Het Retiese dialect (37)
Het touw dat op een bepaalde manier om kop en bek van vooral koeien wordt geknoopt is ne moezel. Het woord heeft waarschijnlijk verband met het Engelse muzzle dat muil maar ook muilband betekent. Het stjètlêr duidt de staartriem (waar de paardenstaart door gaat) aan. Stevige, hoge schoenen om op het veld te werken waren landschoenen. Een golfbroek (kuitbroek, ruimzittende broek die een eind onder de knie om het been sluit) werd in ons dialect en klosbroek of en smo?elbroek genoemd. Mogelijk verwijst klos naar ofwel de cylinder- of spoelvorm van de pijpen ofwel versterkte dergelijke broek het klosgeluid dat iemand maakt die op plompe wijze loopt. Dat smokkelwaar in de broekspijpen verborgen kon worden, zal in een grensstreek als Retie door sommigen als een interessante mogelijkheid wel overwogen zijn . Of er ook effectief gebruik gemaakt werd van smokkelbroeken om te smokkelen, is me niet bekend. Een volgens de gangbare mode te korte of te hoog opgetrokken broek werd eerder denigrerend en spottend en gosjstrôtse (Goorstraatse) broek genoemd. De Goorstraatse boeren werden door andere gehuchten beschouwd als erg gehecht aan de voorvaderlijke tradities en als het minst vatbaar voor wisselende modes. Mogelijk heeft het woord maar een beperkt en kortstondig en “zondig” gebruik gekend maar het zou taalkundig echt zonde zijn om het niet te vermelden: de cinnemabroek, waarvan de zakken geschikt gemaakt werden om zonder al te veel hindernissen o.a. bepaalde seksuele activiteiten op het scherm ook eens uit te proberen in de bioscoopzetel.
Om aan te duiden dat de aangetrouwde familie eigenlijk toch maar op de tweede plaats komt, spreekt men over de kâwe/kèèwe (koude) kant of zegt men : ôngetrawd is ôngescheeten (algemeen Nederlands: aangetrouwd is aangedouwd: door huwelijk komt men soms in betrekking tot personen die men bij vrije keuze liever vermeden zou hebben). Het dragen van een “Goorstraatse broek”, dus te kort of te hoog opgetrokken, werd becommentarieerd of bekritiseerd met : Gaj hét wôter in ewe kélder zee?er ? Wanneer je verneemt of te horen krijgt dat je beschouwd wordt als een bluffer, een “blazer”, kan je repliceren met: Bêter blôzen dan ew ba?es verbrannen (beter blazen dan uw bakkes verbranden). Beginnende kaalheid kan de ironische opmerking haj heej en glôzen(glazen) pan in ’t dak zi?en oproepen. Een kind dat aldoor zeurde over pijn aan hoofd, handen of voeten kon van moeder of vader te horen krijgen: Da’s wajt (ver) van ew gat; dowe moete nie óp zi?en. En tegen een slechtgehumeurde, bokkige, lelijk kijkende spruit werd wel eens gezegd: Amaj wade gezicht. Da zal ik es óp de kélderdeur hangen, dan kómen er gén ka?en(katten) in. Wanneer een gesprek stilvalt, kan je om de ontstane onwennigheid te verdrijven en de conversatie terug op gang te brengen, zeggen: nei is ’t weer óm peejjes(worteltjes) te zowen ( zaaien) (en bloweren te schaweren). Bij beide activiteiten is windstilte de beste weersgesteldheid. En tot slot stevige kost. Een niet mis te verstane zegswijze van feministische en/of ontgoochelde vrouwen die het mansvolk op zijn plaats zetten met: Wa zóde vùr zoewe klawen stuksjen en hiejel vèrken in hojs hôlen. Daar heb je als man niet van terug.








