Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

gedachte

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

de gedachte

o Gij, die 'k met de bittre borst der levens-wijzen,
die 'k voor een eeuwigheid met zwijgen heb gevoed:
wat bate? Geen die goud in uwe diept bevroedt,
noch weet op uw gelaat het uur der vreugd te wijzen...

Geen dageraad zal blijde uw blinde ruit berijzen;
geen zonne die, van vrede-wijdende' avond-gloed,
de moede wingerd om uw drempel blij door-bloedt;
en zelfs geen vriend staakt aan uw open deur zijn reize...

- De hele dag is rein waar gíj zijn wentlen doopt.
De perzik viert een vraag, dat gaaf ze, en ongenoten,
door úwe borst gelijk een zomer is gevloten.

Maar, hoe 'k voor u den angst der hoorders hadd' gehoopt:
nooit gaat uw nodend woord, 'lijk, alle deur gesloten,
de kreits des avond-lichts van lamp tot lampe loopt.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

mensenwoorden

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Mensenwoorden

De mensen schijnen elkaar zeer te vrezen,
Daar zij zich steeds maar voor elkaar versteken
In woorden-weefsels, die geen hart doorbreken,
En in wier schrift geen mensen-hoofd kan lezen.

Zij liegen, die geen leugnaars willen wezen,
En zelfs, wie moedig wil de waarheid spreken,
Hij voelt de waarheid op zijn lippen breken
Vóór 't spreken zelf, - en is als één van dezen.

0, vloek van 't menslijk woord, dat niet vermag
Der ziele diepst bewegen weer te geven,
Maar steeds een schijnbeeld om die glorie maalt ...

0, vloek, dat mensen-traan en mensen-lach
Diep in ons eigen binnenst blijven beven,
Géén mens, schóón als zijn Zelf, voor ándren straalt.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

waarheid

Een gedicht van Gentil Antheunis

Waarheid

Bij een hemelreine bronne,
Eer zij 't groene dal bespoelt,
Heb ik dromende eens gezeten,
En mijn hete dorst gekoeld.
'k Heb het dal doorlopen later,
En gezocht de blanke vliet;
'k Vond er menig klare water,
Maar mijn bronne vond ik niet.

In de drang der eerste liefde,
Blozend, aarz'lend en verrukt,
Heb ik, jongeling, de eerste
Reine maagdenzoen geplukt.
Later heb ik, 't hart vol wonden,
Naar de heil'ge kus getracht;
Nergens heb ik hem gevonden,
Niemand heeft mijn leed verzacht.

Waarheid, uit uw zuiv're bronne
Heb ik mij gelaafd als kind;
Waarheid, maagdenblanke waarheid,
'k Heb als jongling u bemind.
'k Min u steeds nog, 'k wil u vinden,
Rusten, slapen aan uw borst;
'k Voel de twijfel mij verslinden;
Kom, en laaf mijn zielendorst.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht

smaak

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

VERWORVEN SMAAK

Rijmloze verzen, in het metrum van de Griek,
Zijn lekker als — tabak. Die maakt gezonden ziek;
Wekt walging; ’t koude zweet breekt uit; het komt tot braken.
Maar ’t went wel en begint van lieverlee te smaken.
Ten laatste vindt men ’t heerlijk, en het heet:
'Zo’n fijn sigaartje is ’t keurigst dat ik weet.'

Gedichten III (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

waar

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

't Is waar, 't is waar

't Is waar, 't is waar, de zin van 't leven
rijmt nergens op, want is geen rijm,
maar wie een fout begaat in 't rijm
is waardig niet meer voort te leven.


februari 1925

Parlando

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

okotbervijver

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Oktobervijver.

Zijn 't waterleeljen door de wind bewogen?
Zijn 't blanke bloemen van magnolia?
Of pluimen wit, de vleugelen ontvlogen
Van vlottende engle' in blauwe hemelwâ?

Zijn 't vlokken sneeuw uit puur-azuren hoogen
Oktoberhemel, kondende ongenâ
Van wufte koning Herfst en wordt nu logen
't Beloofde heil, dat leek mijn hoop zó na?

Op 't weekgeplooide groenfluweelen water
Zwemt zoetjes áan een sneeuwblanke eendengroep
En ploegt een lange zilvervoor. - Eén laat er
Plots vleugelkleppend los de blanke troep
En drijft alleen. - En 'k ril van 't schril gesnater,
De stilt' doortrillende als een weeëroep.

De Gids, jaargang 68 (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:19 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Een vogel

Een vogel floot en deze stoorde
Stilte met zijn ongehoorde
Tintelende fluit.
Die vogel floot voor zich alleen
Uit hart en keel ten hemel heen
Zijn hoog geluid.

Een vogel kent geen roem of loon,
IJdelheid niet. Dus fluit hij schoon
Uit eigen lust.
Als vogels zó fluit ik, een dichter,
Maak het duister leven lichter,
Rustloos hart gerust.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

schroom

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Wees niet de schroom'ge...

Wees niet de schroom'ge, die, in lomer avond-komen,
herdenken zwijgen doet;
ben ík de pleger niet, die met zijn eigen dromen
zijn eigen treurnis voedt?

- Treed nader, zie mij aan, en hoe mijn oog, gelaten,
géen liefde vraagt, o kind;
- ik heb de zeilen van 't verlangen neer-gelaten
bij liggende' avond-wind...

En weder teder in uw deinend over-peinzen
van ons geschéiden wee,
zal ons veréende droom misschien ten einder deinzen
der zélfde vrede-zee.

Want, kwam nog, wijlend in uw kommrend oog gegleden
de schaduw van mijn vróeger lied, -
draag ík dan, rústig, 't lévend leed van ons verleden
niet, niet?...

- - Wees niet de schroom'ge...

Verzen aan de Terug-keerende

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

geen tijd

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Geen tijd.

Als 't leven maar zo kòrt niet was,
Dan zou ik deez' en die wel háten;
Maar och! 't ontvliedt mij nu zó ras,
Dat ik geen uur er van kan laten;
En maar mijn best doe alle dag,
Om lief te hebben, wat ik mag!

Ook gij, als ge eens aan 't einde zijt,
Zult, met mij, u gewis beklagen,
Dat zoveel goede, kostbre tijd
Versléet - door noodloos u te plagen
Met háat te koestren in uw ziel...
Waar zóveel lief te hebben viel.

Dus bid ik: zie! hoe 't leven spoedt;
Kweek zóveel Liefde in hart en zinnen,
Dat - klopt de Haat - gij roepen moet:
'Ga weg! er is geen plaats hier binnen!'
En zeg, als van uw Tijd hij vroeg:
'Voor Liefde heb 'k niet eens genoeg!'

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

uitvaart

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Uitvaart

Toen hoorde ik, in mijn droom, een koor van klokken,
Die allen plechtig voor een uitvaart luidden.
En statig stapte, in 't wit gewaad der bruiden,
Een stoet van maagden met omkranste lokken.

Een zwerm van vogels vlood naar 't verre Zuiden
En de eerste sneeuw viel zacht, in donzen vlokken.
Mij klopte 't hart beklemd, bij wilde schokken.
- ‘Wat moet’, vroeg ik, ‘dit dodenfeest beduiden?’

En 't koor der klokken bleef eenstemmig klagen,
De maagden weenden met gesluierde ogen
En geen gaf antwoord op mijn bange vragen.

't Werd donker om mij heen, de sneeuw viel dichter,
Ik voelde vlokken die me in 't aanschijn vlogen
En 'k hoorde een stem: - ‘Het land verloor een dichter.’

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

bidden

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

B I D D E N

Des harten binnenst overleg,
gezegd, gezucht, gedacht!
Het trillen van een stille vlam
die naar de wolken tracht.

Het slaken van een ademtocht,
het vallen van een traan,
de blik naar boven van een oog
door God-alleen verstaan.

De eenvoudigheid, het kunstloos waar
der kinderlijke taal,
maar aan wie plaats gegeven wordt
bij 't Englenlof koraal.

Des Christens kracht, des Christens lust
des Christens levenslucht
zijn levenskracht in 't uur des doods,
bij dood en hel geducht.

Des zondaars eerste stemgeluid,
die Jesus valt te voet
Bij aller heemlen vreugdgejuich
door 't: z i e  h ij  b i d t! begroet.

Tot 's Vaders eer, tot lof des Zoons,
in zin en wil en woord
het door de Heilge Geest gewrocht
volzalig zielakkoord!
Want bidden doet geen hart alleen,
één Geest dringt ze allen door;
en op zijn Priesterlijke troon
gaat Jesus-zelf ze voor.

Gij-zelf, de Waarheid en de Weg!
ziet biddend op ons neer,
hebt biddend onze strijd volstreên,
leer Gij ons bidden, Heer!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

najaarslied

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Najaarslied

Ik ken geen schoner kleuren
Dan die van 't Hollands bos
In bruine najaarsdos;
Ik ken geen zoeter geuren,
Dan die uit droge mos,
Uit geelrode eikenbladeren
En varenkruid dat bloeit,
Mij op het koeltje naderen,
Dat met mijn lokken stoeit.

Ik ken geen schoner zangen
Dan vink en lijster slaakt,
Bij 't morgenlicht ontwaakt,
Eer hen de strikken vangen,
Door al wat zingt gewraakt;
De wildzang uit de twijgen
Met vochtig rag omstrikt,
Dat, als de dampen stijgen,
Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schoner luchten
Dan waar de herfst mee praalt,
Als 't zonlicht nederdaalt
En dorpen en gehuchten
In goud en kleuren maalt.
Dan rijzen blanke rotsen
En donkre bergen op,
Begroeid met ruige bossen,
Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven
Dooreen met stille pracht,
Tot dat ze, schoon en zacht,
Versmelten en versterven,
En zeggen: ‘Het wordt nacht!
Weer is een dag vervlogen;
Welhaast een jaargetij:
Een jaar gaat voor uwe ogen,
Gelijk een damp voorbij.’

Gdichten (deel 3) (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Engelen I

Zó gezwind kan nooit een vogel vliegen,
Als hij stort door alle heemlen heen.
Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen
En de sferen rimpelen alleen.

En het is in 't weerlichtsnel verschijnen
Van de dingen, of hij stille stond.
Even glanzen zij en zij verdwijnen,
Als de glimlach om zijn zachte mond.

En de werelden, die langs hem rollen,
(Duizendvoude flonkering verschiet)
Zijn hem, of een kind gekleurde bollen
Regenbogend ving en vallen liet.

En der aarde wrevele versmachten
Kwelt hem nooit met schendend ongeduld,
Want hij kán niet wensen en verwachten.
En zijn wezen is van God vervuld.

De overgave (1914 - 1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

zingen

Een gedicht van Nico van Suchtelen 1878-1949

Ik dacht dat ik niet zingen kon dan blijde?

Ik dacht dat ik niet zingen kon dan blijde?
Maar ruist de zee niet rusteloos haar zang,
Nu zacht en klaar, dan war en wild en bang,
Anders in stil, anders in stormgetijde?

Zo glanzenrijk als wisseltintge zijde,
Dan armlijk grauw en wedrom, voor hoelang?
Eén blanke blauwte, en zò wisselt die zang
Die eeuwig 't eeuwig spel zal begeleiden.

O wijde zee en wijdgestrekte stranden,
Hoe waande ik dat mijn ziel, wijl liefdeleeg
En dor als groene landen die verzandden

Mijn leven leek, nu ook voor immer zweeg,
Schoon rustloos als uw almaar branden branden
Diep in mij de eeuwge tijzang zonk of steeg!

De Beweging (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:21 Reageer op dit bericht

herfstwee

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Herfstwee. 

In reke,
langs de beke,
en lijk bijeengevlucht,
vol schamelheid en schaamte,
geraamte bij geraamte,
de bomen in de schemerlucht.
Hoog rijzen ze in hun rildheid,
die reuzen, bronzig-bruin,
en steken, vol gestildheid,
lijk stommen, kruin bij kruin.
Hun brede voeten
duiken ze in het boordevolle bed
der beeweggaande wateren, die met
een lage zang hun hoge smert verzoeten.
Grauw omendomme ligt de wee
die 's zomers groenegroeiend deinde,
en zong gelijk een zachte zee,
geluidloos in een weedom zonder einde.

Geen kalfjes rond een luie koe
die hippewippend huppelen.
Geen koeien kerft een wilgeroe
tot wissen en tot knuppelen.
Allenig ligt het gras nu, moe
en tenden tot bestervens toe,
vol dikke, matte druppelen.
En lijze, onhoorbaar haast,
doch zichtbaar aan den drijf der avonddomen,
blaast
een dodenadem nog een loverke uit de bomen,
rolt het, glazig-nat en ners,
alover 't streuvelende gers,
tot in de biezen die de beek omzomen;
en laat het dan,
gevallen, van
het laagste lis, heel langzaam boven 't water stromen.

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

kroon

Een gedicht van Willem Kloos 1859=1938

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd in 't Rijk
Der Lettren zitten na uw dood, verdwaasden,
Gij knutslaars ijdlijk, die alleen maar aasden
Om eens te zitten, niet voor 't Volk, te prijk

Voor boeren, die dan zouden zeggen: ‘Kijk,
Dat 's óók een knappe dichter, maar 'k bereik
Er niets van, met mijn dom hoofd, 't zijn verraasden,
Die liever zorgen moesten dat zij kaasden.’

O allen gij, die meent te zijn een dichter,
Maak toch u-zelf een aantal ponden lichter
En weet wel dat de enig-echte kunst slechts daar staat,

Waar zij oprecht fier op haar benen waar staat,
Weet toch dat Uw taal slechts is in m i j n hand veilig,
Wijl zij gestaêg door m i j n stem slechts klinkt heilig.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

Het kind van de zonde

Ik ben een lichtzinnig persoontje,
Te jong om verstandig te doen.
Ik lach als een ander zou huilen,
Mijn hele fortuin is een zoen.
Mijn naam kan me niemendal schelen,
Omdat ik niet weet wie ik ben.
Ik kan ‘m niet lezen of schrijven,
Want lachen is al wat ik ken.
Ik ben maar een kind van de zonde,
Ik leef voor de glanzende schijn;
Wanneer er geen zonden bestonden,
Dan zou ik een engeltje zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

voorbijgangster

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1916

Voorbijgangster

Een lief gelaat in tere lijnen
Een stille lach om jonge mond:
Zo schreed zij daar; en de eigen stond
Voelde ik een leegte in mij schrijnen.

Zag zij mijn blik bewondrend schijnen?
De lange wimpers zonken blond
Op de ogen; 'k zag haar lach verkwijnen
En voelde schaamte om wat ik schond.

Toen welde in ’t hart een diep verlangen:
Een jong gelaat, dat minnend vleit,
Wenste ik, een hand vol tederheid,
Die mild de mijne hield omvangen,
Een fluist’rend woord, dat troost zou langen
En breken deze eentonigheid. -

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van J.P. Haasbroek 1812-1896

AAN ENE MOEDER.

Hoe schoon stond de bloemkroon op 't jeugdige hoofd,
Toen 'k u in de Bruidzaal mocht groeten;
Toen waart ge aan de Vreugd en de Schoonheid verloofd;
De Jonkheid bracht hulde aan uw voeten;
De oranjebloem zelfs scheen niet wit bij de glans
Van 't elpenblank voorhoofd, gedekt met haar krans.

Thans buigt zich uw schedel allengskens ter neer;
Uw voorhoofd, met rimplen doorsneden,
Tooit sneeuwwitte bloesem noch elpenbeen meer;
Geen jeugd strooit gebloemt' voor uw schreden.
o Moeder, in wie dus de Schone verdween,
Waar is nu de bloemkroon van gisteren heen?

Maar hoe? Is die bloemkroon gevallen ter aard',
Waarheen mij uw blik schijnt te wijzen?
Ja, 'k zie daar, als bloesem, die viel in de gaard,
Een krans, om zijn schoonheid te prijzen;
Een krans, die maar enkel uit knoppen bestaat,
Waarin zich de wordende Schoonheid verraadt.

Een krans is 't van — kindren, gekweekt met úw bloed,
Dat helder hun wangen doet blozen;
Van kindren, wier oogstraal nu blinkt van úw gloed,
Wier lip is bedekt met úw rozen;
Van kindren, in wie gij, o Moeder! herleeft,
En ons weer úw schoon te bewonderen geeft!

Buk, Moeder! naar de aarde, en vergaar op uw schoot
Het kroost, dat uw voeten omhuppelt;
Dan tooit u de krans, die uw lokken ontschoot,
Met tranen van vreugde bedruppeld.
Cornelia sprak: mijn juwelen zijn hier!
En gij: Zie de bloemen, waar 'k thans mij mee sier!

Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

vervulling

Een gedicht van Aaart van der Leeuw 1876-1931

Vervulling

De moeder schuift het venster op en weent,
De kalme kamer ligt van zon doorspeeld
En, op de rand der stervenssponde, leent
De ziel des doden over tot zijn beeld.

Hij kan niet scheiden, want hij ziet zijn mond
Die, als een sikkel door het koren zwaait,
Oogsten deed zinken, zoet-gerijpt en blond;
Maar nu zijn alle velden afgemaaid.

Bleek rust het voorhoofd, dat rijk bijenhuis,
Waarin gedachten vlogen zwaar-bevracht,
Om ledig uit te gaan, met licht geruis,
Den laatste last te zaamlen vóor de nacht.

Hij ziet zijn hand, en 't lijkt hem of haar greep,
Die zich gekromd had vast om 't klinkend goud,
En kostlijk sap uit alle vruchten neep,
Nu ook, in starre kramp, zíjn vlucht weerhoudt.

De wind beweegt een goudenregentros,
Doorgolft de kamer met oneindigheid,
En maakt het lichaam tot de ijdle dos,
Die graag wordt afgelegd voor slapenstijd;

Dan, gloeiend, voelt de jonge vreemdeling
Hoe 't binnendringend koeltje in kaf verwaait
Wat eens als paarlen om die vingers hing,
Doch dat nu 't ware graan werd uitgezaaid.

En ook dit voorhoofd, als haar geur de roos,
Zijn vroom vermoeden koestrend diep-verhúld,
Die mond, zo veel-begerend en zo broos,
Het beiden liefstbeloofde is hier vervuld.

Een stem roept drangvol met een nieuwe naam,
De tweede wereld breidt haar bloesemgouw
En, luchtig zwevend door 't omrankte raam,
Verliest de schim zich in het wenkend blauw.

Herscheppingen (Van de tweede Wereld)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten