Dure geneesmiddelen en levensverlenging
Rik Torfs is het daarmee niet eens. In een column schrijft hij dat hij drie fundamentele vragen/bezwaren heeft tegen de 'verplichte keuze voor de vlugge dood'. Hoe kan je een 'korte levensverlenging precies definiëren? Tweede vraag: wat vinden de 'oudere kankerpatiënten met een zwakke gezondheid' er zelf van? En 'durven we naar de essentie te gaan in een samenleving waarin het woord solidariteit vaak wordt misbruikt om de eigen comfortzone uit te breiden? Wie is werkelijk weerloos?'
Dat zijn behartenswaardige overwegingen van Torfs. Bij het lezen en herlezen ervan,bekroop me de gedachte:wat hier geschreven wordt, geldt, mutatis mutandis, in essentie ook voor de euthanasieproblematiek.
In alle culturen en religies is sterven een 'samenspel' tussen individu en gemeenschap. De verschrikkelijkste dood is wanneer er geen enkele band meer is tussen stervende en samenleving. Als vragen omtrent het maatschappelijk en financieel verantwoord zijn van een voortgezette medische behandeling, kritisch benaderd worden, kan/moet dat m.i. ook gebeuren met vragen van een individu (hoe dan ook geïnspireerd, beïnvloed door zijn naaste omgeving of door maatschappelijke druk) naar een juridisch, financieel, medisch veilige levensbeëindiging.
Wanneer het om levensbeëindiging gaat, zijn de woorden 'solidariteit' en 'waardig sterven' niet van de lucht . Maar, om Torfs te citeren, 'waardig sterven bestaat in essentie niet' en 'solidariteit wordt vaak misbruikt om de comfortzone van de overlevenden uit te breiden'.









