Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
straten

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932
DUISTERE STRATEN
Regen zie ik, mist en regen,
grauwe mist en kille regen
En de natte mensen lopen
rustloos op de natte wegen.
D'eeuw'ge veerman in zijn pontje
vaart nog altijd op en neder
Lange schuiten deinen langzaam
en landziekig heen en weder.
'k Hoor een treurig orgel jamm'ren
schorre joden klagend schreeuwen.
Krijsend boven 't grijze water
vliegen kleine, witte meeuwen.
Ach! die grauwe sombre huizen,
ach! die glimmend zwarte bomen,
Kille mist omhult mijn ziele ....
dof mijn denken, grauw mijn dromen ....
En ik zie een andre nevel
droever nog en meer te vrezen
die is kil en ondoordringbaar
en die ligt op liefste's wezen.
Angstig staar ik in haar schemer
zoekend in de koude, dichte,
diepte — bang de handen strekkend
schreiend om mijn zon — de Lichte!
Tot dan plotsling scheurt de sluier
warmte schijnt uit donkere ogen
en mij nadert, droef vertrouwlijk,
't hoofdje, half ter zij gebogen.
Zachte blikken zoeken mijne
en de lieve lippen vragen
Liefste! liefste dan! — mijn zonne
komt weer dagen! komt weer dagen!
1884
Jeugd-verzen (1926)

vogels

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889
DE VOGELS.
De winter scheert de lustwaranden
En schudt de naakte lindentop:
De vogels slaan aan andere stranden
Het schommelende nestje op;
Maar, waar ze ook elders nederstrijken,
Vergeten doen ze ons nimmermeer -
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.
Nu laten ons met stil verlangen
De ontvloden ballingen alleen!
Hoe vrolijk klonken eens hun zangen
Door hutten en paleizen heen!
Ginds, waar de vreemde bloemen prijken,
Klinkt nu hun feestlied heinde en veer:
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.
Wij, aan dit logge stof gekluisterd,
Benijden haast hun vrije vlucht.
De glans van 't zonlicht is verduisterd,
De nevels rijden door de lucht:
0, wie de vogel mocht gelijken,
En ijlen naar een warmer sfeer! ...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.
Zij denken aan hun verre vrinden;
En wijkt in 't end de laatste orkaan,
Dan zoeken zij hunne oude linden,
Die weer in volle bloesems staan.
Zij zijn voor armen en voor rijken
Geluksprofeten van de Heer...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.
De Dichtwerken (1872)

oceaan

Een gedicht van Jan Veth 18654-1925
Op de oceaan.
De zee jacht òp een heir van vlugge kuiven,
Waar zilte zoomen van smaragd in schijnen;
Zij rimplen, rijzen, wentlen en verdwijnen,
In wisslend spel van schittren en verstuiven -
En in de branding van dat stage schuiven,
Laat golf na golf haar donkre diepte deinen, -
Tot indigo en brons in grijs verdwijnen,
Om zilvren kuiven weer omhoog te kruiven...
Ai mij, is zó de maatgang van dit leven,
Moet elk licht dùs in nieuwe vloed bedolven,
Smelt iedre kleuring weer na luttel tijd?...
Zijn liefde en schoonheid enkel schuim van golven,
Verstuivend in de drift van rustloos streven,
En woont alleen in wissling eeuwigheid! -
Nov. '09 De Gids. jrg 74 (1910)

stil

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939
Stil van wind.
Daar lei een scheepje gemeerd in het Diep.
De wind was ter ruste, het watertje sliep
En 't scheepje moest liggen tot later;
Het spiegelde intussen voor tijdverdrijf
Zijn mast en zijn want en zijn ranke lijf
In 't klare kristal van het water.
Geputst had de schipper, gegutst had het nat
En gangboord en stuurboord en alles was glad
En fris van het stromende water.
Toen floot hij een deuntje en draaide gezwind
Een zon uit zijn zwabber en keek naar de wind,
Maar 't wimpeltje druilde: - tot later!
Kindergedichten (1914)

tijd

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943
Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren
LXIV
Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren,
Worden de sterren in de nacht geboren,
Vuurbloemen die de rijzendranke roeren
Van donkre aardtochten naar Gods ooglicht boren.
En waar de heemlen van voor Hem vervloeren
Tot glazen glansbaan eindelozer koren,
Lijnen der stelslen weemlende contouren
Door 't klaar kristal donkervermoede voren:
Door weêrzijds-open venstren als door ogen
Schijnen de heemlen in elkaar en de aarde:
Liefde met liefde wisslen wondre waarden,
Aarddonker tegen Godslicht opgewogen...
In evenwicht van gulden ruil geheven
Wandelt de wereld vleugelloos te zweven.
Sonnetten (1920)

gebondenen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
Gebondenen
Vreugd is een vogel die woont
Hoog boven wolken, in 't blauw,
Waar ze op het nest zit getroond,
Voedend haar broedsel met dauw.
Wij, door het leed, in heur tuin,
Worden te sluimren gesust,
Schemer en bladeren bruin
Weven de wade onzer rust.
Soms komt de zon door het grauw,
Wind langs het lover gevleugd,
Dan snakt ons hart in het blauw
Mede te zweven met vreugd.
Maar door dit klagend gedicht
Bindt ons de val der fontein:
‘Zwaar’ is de meester van ‘licht’,
Tranen zijn zoeter dan wijn.
De Beweging, jrg 12, 1916

torens

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
De torens
Ze rijzen, rijzen, hier en daar verspreid,
de hoge torens in de vlakke velden, -
als baken van gevoel, die wisheid melden
langsheen die duiz'lingwekkende eeuwigheid ...
Hen ziet de zwerver, tot de zon verscheidt,
opdagen, of ze beurtlings hem verzelden.
Wen nacht en stilte en vreemd geruis hem kwelden,
klinkt nog hun stem, die troostend hem geleidt.
'k Ging door een land van smarte ... Vaak bezweken
mijn krachten ... Immer vond ik, 't pad ontweken,
een richtbaak voor mijn stappen, mank en krank,
en stronkelde ik in wanhoop soms verloren,
dra viel door 't duister, uit een hoge toren,
diep in mijn ziel een verre klokkenklank.

strijd

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924
De bloed'ge strijd om het bezit
De bloed'ge strijd om het bezit
Is ook een strijd om machtigste geest,
Het bezit van het goud, het wit,
Zweept óp de geest het allermeest.
En 't storten van het mensenbloed,
En 't willen winnen in de gloed
Van staal en vuur, die moorden, doet
De geest stijgen in 't Al, de sterren tegemoet.
Strijd (VI)

arbeid

Een gedicht van Hermen Gorter 1864-1924
De arbeid is ook de bron van het weten
De arbeid is ook de bron van het weten,
Hij is de wel van de goudenen geest.
Door zijn gestage groei groeit ongemeten
De macht van den geest binnen 's mensen leest.
O! door het storten van het bloed, en strijd,
Gloeit dus ook ander licht op uit d' arbeid,
Dat is het gouden licht der geestesarbeid,
De geestesarbeid zelf, de gouden waarheid.
De aarde wordt door een goud licht omgeven,
Als 's avonds, als de zonnedraden weven
Om haar heen een evenwijdig zacht licht,
Dit licht het is het gouden geestesleven
Van haar kindren, de mense', uit stof geheven,
Door 't bloed straalt het goud om haar aangezicht.
Strijd (V)

arbeid

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924
De arbeid maakte de verhoudingen
De arbeid maakte de verhoudingen
Der mensen en de strijd van hunne klassen.
Het bezit is uit de arbeid opgewassen
En de strijd om 't bezit, het goudene.
De adel vocht tegen de koningen,
De burgers tegen des adels woningen,
De burgers wierpen koningen en adel
Uit hun trotse en hoogverheven zadel.
De slaven vochten tegen hunne heren, -
O denk om Spartacus en geef hem ere! -
De gezellen vochten tegen de burgers,
De loonarbeiders tegen hunne wurgers.
O overal is de goudene strijd
Ontstaan uit de arbeid, sinds eeuwigheid.
Strijd (IV)

gemeenschappelijk

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924
De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen
De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen,
En doet de strijd tussen die stamme' opvlammen
Rondom de hele aarde. Een woest gebeuren
Waarin de stammen elkander verscheuren.
Grotere samenarbeid schept de volken
Uit de stammen, en doet ze in grote wolken
De aard bewonen. En in bittre strijd
Om de aarde vechten voor hunne arbeid.
Over de ganse aard maken de naties
Hun bonden, hun wereldorganisaties,
Voor de gezaamlijke wereldarbeid,
Maar die reusachtige bonden van naties,
In hun vijandige organisaties,
Drijft de arbeid tot nog hogere strijd.
Strijd (III)

arbeid

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd
Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd.
De arbeid is 't die doet de stromen bloed
Om de aarde vloeien. In rode damp van bloed
Doet haar dampende voortgaan de arbeid.
Zij gaat in 't Al de sterren tegemoet,
Waarvan de smart en strijd haar onderscheidt,
In wolken van bloed, en tranenbeschreid,
In van pijn en rouw nacht en gloed.
De aard is in goudene sterren rood
En zwart van stromend, geronnen mensenbloed.
De lichamen der levenden een vloot
Op der doden stromende levensvloed.
En van die levenden geweld'ge dood,
Door strijd, van die doden het doden boet.
Strijd (II)

wezen

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Het wezen van 't heelal is energie
Het wezen van 't heelal is energie
Het wezen van de mens is zijn arbeid,
Door de arbeid is de mens een deel van die
Oneindige natuurkracht: de waarheid.
Maar daardoor is 's mensen wezen ook strijd,
Want 't voorwerp van zijn arbeid is natuur,
En haar vermeestert slechts het sterkste vuur,
Dus: strijd van allen zonder onderscheid.
Strijd (I)

dies irae

Een gedicht van Arnold Sauwen 1857-1938
Dies irae.
De doodsklok galmt met doffe slagen,
een naar gelui, dat dorp en gouw
de droeve mare melden zou:
een dode wordt ter kerk gedragen.
Traag volgt de stoet van vriend en magen,
in 't zwart gekleed, de ziel vol rouw
om hem die heenging, plichtgetrouw
des levens last droeg en zijn plagen.
De boetpsalm jammert... smekend teer
hoort men het Miserere klagen:
ach! wees der ziel genadig, Heer:
Dies irae... wil niet versagen,
daagt eens de kwaadste van de dagen,
arm hert, dat angstig vraagt: wanneer?
Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1928

wedstrijd

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravensande
DE WEDSTRIJD.
De Vrouw.
Meer dan de mannen zijn de vrouwen trouw als goud;
Sla slechts de boeken op; zij doen op duizend bladen
U lezen, wat voor eedle daden,
Zo menig vrouw, deed voor der mannen lijfsbehoud.
De Man.
Wel zo, dat snoeven staat u wel!
Één voorbeeld doet uw trouw ver onder de onze dalen,
Haalde Orfeus niet zijn vrouwtje uit de hel;
Wat vrouw dorst ooit haar man daar halen?

goede nacht

GOEDE NACHT AAN MIJNE OUDERS
Ontslapen de 9 juli en 24 augustus 1801
De gouden zon verdwijnt,
En de avondstar verschijnt
Hoog boven zee en landen;
Zij, wenkende de maan,
Steekt 's hemels lampen aan,
Om voor de nacht te branden.
De roerdomp bromt van verr',
En de uil krast ginds en her,
De vledermuizen zweven;
Der dorpsklok hol geschal
Wenst goede nacht aan al,
Wat adem heeft en leven.
De mens van werken moe
Sluit de ogenleden toe,
Vergeet de bange zorgen:
De stilte houdt de wacht,
De rust geeft nieuwe kracht,
En sluimert tot de morgen.
Van zorgen afgemat
En alle de onrust zat,
Zult ge ook, mijne ouders! slapen
Een nacht van eeuwen lang,
Waar in men goud, noch rang,
Noch titel acht., noch wapen.
De wereld is daar slijk,
Genot, een droom gelijk ,
De mensen zijn daar blaâren,
De storm wierp hen daar neer,
Gaf hen aan de aarde weer,
Om in haar schoot te gaâren.
Des dodengravers lied,
Zijn spade hoort gij niet,
Bij 't sluiten uwer woning:
Ook hoort gij 't orgel niet,
Als ons verheven lied
Vereert de grote Koning.
In uwe diepe rust,
Van alles onbewust,
Zond hij twee eng'Ien neder;
Zij houden bij u wacht,
En geven, na de nacht,
U bet're morgen weder.
Slaap dan, geliefde twee,
In uwe zaalge vreê!
Ik zal haast bij u wezen:
En als de nacht verdwijnt,
De morgenstar verschijnt,
Zijt ge uit uw slaap verrezen.
Gedichten (1805)

wachten

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712
Het wachten valt pijnelijk.
Vervager der dagen, zo stadig in 't jagen,
Hoe vliegt gij, hoe vliegt gij zo trage?
Nooit susten u 't rusten, of zoude 't u lusten
Een minnaar, een minnaar te plagen!
Wanneer ik verlange, dan tracht gij uw gangen,
Dat valt mij, dat valt mij zo bange;
Ik achte, te smachten, dit beiden, dit wachten,
Dat maakt mij, dat smaakt mij zo wrange.
Wanneer mijn beminde haar bij mij laat vinden,
Dan kunt gij, dan kunt gij verslinden,
O gure, zo dure, vergulde schone uren,
Dan tart gij, dan tart gij de winden!
Dan tart gij de stromen, die langs hare zomen
Als pijlen, als pijlen afkomen.
De kusjes, de lusjes, van heden, van flusjes
Die maakt gij, die maakt gij tot dromen.
Dit uurtje is henen; dit weder verschenen
Dit kusje, dit kusje verdwenen;
Dit glijden der tijden is beter te lijden
Als 't treuren, als 't treuren - allene.
De dag is aan 't rijzen, en 't nachtje aan 't dijzen,
Ai rep u, ai rep u wat, grijze!
Ga spoede, nooit moede, dan noem ik u - goede,
Dan zal ik, dan zal ik u prijzen.

profeet

Een gedicht van Willem de Merode1887-1939
DE PROFEET EN ZIJN OPVOLGER
Wij moeten worden als de bomen,
Die luistren in de diepe Grond.
Dan, zal een ruisen door ons stromen,
En alle blaadren worden mond.
De nederigen en de vrouwen
Geloven 't open woord gezwind;
Zij overreden het mistrouwen
Der mannen; en een eenzaam kind
Glipt 's avonds heimlijk in ons lover,
En heeft zijn nest zo diep gebouwd,
En geeft zich zo gewillig over,
Alsof hij één werd met ons hout.
Langs den Heirweg (1926 - 1932)

nodelooze

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922
NODELOOZE BEKOMMERING
Scheen 't heiligschennis, buitenshuis-ook te gewagen
Van liefde's teerste, van haar innigste bestaan,
Aan hoorders dacht zo min mijn roemen als mijn klagen,
Maar dichter is hij niet, die hoorders tracht te ontgaan;
Een toevlucht, ongezocht, heeft soms zijn hart te danken
Aan 't door zijn woord gestemd, aan 't diep verwant gemoed;
De menigte — blijft ver; zo ze al iets hoort, zijn 't klanken;
Onschendbaar huist in 't lied, mijn ziel! uw heiligst goed.
Levensavond (1921)


