Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

dood

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Gij draagt het gladde mom der dood

Gij draagt het gladde mom der dood;
uw oog is groot van lijden;
het naaste naken van de nood
heeft uwe mond gescheiden.

Reeds is het, of het laatste woord
uw lippe gaat verpaarsen.
Gij spert uw vingeren, doorgloord
van eeuwig licht, als kaarsen.

Uw glimlach voert het bijster beeld
der eeuw'ge ontvangenisse.
Het lam des offers is gekeeld,
o gij, zijn blanke nisse.

Gans uw gedaante is als verklaard;
uw gang is eêl en zedig:
gij zijt gezuiverd, of gij waart
van zekerheên volledig.

En waar mijn eigen leên en brein
van levens-koortse dorden,
is 't, of mijn weiger medelij'n
mag eindlijk liefde worden.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:42 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

blond

Een gedicht van Hajo Spandaw 1777-1855

Blond boven Bruin

Ruil nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif;
De lof der bleke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is 't blinkend sap der muskadellendruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonde tooi, praalt boven
De hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult all' wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. -
Ruil nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

onkunde

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

De hardnekkige onkunde

       Gij grote, wijze mannen,
        Die, in uw schone schriften,
        De komma's en de punctum's,
        De stippen en de strepen,
        Zo kunstig, weet te plaatsen;
        o Grote, wijze mannen!
        Al ben ik juist geen schrijver,
        Toch weet ik, in een reden,
        De komma's en de punctum's
        De stippen en de strepen,
        Zo nu en dan, te plaatsen:
        Wanneer ik, grote mannen,
        In de armen van mijn meisje,
        Op hare boezem, rust,
        Dan praat mijn lachend meisje,
        En zegt mij honderd dingen;
        Mijn meisje kent geen komma's,
        Geen punctum's, of geen stippen;
        Maar ik zet, onder 't praten,
        De komma's en de stippen
        Gedurig op haar wangen;
        Dit doe ik met mijn lippen!
        Maar, 't plaatsen van een punctum
        Schijn ik niet wel te weten;
        Want, dikwijls is mijn meisje,
        In 't midden van een reden,
        Dan druk ik reeds mijn lippen,
        Op haar, nog sprekend, mondje -
        En dit – dit is een punctum!


        o Grote, wijze mannen!
        Al is 't, dat ik de punctum's
        Wat al te schielijk plaatse -
        Maakt mij toch nimmer wijzer.

Proeve voor het verstand,den smaak en het hart (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:18 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Ontembaar is in mij het wreed verlangen

Ontembaar is in mij het wreed verlangen
Als van een tijger, aan te grijpen met
Mijn hakende verstand, het Al, en het te klauwen,
Tot het ligt uitgerafeld voor mij heen.

Maar in het wrede ogenblik, wanneer
De greep, machtig zich uitstrekt naar de zee,
De zon, het manenschild, de ronde luchten
Waarop het wijnrood uit de vaten werd gemorst,

In dit opschreeuwende moment, weerhoudt
Iets mij, te scheuren, en ik zie de prooi,
En krijg het lief,
En kniel, en wil het in mijn armen nemen.

O Gij oneindigheid van zon, en zee, en strand,
En woud, en stroom, en dier, en mens, en plant,
En kleur, en zacht bewogen fijne luchten,
Hoe wilde ik scheuren, en hoe min ik U.

Uit liederen der gemeenschap III (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

blik

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
Waarom uw blik...

Waarom uw blik mijn blik niet boeit?
Waarom uw lach mijn lach niet wekt?
Waarom niet heel mijn hart ontgloeit
bij 't schittren van de reinste schatten
  dat elk gemoed naar 't uwe trekt?

Eens zwom mijn ziel, als uwe ziel,
  in wondre wonne en zonneschijn;
maar 't leven kwam, de sluier viel,
die 't al met toverwaas omschemert,
  en naakt bleef de aarde als een woestijn.

Gij drukt zo argloos elke bloem
  met wellust aan de rode mond:
ik zocht de grond van liefde en roem;
wat bleef er van dat rustloos streven?
  De geest ontgoocheld, 't hart gewond!

Uw leven is de kalme vloed,
  die zeewaarts helt met zachte baar:
mijn leven is de zwarte vloed,
die negenmaal de hel omkronkelt
  en wegvloeit... ik en weet niet waar...

Waarom uw blik mijn blik niet boeit?
  Waarom uw lach mijn lach niet wekt?
Zeg, kan de roos, die 't graf ombloeit,
de koude lijken nog bekoren,
  in blanke doodswâ neergestrekt?

1887

De eerste verzenbundel

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

burgerjongen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Een Burgerjongen.

'Mijn knaap van vijftien jaren
Wat zal hij doen
Met goed fatsoen?’...
Ik denk, hij kon gaan varen!
De zee is rijk, de zee is groot,
Zout water geeft het zoetste brood!

Wil hij te land graag blijven;
Waarom niet vroeg
Met spa en ploeg
Kloek Akkerwerk te drijven?
Een kèrel groeit er zeker van:
Een Boer is anderhalve man!

Of mocht hij liefst begeren
(Heeft hij verstand
En vlugge hand)
Een Ambacht goed te leren -
Ik sta hem borg voor loon en gunst,
Hij hebb' maar trouw en vlijt en kunst.

Slechts dàt zou mij verschrikken,
Zo hij begeer'
Als halfblanks Heer
Te gaan uit pennenlikken;
Schoon rok en boord en hoed wat blinkt,
Dàt brood is steeds doorweekt - met inkt!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

landman

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

Een landman strijkt met forse streek de zeis

Een landman strijkt met forse streek de zeis,
De zomerdag is weder rijk aan leven,
Ik beid nu onbevreesd de laatste reis,
Die veler hart staag van angst doet beven.

Zijn al mijn zonden mij dan och vergeven,
Leef ik, zoals ik steeds begeerd heb, wijs?
Ik won de zielenvrede, hoogste prijs,
Waarnaar men in dit veeg bestaan kan streven.

Terwijl Spinoza eens de Waarheid zag
Gelijk een driehoek, snel en scherp omlijnd,
Zoude ik haar liever zien als een glimlach,

De glimlach, die ook rust op Boeddha’s trekken,
Die naar ik hoop op mijn gelaat verschijnt,
Als ik het moede lijf voorgoed zal strekken.

Rijmproeven (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1924

Regen

Schaduwen van wie er gaat
ingedoken over straat,
kleren, hoofd en voetenhak
weggeëffend, grauw en vlak
als lei.

Tuin en schutting allebei,
heesters, perken en jasmijnen
opgetild in een verdwijnen
en het uitgerafeld pad
heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tussen bleke huizenmuren
hangt de dag van trage uren,
evenwicht naar alle zijd;
in de stilstand van de tijd
lekt het sijpend ogenblik
tik, tik.

Gemengde Verzen III

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 1 reactie Reageer op dit bericht

ondergaan

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Rustig ondergaan.

Wat daalt gij rustig in der golven schoot
o Glansrijk licht, beneveld noch verdonkerd,
0 Gouden zon; gij, beeld van al wat flonkert,
Van wat op Aarde heerlijk is en groot!

Al hebt gij hoog aan 's Hemels trans gestaan,
Toch daalt gij kalm en zonder klagen neder;
En schóner nog verrijst gij eenmaal weder
Voor 't oog der Aard, die U zag ondergaan.

Buig zó uw kruin, wanneer Uw Avond daalt,
Buig zo uw kruin, o Grijsheid! zonder klagen;
Vind rust in God: - Ras zal de Morgen dágen,
Wiens Eeuwge glans de Hemelen doorstraalt!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

ongerept

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

0 VAN ' T ONGEREPT ONTROEREN . .

0 van 't ongerept ontroeren,
nauw-geboren, ongezeid,
huivrend reeds de pennen roeren
aan de vlerken van de Tijd;

zien, hoe de eigen adem-halen,
klarend voor 't verbaasd gezicht,
schuiven aan de zonne-stralen
als een waas van schóner licht;

proeven, in de diepe groeven
die de roodste Lippe graaft,
hoe het langst en wrangst bedroeven
de eêlste en rijkste liefde laaft;

— worde ik als de wees, gezeten
aan een schoon en breed festijn,
die van vreugde mag vergeten
vroede spijs en kloeke wijn;

laat ik stappen naar het duister
en me zeggen: ,'k ben voldaan,
want er is geen zonne-luister
die uit mij niet is ontstaan'.

Nagelaten gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

liedekens

Een gedicht van Willem Zuidema 1855-1938

Twee liedekens.

I. Morgen.

Goede morgen!
Alle de vogeltjes zingen al - hoort!
Jubelend dragen ze 't overal voort:
Goede morgen!

In de weide
Flonkert de dauw in de jeugdige staat;
Erica purpert in vreugdige praal
Op de heide.

In de bomen
Ruist er het liedje zo jong en zo oud,
Fluistert van alwie er zongen in 't woud,
Van hun dromen!

Kom dan mede!
Dolend in velden en dreven naar lust
Vindt de vermoeide van 't leven de rust
En de vrede.

II. Avond.

Avond die glanst op de hei;
Avond die dauwt in de wei;
Dromende zwaatlen de bomen -
Avond in mei!

Meidoren balsemt den wind,
Die om het lieflijke kind
Dartelt en lokken verspartelt,
Of hij haar mint!

't Avondrood bloost hare koon;
Hoort ze in der vogelen toon
Spelende 't minnelied kwelen? -
Avond volschoon!

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

Neem gij het leven
Zoals het is
Een beetje onrechtvaardig,
Een beetje boosaardig,
Maar ook wel eens aardig
En soms lang niet mis!

Leef gij het leven
Zoals het gaat —
Niet al te opzichtig,
Niet al te gewichtig,
Een beetje voorzichtig
Dan is 't niet zo kwaad!

Houd gij het leven
Bedaard in het oog.
Toon gij u krachtig,
Uw doel steeds gedachtig,
Nooit onwaarachtig,
En dan: kop omhoog!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

EEN VROUW

Haar smal gelaat, onder de grijze haren,
smal, bleek en moedig, is mij toevluchtsoord,
een blanke koepel, hoog en ongestoord
door 't dom geraas, de hartloze gebaren.

Het ware onnodig dat zij met één woord,
voor mij alleen, die stilte ging verklaren,
ik ken de droom die somtijds komt gevaren
diep in haar blik, en éven haar bekoort.

Haar leven ging, zij heeft het niet gegrepen,
en wat haar toeviel, zal zij verder slepen,
met liefde zelfs, met simpelheid vooral.

Want deze vrouw, zozeer een vrouw gebleven,
straalt zacht en warm, voorbij haar eigen leven,
boven de roes en boven het verval.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1926

De zang der zee.

Ik teken het leven
Inwendig gegeven
Inwendig gebleven
Vol vorstlijke trots.
't Onkenbaar gekende;
't Onweetbaar gewende
't Onschendbaar geschende
Der heerlijkheid Gods.

In paarlende randen
Langs fulpene stranden;
In kuivende branden
Op rotsige kust.
In zwijgende nachten
Van star'lende prachten
Vol donkre gedachten
Van godlijke rust.

In blauwende dagen,
Als dromende vagen
De golven, die dragen
Het zonnelicht mee.
Bij stormende wolken
Als blik'rende dolken
In weerlichte kolken
Verflitsen in wee.

Ik geef in de grillen
Waar kleinen om rillen
Het wrochtende willen
Der énige macht.
Het nemen en geven
Zichzelve gebleven
Zichzelve ontheven
In grensloze kracht.

De smarten der aarde,
Van waardloze waarde
Voor Hem die ze baarde
En Zich er in zag.
Van duivels en englen
't Ontwijken en menglen
't Tot een-zijn zich strenglen
In schreiende lach.

Uit mij is geboren
In goddelijk gloren
Verlost en verloren
Der schoonheid gestalt':
De liefde der goden
De mensen geboden;
De Schepper der noden
Waar alles in valt.

Mijn zang is: der zielen
Niet kennende knielen
Het rusten en wielen
Der scheppende schijn.
Het nimmer gegrepen
Het immer begrepen.
Der ketens, die slepen
En zalig doen zijn.

Onze eeuw (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
MOLME BOOM

Wie zal 't u aanzien
die leproos van voet
diep met uw wortels
in verrotting wroet
dat gij nog 's avonds klimt
langs weke bladertrappen
en boven uw miserie
met de sterren staat te klappen?

Wie zal 't u aanzien,
uitgestoten mens,
die op uw schande wankeldoolt
tot leste grens
terwijl ons onbarmhartigheid
uw zondemantel zoomt
dat gij langs drasse weg
van witte heirbaan droomt?

Wie zal 't u aanzien?
God en enklen maar.
Ach, wisten al de mensen van elkaar
't geheim beluik
van 's harten loense wijken
waarin de trappen staan
die naar Gods liefde reiken.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:21 Reageer op dit bericht

lenteweder

Een gedicht van Jacobus Belamy 1757-1786

HET LENTEWEDER.

Schoon, maar los en ongestadig
Is het lieve lenteweder.
Gistren lachten al de bloempjes,
Al de kruidjes op de velden.
Zachtjes blies het westenwindje
Zijne adem door het lover.
Vloeide 't zilvren beekje
Langs, met lis bekroonde, zomen.
Alles lachte en alles juichte,
Maar! hoe los en ongestadig
Is het lieve lenteweder!
Hoor nu eens de winden loeien!
Door dat olmenbosje loeien!
Hoe onstuimig is het beekje!
Zie, hoe al die schone bloemen
Op gebogen steeltjes treuren!

- Eveneens gelijk die bloemen
Ging het mij. Ik lachte vrolijk,
Toen de blijde zon der Liefde
Mij, van hare trans, verkwikte;
Maar helaas! de zon der Liefde
Zag ik achter dikke wolken,
Dreigende onweerswolken schuilen!
En toen stand ik, als die bloempjes,
Troostloos op het veld te treuren.
Somtijds zag ik wenend opwaarts,
Maar ik zag geen enkel straaltje
Van de schone zon der Liefde
Door de dikke wolken breken.
Eerlang zal, o lieve bloemen,
U de lentezon toelachen,
En dan zult gij weer herleven!
Maar, voor mij zal 't eeuwig stormen!
Nimmer zal de zon der Liefde
Mijn bedrukte ziel beschijnen!

Gedichten (1826)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

ode

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Ode aan de Dood

Vorst der verschrikking! vol van bekommernis
Ziet gij me treuren; daar ge mijne egâ, rooft;
Haar wegvoert uit mijn liefdes armen,
En ze laat leven in 't bevend harte.

Doch niet meer bevend!.... 'k voel hare onsterflijkheid;
Daar zij me toeroept: scheld deze slaaf toch niet!
Hij paste slechts op Gods bevelen,
Toen hij de kerker mij heeft ontsloten.

Weg met uw prikkel: neen, ik bedrieg me niet,
'k Hoor een getuige, die niet meer feilen kan.
Wat zoude ik anders, dan geloven,
't Geen mij mijn stervende Vrouw bevestigt?

Stervende vrienden geven ons wapenen,
Die uw verschrikking, verre uit het hart gejaagd,
Verandren in een zachte stilte;
En naar uw naadren ons doen verlangen.

Mis ik mijne egâ, vrolijke treurigheid
Kweekt in mijn boezem blijder vooruitgezicht,
Dan ooit een wankelbaar genoegen
Strelend en vleiend aan mij kon geven.

Hebt ge uwe pijlen niet al op mij gemunt;
Spaar gene boezem, die voor u openstaat:
Of zoekt gij vluchtend u te wreken,
'k Zal dan u altoos een blodaard noemen.

Bevende zielen fluistert gij angsten in;
Juichende helden schroomt ge onder 't oog te zien:
En nimmer zoudt ge u aan hen wagen,
Zo niet hun koning u daartoe perste.

Staak dan uw dreigen; Christenen vrezen 't niet:
Uw stuurse aanblik zien ze verachtend aan.
Daar Jezus heeft in 't graf gelegen,
Kunnen zij 't niet, dan verrukt, aanschouwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

zucht

Een gedicht van Virginie Loveling 1826-1923

De zucht naar 't eindeloze

Als 't maantje in mijn venster schijnt,
Dan kan ik niet meer slapen;
Dan komt de vraag: Waar is die God,
Die alles heeft geschapen?

De stille nacht, het eenzaam uur,
Het suizlen door de linden;
Dan denk ik aan de dood en 't graf
En aan verloren vrinden.

Dan wordt de geest zo onrustvol,
En haakt naar 't onbekende,
Als ik in 's hemels sterrenveld
De wakende ogen wende.

Dan schijnt de wereld mij zo klein :
Mij lokt die hemelverte.
0 kon ik vliegen! doch waarheen,
Waarheen, gij kloppend herte?

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:07 Reageer op dit bericht

Utrecht

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Utrecht

Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad,
Een harde en benepen eigenzinnigheid,
Die zich de maat van alle dingen waant;
Een stugge sfeer, vol plotselinge volten -
De pleinen liggen meest terzijde van 't verkeer,
Dat, saamgeperst in zulke smalle geulen,
Dat reeds een sandwichman zijn houten vlerken schuurt,
Chronisch aan spijsverteringskrampen lijdt,

Nergens ter wereld
Heeft een kleinburgerlijker actualiteit
Zich zo voornaam versierd met het tot op de draad
Versleten goudbrokaat der middeleeuwen,
Nergens ook kraait de haan der mediocriteit
Zo oerparmantig koning;
Want waar men gaat of staat,
Hier wordt men, graag of niet, gelijkgeschakeld in
Een net van onverwrikbre middelmatigheid.

Wie langs de singels en de wallen gaat
Krijgt sterk de indruk, dat de banken daar
Voornamelijk zijn gesticht
Als dépendance van 't oudemannenhuis
En voor 't gedobber van een kinderkar.
Voorts vindt men nougatkramen,
Bij voorkeur niet te ver verwijderd van een urinoir;
Een baan, zo doods en leeg,
Alsof hij enkel zondags wordt begaan
Door het boetvaardig regiment der hoge hoeden;

Want wàt men ook in 't nadeel zeggen kan
Van dit verpaapte china,
Die woestenij der anonimiteit met zijn intieme oasen,
Niet dat de godsdienst er niet welig tiert,
Noch dat op het gelaat niet met predestinatieletters staat:
"De heer is mijn banier".

schrijver

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

spreeuwen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

SPREEUWEN.

„’k Zie-’t!” zo vliggert, vlug te vlerke,
recht de torre in van de kerke,
daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”
piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,
zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
vage vogel, dan ’t bedied
van uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,
ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,
in uw pierende oogskes, iet
dat elk mense niet en ziet?

Zeg, of is ’t de zonne rijzen,
dat gij ziet, is ’t buien bijzen;
kwade wichten of kwa died
zitten ievers, diepe in ’t riet?

„’k Zie-’t!” zo piept gij; ziet gij, binnen
deze borst, mij iet beminnen,
haten, willen, wensen iet,
blijdschap hebben en verdriet?

„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delven
diepe in ’t diepste diep mijns zelven,
en ontdekken daar ’t bedied
van uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”

Een daar is, die aan de leeuwen
’t leven gaf, en aan de spreeuwen,
Een die, vrij van al ’t verdriet, hoge zit en verre ziet.

Een... Hij zit in zijnen torre, zonder schaaltje en zonder schorre;
en, van ’t gene in mij geschiedt,
Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten