Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

meidag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Meidag. 

Nu draaide 't windje, met de zon,
Door 't oosten heen naar 't zuiden;
Dat is zo goed als 't wezen kon,
Voor boer en buitenluiden.
Het blaadje rolt zich uit de knop,
Het veld wordt groen, het zaad schiet op,
De nachtvorst zal 't niet plagen;
Wij krijgen warme dagen.

Wij hebben lang genoeg gezucht,
Als werden wij vergeten;
Daar komt op eens de zachte lucht....
Nu willen wij 't niet weten,
Maar menigeen heeft vaak gezegd:
Die kou is naar, dat weer is slecht!
Als moesten wij 't niet loven,
Als kwam het niet van Boven.

Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?
Hoe zullen we ons verschonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertonen.
Och, lieve Heer! zie gunstig neer!
Wij klagen nooit ons dagen meer;
Wij willen dankbaar leven;
Och Heer! wil ons vergeven!

Gedichten deel 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

buik

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Hare buik is zo welvende en zacht

Hare buik is zo welvende en zacht
Als van de wijde zee een ronde golf,
Die een oneindige lichtglans bedolf
Binnen zijn tedere en donzen vacht.

Van uit die tedere en donkre nacht,
Waarmee zij haar schatkamer overscholf,
Zal stijgen, die zich zelf uit haar opdolf,
Tot vrijheid ene lichte gouden vracht.

Een lichte schone schaar van bloeiende kindren
Zal hieruit stijgen naar haar schone borsten,
Ik zie ze spelen in de nevels ginder en

Mijn ogen niet naar hier terugzien dorsten.
Goud zijn hun lichamen, zij zinderen
Door de luchten, en stillen alle dorsten.

Sonnetten (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

een lent

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Een lent van vaerzen

In dons van wolkjens glijdt ginds
De zilveren sikkel der maan;
Die schijnt een gondel, een bootjen,
Dat vaart op de blauwende baan.

De wolkjens schijnen de golven,
Witgekuifd, met luchtende tint,
En de starren zijn zo schone leliën
Als niemand op aarde vindt.

Was die gondel mijn levensbootjen,
Ik nam je, mijn lieve, er in mee,
En wij zwierven daar hoog in den hoge,
Alleen op de onmeetlijke zee.

En had ik genoeg van je zoentjens,
Genoeg woordjens van liefde gehoord,
Ik nam je, een, twee, drie, in mijn armen,
En… gooide je over boord!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

ver

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Heel ver.

Ik wilde ik kon je in mijn armen nemen,
Dragen heel ver
Langs blanke velden en koele wegen....
De avondster
Zou wel onze vriendlijke leidsvrouwe wezen,
Als over dagmoede landen rezen
Avond- en nacht-
Schaduwen zacht.

Ik zou je voeren langs rozenheg
En vogelwoning.... heel ver weg....
Langs blauwende zeeën en duinige stranden,
Tot wij in Vrede-stede landden,
Waar mensengelaat
Is als een bloem die opengaat,
Wijl zij in lichte vrede staat.

Daar zou ik je leiden....
Bloemige weiden
Zouden er spreiden,
En wuivender bomen groene nacht;
En gouden zangen zouden er bloeien,
En bloeme-vertellingkjes overgloeien
Der blijde heuvlen lachende pracht.

En het zou er zijn
Als blonde morgen in sprookjesland.
En wij zouden er dolen hand in hand,
In onze zielen heel teder bewegen,
Of alles nieuw werd.... langs nieuwe wegen,
In vaste schoonheid van Vrede's zegen.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

licht

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Licht van mijn Liefde, dat nu donker werd

II

Licht van mijn Liefde, dat nu donker werd,
Daar ge in een mist van tranen altijd weent; –
’k Zie als een vlam, die trillende overleent,
Een wonder en een glorie in uw hart.

En gloeiende in het donker uw smart
Slaat ze uit en zoekt, tot alles zich vereent
Met mijne liefde, en vreugd, die om u weent
En in mijn diepste ziel uw naad'ren mart.

In één lange gemeenschap zal uw leed
Zich meng'len met mijn ziele in enigheid
En zoet verkeer van vlammen in de lucht;

En om ons beiden weven wij een kleed
Van tranenvolle teerheid, waar ge in schreit
Om weedom, maar nooit meer in weedom zucht.

Van de liefde die vriendschap heet

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

het gedicht

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Het gedicht

Eén berk, in het opene tussen de sparren,
Als een volk om zijn koning het bos om die berk,
De zon en de wind in de takken, de schaduwen
Vluchtig-bewegelijk, teder en sterk.

Ik, tot dit krachtige leven verkoren,
Treed als ontbonden door schaduw en licht,
Vrij, als de zon en de wind in de bomen,
In die stralende wereld: de Droom van 't Gedicht.

De Beweging jrg 14 (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:09 Reageer op dit bericht

klank

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

NIEUWE KLANK

Bij al wie thuis moet blijven,
Zoekt lente een open raam;
Een droom van vreugdbedrijven
Laat ze achter met haar naam.
En steels, na dag zó blijde,
Zoek' jeugd haar avondblom —
Stil laantje hoort bij 't scheiden:
„Zeg, kijk je nog reis om?"

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:08 Reageer op dit bericht

lentefanfare

Een gedicht van Richard Minne

LENTEFANFARE

De lente komt zo dapper aan.
Hobooien zijn 't en zilveren fluiten.
De weduw kijkt voor 't eerst weer buiten
doet haar gekleurde jak weer aan.

Zo zal de wereld blijde staan
vooral als bij het avondtuiten
weer de fanfare stapt naar buiten
met het bestuur er achter aan.

---------------------------------------------------
Uit: In den zoeten inval en andere gedichten (1955)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

dis al

Een gedicht van Jan F.E. Celliers 1865-1940

Dis al

Dis die blond,
dis die blou:
dis die veld,
dis die lug;
en 'n voël draai
bowe
in eensame vlug -
dis al

Dis 'n balling,
gekom
oor die oseaan,
dis n graf in die
gras,
dis n vallende
traan -
dis al

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

buiten

Een gedicht van J.J.L. Ten Kate 1819-1889

NAAR BUITEN.

Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tussen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In 't graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen driften zich verneedrend tot haar slaven,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meer, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hotst, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreze, en 't starlicht van Gods hemel
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!

Ik zag er tegen 't goud de Deugden opgewogen,
De Mening aan de evenaar;
'k Zag de Armoe schuld geteld; de Schuld triomf in de ogen,
Of daar geen hoger Richtbank waar';
'k Zag grote kindren zich bij 't klatergoud verbazen,
Hun graan verkwisten op een klip,
Uit ijdle droom en hoop een bonte zeepbel blazen,
En wenen bij zijn kleurloos slib;
'k Zag bozer Eigenbaat de blanke vleugels vlekken,
Die God bij haar geboortezucht
Der ziel des mensen geeft, om minstens haar te dekken,
Zo ze al te zwak zijn voor de vlucht;

Ik zag 't Genie, gekranst, op 't hoog altaar gezeten,
Het gulden kalf van 't dansend volk,
Dat in het schepsel 't werk des Scheppers dorst vergeten,
Blind van zijn eigen wierookwolk;
'k Zag de Ontucht blosjens en de Droefheid lachjens liegen,
En, worstlende in het reuzenrag
Der Mode, duizenden in die zelfbedwelming wiegen,
Die 't leven afslijt in de dag!

Toen bad ik: u Grote God! zal hier mijn hart verstenen
Of dorren in zijn dageraad?
Breng 't, nu 't nog anders dan van schaamte en smart kan wenen
Waar 't voor iets Beters open gaat!
Hoed mij voor Haat en voor Verachting: laat mij 't goede
In 't kwaad, het licht in 't donker zien!
Neem Gij de liefdebloem mijns harten in Uw hoede:
Hier kwijnt, ontbladert ze misschien!
Daar zijn er nog genoeg, die U in 't harte dragen:
Hij hoort er half toe die 't gelooft!
De Liefde is 't Leven .... God, 'k bid levendige dagen!
0, geef ze eer hier hun bron verdooft!"

En 'k heb ze ontvangen! ... in uw zoete broederarmen,
Natuur, Gods uitgedrukte beeld!
Een frisse levensstroom zal hem de ziel verwarmen,
Die, kind, aan uwe boezem speelt!
Gij sterkt de kracht der ziel - de toekomst en de mensen
Voert ge ons gelovig, liefdrijk toe....
Tot U! nog vaak tot U! - de heemlen zijn uw grenzen,
Gij, als zij-zelf, nooit gevens moe!

1842.

De Dichtwerken (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

wind

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Stil van wind.

Daar lei een scheepje gemeerd in het Diep.
De wind was ter ruste, het watertje sliep
En 't scheepje moest liggen tot later;
Het spiegelde intussen voor tijdverdrijf
Zijn mast en zijn want en zijn ranke lijf
In 't klare kristal van het water.

Geputst had de schipper, gegutst had het nat
En gangboord en stuurboord en alles was glad
En fris van het stromende water.
Toen floot hij een deuntje en draaide gezwind
Een zon uit zijn zwabber en keek naar de wind,
Maar 't wimpeltje druilde: - tot later!

Kindergedichten  (1914) 

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Licht mijner ziel

I

Licht van mijn ziel! ik zag u steeds van ver,
En wist wel dat gij eindlijk komen zoudt; -
Woorden, die ik niemand heb betrouwd,
Gaan uit als bleke vlammen, - als een ster,

Die in 't azuur, maar blanker, lieflijker,
Zie 'k in uw lokken liggen 't licht gelaat;
't Mysterie van veel leeds, maar nooit van haat,
Droomt in uw ogen; - 'k zag het steeds van ver.

Ik zal u zien, mijn Licht, zo zie gij mij:
In één zoet waas van gloed, waar ieder woord
Doorheenvlamt van de lippen en saamglijdt

Met andere tot één lichtende enigheid -
En elk van ons droomt in een glorie voort,
En andre glorie gaat ons stil voorbij.

Van de liefde  die vriendschap heet

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

zingende

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind -
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst...
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

Vroege gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

perzik

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

TE VROEG BLOEIENDE PERZIK

Het voorjaar kwam zó vroeg
Met zon en luwe winden,
Dat ik in een verblinde
Verrukking bloemen droeg.

Ik kon de vaste tijd,
Door U besteld, niet wachten.
't Hunkren van mijn gedachten
Werd teedre werklijkheid.

0, de eerste morgen, dat
Mijn bloei zich openbaarde,
In de verdorde gaarde,
Hebt Gij mij liefgehad.

Toen, voor mijn weligheid,
Waarvan de twijgen rillen,
Hebt Gij mij gekastijd,
En mij omhuld met stille

Huiven van sneeuw, en dauw
Die stierde tot kristallen;
Nu sta ik star en grauw
Tussen de bloei van allen.

Maar wie mijn doodheid laakt,
Gij weet, dat ik kàn bloeien.
En uit verholen gloeien
Gij bloem en vruchten maakt.

Och God, Uw lente prijkt -
Wie weet - nog vele jaren.
Laat 't hart Uw gunst ervaren,
Tot het in bloei bezwijkt.

De donkere bloei (1923 - 1925)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

niet goed

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Het is niet goed.

Het is niet goed, door 't leven te gaan,
met hoofd en blikken omhoog gericht,
omhoog, - ter glanzende starrenbaan,
ter eeuwig stralende lichtsfeer.

Het is niet goed op een hoogte te staan,
wel vele duizenden in 't gezicht,
hoog boven het slijk, midden storm en orkaan,
waar de kiem van worstelen en strijden in ligt.

Want zij die daar gaan door de schemernacht,
vrijwillig, - naar geest, en hart en gemoed,
vergeven het niet, dat u 't licht begroet;
en wee! - het zijn er velen.

Want zij, wie de kracht tot hoger ontbreekt,
die baggren ontzenuwd in modder en slijk,
vergeven ze u niet, de verhevene wijk:
en wee! - het zijn er velen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

geen

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er is geen tijd

Er is geen tijd. Wat gistren was
is wat vandaag me een liefde wijst.
Herdenken: ongedronken glas
dat morgen laaft en spijst.

Wat is me droeve scheppings-daad
en baren in 't gelaat der dood?:
een kindje dat aan 't schaatren slaat
daar 't wemelt in mijn schoot.

Welke is de krankheid die me pijnt
bij dreigend komen en vergaan?
Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
een sterre aan hare baan.

Wij reizen, en uit ieder punt
verrijst een einde, ontrijst begin;
waar alles wat het leven gunt
verlies is, en gewin.

En komt eens de ongenode Gast
ons scheemren in 't vervaald gelaat,
o Dood, met avond rijk belast:
dàn wordt het dageraad.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

voor de geestelijke middenstand

Neem gij het leven
Zoals het is -
Een beetje onrechtvaardig,
Een beetje boosaardig,
Maar ook wel eens aardig
En soms lang niet mis!

Leef gij het leven
Zoals het gaat -
Niet al te opzichtig,
Niet al te gewichtig,
Een beetje voorzichtig
Dan is 't niet zo kwaad!

Houd gij het leven
Bedaard in het oog -
Toon gij u krachtig,
Uw doel steeds gedachtig,
Nooit onwaarachtig,
En dan: kop omhoog!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

dernier refuge

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DERNIER REFUGE

Vrouw, ik wil wel met u leven,
treed mijn open kamer in,
mijn bezit zij u gegeven,
doch verzwijg mij voze min.

De juwelen van een Carmen
zijn de zonde, die verwondt,
ik wil liggen in uw armen,
met uw adem op mijn mond.

'k Stoot dan 't hoge venster open
op de neergevelde nacht,
waar verdoemde zielen lopen
in een onbegrepen pracht.

En de uren zal ik proeven
als een geurend gift-likeur,
en uw leven blijve toeven
tussen 't venster en mijn deur.

En de maanden en de dagen
gaan ons ongekend voorbij;
alle bloesems die zij dragen
zijn gewenst door u noch mij.

En de nachten zullen groeien
en ons leven zal vergaan,
't lege hart zal stil verbloeien
in een zelf bedachte waan.

Nu gij 't leven dorst verspelen
afgestompt voor vreugd en pijn,
wil ik wel met u nog delen
dit bestaan van zielloos zijn.

Parijsche verzen Bussum 1923

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Th. van Ameide 1877-1955

Maannacht.

Een lichten en een wuiven
ging door het wakend woud
in ruisend, schittrend stuiven
door het bebladerd hout;
de volle takken hingen
te zwieren en te zingen
in zilvren flikkeringen
op 't feest van wind en maan.

De wijde, heldre hemel
blonk rijk in elk verschiet,
waar 't fijnere gewemel
zijn glans een doortocht liet,
en luistervolle ronden
van gulden misten bonden
de stralen, die zij vonden
vervloeien door de boog.

En waar de maan in 't hoge
hing heerlijk aan de lucht,
veel grote wolken vlogen
hun snel-gejaagde vlucht;
maar als hun ijl gevaarte
vlood langs de ontzagbre klaarte,
versmolt zijn laatste zwaarte,
in 't machtig licht vergaan.

De hoge wind liet rustig
de dichtomgroeide gang,
maar schudde sterk en lustig
der kronen bladervang:
het was een deinend neigen,
een zinken en een stijgen,
een vleien en een dreigen
van allen onderéén.

Het licht viel neer in plassen
op de verschrokken grond,
of ging een boom verrassen
waar hij te dromen stond
en weefde door zijn lover
een stille vonkentover,
of speels vergleed weer, pover
hem latend als hij was.

Toen zagen wij de vlugge
nimfen uit oud verhaal
aanschimmen en terugge
duiken in loverzaal,
hun schijnig blanke leden
opeens hun lokking breden,
dan in de heimlijkheden
verdwijnen weer als damp.

Wij voelden als die ouden,
die uit hun hoop en vrees
zoo in hun duister bouwden
het beeld dat ons verrees;
in wisselender schijnen
ontbloeien en verkwijnen
het stoeien en verdwijnen
zagen van god of geest.

Wij zijn, ach, zoveel wijzer,
weten van maan en wind;
ons hart is zoveel grijzer,
zo helemaal geen kind:
de nimfen zijn gevloden
met woud- en watergoden,
geen schemering bergt boden
meer uit een andre weerld.

Maar 't oog, dat groot kan schouwen,
ziet strakker, sterker schoon
dan wat zich kindren bouwen:
op aarde een tover-woon.
Ons was dit woud niet ledig,
de wind, het maanlicht vredig
maakte' ons zo zacht en zedig:
wij meenden te verstaan.

Wij voelden zonder windsel
van beeld en woord en waan
't mysterie als beginsel
van heel ons aards bestaan:
rondom en in ons zelven,
te dieper, naar wij delven
al dieper de gewelven
van onze wetensgang.

Mysterievol blijft bloeien
ons leven als voorheen:
't geweetne gaat vermoeien,
laat leeg ons en alleen,
maar in deez' weerld van wonder
gaat onze ziel niet onder,
zij ziet zich zelf er, zonder
te wèten wat zij ziet.

Een woud in licht aan 't wieglen
is vol van haar beweeg,
zij mag zich zelf er spieglen,
ook zij niet zwart en leeg
noch weemlend van fantomen,
maar als een woud van dromen,
doorbruist in helste stromen
door storm en gloed van God.





 

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

maan

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1931
De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.

De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.
waaraan de witte bloesems bottend hangen,
en giet mijn weelde in rijzende gezangen,
die als een wijdend lied ten hemel stijgen.

In zilvren luister, de oude kruinen neigen
hun geel-bedroomde schaûw, wijl roerloos, bange
ontbloeit, rond hen, mijn tros-gebouwd verlangen,
zachtkens verruisend tot een heilig zwijgen.

Langs 't rustend blauw, met mijmer-blond omweven,
voel ik mijn ziel langs klare tonen zweven,
opbeurend in wijd-klinkend koor gedragen.

En in de bladerstille lucht, met trage
glinsters, lichtend-gestrooide sterren blinken,
wijl Nacht en Vrede in 't zwellend harte zinken.

bron: Van Nu en Straks jrg 2 (1894)  

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten