden? Er gaat immers geen lidwoord vooraf…

    Mijn taalgevoel zegt me dus dat de onverbogen vorm correct is bij het-woorden, of er nu een lidwoord voorafgaat of niet. De ANS zegt dat ik ongelijk heb. Wat nu? Ik denk dat ik op mijn leeftijd mijn informeel spraakgebruik niet meer zal veranderen. Ik zal dus blijven zeggen: het Oud Testament, het onherroepelijk verlies. Maar ik ben wel bereid om gevolg te geven aan de vingerwijzingen van de spellingcontrole en in mijn schrijftaal de regels van de ANS toe te passen. Als er af en toe toch ergens een onterecht onverbogen vormpje binnensluipt, hoop ik te mogen rekenen op de welwillende toegeeflijkheid en vergevingsgezindheid van mijn taalgevoelige lieve lezers.

     

     


    Categorie:literatuur
    Tags:taal
    08-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Weemoed
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Enkele dagen geleden kon je hier het beeldverhaal volgen van de Deux pénitents van Anne Cornil in onze tuin. De poëtische tekst die ik schreef voor de onthulling eindigde met een oproep om onze overledenen te gedenken. Ik meen inderdaad dat het goed is dat wij ons de mensen blijven herinneren die ons ooit dierbaar waren. Maar waarom is dat goed?

    Laten we duidelijk zijn: de doden zelf hebben er niets aan dat wij aan hen denken. Dat is een harde gedachte, maar we kunnen er niet om heen. Zoals de sneeuwman verdwijnt bij het dooien, is een dode (zelfde etymologie) iemand die er niet meer is. Zij zijn niet meer, op geen enkele manier. Alleen hun nagedachtenis blijft over, maar dat is niet iets van hen, maar iets dat wij doen: het zijn wij die hen gedenken. Wij kunnen hen zo voor ons aanwezig stellen, maar we weten het maar al te goed: zij zijn er niet echt, het zijn ‘maar’ herinneringen, fantasieën soms. Het is iets dat zich afspeelt in ons geheugen, in onze verbeelding, in onze gedachten.

    Dat hoeft ons niet te verwonderen, vooral als we het hebben over mensen die ons tijdens hun leven erg nabij waren, met wie we intens samenleefden. Zij waren toen belangrijk voor ons, zij waren zeer aanwezig, ze bepaalden mee ons doen en laten, ons geluk en ons verdriet. Wij waren materieel en emotioneel sterk met hen verbonden. Wij hadden hen nodig. Wanneer zij er dan plots of zelfs na lange tijd niet meer zijn, komt er wel een bruusk einde aan hun bestaan en aan hun fysieke aanwezigheid, maar niet meteen aan onze emoties. Het voorwerp van die gevoelens is verdwenen en dat schept een probleem, want het overlijden is op zich geen reden om anders over hen te denken: indien ze nog in leven waren, dan zouden we ze nog steeds graag zien. Indien ze terug levend zouden kunnen worden, zou ons dat heel gelukkig maken.

    Daarom is het goed dat wij hen gedenken, het is goed voor ons dat we ons bezinnen, dat we ruimte laten voor onze gevoelens, dat we ons proberen te verzoenen met het onvermijdelijke en onherroepelijke verlies, met de blijvende afwezigheid.

    We moeten er leren mee leven dat onze geliefden er niet meer zijn. Dat noemen we rouwen. Het is een proces dat een leven lang duurt, maar dat vooral in het begin uiterst moeilijk kan zijn. We willen hen nog even graag zien, maar ze zijn er niet meer, wij blijven alleen achter. We hebben geen gezamenlijke toekomst meer, we moeten verder zonder hen. Er is een einde gekomen aan het verhaal dat we samen beleefden.

    Dat wij aan onze overledenen denken op allerlei manieren, dat wij vaak nog intens met hen bezig zijn in onze gedachten en zelfs in onze gedragingen, dat heeft mensen vanouds aangezet om aan de overledenen een of andere vorm van nabestaan toe te schrijven. Men zegt dat ze ergens heen gegaan zijn, naar een ander land, aan de andere kant van een rivier, in de onderwereld, of in een heerlijk land, waar ze voor altijd genieten van al wat goed was hier op aarde: de eeuwige jachtvelden. Het is een schimmig soort van bestaan, een schaduw wie ze waren, zonder materiële behoeften of ziekte en honger of dorst.

    Vooral het christendom heeft dat sterk altijd aangemoedigd: de dood is niet het einde maar het begin van een nieuw leven in hemelse heerlijkheid. Of eeuwige verdoemenis in de hel. Maar dat de overledenen voortleven, daaraan mogen we niet twijfelen. Het is de kern van het christelijk geloof. Jezus is voor ons gestorven, maar hij is opgestaan uit het graf, hij is waarlijk verrezen, hij leeft voort na zijn dood, hij heeft zijn leerlingen en vele anderen ontmoet en is na veertig dagen voor de ogen van vele omstanders ten hemel opgestegen. Hij is ons voorgegaan, door zijn tussenkomst kunnen wij er ook op rekenen dat wij niet helemaal zullen sterven. Onze overledenen bestaan nog echt, in de hemel, of de hel, of het vagevuur, of ergens tussenin, in afwachting van het Laatste oordeel, maar ze zijn er, niemand verdwijnt in het niets. We blijven bestaan.

    Niet alleen Jezus is ons voorgegaan, ook Maria, de apostelen en de vele heiligen, voorbeeldige mensen, martelaren die de kerk erkent en waarvan zij zeker is dat zij nu al in de hemel zijn. Het zijn bijzondere doden, die we eren om wat ze ooit waren en die in de hemel voor ons tussenbeide kunnen komen bij God. Wij kunnen door ons gebed tot hen en door onze devotie voor hen, bekomen dat zij ten beste spreken voor ons, dat God ons genadig zal zijn om hunnentwille. Het is een krachtig beeld van de christelijke zekerheid van het voortbestaan na de dood: de heiligen zijn in staat om God te beïnvloeden in wat hij hier op aarde laat gebeuren of verhindert. De doden bepalen zo mee wat er hier gebeurt, zoals God zelf ook de hele wereld in zijn hand houdt.

    Voor de gelovigen is dat een realiteit, ze geloven echt dat het zo is, niet op een of andere abstracte of symbolische manier, nee, het is werkelijk zo. Het is niet door ons gebed of onze devotie dat we er beter van worden, nee: wij kunnen Maria en de heiligen door ons gebed, onze bedevaart, door afbeeldingen te maken en er kaarsen voor te branden, door liederen te zingen echt beïnvloeden en zij kunnen dan God vragen om ons beter te behandelen dan hij zou doen als we dat allemaal niet zouden doen. Een beter argument voor het leven na de dood kan er niet zijn. De heiligen zijn er, wij kunnen op hen een beroep doen voor concrete zaken. Als de heiligen zo machtig zijn na hun dood, dan zullen ook wij na onze dood voortleven, misschien niet meteen als heiligen, maar dan toch op een meer bescheiden manier deel hebbend aan de eeuwige zaligheid, uiteindelijk.

    Voor de moderne mens is die zekerheid zo goed als volledig weggevallen. De meeste mensen twijfelen zelfs niet meer: de doden leven niet op die manier voort. Zij hebben geen enkel contact meer met de levenden, omdat zij niet meer bestaan als zelfstandige ‘personen’. Als men hen nog enig bestaan toeschrijft, dan is het zeer vaag, symbolisch, mythisch. Maar over het algemeen spreken wij over onze overledenen vanuit onze herinnering en vanuit de gevoelens die wij nu hebben tegenover hen, zoals ze toen waren; zij worden niet ouder dan toen ze stierven. Wij dragen hen mee in ons leven, zij zijn aanwezig in onze gedachten.

    Maar we bedoelen dat helemaal niet letterlijk, het gaat niet om een manier waarop zij werkelijk aanwezig zijn bij ons, maar om een manier waarop wij hen voor ons aanwezig stellen in onze gedachten. Wij geven hen, zoals tijdens hun leven, een emotionele plaats in ons denken en ons doen, ook al is er van hen uiteindelijk niets materieels overgebleven, ook al zijn zij zelf er op geen enkele manier meer, als actieve personen die een invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving. Met hun lichaam is ook hun denken en voelen verdwenen, van het biologisch wezen dat zij waren is er niets meer over, ook niets spiritueels of geestelijks, geen ziel, niets. Zij zijn echt niet meer, aan hun tijdelijk bestaan is voor hen een volledig einde gekomen op het ogenblik van hun dood.

    Voor hen, maar niet voor ons. Wij zijn in staat, zo lang als we leven, om ons hen te herinneren. Wij, niet zij, zijn bij machte om met onze verstandelijke en emotionele vermogens de grenzen van tijd en ruimte moeiteloos te overschrijden.

    Het is een manier van denken die steeds aanwezig is geweest in wat wij nu de mens noemen, een dier dat zich ontwikkeld heeft tot het merkwaardige wezen dat wij nu niet meer dierlijk durven noemen, maar dat net zoals alle dieren gegroeid is uit de materie waaruit onze wereld bestaat. Een belangrijk keerpunt in die ontwikkeling was de manier waarop de primitieve mens omging met de lichamen van de afgestorvenen. Men eerde de nagedachtenis van de dierbaren, men gaf uitdrukking aan zijn verdriet door zorgvuldig met hun dode lichaam om te gaan, door het te wassen, te zalven en het een laatste rustplaats te geven, vergezeld van voorwerpen en offergaven, door het graf binnenin te versieren, door de plaats te markeren met een grafheuvel of een zerk. Het zou echter overdreven zijn om aan die rituelen een andere betekenis te geven dan de uitdrukking van eerbied en verdriet. Begrafenisrituelen hebben niet minder zin voor wie niet gelooft in een hiernamaals. Zorgzaam omgaan met het lichaam van onze dierbaren en hen blijven gedenken blijft zinvol als we aanvaarden dat voor hen het leven echt helemaal en definitief voorbij is, of als we niet helemaal zeker zijn dat er iets is na de dood.

    De herinnering aan onze geliefden kan soms uiterst acuut zijn, overweldigend, met een concrete overtuigingskracht die ons totaal overstuur maakt. Soms lijkt het of ze er echt zijn, alsof ze ons toespreken of zwijgend aanstaren of ons verwijtend de rug toekeren. Het gebeurt dat wij hen aanspreken en hen zo voor ons oproepen. Het zijn heel normale menselijke verschijnselen, er is niets uitzonderlijks of vreemds aan. Het zou pas vreemd zijn indien we onze overledenen meteen zouden vergeten, zomaar, van de ene dag op de andere, vanaf het ogenblik van hun dood. Zo gaat het niet, of we dat willen of niet. Wij blijven met hen verbonden in diepe genegenheid. En zoals tijdens hun leven, gebeurt dat vooral aanvankelijk op een relationele manier, in een dialoog, een gesprek, een speciale manier van samenzijn, gesteund op de herinnering aan het materiële, lichamelijke bij elkaar zijn. We hoeven daar geen spoken of geesten in te zien: het is de normale manier waarop wij met ons verstand en onze emoties omgaan met de nagedachtenis aan onze overledenen.

    Zoals ook alle andere, minder ingrijpende en uitdagende herinneringen is ook het ‘weerzien’ van overledenen een verrijking van ons eigen leven. Maar het is goed dat we bij dergelijke ontstellende en verwarrende ervaringen steeds voor ogen houden dat wat wij meemaken zich enkel en alleen afspeelt in onze verstandelijke en emotionele vermogens, in onze hersenen, louter op basis van de overvloed aan gevoelsgeladen herinneringen die daar reeds prominent of latent aanwezig is, dus zonder enige reële, spookachtige of bovennatuurlijke tussenkomst van buitenaf.

    Door het raam zie ik in de tuin de twee ingetogen, treurende gestalten staan, een blijvende herinnering aan onze dierbaren. De regen kleurt de blauwgrijze steen met donkere lijnen van trage tranen. Weemoed vervult ons hart. Ooit zullen deze pleurants de plaats aanduiden waar wij begraven liggen, voor wie ons kende een herinnering aan wie wij ooit waren, voor allen een memento mori: denk eraan, eens zal je sterven.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    07-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De ondergang van de magische wereld, Keith Thomas

    Een van de meest geciteerde werken in alles wat ik de laatste jaren gelezen heb, is zonder enige twijfel Keith Thomas, Religion and the Decline of Magic. Studies in Popular Belief in Sixteenth- and Seventeenth-Century England, Weidenfeld & Nicolson, London, 1971. Ik las een goedkope herdruk door Penguin, 1991, xx + 853 pp., ongeveer € 15, maar ik raad lezers die (terecht) geïnteresseerd zijn in de originele Engelse tekst aan om op zoek te gaan naar een gebonden exemplaar, want 800 bladzijden kleine lettertjes is een marteling voor de ogen. Ik ben zeer verheugd hier te kunnen vermelden dat er ook een Nederlandse vertaling is, De Ondergang van de magische wereld. Godsdienst en magie in Engeland, 1500/1700 door Keith Thomas, Agon, 1989. Ik vond verscheidene exemplaren in de catalogus van de openbare bibliotheken van Vlaams-Brabant, dus kijk het eens na in jouw bibliotheek; er zijn nog tweedehandse exemplaren in omloop, bij Antiqbook en ook bij bol.com.



    Ik had de lectuur al enkele keren uitgesteld, maar ben er dan toch maar aan begonnen en al na enkele
    bladzijden wist ik dat ik dit veel eerder had moeten doen, enkele jaren geleden toen ik het kocht, maar beter nog in 1971 toen het voor het eerst verscheen. Het had toen mijn leven grondig kunnen veranderen. Maar het heeft geen zin om daarom te treuren, ons verleden kunnen we niet veranderen. Maar wel het inzicht in het verleden, zowel dat van onszelf als meer in het algemeen. Het is van uit het besef dat dit een belangrijk boek is, dat in staat is om iemands leven indringend te beïnvloeden, dat ik deze tekst schrijf, in de hoop dat ik zo misschien iemand ertoe breng om het te lezen, zodat hij of zij de vruchten ervan kan plukken, in het beste geval op een jongere leeftijd dan ikzelf. Dat het mogelijk is om ook de geschiedenis in het algemeen te herbekijken en te herschrijven, daarvan is dit boek een schitterend voorbeeld.

    De auteur, Keith Thomas (1933-) was/is een prominent professor geschiedenis in Oxford. Hij schreef nog twee andere merkwaardige boeken, waarover later ongetwijfeld meer. Met dit werk heeft hij de toon gezet voor een nuchtere, zakelijke benadering van twee intrinsiek vluchtige en met vele emoties beladen onderwerpen: godsdienst en magie. Hij bekijkt de talrijke en verscheidene aspecten van deze thematiek en hun concrete vormgeving zonder enige vooringenomenheid, als menselijke verschijnselen. Op geen enkel moment laat hij zich verleiden om uitspraken te doen over de echtheid, de waarachtigheid van magie of godsdienst. Het heeft voor hem geen enkel belang of er een God is, hij beperkt zich tot wat mensen daarover denken, zeggen en schrijven, hoe ze dat beleven, hoe ze dat gestalte geven in hun leven en in hun leefomgeving, hoe ze ermee omgaan, hoe dat evolueert onder invloed van de omstandigheden en welke maatschappelijke en culturele gevolgen dat heeft voor henzelf en voor anderen. Met magie gaat hij op dezelfde ernstige, respectvolle maar totaal onthechte manier om. Ook hier geen oordeel over de werkzaamheid van magische praktijken, maar een grondige objectieve studie van dit vreemd maar reëel verschijnsel in al zijn vormen.

    Het is deze bewonderenswaardige objectiviteit die dit boek tegelijk zo ongemeen belangrijk en zo boeiend maakt. Dit is geen debat over christelijk geloof en ongeloof, noch over zin of onzin van magie, waarin de auteur stelling neemt voor of tegen en zijn overtuiging probeert te staven met allerlei argumenten en voorbeelden uit de geschiedenis. Indien hij dat had gedaan, dan had hij onvermijdelijk een selectie moeten maken uit de historische gegevens, waarbij hij wat in zijn kraam paste naar voren bracht en aan wat niet met zijn opvattingen overeenkwam, stilzwijgend voorbijging. Dit is niet wat professor Thomas heeft gedaan, gelukkig maar. Hij presenteert ons de gegevens zoals hij die aantreft, zelfs als ze elkaar lijken tegen te spreken, met open blik en probeert dan om ze te verklaren, zo goed en zo kwaad als dat kan, gezien de afstand die ons van de beschreven periode scheidt. Herhaaldelijk maakt hij daarbij gebruik van de verworvenheden van de moderne antropologie, bijvoorbeeld de studie van de magie bij primitieve Afrikaanse stammen, die verrassende gelijkenissen blootlegt met wat hij vindt in de voormoderne tijd in Engeland.

    Het is een lijvig boek geworden, met vele honderden voetnoten die verwijzen naar de bronnen of die bijkomende informatie geven voor wie niet vertrouwd is met de details van de geschiedenis; de index alleen al omvat meer dan vijftig bladzijden, twee kolommen per blad. Dat mag echter niemand afschrikken: het boek leest als een roman! Professor Thomas is een meesterlijk verteller, zijn historische objectiviteit is geen aanleiding tot gortdroge opsommingen of abstracte bespiegelingen. Aan de hand van sprekende voorbeelden uit het dagelijkse leven van de kleine man en vrouw schetst hij een levendig beeld van een periode die wij niet genoeg kennen en die nochtans van grote betekenis is geweest voor het ontstaan van onze moderne wereld: de voormoderne tijd, gaande van rond 1500 tot rond 1700. De Renaissance in volle bloei, maar ontsierd door godsdiensttwisten en –oorlogen, de Reformatie en de Contrareformatie die Europa en ook onze Nederlanden voorgoed verdeelden. De opkomst van de wetenschappen en van de burgerij, de ontdekking van de Nieuwe Wereld, het begin van het kolonialisme.

    In Engeland was de tweede helft van de zeventiende eeuw een revolutionaire tijd, meer dan honderd jaar voor de Franse revolutie. Wij weten er veel te weinig over en af en toe moet je een en ander opzoeken, dit boek is geschreven met een Brits publiek voor ogen, niet specifiek voor een ‘continental’ of Europees publiek, daar was in 1971 nog geen sprake van.

    Het viel mij bij het lezen dan wel weer op dat magie niet streekgebonden is: de Britse voorbeelden die de auteur aanhaalt, vinden we allemaal terug in onze folklore, zelfs tot op vandaag. Met dertien aan tafel is ook bij ons geen goed idee; professor Thomas ziet de oorsprong in het Laatste avondmaal, waar de dertiende evident de verrader Judas was. Zo zijn er vele verhelderende anekdotes en typische gebruiken die ook bij Vlaamse en Nederlandse (en vele andere Europese) lezers belletjes zullen doen rinkelen. Is er dan toch een Europese cultuur? Evident! Behoort Groot-Brittannië dan toch tot Europa? Waar zou het anders bij behoren!?

    Wat kan ik nog meer zeggen? Professor Keith Thomas is een uitzonderlijk verstandig man. Op elke pagina staat ten minste één diepe gedachte, een verrassend inzicht, een scherpe analyse, een gelukkige synthese, naast de ontelbare frisse voorbeelden. Dit is een ander soort geschiedschrijving dan we gewoon zijn. De personages die we ontmoeten zijn geen aangeklede poppen, het zijn mensen van vlees en bloed. Dat komt omdat de auteur erin slaagt om ons in gedachten te verplaatsen naar de tijd van toen, maar dan met onze kennis van nu. Wij worden zo tijdgenoten, wat ons begrip voor de mensen van toen grondig verandert.

    Ik begrijp nu waarom dit boek zo vaak geciteerd wordt en ik hoop dat ik dat voor jullie een beetje heb kunnen duidelijk maken. Het is een belangrijk boek, dat je inzicht in de geschiedenis van de voormoderne tijd voor altijd zal veranderen. Het is ook een zeer vlot leesbaar werk dat iedereen aankan. Niet aarzelen dus.


    Categorie:historisch
    Tags:geschiedenis
    05-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.als 't God belieft

    Elke mens is een individu. Er is zoveel kans op verschil in al de mogelijke aspecten van ons mens-zijn, dat het niet slechts onwaarschijnlijk maar werkelijk totaal uitgesloten is dat we een volmaakte kopie van onszelf tegen het lijf zouden lopen. De verschillen kunnen aanzienlijk zijn: een volwassen mens kan bijvoorbeeld 40 kilogram wegen, maar ook 240… De gedachten en opinies van mensen lopen eveneens enorm uiteen. Er zijn fanatieke moslims en vrijzinnige humanisten, om maar twee duidelijk onderscheiden types te noemen.

    Het is vooral over de ideologische verschillen dat ik het wou hebben. Zoals we mensen naar hun uiterlijke kenmerken kunnen indelen (man en vrouw, ‘blanken’, ‘negers’, ‘chinezen’ en andere algemene categorieën), doen we dat ook voor andere, minder zichtbare kenmerken. Een daarvan is: gelovig of niet-gelovig. Het is een onderscheid dat mij al heel mijn leven bezighoudt en dat de jongste vijf jaar aanleiding is geweest voor veel nadenken, lezen en opzoeken en dat, tot frustratie van sommige lezers, ook heel vaak hier in mijn Kroniek aan bod is gekomen.

    In mijn katholieke jeugd was er van dat onderscheid aanvankelijk geen sprake: iedereen was gelovig. Dat was althans de geldende opvatting binnen de katholieke zuil. Het was de houding die ons werd bijgebracht van kindsbeen af: geloof is evident. Slechts heel langzaam en toevallig drong het tot ons door dat er mensen waren die niet binnen de katholieke zuil leefden, dat er andere zuilen waren. Het beeld dat ons van die mensen werd opgehangen was ook evident: zij waren de vijand, het waren slechte mensen.

    Die indeling van de maatschappij was duidelijk afgelijnd: je had de gelovigen en de ongelovigen. Het was een zwart-wit tegenstelling, een kwestie van ja of neen. Je was het een of het ander. Er was geen plaats voor twijfel. Je bleef ook het een of het ander: zeldzaam en bijzonder gehaat waren de figuren die van kamp wisselden, de kazakkeerders, de overlopers, de verraders.

    Nochtans was de grond voor dat onderscheid, zoals voor alle andere overigens, niet zo evident. Gelovigen en ongelovigen ontmoetten elkaar af en toe toch, bijvoorbeeld op de wekelijkse markt, op publieke feesten of op sportmanifestaties. Niet alles was verzuild, er waren nog aspecten van het leven die eraan ontsnapten; niet veel, maar toch. En dan bleek dat die zo gediaboliseerde anderen niet zo erg veel van ons verschilden. Ze gingen niet naar de mis, maar voor de rest bleken het heel gewone mensen te zijn, die evengoed kerstmis vierden als wij, en Sinterklaas kwam ook bij hen langs. De andere zuilen bleken een kopie te zijn van de onze, met identieke verenigingen en identieke scholen en ziekenhuizen.

    Voor een kind was het verwarrend: waarom die andere zuilen, die parallelle scholen en jeugdbewegingen? Wat was het verschil? Wat was dat gelovig zijn dat ons scheidde? Waarom waren zij niet gelovig? Hoe kon het dat zij niet gelovig waren en toch niet door God gestraft werden, dat ze leefden zoals wij, met niet minder geluk en niet meer ongeluk? Dat we hen in feite niets te verwijten hadden, behalve dat ze ‘niet geloofden’? Ik heb het altijd een vreemde zaak gevonden, maar ik heb er toen nooit lang (genoeg) bij stilgestaan, ook niet toen ik volwassen werd en binnen de katholieke zuil mijn leven opbouwde. Op geen enkel ogenblik heb ik overwogen om uit die verzuiling te stappen. Ik stelde me ook geen vragen over de fundering van de eigen zuil en de verschillen met de andere: je behoorde tot een groep omdat je daarin geboren was, niet op grond van een bewuste beslissing.

    Toen ik op pensioen ging, op mijn zestigste, is dat veranderd. Ik meen dat het een met het ander te maken had. Ik kreeg nu een staatspensioen, ik werd niet meer betaald door een katholieke werkgever. Ik voelde me nu niet meer zo gebonden of verzuild, ik, was een vrij man. Samen met de onbeperkte vrije tijd gaf me de gelegenheid om mij te bezinnen over die verzuiling, over haar oorzaken en haar redenen van bestaan, over het gelovig zijn.

    Ik vroeg me af wat mijn eigen geloof was en moest al gauw vaststellen dat het onbestaande was. Ik wist relatief weinig over het christelijk geloof en hoe meer ik erover bijleerde door intensieve lectuur, hoe minder christelijk ik wou zijn. Ik ontdekte de verborgen geschiedenis van het atheïsme en ging me daarin verdiepen. Ik stelde me duidelijk op buiten de katholieke zuil en manifesteerde me bewust als atheïst.

    Vrijwel onmiddellijk stelde ik vast dat je daarmee in een soort van niemandsland terechtkomt: je voelt je niet meer thuis in de katholieke zuil en je bent daar ook niet meer welkom. Waarheen nu? Vijf jaar later moet ik hier bekennen dat ik het niet weet. Ik heb contact gezocht bij de georganiseerde humanistische vrijzinnigheid in Vlaanderen, maar dat was een grote teleurstelling over de hele lijn. Was het omwille van mijn katholieke achtergrond, of omwille van mijn karakter en persoonlijkheid, ik weet het niet, maar al mijn pogingen om daar aansluiting te vinden bij gelijkgezinden zijn deerlijk mislukt. Ik kan niet anders dan vaststellen dat mijn plaats niet daar is.

    Ik heb ook geen zin om bij een van de andere zuilen te gaan aankloppen, de socialistische of de liberale. Ik ben een van de vele Vlamingen die zich niet meer thuis voelen in een zuil. Wij verkiezen een open maatschappij, waarin de dienstverlening aan de burger niet verloopt langs ideologische lijnen. Het zwembad is er voor iedereen, de bibliotheek ook, de ziekteverzekering, de uitkering van de werkloosheidsvergoedingen, de openbare diensten.

    Het onderscheid tussen de burgers dat vroeger zo belangrijk was, namelijk of zij gelovig zijn of niet, is vandaag bijna helemaal weggevallen. Het doet er niet meer toe, het maakt niets meer uit. Zelfs binnen de katholieke zuil is het geloof zo goed als verdwenen. Men vernoemt het niet meer, bijvoorbeeld binnen de christendemocratische partij of binnen de machtige christelijke vakbond of de ermee samenhangende christelijke mutualiteit. Zelfs de Leuvense katholieke universiteit bezint zich openlijk over de K in haar naam en over haar katholiek karakter.

    Op grond van de boeken die ik lees, begin ik me meer en meer de vraag te stellen of de tijden echt veranderd zijn. Zou het echt zo zijn dat wij, moderne mensen, ons als eersten gedistantieerd hebben van het onderscheid tussen geloof en ongeloof? Zijn wij massaal ongelovig geworden, terwijl onze voorouders massaal gelovig waren?

    Ik denk het niet. Ik ben veeleer de mening toegedaan dat het onderscheid tussen geloof en ongeloof nooit zo duidelijk en betekenisvol is geweest als men ons heeft willen doen geloven.

    Wanneer men zegt dat Vlaanderen vroeger helemaal katholiek was, dan moeten we dat sterk nuanceren. Enerzijds zijn er altijd andersdenkenden geweest, niet alleen individuen maar ook mensen die zich daartoe verenigden. Anderzijds kunnen we ons vragen stellen bij het katholieke karakter binnen de eigen zuil. Wat wist een Vlaamse katholiek van zijn godsdienst? Waarin bestond zijn katholiciteit? Wat was zijn geloof? En vooral: waarin verschilde hij van de niet-gelovigen? Voor de gewone man en vrouw en hun kinderen is het antwoord: vrijwel niets. De meeste mensen leefden hun leven zonder stil te staan bij de grond van de zaak. Het geloof was niet hun drijfveer, hun motivering. Het was veeleer een algemeen maatschappelijk en cultureel kader, met talrijke verwijzingen naar het geloof en met een algemeen religieus taalgebruik, zoals het frequente ‘als ’t God belieft’. Maar dat was allemaal heel oppervlakkig, een manier van doen en van zeggen, een gemeenschappelijke cultuur veeleer dan een bewuste en geïnformeerde persoonlijke keuze of overtuiging.

    Wij zien dat vandaag nog bij voetbalsterren die een kruisteken maken als ze het veld betreden of als ze een goal gescoord hebben. Het is een gebaar, een ritueel dat ze gebruiken om uitdrukking te geven aan hun emoties van het moment. Heeft dat kruisteken een religieuze betekenis? We zouden het hen moeten vragen, maar ik meen van niet. Het is iets dat ze gezien hebben en dat ze nabootsen, zoals de blik en de vinger naar de wolken om iemand te gedenken die net overleden is, of de wiegende armen voor een pasgeboren baby. Usain Bolt heeft een gans ander en origineel repertoire, met zijn bekende blitse overwinningspose. Niemand zal daarin iets religieus zien en ik ben ervan overtuigd dat de vele kruistekens van onze sportlui evenmin uitdrukking zijn van diepreligieuze gevoelens of overtuigingen.

    Zo was het vroeger ook. Men heeft ons altijd voorgehouden dat de Middeleeuwen christelijk waren en dat waren ze ook, ze waren bijvoorbeeld niet boeddhistisch. Maar wat wist de ongeletterde Middeleeuwer van zijn christelijk geloof? Wat kon het hem schelen? Het was een cultureel kader, maar het was niet bepalend voor wat men dacht en deed. In de woelige 14de eeuw was men vooral bezig met overleven, niet met ideologieën en religie. Zeker, ook toen waren er enkele mensen die zich bezig hielden met geloofszaken en met filosofische bespiegelingen, maar dat was een zeer, zeer kleine minderheid en dat is vandaag nog altijd zo.

    Ik besluit daaruit dat geloof een marginaal verschijnsel was en is, iets waarvan niemand wakker ligt, iets heel vaags en dat uiteindelijk onbelangrijk is. Een familielid dat onlangs overleed is in zijn hele volwassen leven nooit naar de zondagsmis geweest, maar heeft op zijn sterfbed wel het viaticum toegediend gekregen van de parochiepriester. Toen ik hem daarover sprak kort voor zijn dood, noemde hij het een nostalgische aansluiting met zijn katholieke opvoeding, een ritueel dat hem en zijn gezin verenigde op een emotioneel aangrijpend moment. Zij gingen dankbaar in op het aanbod van de pastoor omdat ze geen ander ritueel kenden, omdat ze niet de moeite deden of in staat waren om er zelf iets van te maken, of er niet aan gedacht hadden een beroep te doen op een vrijzinnige consulent.

    Ik ken niemand, werkelijk niemand die zo intens met geloof en ongeloof bezig is als ikzelf. Ik ben een hoge uitzondering, dat ervaar ik telkens wanneer ik met anderen daarover praat. Dat bewijst mijn stelling: geloof is niet essentieel, het is marginaal, een randverschijnsel. Mensen zijn daar niet mee bezig, ze hebben het te druk met hun leven. En zo is dat altijd al geweest en zo zal het ook wel blijven. De meeste mensen zijn niet bewust en overtuigd gelovig of ongelovig, maar onverschillig tegenover die problematiek. Het zijn marginale uitzonderingen die kiezen voor de uitersten: godsdienst of actief atheïsme en antiklerikalisme.

    Laten we dus heel voorzichtig zijn als we het hebben over de invloed van het geloof op de maatschappij en op het individu, vroeger en nu, of dat nu over het christendom gaat, de Islam, het Boeddhisme, Hindoeïsme, Taoïsme of wat dan ook. We mogen ons niet laten imponeren door de vele en indrukwekkende uiterlijke tekenen, de kathedralen, kerken, tempels en kloosters, de bedevaartsoorden, de bibliotheken vol theologische en godvruchtige geschriften, de gebruiken en rituelen, het taalgebruik, de christelijke zuil in de maatschappij. Het is allemaal veel minder diepgaand dan men zou vermoeden, het heeft inhoudelijk allemaal veel minder te betekenen dan men denkt en zegt.

    Mijn reactie is dan: laten we ernstig wezen en de rol van de godsdienst terugbrengen tot redelijke proporties, in overeenstemming met het werkelijke belang ervan. Gisteren was ik de hele dag aanwezig op de kunstmarkt in Tremelo, in de schaduw van de kerktoren. Om de haverklap werden we overdonderd door het fanatieke gelui van de kerkklokken die het begin of het einde van de mis aankondigden, elektronisch aangestuurd, zonder dat er een mens aan te pas kwam en met zo goed als niemand die de kerk binnenging.

    Dat is wat me ergert en af en toe zelfs wanhopig maakt: waarom? Waarom? Toen ik enkele mensen op de kunstmarkt daarover aansprak, vond ik niemand die kerkelijk was, niemand die wist waarom de klokken luidden om 14.30 uur op een zondagnamiddag, maar ook niemand die daarbij stilstond: zo was het nu eenmaal, men haalde de schouders op en deed verder waarmee men bezig was. Niemand vond het een probleem, niemand had oog voor de verregaande arrogantie van het lawaaierige minutenlang aanhoudende klokkengelui door een instelling die zo goed als niemand vertegenwoordigt en die zelfs op de zeldzame kerkgangers geen diepgaande invloed heeft. Maar als in onze steden de muezzin van op de minaret de moslims oproept tot het gebed, dan vinden we dat ongehoord. Zie je wat ik bedoel?

    Ik heb me in de herfst van mijn leven tot doel gesteld om voor mezelf en voor wie het wil horen of lezen, uit te maken wat de werkelijke rol en betekenis van godsdienst is voor de mensheid, vroeger, nu en in de toekomst. Ik doe dat van uit een diepgewortelde overtuiging dat het niet alleen even goed kan zonder godsdienst, maar dat we zelfs beter af zijn zonder, dat godsdienst de mens ervan weerhoudt om zichzelf ten volle te ontdekken en te ontplooien. Het is voor een individu als ik een ambitieus programma. Ik wil het toch blijven proberen, binnen de perken van mijn mogelijkheden, maar met mijn volle overtuiging en met inzet van al mijn krachten, in woord en daad. Ik meen dat het een nobele en nodige taak is, een die mijn totaal engagement volledig verantwoordt. Ik besef maar al te goed dat het een eenzame strijd is, maar ik voel me gesterkt door de talrijke gelijksoortige inspanningen die we vandaag overal ter wereld merken en door het stichtend voorbeeld van zovelen in de rijke historische traditie van het ongeloof.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheïsme
    01-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ludo Milis' afrekening met Jan Schuermans

    Een boekenliefhebber zoekt en vindt overal boeken. Openbare bibliotheken liquideren bijna constant werken uit hun collecties. Dat kan bijvoorbeeld zijn wegens plaatsgebrek, een probleem waarvoor ik veel begrip heb. De gezamenlijke boekenschat van Lut en mij strekt zich uit over vele meters en telt wellicht meer dan zevenduizend exemplaren. Er is in ons huis geen muur meer vrij voor nog een boekenkast of –plank. We zijn nu in de situatie dat we enkel nog nieuwe boeken kunnen in huis halen als we andere verwijderen. Maar een boekenliefhebber doet node afstand van zijn boeken, ook al weet hij dat hij ze nooit zal lezen. Dat openbare bibliotheken dus afstand doen van bepaalde werken om nieuwe te kunnen plaatsen, dat begrijp ik best.

    We mogen ons wel vragen stellen bij de keuzes die men daarbij maakt. Uitleenstatistieken zijn handig, maar is het gerechtvaardigd om enkel op basis daarvan werken te verwijderen die op zich waardevol zijn? Mag men zich uitsluitend laten leiden door de populariteit van een boek bij het grote publiek? Ik meen van niet, maar hoe kunnen we dat corrigeren? Wat maakt een boek dat niemand leest toch waardevol genoeg om het te behouden? Openbare bibliotheken zullen zich beroepen op hun functie als ontleenbibliotheek en de bewaarfunctie afschuiven op wetenschappelijke bibliotheken. Zij vergeten daarbij dat ook die te kampen hebben met dezelfde ruimtenoden en eveneens een keuze moeten maken in wat zij nog kunnen bewaren voor het nageslacht. Niet alles kan bewaard worden. Er zullen ooit boeken zijn, er zijn er misschien nu al, waardevol of niet, die niet meer bestaan, zelfs niet in een of andere verwijzing of in het geheugen van een lezer. Boeken waarvan het laatste bestaande exemplaar nonchalant is vernietigd. Een hallucinante gedachte!

    Hoe dan ook meen ik dat openbare bibliotheken op een of andere manier een waardeoordeel zouden moeten inbouwen bij het afvoeren van boeken, zo niet dreigt een waardevol patrimonium onvermijdelijk verloren te gaan. Zo heb ik persoonlijk meegemaakt dat de Nederlandse vertaling van het geniale boek van Paul Hazard, La crise de la conscience européenne naar de vergeethoek verbannen werd omdat het originele werk van 1935 dateert en wellicht ook omwille van de titel: De crisis van het Europese denken (Agon, 1990). Ikzelf zou zonder enige scrupules het verzameld werk van bijvoorbeeld Jef Geeraerts voor recyclage beschikbaar stellen om Hazard te redden, maar mijn mening wordt ongetwijfeld door geen enkele plaatselijke bibliothecaris gedeeld of ook maar enigszins geapprecieerd. Geeraerts, Aspe: die worden gelezen, Hazard niet, dus… En hoe kan een bibliothecaris weten dat Hazard geniaal is? In tegenstelling tot wat men zou denken, lezen niet alle bibliothecarissen boeken, noch hebben ze allen een uitgebreide algemene culturele bagage die hen zou behoeden voor al was het maar de meest flagrante barbaarsheden.

    Boekenliefhebbers zijn er dus als de kippen bij als er weer eens boeken afgevoerd worden in openbare bibliotheken, je kan er pareltjes vinden, vaak in uitstekende staat, gratis en voor niets, misschien ben je zelfs de eerste lezer. Zo nam ik enige tijd geleden een boekje mee dat me alleen al door zijn titel aansprak: Ludo Milis, De indiscrete charme van Jan Schuermans, pastoor van Ename (1645-1655), Hadewych, Antwerpen-Baarn, 1994, 157 blz., paperback.

    Ludo Milis (1940) was hoogleraar geschiedenis aan de Gentse Universiteit. Hij schreef hiermee geen roman, zelfs geen historische, maar veeleer een historische schets, een reconstructie van een gebeurtenis aan de hand van de bronnen. In de eerste plaats is dat een dossier in de archieven van het Mechelse aartsbisdom over de hoofdfiguur, pastoor Jan Schuermans, betreffende klachten bij de kerkelijke overheid over zijn gedrag. Daarnaast consulteerde de auteur in allerlei andere archieven documenten uit die tijd voor aanvullende informatie. Hij steunt zich verder op de bestaande literatuur over deze soms verwarde periode in onze geschiedenis.

    Het verhaal is schokkend in zijn banaliteit. De jonge pastoor wordt ervan beschuldigd een kind verwekt te hebben bij de dienstmeid van een bevriend gezin. Het kind sterft kort na de geboorte. De pastoor ontkent de beschuldigingen maar ontvlucht zijn parochie uit vrees voor een gerechtelijke vervolging. Er komt een vorm van kerkelijk proces, maar de aartsbisschop herstelt de pastoor in zijn functie.


    Dat is het, in een notendop. Professor Milis licht de gebeurtenissen toe aan de hand van de stukken die ons zijn overgeleverd en waarin hij inzage heeft gehad. Herhaaldelijk stelt hij vast dat bepaalde elementen ontbreken, dat er voor sommige vaststaande feiten geen concrete bewijzen zijn (zoals voor de priesterwijding van de pastoor, toch geen onbelangrijk detail). Aan het eind van het boekje stelt hij dat hij bewust geen verder onderzoek heeft gedaan naar wat er met de pastoor gebeurd is na de verhaalde feiten: hij gunt hem de eeuwige rust.

    Als bijlage krijgen we enkele stukken uit het dossier. Er zijn ook 180 kortere en langere eindnoten, evenals een aantal zwart/wit illustraties. De typografie is verzorgd, de letter goed leesbaar.

    Voor een boek dat nog geen twintig jaar oud is, vind ik het toch nogal ouderwets. De auteur was toen amper 54, in de fleur van zijn leven, geen ouderling. Toch schrijft hij zoals ik veronderstel dat mijn of zijn grootvader moet geschreven hebben. Heeft hij zich laten beïnvloeden door de documenten waarin hij zich ongetwijfeld (of hopelijk?) gedurende geruime tijd heeft verdiept? Het zou interessant zijn om andere publicaties van zijn hand daarop na te slaan. Ik vermoed echter dat dit zijn eigen stijl is, helaas. Een zekere stunteligheid, een gebrek aan elegantie, de totale afwezigheid van humor, het valt op in elke paragraaf, op elke bladzijde. Daarbij komt een werkelijk ongepaste neiging tot ongegronde verdachtmaking, geformuleerd in retorische uitroepen en verontwaardigde invectieven. Vanaf de eerste bladzijden is hij overtuigd van de schuld van de pastoor, nog voor hij één getuigenis naar voren brengt. Hij voert het onderzoek à charge, niet à decharge. Hij heeft op geen enkel ogenblik ook maar enige twijfel over de ernst en de echtheid van de verscheidene tenlasteleggingen, noch heeft hij anderzijds oog voor de getuigenissen die de pastoor ondersteunen of voor de argumenten die voor hem pleiten. Professor Milis is overtuigd van de wandaden van de dronkenlap en vrouwenloper die volgens hem de pastoor van Ename was en voert een niet-aflatend eenzijdig requisitoir tegen hem.

    Het is precies deze eenzijdigheid die het boekje zo ongenietbaar maakt. Indien de auteur de kwestie zakelijk en onpartijdig had naar voren gebracht, zonder vooringenomenheid, dan zou de lezer op basis van het beschikbare materiaal met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot de innerlijke overtuiging gekomen zijn dat de pastoor zich wellicht of vrijwel zeker schuldig had gemaakt aan de feiten die hem worden aangewreven. Door echter vanaf het eerste ogenblik uit te gaan van die schuld, nog voor de argumenten gehoord zijn en door zijn onvermurwbaar vasthouden aan die schuld bij het interpreteren van de gebeurtenissen, ontneemt de auteur zichzelf elke geloofwaardigheid en dwingt hij de lezer, hoe ongaarne ook, om de pastoor het voordeel van de twijfel te gunnen dat professor Milis, als aanklager van het openbaar ministerie, hem zo deerlijk ontzegt.

    Wij verwachten terecht van elk historicus en zeker van professoren dat zij neutraal zijn, objectief, onpartijdig. Het is niet aan hen om veroordelingen uit te spreken, zelfs niet indien zij innerlijk overtuigd zijn van de schuld van een van de partijen, tenzij de bewijzen overduidelijk zijn en de feiten dus bewezen mogen geacht worden.

    Of dat het geval is voor de aantijgingen tegen Jan Schuermans, dat is allerminst duidelijk. Er ontbreken belangrijke stukken in het dossier. Het onderzoek is niet evenwichtig gevoerd, toen niet en nu niet. Er zijn vermoedens, zelfs aanwijzingen, maar in de tijd voor het DNA-onderzoek moet men voor het vaderschapsonderzoek uiteindelijk voortgaan op het woord en wederwoord van de betrokkenen. Die spreken elkaar in dit geval tegen. We moeten dus concluderen, zoals de aartsbisschop ongetwijfeld heeft gedaan, dat de schuld derhalve niet bewezen is, precies omdat ze niet bewezen kon worden.

    Professor Milis heeft een ander standpunt ingenomen. Dat siert hem niet. Ik waag me niet aan veronderstellingen over zijn motieven. Om welke reden hij er ook voor gekozen heeft om tegenover de pastoor van Ename een zo uitgesproken beschuldigende houding aan te nemen, daar waar het zo evident is dat er zo lang na de feiten niets met zekerheid te bewijzen valt, daar hebben wij het raden naar. Maar dat brengt ons geen stap verder: zelfs indien wij op nog andere gronden zouden achterhalen dat die vooringenomenheid systematisch is geweest en gebaseerd op bijvoorbeeld levensbeschouwelijke voorkeuren of ideologische verschillen, dan nog zouden wij geen enkele grond hebben om ons oordeel over de pastoor in kwestie bij te stellen. Het ongelijk van de aanklager is geen argument voor de onschuld van de beschuldigde, net zoals zijn schuld niet bewezen wordt door het tekortschieten van zijn verdediging.

    De feiten zijn wat ze zijn en het is aan de historici om ze te achterhalen. Indien dat niet mogelijk is, moet men zich daarbij neerleggen en zich niet te buiten gaan aan welke veronderstellingen dan ook. Het is niet voldoende dat de pastoor een kind verwekt heeft, men moet ook kunnen bewijzen dat hij dat gedaan heeft. Als hij wel degelijk dat kind verwekt heeft, maar hij ontkent en men kan het niet bewijzen, dan is dat jammer, maar dat geeft ons geen vrijgeleide om hem toch te beschuldigen op basis van ons al dan niet terecht aanvoelen van zijn schuld.

    In het Gentse studentenblad Schamper verscheen ooit een artikeltje over roddels onder studenten over de echte of vermeende amoureuze escapades van enkele professoren en assistenten. Ook professor Milis was het slachtoffer van een dergelijke roddel: hij zou een affaire gehad hebben met de vrouw van een collega, die hem daarop zelfs fysiek belaagd zou hebben. Tengevolge daarvan zouden de twee rivalen bij de herverdeling van de kantoorruimten zo ver mogelijk uit elkaar gehuisvest zijn. Het zijn maar roddels in een studentenblad, maar verscheidene elementen uit het dossier Schuermans wegen echt niet zwaarder dan dat. Professor Milis zou terecht zeer verontwaardigd zijn indien men aan dergelijke wellicht ongegronde aantijgingen zoveel aandacht zou geschonken hebben als hij heeft gedaan in het geval van de pastoor van Ename.

    Met een dergelijk pamflet, gehuld in de vorm van ernstig historisch onderzoek, heeft professor Milis de historische wetenschap geen diensten bewezen. Wanneer de coryfeeën van de kennis zich laten verleiden tot verregaande eenzijdigheid en manifeste vooringenomenheid, wanneer zij hun wetenschappelijk discours doorspekken met verdachtmakingen, innuendo’s, insinuaties, ongegronde morele veroordelingen en ongeoorloofde feitelijke conclusies, dan past het om te spreken van corruptio optimi pessima: het tekortschieten van de besten is het slechtste.

    Lieve lezer, je bent wellicht enigszins verbaasd wanneer deze atheïst de verdediging op zich neemt van een allesbehalve onbesproken pastoor. Ik heb, dat is geweten, weinig sympathie voor die kaste. Maar ik weiger mee te doen aan een historische lynchpartij, 350 jaar na de feiten. De waarheid is mij meer waard dan mijn antipathieën.

    De laatste paragraag van het boek van Ludo Milis luidt als volgt:

    ‘Naar wat met Jan Schuermans

    in de periode na Ename gebeurde,

    is met opzet niet gezocht.

    We gunnen hem de eeuwige rust.’

     

    Dat is niet alleen onwetenschappelijk en uitdagend hypocriet, het is vooral oneerlijk. Schuermans krijgt, in tegenstelling met zijn beschuldigers, in het boekje van Milis niet eens de kans om door zijn later gedrag aan te tonen dat de beschuldigingen aan zijn adres ongegrond waren, of zelfs maar dat hij op rijpere leeftijd berouw heeft gehad voor wat hij op vrij jonge leeftijd zou gedaan hebben. Ludo Milis gunt hem helemaal de eeuwige rust niet. Door zijn ondoordachte verdachtmakingen in dit boekje heeft hij voor eeuwig een smet gelegd op het leven en de nagedachtenis van pastoor en mens Jan Schuermans. Indien ik mij daaraan zou schuldig gemaakt hebben, zou zelfs mijn tijdelijke rust hier op aarde ernstig in het gedrang komen. Voortgaande op dit boekje, vermoed ik echter dat Ludo Milis daar geen last van heeft.

    Om af te sluiten: door dit boekje uit de openbare bibliotheek van Wezemaal te weren, heeft de betrokken bibliothecaris zijn of haar doel ten enenmale gemist. Veeleer dan definitief aan de aandacht van de lezers onttrokken te worden, is het integendeel onverwacht onder de aandacht van althans deze lezer en meteen ook van andere gebracht, wat wellicht anders niet zou zijn gebeurd. Zonder de brutale desaffectatie zou dit boekje nog jaren een sluimerend bestaan gesleten hebben ergens op een stoffige boekenplank in de bibliotheek, min of meer terecht ongelezen, onbesproken, nukkig in zichzelf gekeerd, vervuld van zijn eigen ongelijk, gloriërend in zijn ultieme onbenulligheid, het onbeduidend product van de kleine kwade trouw van een man in wie onze maatschappij ooit haar hoop had gesteld en aan wie ze ruime middelen heeft toebedeeld om zijn talenten te ontwikkelen ten bate van de gemeenschap.

    Door zijn veroordeling heeft dit boekje een nieuwe kans gekregen. Ik heb die kans met beide handen aangegrepen om het op zijn waarde te schatten en het te licht te bevinden. Het moge nu in vrede rusten op mijn boekenplank, tot mijn erfgenamen het prijsgeven aan de vergetelheid of de finale destructie.

    Dat geeft me een idee voor wanneer ik doodga: crematie met als combustibel materiaal al de ongelezen boeken uit mijn bibliotheek en, als dat niet genoeg zou zijn, wat ik fervent verhoop, al mijn boeken die niemand wil erven en die men zelfs aan een opkoper van oude boeken niet gratis kwijt kan. Dat zullen er zeker meer dan genoeg zijn…


    Categorie:historisch
    Tags:geschiedenis


    Foto

    Foto

    Foto

    Inhoud blog
  • Smartphone
  • Arnold Schönberg & Marie Pappenheim, Erwartung (1909)
  • Erwartung - Verwachting
  • Mijlpalen
  • Verhuizing
  • 2026
  • Vrijheid
  • Rot op, Rutte!
  • persoonlijk
  • de niet zo schijnbare paradox
  • Vrijdenkers: De bedienaars van de erediensten (baron d'Holbach)
  • Ite, missa est
  • Thomas Paine, Het tijdperk van de rede
  • Les mots d'amour -- De woorden van liefde
  • Ooh...
  • In paradisum
  • Idem dito
  • Kwezel
  • leidraad
  • Vermogensbelasting, een weeldetaks?
  • Schreien en schreeuwen
  • Spelen
  • Heilig
  • De vijgenboom, of de wortels van het antisemitisme.
  • Bidden
  • wereldverbeteraars
  • Galilei
  • 900 jaar Abdij van Vlierbeek
  • Bewapeningswedloop
  • Frans spreken gelijk een koe Latijn
  • De oorsprong van de godsgedachte en de godsdienst.
  • Theocratie en democratie
  • Israël: zij en wij
  • God de Vader
  • Vreemde vogels
  • Vrijdenkers: recente bijdragen
  • Tweeling, tweelingen
  • de gruwel en de verantwoordelijkheid
  • De behendige Van Bendegem
  • De Verlichting en haar belagers
  • Corsica
  • Breendonk, de gruwel, de feiten
  • Levend verleden
  • Spectaculair
  • Verrijzenis
  • Goede Vrijdag 2025
  • Palmzondag
  • Gij zult niet doden
  • Vrijdenkers
  • Koekoek!
  • Vrede
  • Christelijke moraal, atheïstische ethiek
  • Al te vroeg gestorven
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Openbaring
  • Elke mens is uniek
  • Me dunkt...
  • Hybride
  • Sint-Catharina. Brief aan een christen vriend.
  • Het geboortejaar van Jezus Christus
  • Etsi Deus non daretur: zelfs als er geen God zou zijn.
  • Godsvrucht
  • Eerlijkheid
  • Verlossing: I know that my Redeemer liveth.
  • Gezag
  • Als de vos de passie preekt...
  • De hondse filosofen
  • Anselmus van Canterbury
  • Op mijn eentje
  • Inquisitie in de Middeleeuwen
  • Heksen
  • Gerede twijfel
  • Kristien Hemmerechts' late bekering en mystieke ervaringen
  • De Blijde Boodschap, andermaal
  • Verwondering
  • Wees volmaakt zoals uw hemelse vader
  • Paul Claes Odyssee 2.0
  • Griekse tragedies: Sofokles
  • Thomas a Kempis, de Navolging van Christus
  • De Griekse bronnen van de Verlichting
  • Islam en christendom
  • Darwin, creationisme, intelligent design
  • Satan
  • Humanisme
  • Godsdienstvrijheid
  • Ethiek en humanisme
  • De vos en de egel
  • Perfide
  • Godsdienst na de dood van God?
  • Sceptisch
  • incest
  • Catechismus
  • Filosofen te koop
  • Democratie
  • De uitzondering en de regel
  • Etiketten
  • Extreemrechts
  • Waarheid en verzinsel
  • Over geloof en psychologie (recensie)
  • De misdadige geschiedenis van de Kerk
  • Judith Butler, Wie is er bang voor Gender? (recensie)
  • Erwten en kikkers
  • David Hume
  • Denken en geloven in de oudheid (recensie)
  • Kinderspel?
  • Over grenzen, Mark Elchardus
  • Robot
  • Vooruitgangsgeloof
  • Het kan me niet schelen!
  • Aurelius Augustinus, Belijdenissen
  • Buizingen, een parochie miskend
  • Main morte
  • Celsus?
  • Een betere zaak waardig.
  • 'De waarheid zal u bevrijden.'
  • Feminisme
  • Tijdverspilling
  • Anarchist
  • Sjostakovitsj
  • Om de liefde Gods
  • Het boek
  • Naastenliefde
  • Parabels
  • Alzheimer
  • Verkiezingskoorts
  • Cynthia
  • Sindh
  • Cicero, Wet en rechtvaardigheid (recensie)
  • Israël, Oekraïne
  • Godsdienst en religie
  • Abraham en de vreemdeling
  • Winterzonnewende 2023
  • Anaximander
  • Links? Rechts?
  • Willen jullie meer of minder Wilders?
  • Het Gemenebest
  • Jeremy Lent, Het betekenisveld, Stichting Ekologie, Utrecht/Amsterdam, 2023 (recensie, op eigen risico...)
  • Richard Wagner
  • Secularisme
  • Naastenliefde
  • Godsdienst en zijn vijanden
  • Geloof, ongeloof en troost?
  • Iedereen gelijk voor de wet?
  • Ezelsoren (recensie)
  • Hersenspinsels?
  • Tegendraads, of draadloos?
  • Pico della Mirandola
  • Vrouwen en kinderen eerst!
  • Godsdienst als ideologie
  • Jean Paul Van Bendegem, Geraas en geruis (recensie)
  • Materie
  • God, of de natuur
  • euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten (recensie)
  • Godsdienst of democratie
  • Genade
  • Dulle Griet, Paul Claes
  • Vagevuur
  • Spinoza- gedicht, Stefan Zweig
  • Stefan Zweig, Castellio tegen Calvijn (recensie)
  • Hemel en hel
  • Federico Garcia Lorca, Prent van la Petenera
  • als in een duistere spiegel
  • Dromen zijn bedrog
  • Tijd (recensie)
  • Vrijheid van mening en academische vrijheid
  • Augustinus, Vier preken (recensie)
  • Oorzaak en gevolg
  • Rainer Maria Rilke, Het getijdenboek. Das Stunden-Buch (recensie)
  • Een zoektocht naar menselijkheid (recensie)
  • De Heilige Geest
  • G. Apollinaire, Le suicidé
  • Klassieke meesters: componisten van Haendel tot Sibelius (recensie)
  • Abelard en Heloïse (recensie)
  • Kaïn en Abel
  • Symptomen en symbolen
  • Voor een geweldloos humanisme
  • Bij een afscheid
  • Recreatie
  • Levenswijsheid
  • Welbevinden
  • De geschiedenis van het atheïsme in België (recensie)
  • Peter Venmans, Gastvrijheid (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 15
  • Secretaris
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 14
  • De boeken die we (niet) lezen, 2 WIlliam Trevor en Adriaan Koerbagh
  • Abortus
  • Verantwoordelijkheid (1)
  • Verantwoordelijkheid, deel 2
  • Mijn broeders hoeder?
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 13
  • Eerst zien, en dan geloven!
  • Homoseksualiteit
  • Sonja Lavaert & Pierre François Moreau (red.), Spinoza et la politique de la multitude (recensie)
  • Atheïsme: vijf bezwaren en een vraag, W. Schröder (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 12
  • Zoo: Een dierenalfabet.
  • De rede


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!