- Onderstaande bloginhoud dialect-linken zijn geklasseerd volgens Provincie en eventueel gewest, alfabetisch de steden en gemeenten met daaronder de deelgemeenten waarvan het dialect is opgenomen. - Ken je het dialect van je stad, gemeente of dorp? Laat het ons eventueel geworden. Hoe beperkt in omvang het ook is!
¨ Het uniekste Lokerse dialectwoord ! (nergens anders gesproken)
moazoart: meikever
¨ De mooiste Lokerse dialetwoorden
akaks: toevallig, terloops klooterspoaëne: rammelaar voor baby komaale: diepe kom léekkerbeetsjen: klim of staakboon litsepoepe: vanillepudding lootersteiërten: kwispelstaarten, maar ook jonge man op vrijersvoeten moazoart: meikever pieskalotere: piemel tuuëverasbruuëd: paddestoel verfeurtelen: struikelen
E eetvork: forcet ; eend: kanaar ; erwt: eirte ; ekster: oukstre ; eed afleggen: zweiren ; elkaar: mekoar ; ergens: ieveranst ; einde: tende ; een keer: ne kir ; eend: ienze ; emmer: iemere ; elastiek: nun Reikere ; elk: aalk ; ellebogen: aaleboogen ;
F fiets: vilo ; fietszadel: zoale ; fietspedalen: terten ; foto: fottoo ; fototoestel: kodak ; fopspeen: tiete ; frambozen: bimbombeirs ; feine motregen: ziëveren ; foor: fuëre ; feest: fiëste ; fruit dat men legt te rijpen op een verdoken plaats: mouternest ; framboos: bimbombeir ; fondant: fondangs ; flesje: fleschken ;
G gaan: goan ; gooien: smijten ; golven: baren ; gans het leven van iemand: alsijleven ; geeuwen : goupen ; gierigaard: pezewever , vrek ; gras: gas ; goeie dag: jeurs ; goed: goe ; gezegt: gezeet ; gezicht, gelaat: wezen, toote ; gevoeg doen: kakken, schijten ; geld achterhouden: blaun ; groep: troep, bende ; geen: gieëne ; geloven: geluëven ; groot meisje: lange loute ; groot kaasjeskruid: koaskeskruid ; gladiolen: vlammend zweird ;gehad: ghadte ; gedaan: gedoane ; groente en varkensvleessoep: smokkelsoepe ; goedkoop minderwaardig hout: woabuëmenhout ; gaarne: geiren ; glazen: gloazen ; geraaktijd: geraoktijt ; geschonden: geschaluind ; gummi snoepjes: surziep ; gaarne: geiren ; geld: gaald ; hansworst, hoorndrager: pieroo ; geldbeugel: portemenee ; geldbeugel die met lint of riem aan het lichaam vastzit: moale ; groentesoep met varkensvlees in: smokkelsoepe ; gefeest: gesmeird ; gezelschap: kompagnie ; geheimzinnig doen: meutelen ; (je bent dan een: meuteleire) ; gesneden: gesneën ; gier, vloeibare mest (aal): beir ; geluk: sjäns ; gehoord: g’uuërd ; gezanik: gezoag ; gezegd: gezeed ; gehuwd, getrouwd: getrat ; goed van voorzien: besleegen ;
H haastig: kittig ; hond: nen oond ; hemel: eemele ; hooi: ooi ; huichelaar: totentrekker ; hier: hiere ; huis van lichte zeden: hoerekot, kabardoesken ; hakmes, hakbijl: kapmes ; hakblok: kapblok ; horen: heurt ; hoor: zonne, zunne, zanne ; hagedissen: lokketisten ; hier: iër ; huizen: dhuizen ; haag: weire ; houtmijt: mijte ; houten wig: spien ; houtresten: sprokkelingen ; haar: hoar ; heb ik: hék ; heel zeker: vaneigenst ; hun: hulder , huldre ; heps: hespe ; heewel: awaal ; hutsepot: domp in de pot ; hard lopen, sprinten: ketsen ; halen: hoalen ; hoeveelheid van iets: poose ; haag: weire ; hagelstenen: hoageballen ; hovaardige vrouw: greutse konte (konte = achterwerk) ; houtmijt: mijte ; hevige verwijten maken: uitschijten ; handvol: affel ; hij die beroepshalve veel op de baan is: baonman ; hapjes, lekker eten: beetses ; hoog: huuëge ; hewel: waal, awaal ; heeft: heet ; heb je: hèdde ; heren: hieëren ; hik: snik ; hemd: hènde ; hun: hodderen ; het heeft er: ’t heeter ;
I iets verkeerd doen:oese ; iemand die weent: schriepépe, schriëmuile ; iets niet zo gaaf of mooi: groezelig ; ijsroom: pilekenkoud ; ijsroom tussen twee wafelkoekjes: boeksken ; ijsroom in een hoorntje: toeterken ; ijsje: crémeke ; iets op verdoken plaats wegsteken: mouternest ; iemand die moeilijk te ontwarren zaken afhandeld, bedrieger: knosseleir ; iemand die zijn snot op likt: keiseleekere ; in blijde verwachting van kind: in pesise ;
Bron:Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren.
Zie ook Lokeren dialect 2 en 3, scroll naar beneden !
Lokeren (deel 2)
Lokeren (deel 2)
Ü Klik op het vaandel voor: Informatie over deze stad
¨ Op zijn Lokers gezegt:
- Een gelukkig jaar en al wat ik je wensen kan: 'n gelukkig joar én aol wa 'k ou wénsen keun. - Als ik het: aseket - Dat zal zo zijn: da sa wal ; dat ge: dagge - Er komt niets van: tis van de kluëten - Krenterig iemand: hij zô tsaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat - Onverzorgde vrouw: slonse ; - Onrustig iemand: héét muren oan zijn gat - Opschepper : bluffer - Ga weg: tertent 'taf ; - Hoe wreed zeg: oe vriët seg ; - Het gazon maaien: 'tgas af rjn - Hij ging naar de wc en kuiste zijn achterse af met een dagblad: hij gin naer't huisken en kuiste zijn gat (ol) af mijën gazette - Het kan mij geen barst schelen: 't kan mij nie bommen - Ik ga het konijn de pels afdoen: kgou 'tkonijn 'tvaal afstruëpen -Iets wat je wilde doen en niet lukte: twas ver den drol - Iemand die niet naar behoren presteert: ne pruts - Iemand die een grote mond opzet: gruët bakkes - Iets arrangeren dat niet zo eerlijk is: foeffelen (iemand die zo iets doet is een: foeffeleire) - Iets niet zo goed maken: knosselen (iemand die dat doet is een: knosseleire) - Ik heb het: kent - Mooie of wat losse vrouw: bieken - Maak dat je weg komt: meikt ou weg - Naar de school fietsen: narde schole terten - Nog een goede dag: sallu - Over het algemeen: deur den baand - We zullen door gaan: we goun deure goune -Tegen een veelvraat die alles door elkaar naar binnen jaagt zegt men: gij moakt van ou lijf 'n spoelkuipe. - Wie vermoed dat een kind aan het liegen is zegt: zwijg maar want ghet 'n gruéd zwart kruis op ou veurheuft ; - Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen: as de kinders kleine zijn terten z' op ou tienen as ze gruêt zijn op ou erte. - Als iemand een wind laat: wie hééd hier in zijnen vinger gesneen. - Iemand die zijn eten niet gans op eet: zijn uégen zijn greuter as zijnen buik. - Als men iets zegt en men vraagt om teherhalen: de pastere doe geen twie missen veur tjaalfste gaald. - Als iemand snel zijn behoefte moet doen zegt men: hédde soms slijtpap géten. - Als iemand in een dure zaak binnen gaat zegt men: doar moede nie mier binnengoane, ze schrijven doar mee dobbel kruit. - Als men iets in bruikleen vraagt en het niet krijgt zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn. - Van iemand die graag een hoge borst opzet:hij peist dan 't zwiest en 't zwast nog nie. - Als men zit te klagen zegt men: geef de stoefer 'n bruëd, de kloager hé gien nuëd. - Alshet gezinzich in nieuwe kleren steekt: wij hén ons allemoal in spie moeten steken. - Als de fanfare hun geliefde muziek speelt zegt men: heurt ze spelen weer older lijfstuk. - Wie het schoentje past trekt het aan: as ge ne neuze hét, kende rieken. - Men zegt vaneen kind dat goed leert: kijk nou ne kir, hij spreekt al op de lettere. - Als men iemand wil leren kennen zegt men: veur iemand te liëren kennen moed'er eerst ne kir pap mee eten ! - Als iemand te schrokkig gegeten heeft en hij moet een boertje laten zegt men: mijne kaalder valt inne. - Van iemand die uit alles munt wil slaan zegt men: hij zô vliegen vangen mee zijn gat ast hij intijds moest keunen toenijpen ! - Tegen iemand die smorgens slecht geluimd is zegt men: hêd ou aaiken nie ghatte ? - Hij wil van geen overeenkomst weten, hij wil niets toegeven, hij houd zich op zijn standpunt: hij wol nie steken of nie snîjn ! - Iemand die recht in zijn schoenen staat, rein in gewetenis: wie nie besnot is moet nie snuiten ! - Wie niets heeft kan niets geven: ne kei keude 't vaal nie afstruëpen ! - Met die man moet men opletten: pas op dadde tegen den dienen zijn karre nie rijdt ! - Wanneer iemand geregeld aan zijn achterste krabt zegt deze: de boter goat afsloagen. - Alsiemand zijnhoofd jeukt zegt deze: mijne kop iekt, dés regenachtig ! - Ik weet wat ik zeg, ik heb het zelf gezien: mijn uëgen zijn geen kattestronten ! - Als iemand te laat op zijn werk komt zegt men: heêd ou vrau soms te lank op ou (h)ende gelegen ? - Als ge ergens tevroeg op de afspraak toekomt zegt men: hédde soms in ou bedde gepist ? - Bij een scheldpartij zegt de tegenstander: leg ne kir ou hand op ou huéfd en kijk wie datter ondrstoat ! - Van een onbeholpen iemand zegt men: hij is nog dommer as 't peird va christus, waarop volgt, en 't was mondedju nen ezele ! - Tegen een nieuwsgierig kind dat blijft zeuren zegt men: dé zijn kreuzeneusen en vroagstroaten. - Als de vrouw denkt dat de zoom van haar kleed onderuit komt vraagt ze: speel ik gene poattere (pater) - Als de vrouw een kleine linnen wasbeurt doet noemd dat: 'n plodderken sloagen. - Van iemand die er maar bleek bijloopt zegt men: hij ziet er maar smiëkes uite. - Vaniemand die niets lost zegt men: hij is nogal steeg van afgoane. - Als men denkt dat het gaat regenen zegt de boer: 't zal nog regene vandoage de veirkens luëpen mee struëd in olde muile ! - Als men een gebroken arm heeft zegt men: hedde soms oane vloarink gebroken ! - Als men beschuldigt word van iets wat men niet deed zegt men: mij gat zee bakkere ! - Een vrouw met moeilijk onhandelbaaren venijnig karakter: 'n tiptoerte. - Een vrouw met haar op haar tanden: een tieke - men zegt dan: zo 'k nie geiren 'n eiken te palen énne zonne ! azuë 'n tieke van 'n wijf. - Men zegt van iemand die graag een grote mond opzet: her ne ker doare, de muilem is weer bezig ! - Wanneer men het echt goed heeft en zich gezellig voelt zegt men: loat de boeren moar dussen ! - Tegen iemand met een ooggezwel (pinkoog)zegt men: hédde soms in ne karreslag gepist ? - Tegen iemand die zenuwaxhtig rondloopt zegt men: moede soms eiren leggen ? - Als iemand zij vroegere levenswijze moet opgeven zegt men: as 'n oer oud wordt pist ze wijwoatre ! - Als men door iemands schuld in een benarde situatie geraakt zegt men: nou hédde mij nogal ne poater gescholderd. - Als er koude rillingen over het lichaam lopen zegt men: het duëmanneken leupt over mijn lijf. - Als men niet goed luistert zegt men: of dadde tegen hem spreekt of schijt dés zjuust tsaalfste ! - Van een bloedneus zegt men: ne goe bloeneuze is 'n ziekte gespoard ! - Van iemand die zeer gelukkig is en dat duidelijk laat blijken zegt men: moest hij (zij) nouin zijn (heur) handen schijten, hij (zij) zou peizen dan 't ne spekkoek is ! - Van iemand met een schorre stem word gezegt: hij (zij) hee precies ne puit in zijn (heur) kele ! - Doen of als ge het niet gezien hebt: geboaren van krommen hoaze ! - Wat een domerik ben jij: wa veur nen truten zijde gij ? - Spijbelen op school: achter d' hage luëpen. - Iemand die uit de hoogte doet en alles beter weet: bajaar. - Vrouw dat medelijden opwekt, onhandig in doen en laten: santeutje. - Lichtzinnige onnadenkende vrouw: tuite. - Moet dat voor het kindzijn neus niet uitdrinken: moedde dé veur dé mannekens zijnen neus uitdrinken, moet hij misschien zijnen was verliezen ? - Iemand een ongename verassing bezorgen: ne kir ne pee stoven. - Van iemand die graag een hoge borst opzet zegt men: hij peist dan 't zwietst en 't zwast nog nie. - Van iemand die in het nauw gedreven en bedreigd voeld zegt men: zijn woater wordt neig bliêk. - Van iemand die niet van zijn stuk te brengen is zegt men: hij héét zijnen duim in zijn handen - Als een kind zich moeilijk rustig kan houden en bv. heen en weer op zijn stoel schuift word gevraagt: ofdét hij muren (mieren) oan zijn gat héét - Als men van iemand iets in bruikleen vraagt zonder gevolg zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn. Is deze persoon ook krenterig zegt men: hij zô tjaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat. - Het spreekwoord "kleine kinderen,kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen", luid in Lokeren als volgt: as kinders kleine zijn terten z'op ou tienen, as ze grueët zijn op ou erte. - Wie vermoed dat kinderen aan het liegen zijn zegt: zwijg maar want ghet 'n gruët zwart kruis op ou veurheuft. - Van een vrouw die voordurend heen en weer loopt zegt men: z 'is op heuren drevel. Zij zelf zegt: wa'k van vandaag afgedreveld hén, dés ongeleufelijk ! - Een gigantisch klinkend, maar toch vriendschappelijk gezegde: wie veur zijn eigen zirgt, zirgt veur ne goê vriend ! - Voor nutteloze uitgaven zegt men: des op de kosten van 't sterfhuis ! - Van iemand die op zijn laatste benen loopt en gaat sterven zegt men: hij leupt mee zijn duêkiste onder zijnen eirme. Als hij dan dood is zegt men: hij heet zijn tiënen uitgestoken. Als hij naar het dodenhuisje word gebracht zegt men: hij ligt op de blau steen. Als hij begraven is zegt men: hij ligt mee gas op zijnen buik. - Als getrouwde kinderen niet meer naar huis op bezoek komen zegt men: ach wie nie komt moe nie kiëren. - Tegen een vrouw die niet goed aan haar fietspedalen kan tijdens het fietsen zegt men: héd al botere madammeken ? - van iemand die een slag op zijn kop gekregen heeft zegt men: hij éé nen tets op zijne kop gatte (tets is hier de taats die onder bottines geplaatst word). - Van iemand die hoogmoedig op het gewone volk neerkijkt zegt men: dien blageur is zeker vergeten dat hij uit 'n werkmansbroeke komt ? - De tijd heelt alle wonden: dé verbuëm wal - Als een van de huwelijkspartners iets verteld aan buitenstanders over de gemeenschap zegt de andere partner: zwijg moral, mee oanen flau savec, over 't bédde wordt er nie gesproken ! - Als iemand snel voorbij loopt zegt men: schiëter moar uite z' hén hem al ! - Van iemand die een vlot passend antwoord kan geven zegt men: hij keu rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten. - Als een man wel eens een slipertje durft te maken zegt men: hij zotter zijn klakke nie overleggen ! Hij zelf zegt dan: omdak mijn vrou nou geiren zien, moet ik op d'andere toch nie koad zijne ! Als een gezinslid iets vraagt dat moeilijk betaalbaar of onverantwoord is zegt men: dé keud onzen bruinen nie trekken. - Tegen of van mensen die veelal tegenslag hebben zegt men: jaja 't leven is ne strijd, wij stoan der veuren en wij moeten der deure, den iënen wort er deurgedregen, den anderen moet er deurkruipen, doar zittend em, dés 't leven. - Van iemand die nog niet geestesrijp is zegt men (vooral kinderen die iets nog niet begrijpen): dé heêt doar nog geen verzaë van. - Van iemand die er warmpjes inzit (vermogend is) en dat laat merken en zijn weelde ten toon spreid zegt men: wie dan 't lank heêd loatend lank hangen ! - Als men een duurdere aankoop verantwoord vind omdat deze wellicht langer meegaat zegt men: dé komt allemoal zeu lank as dan 't briëd is. Men zegt ook wel: koeken noar gaald Kwaliteit moet betaald worden. - Als een man te laat komt (b.v. het werk) zegt men wel eens: “Heêd ou vrau soms te lank op au (h) ende gelegen?” Heeft je vrouw soms te lang op je hemd (pyjama) gelegen? - Als een man te vroeg ergens toekomt (b.v. het werk) zegt men: “Hèdde soms in ou bedde gepist?” Heb je soms in je bed gewaterd? - Als je denkt dat ze van jou spreken zegt men: “Mijn uëren tuiten !” Mijn oren tuiten ! - Van iemand die graag een grote mond opzet, roept of tiert zegt men: “Heurt ner ker doare, de muilem is weer bezig !” Hoor eens daar de grote mond is weer bezig ! - Van iemand die een bonvivant leven heeft geleid en het nu kalmer aan moet doen door ziekte enz… zegt men: “Hij hee zijnen tijd ghatte gelijk de brombezen” Hij heeft zijn tijd gehad zoals de braambessen. - Een moeilijke stoelgang hebben, gierig zijn: “Steeg van afgoane !” - Een vrouw met haar op haar tanden zoals men zegt: “Azuë ’n tieke van ’n wijf “ Zo een bazige vrouw. - Als men een rotslechte dag heeft en alles tegenslaat wat men doet, zegt men: “Zo’ der ou nie van beschijten !” Ge zou je er van bevuilen ! Of wel zegt men: “Zodde doar millegrijs ou bluët gat nie loaten va zienne !” Zou je daar je ontbloot achterste niet van laten zien ! - Als men er harder moet tegen aangaan roept men: “Allei manneken bozze geven.” Bozze = scrotum (teelbalzak). - Van iemand die alle soorten drank lust zegt men: “Zijn tote past op alle teuten” Zijn mond past op alle fleshalzen, als het maar alcohol is. - Van een gezin dat de ene tegenslag na de andere te verwerken heeft, zegt men: “Den duvel (h) oud doar de keisse” De duivel houd daar de kaars vast. - Van een dronkaard zegt men: “Hij meugt ze nogal” of “Hij zal ze in zijn schoenen nie gieten”. - Als men zijn vermogen wil wegschenken als men nog goed gezond is zegt men: “Ge meugt ou nie ontbluêten veuren dadde sloapen goat !” Je mag je niet uitkleden voor je slapen gaat, wat wil zeggen, schenk je vermogen niet weg vooraleer je stervende bent. - Het verschil tussen een arme en rijke Lokeraar: “Nen eirme moakt ruze op’t stroate en een rijke in zijne salon” Een arme maakt ruzie op straat en een rijke binnenhuis. - Van iemand die er financieel goed inzit zegt men: “Hij hangt lank !” Hij heeft nog veel geldreserve ! Men bedoeld evenwel niet de echte rijke. - Als iemand iets onverwacht veel geld gekost heeft zegt men: “Z ‘hèn hem doar ’n snee in zijn uëren gegeven !” Ze hebben hem daar een snee in zijn oren gegeven ! - Als iemand de negatieve karaktertrekken van zijn vader heeft zegt men: “ ’t is zjuust zijnen aon (oude)". - Als men de positieve karaktertrekken van de vader waarneemt zegt men: “Hij is uit zijn vader gesneën (gesneden)”. - Als men u bij de bediening van eten al dan niet gewild overslaat zegt men: “Nou moede kijken si ! wij hèmme weeral ’n houten muile !” Nu moet je kijken, wij hebben zeker een houten mond ! - Als iemand door eigen schuld in moeilijkheden verkeert zegt men: “Het zijn zijn eigen luizen die hem bijten !” - Van een vrouw die met regelmaat haar kinderen aan hun lot overlaat zegt men: ”’t is ’n echte kattemore (kattenmoeder) !” - Als een echte Lokeraar een plasje moet maken is een van de uitdrukkingen de volgende: “’t is huëg tijd dè k mij petetten ne kir goan aofgieten !” Het is hoog tijd dat ik mijn aardappelen ga afgieten. Als je wat vergeten zijd (b.v. tijdens een boodschap doen) zegt men: “As ge aone kop kwijt zijt moede ao biënen gebruiken !” Als je er met je hoofd niet bij zijd, moet je nu maar je benen gebruiken om het vergetende te halen. - Van een bereidwillig persoon zegt men: “Dès ne kir ne gouêt kluët si ! doar keude niets aen misvraoagen” Bedoeld word dat het een goed manspersoon gaat waar je niets aan kan misvragen (kluët = teelbal). - Van een kruidje-roer-mij-niet, dat tevens een beetje de schijheilige kant opgaat, zegt men: “Is mij dé ’n heilig zaontsen !” Het is een heiligprentje. - Als een Lokeraar wil diets maken dat hij u geen uitstaans meer wil hebben zegt hij: “Gij éd op mijnen dein (pleintje) gescheten !” Je hebt je behoefte (stoelgang) bij mij achtergelaten. - Als men in Lokeren hoort zeggen: “Die mens is neig vervet. Joa’n, gelijk ne reiger op zijn schenen” Betekend het dat die persoon fel vermagert is, ook bij een reiger komt er geen spiertje vlees op zijn schenen. - Als men van iemand zegt: “Hij droagt uëren gelijk taluëren” Hij heeft oren gelijk eetborden, bedoeld men dat zijn vrouw hem bedriegt met andere man(nen). De Lokeraar heeft hier het gebruikelijke hoorndrager omgevormd tot orendrager. - Van iemand die luidruchtig boert (door spijsvertering) zegt men: “Zijne kaalder valt inne !” zijn kelder stort in. - Als iemand nog weinig interesse voor iets betoond zegt men: “Hij voagt ‘er hij tegenwoordig vierkant zijn gat aone !” Hij draait er zich met zijn achterste naartoe, het interesseert hem eenvoudig niet meer. - Wanneer men slaap krijgt zegt men: “De voakluizen zijn doar al !” De slaapluizen zijn er al, men begint dan vooral in de ogen te wrijven. - Van iemand die al te begerige blikken werpt zegt men: “Eu wa vrië dingen ! keud diene mens lonken, hij droadt hij bots mee zijn uëgen tot in ’t holleken van zijn gat” Wat wreed, kan die mens zijdelinks kijken, hij draait met zijn ogen tot voor de opening van zijn achterste. - Als iemand de deur openlaat vraagt men hem: “Of dat hij soms gewuën is is van naor de keirke te gaone?” Gewoon is van naar de kerk te gaan. - Als een man helemaal weg (verblind) is van een vrouw zegt men: “Dè steekt zijn uëgen uite !” Zij steekt hem de ogen uit. - Wanneer iemand het je zodanig op de heupen doet krijgen dat je er bijna je zelfbeheersing bij verliest zegt men: “Si diene mens zod oa ’t schijt duun krijgen !” Die mens zou u de afgang doen krijgen ! Of “Van diene mens krij ‘k de kao korsens !” Van dienen mens krijg ik de koude koorts ! - Tegen een deugniet zegt men: “Ge zij nen deugniet gij, en doarmee zijde geprezen !” Ge zijt een deugniet en daarmee heb ik je op de volle waarde geschat ! - Van iemand die rap buiten adem is bij een normale inspanning zegt men: “Nen ezel zweet van ’t schijten !” Een ezel zweet van zijn grote behoefte te doen ! - Als men iemand onrechtvaardig behandeld heeft zegt men: “Zen die sikkeleire doar verdrom ne kir ne kluët aofgetrokken si !” Ze hebben die sukkelaar daar wederom eens liggen gehad ((kluët = teelbal). - Als men vermoeid begint te raken en de benen gaan niet goed meer mee zegt men: “Ja, ja bij nen ezel beginnend altijd aan zijn puëten !” Ja bij een ezel begint ook de vermoeitijd altijd bij de poten ! - Van een vergeetachtig mens zegt men: “Hij omtoadt zjuust van ’t snuuns tot den twoalven !” Hij onthoud juist van smiddags tot en met 12 uur ! - Als ge ergens een voordeel gehaald hebt zegt men: “Dir is wa van de karre gevallen !” Er is wat van de kar (wagen) gevallen ! - Bij hoog oplopende ruzies zegt men wel meer: “Gij meugt nog nie gaan rieken woar dè ‘k ik gescheten hèn !” Gij moogt nog niet gaan rieken waar ik mijn grote behoefte gedaan heb ! - Tegen een jong meisje dat al eens weent zegt men: “Spoard oa troanen moar veur laoters meisken, ge za ze nog genoeg nuëdig hènne” Spaar je tranen maar voor later meisje, je zal ze nog genoeg nodig hebben. - Van twee goeie onafscheidbare vrienden zegt men: “si die twië plakken aon makoar gelijk stront aon ’t hènde !” Zie die twee plakken aan elkaar gelijk uitwerpsel aan het hemd ! - Als men iets komt vertellen dat je al weet zegt men: “Das ao vuil !” dat is oud vuil! met andere woorden dat is oud al gekend nieuws. - Als men in Lokeren zegt: “Als ’t te wit wordt, tèn worret zwart !” Als het te wit wordt, dan wordt het zwart !” Dan bedoeld men dat een goede vriendschap plots kan omslagen naar vijandschap. - Als vrouwlief je geen woord gunt, zegt de man: “’k Hèn beeld maor geene klànk !” ik heb beeld maar geen klank ! - Als men een nutteloze verplaatsing gemaakt heeft spreekt men van een: “Beenhaowersreize” Beenhouwersreis (komt van beenhouwer die zonder resultaat op zoek was naar geschikt slachtvlees). - Wanneer men zich veilig en goed geborgen voelt zegt men: “We hier huuëg en druuëge” We zitten hier hoog en droog. - Als iemand met zichzelf hoog oploopt zegt men: “Wie dènt huuëge op heed keu lieëge välen” Wie dat het hoog met zichzelf opheeft kan laag vallen. - Van iemand (vrouwmens) die dan ook maar alles ziet zegt men: “Dè mèns heed uuëgen op heur gat staone ! " Dat mens heeft ogen op haar achterste staan ! - Wanneer je voortdurend op je hoede moet zijn zegt men: “Ge zo’d uuëgen op oa gat moeten hène !" Ge zou ogen op je achterste moeten hebben ! - Van iemand die veel invloed heeft zegt men: “Hij heen ne vrieë langen eirme !” Hij heeft een lange arm ! - Als iets vanzelfsprekend is en geen verdere uitleg hoeft, zegt men: “ Dè voag zijn gat zonder papier !” die veegt zijn achterste zonder papier ! - Als iemand morgens vroeg aan het fluiten is, zegt men: “Pas maor op dèn de katten oa nie pakken !" pas maar op dat de katten u niet pakken. Men bedoeld, vroege vogels blijken gevaar te lopen. - Van een langslaper zegt men: “Hij zod in zijnen nest blijven liggen tot de zon in zijn gat zit !” Hij zou in zijn bed blijven liggen tot de zon in zijn achterste zit ! - Als men in Lokeren hoort zeggen: “’k Zan hèm ne kir van de stoaëse gaon hoalen !" Ik zal hem eens aan het station gaan halen ! Wil dit zeggen dat hij hem een pak slaag zal toe dienen. - Als men een bankbriefje (geld) laat wisselen waar en persoon met baard opstaat, zegt men: “wij gaome nog ieënen loaten scheiren !” We gaan er nog een laten scheren ! - Van iemand die in zijn kaarten niet laat kijken wordt gezegd: “Den dienen laot ok zijn hènde nie ophèffen !” die laat ook zijn hemd niet optillen ! - Van iemand die grote voeten heeft zegt men: “Diene kadee keut op zijn voeten staon sloapen !” Die jonge man kan op zijn voeten staan slapen ! - Van haar die met een slecht afbrokkelend gebit geplaagd zit zegt men: “’t Is zuust nen bak schramoelen as z’euren mond oopenduut !” Het is juist een bak sintels als ze haar mond opendoet ! - Van iemand die niet langer iets kan verzwijgen zegt men: “’t Ligt te zweiren op zijn tonge !” Het ligt te zweren op zijn tong ! - Van iemand die ligt te sterven zegt men: “Hij is aon zijn leste schof beezig !” Hij is aan zijn laatste uren bezig ! - Van iemand die stekeblind is zegt men: “Hij zie zeu goed in den donker as zonder licht !” Hij ziet zo goed in het donker als zonder licht ! - Als alles al op voorhand geregeld is en men mag zelf niets meer in te brengen, zegt men: “’t Veirken is al deur den buik gestooken !” Het varken is al geslacht ! Alles is zonder ons geregeld bedoeld men hier. - Als een persoon na een al dan niet terecht gekregen opmerking uiting geeft aan zijn ongenoegen, zegt de berisper kortweg: “As ’t oa nie aoënstaot lègter gij oane kop tèn bij !" Als het je niet aanstaat leg er je kop dan naast ! - Als een week onderbroken wordt door een vrije dag zegt men: “’t Is maor ’n bescheeten weeke !” Het is maar een bekakte week ! Men bedoeld dat men er door uit zijn gewone doen geraakt. - Van een gierigaard zegt men: “Die zo zijnen eigen stront opeeten !” Hij zou zijn eigen uitwerpselen opeten ! Zo gierig (krenterig) is hij. - Als het ’s avonds donker wordt zegt men: “Ze bloaëzen de gruuëte keis uite !” Ze blazen de grote kaars uit ! - Van iemand die er stralend bij loopt zegt men: “Zij weezen leupt op wielekes !” Zijn gezicht loopt op wieltjes ! - Van iemand die veel schulden gemaakt heeft en deze niet kan voldoen zegt men: “Hij stao mee zijn uuëren aon den blok” Hij staat met zijn oren aan de (kap) blok. - Van een vrouw waarvan de sleuf tussen haar borsten zichtbaar is door een diep uitgesneden kleed, zegt men: “Ze luuëpt mee heur wijwatervat bluuët” Ze loopt met haar wijwatervat bloot.
Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren
Scroll naar boven en beneden voor meer Lokers dialect !
Lokeren (deel 3)
Lokeren(deel 3)
Ü Klik op het wapenschild voor: Informatie over deze stad
¨ Weerspreuken
- In verband met het rijpen van de oogst: Rijp of niet ! Op Sinte-Margriet pikken ! - In verband met de windrichting zegt men: Waar hij op Pasen gaat slapen, zal hij op Sinksen opstaan !: woar dét hij op Poasen goa sloapen, zadt hij op Sinksen opstoane ! - Dooi zonder regen of wind, is niet waard dat het begint !: dooi zonder regenof wind is nie weird dant begint ! - Als er na lange droogte een zappig regentje valt zegt men: 't regent vijf frankstukken ! - Weerspreuk in verband met de lengte van de dagen: mee Kerstdag stoan ze, mee nievjoar goan ze, mee drijkeuningen zijn ze gelingd zeudat de ruiter op zijn peirde springt. - Sneeuw regen of wind voor nieuwjaar doet niets af van wat nog komen gaat, men zegt dan: veur nievjoar is genen afslag. - Als de zon zich niet laat zien en het weer is overtrokken en regenachtig zegt men: 't is moar ne bruinen. - Kring rond de zonne Woater in de tonne (tonne = watervergaarelement of waterton)
¨ Gezegden van vroeger:
- Daknam hottentot, zeven huizen en een veirkenskot. - Moager en toai, gelijk de bokken van Snaui (Mager en taai gelijk de bokken van sinaai) -Typisch gezegde van een stotteraar: spukt et moar in mijn klakke, 'k zaan ter wal uitroapen (spuwt het maar in mijn pet, ik zal het er wel uitrapen)
Onze vader die in al de herbergen zijt Geheiligd zij de klare en de bittere Laat ons toekomen de genever Geef ons heden onzen dagelijkse druppel En vergeef ons onze schulden Die wij in de herbergen staan hebben Gelijk wij geven aan de bazin Die ons slechten drank verkocht En leidt ons niet in de kroegskens Maar verlos ons altijd van de lege glazen Vat van genever, vol van spiritus Wij zijn met u, gebenedijd is ’t citroentje En gebenedijd is de vreugd van ’t fleschken Heilig genevervat, moeder der zatlappen Nu en in de uur als wij aan ’t zuipen zijn.
Zie ook Sint-Niklaas dialect deel 2 scroll naar beneden !
x
Sint-Niklaas (deel 2)
Sint-Niklaas (deel 2)
Ü Klik op het vaandel voor: Informatie van deze stad
¨ Getallen in Sint-Niklaas dialect
vijftien: vuftien
vijftig: vuftug
¨ Op zijn Sint-Niklaas (Sinnekloases) gezegt.
- Dat kan ik niet betalen: da kan mijnen bruinen nie trekken - Heb het begrepen: 't zit in de sakosj - Iemand aanhouden, vastnemen: bij zijn lurven pakken. - Komt er nog iets van: awaal - Langs daar: lanst doar - Mijn ouders: m'n aars - NMBS (Nationale maatschappij Belgische spoorwegen): ijzeren weg. - Niet helemaal de waarheid vertellen: zwaënzen - Nogal enen: kadee - Op bedevaart: beewegen - Pietje juist: pezewever - Wat doe je daar: elaba - Iets niet naar behoren doen: konkelfoezen - Dat meisje heeft een grote boezem: die mok 'ee ne vrieén balkon. - Je moet daar niet bang van zijn: ge moet dor nie benaat va zin. - Vrouw die met alle mannen meeloopt: allemanswies. - Omdat ge veel last hebt moet ge nog geen ruzie maken !: omda ge veel ambras ' êt moete nog gieënen ambras moaken ! - Tegen iemand die zich haast zegt men: ge moet oa zooë nie afstaan, ge komt er waël zonder oa t' osten ! - Kijken wat iemand doet: ziene kieér achternoar wa dedtie ammel uitstikt ! - Iemand achternadoen: ge moetda zotteke nie achternoardoen ! - Na het werk en pint bier drinken: as da weirk af ' ein gommen un pint pakken ! - Als men hard moet werken zegt men: vur zoeên preeken gin ' é zun klooëten niemer afdrwaain ! - Tegen iemand die met drogredennen afkomt zegt men: ge moet mi dieé flaa zieéver nie afkommen ! - Als men zegt waar men geboren is: mi moeder kocht mi op d' arduine scheepen va Puivaëlden. - Laat ons nog een pint bier gaan drinken: lot ons nog moar nen baat go stekken - Op iemand zijn gezicht slaan: op zun bakkes sloagen - Van een persoon die er vuil uitziet zegt men: beroesten - Tegen het maken van een nutteloze reis zegt men: bieénaarsreis - Van of tegen een persoon die graag veel bier lust zegt men: bierlut - Van gezonde kinderen zegt men: 't zin bloekes van kinderen. - Tegen een meisje dat vanalles tegenkomt zegt men: gij trezebees. - Ga jij eens naar de slager: godde gij ies nor den bienaur. - Ik zal je eens goed liggen hebben: ik zal ne keer schrabielen over ou weir peiren.
- Ge zou er iets ergs van kunnen krijgen: ge ze ter ne kaan oap van kakken.
- Haast je of je komt te laat: affeseer do wa of ge kom nen trèn te loat.
- Het is me niet gelukt: kben van nen bjeenaersrès teruggekommen.
- Hij bezit niets meer: ei ee gjenen noagel mjeer om in zin gat te kraen.
- Op uw zenuwen beginnen werken: ge zut er de ka kurs van krègen.
- Het lukt niet: zennen jèring broa nie.
- Ik begin te rillen: het doakerrekken rèd over minne rug.
- Zwijg ik heb het genoeg ondervonden: ge moet nen aen oap geen smoelen liejren trekken.
- Ik heb daarvoor geen geld genoeg: da kan mènen bruinen nie trekken.
- Dat wispelturig ventje moet kalm blijven: da buzzekken vloeen moet nie veel bonjoer nie mer moaken.
- Dat is niet zo: das allemoal zjiever i pakskes. - Laat alles zoals het is want hij is niet van de slimste: loat de boeren moar dussen, tis gjeen avans want è is tog te lomp om taelpen donderen. - Ze zullen hem lynchen: ze zullen em tvas nog afsloan. - Ik ben het werkelijk beu: kben da so beu as ka pap. - Hij heeft me iets erg aangedaan: hè ee mè ne poater geschilderd. - Diaree hebben: mè den dapperen zitten. - Nooit: in tjoar een as duilen preken. - Goed en veel praten: zen babbielie afspelen. - Zijn kuren krijgen: è eet zen frieten weer gekregen. - Ver weg gaan: noar sjakkamakka goan.
¨Op zijn Belseels gezegt. (Op zijn Baalsiels gezeed)
- De aardappelen staan lang in de aarde: de petetten ston lank in deirde. - Aardappelen schillen met en mesje: petetten schaalde liefst mu nun goeie petetteschaaler. - Mijn arm doet pijn van de beerput leeg te halen: minnen eirm doe zier van den bjeirput leeg t' hoolen. - Het afvoerputje van de riool is nog steeds niet hersteld: da kanduit is nog alt nie gemokt. - De advocaat tracht u te bediegen: den avvekoat probeert o af te luizen. - Ze maakt complimenten en heeft nog nooit met een zeemvel gewerkt: da verkoept chichi en da heeft nog noeit ne ziemlap vastgat. -Alle middelen zijn goed als ze maar helpen: al wat rookt is vuur omtrent, zie Uilenspiegel, en hij warmde zijn handen aan een paardestront - Men heeft je iets of wat onhebbelijks aangedaan: zen mij een pee gestooft
Nieuwkerken
Nieuwkerken Deelgemeente van Sint-Niklaas
Ü Klik op het wapenschild voor: Informatie van deze gemeente
F flauwe grap vertellen, lichtjes regenen: aan t'zieveren ; G gat in een muur om water en dergelijke door te laten vooral in café's: mozzegat ; gazon: bleek ; gelei: zjala ; goeie dag: jour ; gootsteen: pomsteen ; grote mond opzetten: een fraunke toot opzette ;
H haag: weir ; hard werken: serieus owen hiekel afdroan ;
I
J
K knikker: marebol ; klein electrische lampje: klein peerke ; kousen: kujsen ; kruiwagen: krawougen ;
L lisdode: dulpijnen, dulpoezen ; lamp: bolleke ;
M magere vrouw: een panlat ; mestvaalt: mespacht ; mond vol: bakkes ; mand: motmand ;
N neus peuteren: de piere ut owe neus hoale ; non: kwezel ;
O ouderlingentehuis: t hospies, naar de bouw gaan, oud mannekeshuis, oud pekenshuis, 't armenhuis ;
R raamluik (raamblind): blaffetier ; rabarber: zierstek ;
S stort: 't shipmes ; stoep (voetpad): plassier ; schuren: schieren ; schuifaf (glijbaan voor kinderen): gatritser ; snor: moestes ; schuurborstel: ne schierbestel ;
T teelballen: kliesters ;
U
V vuilophaalwagen: de velkaar ; vaars: vjeis ;veel volk:vollembak ;
W
X
Y
Z
¨ Gezegden in dialect van Temse:
- Aardappelen pletten: petette dedderen - Boterham smeren: nen boterham brieje - Diep in zijn neus zitten: ache bove zeit zwiert den eejs - Schop onder je achterse krijgen: ne schip op a kliesters krijge - Klets op uw kaak: een lap op a toot of een pjeir op a bakkes - Het lastig hebben: hij (of zij) krochen nogal - Ik zeg het niet: schet - Koffie met melk: kaffie mi mallek - Pannekoeken met bruine suiker: koekenbak mi bréne séker - Iemad een loer draaien: iemand een padde in zijne korf zetten
¨ Gedichtje in dialect van Temse:
Aftelrijmpje van over een goede 100 jaar terug
Rommel den bommel den bommel den bommel
den boer zout op de pispot
e wiest nie woar a zijn meeke was
zijn meeke was nor den hemel
om ne gouwe kemel, om ne gouwe stroont
3 kjiere den hemel roond
van ientsje , van tientsje , van schaarep mes
drij oonderd en zes, olie in de fles, olie in de loump ( lamp)
N nabestaanden: bestansel ; nergens: nieveranstnie ; nijdnagel: nei-nagel ; nummers: nommeroos ; naargelang: navenant ; niet zo nauw: op de grisse ; nochtans: pertang ; niets aan te doen: tuttuttut ;
O oorveeg: mot ; olielamp: kinké ; onvoorzichtig, gehaast: schiersig ; onmiddellijk: staal ;
Q
P pagekopje (haarsnit): kalotte ; paling vangen: puren ; prutswerk; trutselwerk ;
Z zaniken, zeuren: greiven ; zeer goed: vandeeg ; zeker, alleszins: vannagest ; haag: wieër ; zwaluw of rook: zwalm
¨ Het gelaags volkslied
Steendorp, 0 mijn duurbre grond.
Steendorp, 0 mijn duurbre grond, Waar weleer mijn wiegje stond. Eindloos, eindloos zijt gij zoet U is mijne blijde groet U is mijne blijde groet 's Morgens met de dageraad Is men op, tot 's avonds laat. Iedereen is fel te been Tot het maken van de steen Tot het maken van de steen. Groot en klein is aan het werk Mannen, vrouwen taai en sterk Ieder zet zijn krachten bij van t Gelaag tot aan de kaai van t Gelaat tot aan de kaai. Fel te water als te land Varen zij langs alle kant Op de Schelde, Maas en Rijn Wil 't Gelaag ook meester zijn Wil 't Gelaag ook meester zijn. Steendorp van ons prilste jeugd Leerde gij ons plicht en deugd. Eeuwig blijven wij getrouw Aan uw leer in vreugd en rouw Aan uw leer in vreugd en rouw. Refrein Als den oven staat in brand Is 't op Steendorp zo plezant Als den oven staat in 't vier Is 't Gelaag in vol plezier Als den oven staat in 't vier Is 't Gelaag in vol plezier
Op zijn Lokers gezegt - Pootjes worden bomen ! Opgepast, je kan die niet blijven tergen als hij volwassen wordt slaat hij terug !
- Wie de boom plant, velt hem niet ! logisch de gemiddelde boom word 100 jaar.
- Wie wil vind gemakkelijk een stok ! Wie iemand wil kwetsen, zelfs ten gronde richten, heeft snel een reden gevonden.
- Wie verder springt dan zijn stok lang is, valt in de gracht ! Je mogelijkheden niet te buiten gaan.
- Leun niet op een gebroken stok ! Reken daar niet te veel op, je zal daar geen steun vinden !
- Stokken in de wielen steken ! Dwarsbomen in een of ander plan.
- Op mijn staak draait de meulen ! Ik heb het zwaarste te torsen, ik ben verantwoordelijk !
- Ze zitten op onze staak ! Wanneer de eerste in rij van neven of nichten overleden is.
- Bomen komen elkaar niet tegen, maar mensen wel ! m. a. w.: wij zullen elkaar wel vinden, want wij hebben nog ee eitje te pellen.
- Hoge klemmers diepe zwemmers sterven niet op hun bed ! Hier bedoeld men het gevaar waaraan roekelozen zich blootstellen.
- Een oude boom mag men niet verplanten ! Een bejaarde die men uit zijn vertrouwde omgeving losrukt en een nieuwe levenswijze opdringt, kan dit niet aan !
- Ge moet de boom buigen wanneer hij jong is ! De vormgeving van de mens begint reeds op prille leeftijd !
- Een man lijkt een boom ! m. a. w. rijzig, breed geschouderd !
- Hoge bomen vangen veel wind ! zij die dagelijks in de kijker staan, een hoge plaatsbekleden in de maatschappij, ondervinden veel kritiek ! Bron:Tijdschrift - De Souvereinen- Heemkring Lokeren. ÞLokeren Waas dialect
Ostens toiletgedicht Voer ut t' ang in 't kleinste kam er tje. Ist voor e kart of voor e neure, doe de grendel op de deure Broek om leige, rok om oge, azo bluf j' overal droge Iste pisje of zient drollen, 't is int potje dan ze m oetn rollen Ook al i je gin tied, zorg da je 't papier ni der neffens sm iet Trek je a 't latste bladje, peist ook op de volge nden ze gatje Ier m oe je den tied nie rekken, m oa osje vord goatan de chasse trekken En ost achter 't chassen nog bluuf pla k k n, m eug je gerust de burstel pakken Zie je kléren wel perfect voa da je were vertrekt Voa da je vors goad nie vergeten ja nanden in te ziepen Dus o je peist op al die menschen, zie junder propere m enschen. ÞOostends dialect
Tetten int westvlaamsch Zoon: "Moedre, oe skrievje tetten?" Moeder: "Emoa jongne, wuk nen parlee; Woa voarn ejje gie da noadig?" Zoon: "Voar in mien ipstel van 't schole, kwille skrievn: Voadre e nen nieuwn trekteur gekocht en tetten nog niemand gezien".
Westvlaams Och menschen van vlees en bloed een scheve splette een verfrommelde gazette stovers met frieten een krampe in je kieten een zatte kaffie met een koekstje den open hèèrd en een boekstje La Esterella die ziengt een lampe die spriengt een vat ütgegoten een stik in je kloten spügen in een zakstje 't kleur van een kakstje een belastiengsbrief een gewillig lief noois de pille vergeten j'n eigen name nog weten een büle in j'n otto zesse jüste met de lotto zeven dagen ip zeven een indeliks geweun moar gelukkig leven. ÞWest Vlaams dialect
Nieuwjaarswenschen ip zen westvlams 't Is were zoverre de deure van (jaar…..) stoat ip a gerre een hèèl nieuw joar voor te leven met malkoar liefde in 't ménage tussen de vint en de vrouwe en is ter ol è keer miserie of boel smiet olleszins met gèn meubels moar zet j'ip ne stoel en laat het moar overwaaien da rottig gevoel want oe da je 't ook kèèrt of oe da je 't ook droait, 't is dedju stille woar dat 't nooit een kèr woait. Zie julder momenteel nog nie van de straote gèn paniek, t' is ip da vlak noois nie te loate want wa zeggen ol die tupperware demonstranten oen ze geconfronteerd worden met under klanten 'een dikke, een kromme, een schele of een dulle ip ieder potje past er een ulle'. Moar 'k wille ook nog teen en 't ander wenschen : 'k wensche julder wat da 'k zelve betrachte, bij dage een bitje werk, en ruste bie nachte. Als g' honger hebt, een bètje brood; als g’durst é, geen watersnood; geen schulden tenzij deze dat ge efnan kunt betalen met gepaste munt. En heel 't joar, lik of dat goat en stoat, geen pijne noch smerte aan je tanden of an 't herte. Kortom, 'k wensche julder 't beste voar noaste jare En 'k goa daarbie laten voor vandjare ÞWest Vlaams dialect
Twee Brabanders Zegt de een tegen de ander: Zeg, lette gij ?gelijk wel us op oewn cholesterol? Zegt de ander: Zekers wel, agg ik op de plee zit. Aggij op de plee zit? Joa, dan zit ik op de plee, k?k een bietje umme heen, zie k gin pleepapier en dan denk k, goh... leste rol ... ÞBrabants dialect
Gents dialect
Main Kate 'k é veur de mainse , al tien en tander gedoin moir achteraf, zien ze eu nie mier stoin ik probeer ze in te schate moir ké mier vriendschap van maain kate ik ben giene rechter, en 't és uuk giene wains want tenslotte, ben ik zailve moir ne mains moir 'k é ma gister weest bezate in 't gezailschap van maain kate soms ben 'k triestig, en toens kaaikt ze noir ma mee die grute oranje ugen in toens spin ze der nog ba gelaak veur te zegge "moir boiske toch, ge't ma toch nog" z'é ma nog nuunt of nuunt of nuunt bedroge in ge begraaipt wel, z' é ma nog nuunt beloge dus ik leg eur in de wate ik leg eur in de wate soms slope'k ba eur op de mate ik in main kate Bron: Gus Roan - www.euro-support.be/langbel/gent3.htm ÞGents dialect
Vlamsch over de schreve 't Is schoone, Vlamsch te klappen! Vlamsch klappen of horen klappen is lyk een oud spelding Uut ekomt van een doze in ’n kelder of in 'n zolder 'T is een lytje oude mode maer oek een lytje schonder Nie diere ni gekoop de tale van 'n Vlaming. 'N maendag op mets e keer 'k gaen te voete op mart 'T is beter in 'n zomer 't is schoon were om te klappen Me drinken een teugsje kaffie eten brood nieuw ebakt Mee oude kennissen in d'herberge me lachen. Me klappen van 'n ouden tyd van 'n prys van de groenselen An me kwaam in velo van Steenvoorde of Kassel Alleman in dien tyd kunste in ’n Vlamsch zeggen: "A't je blieft Meneer een kilo schoone wettels!". Docteurs en notaeris pasters en cholekosters Klapste dikkers goe Fransch maer kunde Vlamsch verstaen Ze waeren van 'n Westhoek en kwaam were in 'n zomer Vare van groote scholen nulder Latin verloren! Bron: www.sip.be/dialect/scholen/ ÞWest Vlaams dialect
Zeeuws dialect
Verjaerdag De doôze mee gebak stae al een uure op een koele plekke in de schuure klam te worren deu ’t wachten op de gasten ’t is keurig gesorteerd zonder mokka en zonder schuum vuuftien stuks da’s lekker ruum de mist trekt in dunne slierten over ’t pas gespitte ’of kael is ’t wachten op de gasten mae lank za ’t nie meer dure vor een feêstje tussen moorkop, romoorn en appelpunt: de muzen bin d’r eerder as de buren Bron: Arie de Viet - http://people.zeelandnet.nl/evenhuis/noe8.htm
Charelken Vereecken Ik ben Charelken Vereecken, en ik kan goed speken. Dat komt ik ben gezond met mijn sjieksken in mijne mond. Laatst geleden kwam ik langs een dam, k'had moeie benen en ik nam de tram. Pas gezeten op een houten banket, las ik op een houten planchet,"Défense de cracher sur le plancher". En daar ik nog wat frans verstond dacht ik ,wat ik hier niet speken mogen en ik spikte op de grond , juist toen de conducteur kwam rond Hela, riep die bleke, t'is hier verboden te speken! 'k zal a pakken zelle kapoen, en k 'spikte op zijne schoen. Kerel, dat zal ik u beletten, en ik spikte op zijn trambiljetten. 'T is e schandaal riep een maske, en ik spikte in haar kabasken. Smijt hem buiten riep een cherie en ik spikte in hare misenplie. Toen kwam de gardevil, en 'kspikte op zijnen bril maar dan vloog ik natuurlijk naar buiten, maar in de gauwte spikte ik nog ne keer goed op de ruiten. In het bureau gekomen had ik het lol, 'kspikte gans den directeur zijnen inktpot vol, maar toen deze kwam en zei: Kerel doe dat nog eens voor mij! Pardon mijnheer ken hem geen sjiksken of geen speeksel ni meer.
Beste bezoeker als je weet uit welke streek Stad of Gemeente het dialect van dit versje komt wil je dan zo goed zijn een mailtje te sturen naar:andreotte@hotmail.com
Beverse gezegdes - Als iemand geweldig aan het bluffen is over b.v. zijn inkomsten of eigendom ! Geef de stoefer eeb brood, de klager heeft geen nood !
- Ge moet niet altijd geloven wat men u probeert wijs te maken ! Ver van de deur liegt schoon !
- Een werkje van lange duur ! Het gaat vooruit gelijk bonen knopen !
- Als men een aardsluiaard beschrijft. Hij draagt een revolver.... om diegene dood te schietn die nog luier is !
- Iemand voorbij lopen zonder te spreken ! Die loopt mij voorbij zoals de Schelde door Antwerpen
- Ge moet niet klagen als je gelukkig bent ! Ge moet ons Heer niet slaan tewijl hij zalft.
Limburgs: og minse va vleejs en blood een sheef plooat een verfroemelde gezet frit me stoofvleejs krampen in oer keite medecamente beursaccedenten een sjat kaffee met ee keekske de'n oope hééd en ee beekske la estrella dei zingt een vat ootgesjet en e sték in ur kloete kotse in e zekske de kleer van e kakske een belastingbrief e gewilig lieef nog noeit de pil vergeete oere éége noam nog wééte een bléts in oere ooto zes juste op de lotto zeve doag op zeve en in de wéék mer gelekig leeve ÞLimburgs dialect