Rostock (DDR) juli 1990 (1)

Rostock (DDR) vrijdag 6 juli 1990-zondag 15 juli 1990Een reisverslag
Twintig jaar geleden viel de muur. Dat wordt terecht uitgebreid herdacht en gevierd. Acht maanden na die memorabele 9de november 1989 en slechts enkele maanden voor de Wiedervereinigung, verbleven mijn vrouw, ik, onze kinderen en een groep Retienaars tien dagen in de hanzestad Rostock aan de Oostzee. In oktober 1990 schreef ik een reisverslag.
Vrijdagmorgen 6 juli 1990. Het Retiese marktplein, kil weer. De dubbeldekker met bar, tv, toilet is er. Maar ook de Citroënbestelwagen en de CX, alsook hun passagiers, zijn startklaar voor hun grote avontuur van de vakantie 1990: een tiendaags verblijf in het Oost-Duitse Rostock aan de Oostzee. We volgen brassband 'De Lindegalm' en onze kinderen naar de Rostocker Sommerfesttage, de Musikantentreff.
De E34 op, naar Venlo, door het Ruhrgebied ( een spinnenweb van snelwegen), en dan naar het noorden. Eerste halte: Hamburg. We maken een ommetje, vlak bij de drukte van de Autobahn: een korenveldje. In de verte zien we de pijlers van de Köhlbrandbrücke over de Elbe. Even voorbij Lübeck verlaten we de snelweg en belanden we bijna onmiddellijk in een file. We naderen de grens met Oost-Duitsland. Er is enige nervositeit: reispas en visum bij de hand, zal de controle veel tijd in beslag nemen? Maar niets van dat alles. De grensovergang is verlaten, de stenen pilasters voor de slagbomen zijn opzij en omver geduwd om meer ruimte te maken, rechts zien we honderden meters ver ijzeren hekwerk: een stuk van het 'ijzeren gordijn'.
We zijn in Oost-Duitsland, we rijden op Oost-Duitse wegen. De E65 is hier een weg tussen bomen, te vergelijken met de gewestweg Retie-Kasterlee. Het verkeer is echter erg druk en zit voortdurend in de knoop. We vorderen langzaam, richting Wismar. Het landschap vertoont enige gelijkenis met onze streek. De huizen langs de weg, de dorpjes en stadjes zijn echter grauw, onverzorgd, verloederd. Hier heeft de tijd stilgestaan. Of beter: hier heeft de tand des tijds gewerkt.
Wismar is de eerste grotere stad. Ook hier verloedering alom. Langs de hoofdstraat staan Jugendstilherenhuizen, die ooit deze boulevard tot een architectonisch juweeltje moeten hebben gemaakt. Nu is het verval algemeen. De afgetakelde grandeur heeft iets griezeligs, iets unheimlich. Even voorbij het centrum rijden we stapvoets langs een reusachtige Sovjetkazerne. Russische soldaten te voet, in camions. De uniformen zijn sjofel, de voertuigen verouderd. Links glinstert even het watervlak van de Oostzee. Door een uitgestrekt loofbomengebied naderen we Rostock. Aan een grote rotonde regelt Volkspolizei het verkeer. Druk verkeer van vooral Trabantjes (Dafklein, helle kleuren, tweetaktlawaaierig, (anders) stinkend). Niet naar de oude stad maar richting Warnemünde rijden we over een stadsexpressweg. Links en rechts: stadsgedeelten met woonkazernes. In een ervan moeten we zijn: Lütten-Klein.










