kijken
Zomaar een gedicht over vriendelijkheid en racisme
kijkenZomaar een gedicht over vriendelijkheid en racisme


Een gedicht van W.J. Van Zeggelen 1811-1879
Een fee, die opwelt uit de vloed
Van wulpse zotternijen;
Een dwinglandes, die aan haar voet
De wereld neer doet vlijen.
Een zonderling vernuftig dier,
Dat nooit zich zelve rust geeft,
Vorstin en tevens kamenier,
Die in caprices lust heeft.
Een plaaggeest en een vleieres,
Met rozen op de wangen;
Een dartel ding - een oude bes,
Al naar de bordjes hangen.
Een pijnigster van lijf en leên,
Een bron van vele kwalen,
Een engel vol lieftalligheên,
Een zon met tal van stralen.
Een wicht, dat met de Franse slag
Van 't oude nieuw kan maken;
Een geldwolvin, die 't wee en ach
Door duizenden doet slaken.
Een rapsodie van grol en gril,
Die smaak en wansmaak duldde,
Die slaven ketent aan haar wil
En nijvre handen vulde.
Een kind, dat slechts op 't morgen denkt
En 't gisteren belachte;
Een gast, die moeder zorgen schenkt
En vaders zucht verachtte.
Maar - 't helpt wat of een oude pruik
Zich zet om 't ding te veetren.
Want och, ook ik loop in de fuik, -
Kan ik de boel verbeetren!?
1853.



Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958
I
Weer, stijgend door de koele nacht
De bergen op ter eenzaamheid,
Omgordt mij de geheime macht
Die mij tot Uw gemeenschap wijdt;
Der mensen woningen ontvlucht
En hunner woorden vreemd gerucht,
Ver van hun liefde en hunne haat
Tot Ú mijn hoog vertrek en toeverlaat.
II
Van ijdel minnen en de waan
Der roembegeergen zijt Ge vrij;
Noch leert Ge in de wegen gaan
Waart 't Hart der Harten de waardij
Niet kent van 't Zelf, bedeesd en vreemd
Maar om 't bezit van andren teemt,
Waar handen grijpen naar 't gemis
Des harten, van zich zelve ongewis.
III
De lach der lippen zal vergaan
Verdoven eens der ogen gloed;
En hoe zou 't woord van trouw bestaan
Tenzij-dan dat het Ú gemoet
O Stilte, die in Leed en Strijd
Uit 't aardse onze harten wijdt
En voert ons zwijgend naar het land
Waar 't onverganklijke het wijken bant.
IV
Zo kom -: mijn enige begeert
Is schoon te zijn en rein van hart;
O red mij, want mijn ziel verteert
Van Uwe weedom en de smart
Om dwaling als een-elk belaagt
Die door der mensen volte draagt
Wat hunne harten niet bekoort:
Het zuiver goud, dat u alleen behoort.
V
Vergeef mij, zo ik, diep verblind,
Eens Uw eburne schoonheid schond;
Sinds zwierf ik rusteloos gezind
De wereld door, tot ik hervond
Mijzelf in U, aanbad en zei:
O Smetteloze leid Gij mij
En sterk mij, wonend waar ik woon,
Uw knecht, Uw vriend, Uw veelgeliefde zoon!
De Beweging, jrg 2 (1906)

aanvang
Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
De lucht was vol van zilverglansen,
Vol rode tulpen 't groenend gras;
De aloude dom liet vrolijk dansen
Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.
En waar ik ieder blad zag groenen,
Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
En later achter de plantsoenen
Met elke dag het avondlicht;
De stad met feestlijke geluiden,
De vogels in de' ontloken boom,
Doortoog, als in het wit der bruiden,
Mijn ziel haar schoonste levensdroom.
En drinkend met de zaal'ge zinnen
Des levens reinste en hoogste vreugd,
Trad ik het schone leven binnen:
Het werelds paradijs der jeugd.

ontroering
Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924
Verloren in de' avond
Weg van mij,
Vlucht een ontroering,
Voorbij - voorbij.
Was het 't lieflijke
Van een gezicht?
Alleen de weerschijn
Van 't avondlicht?
Was 't de gedachte aan
Iets liefs van weleer?
Of een verwachting -?
Ik weet niet meer.
Een vogel nam het
Mede op zijn vlucht
En droeg het ver heen
In de avondlucht.
Een dood blad nam het
Op zijn stille vaart
En droeg het neder
In 't stof der aard.
Als vogels en blâren
Gaat alle lieflijks heen -
Zij laten ons peinzend
Leeg en alleen.
Zingende stemmen

drasikolken
Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947
Draaikolken van dit leven,
zuig mij naar de dood.
Zie hoe tere bloesem
in een vrouwenschoot
welken moet door woorden
of een valse grijns.
Sleep mij naar het einde,
vraag mij geen accijns
voor goedkoop genoegen.
Lach niet om mijn leed,
als gij ’t innigst leven
zelf met voeten treedt
is voor U een wonder
slechts pervers gebaar...
Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

vuistrecht
Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Ellendig al me' leven,
zonder oost
of troost:
van iedereen verlaten
en verraân,
voortaan,
waar wil ik me gaan lopen,
om de liên
te ontvliên,
die, zegezingend, zoeken
mij die hals
onvals
te kerven, die de leugen
hun, te leed,
verweet?
Ik vare en heb noch vreze
voor de dood,
hoe snood;
maar ‘k vreze, zonder moed en
zonder hert,
de smert
te vluchten, en te vallen,
daar de waan
blijft staan;
te vallen en te sterven,
daar hij, loos
en boos,
zal roepen: 'Dat de vuist kan,
en ‘t gevecht,
is recht!'
De waarheid zal bedijgen:
zij is, als
gevals,
de 'waarheid', schoon al ‘t beste
dat er leeft
begeeft:
viel alles om haar henen,
hof en huis
in gruis,
nog staande zou ze blijven;
en, blijft een
alleen,
haar houw en trouw zijn, ik zal,
God, en gij
met mij!
Rijmsnoer I (1887)

illusies
Een gedicht van Frederik Schmidt Degener 1881-1941
De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;
en weggedwerreld is in daaglijksheid,
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.
Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.
Het binnenspel van uw verbeelding bant
de nutteloze zwaarte van ’t verstand,
in welks omkluistering gij doods moest leven.
Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
Droom los u uit de dag en droom nog even
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.
55 VARIATIES op een bekend thema

boswachter
Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915
En 't is vroeg in de morgen: de hemel is blauw,
in 't mollige gras schittert peerlende dauw,
op stammen en blâren, ver en dicht,
speelt met de schaduw het zonnelicht, -
op aller grachten zomen
staan bloemekens te dromen,
knikkende, geurende, slapensmoe,
de heldre lentemorgen toe.
Hij gaat langs de kronklende wegel in 't bos,
't geweer op de schouder, in luchtige dos,
na verre ronde, na bange wacht
op eenzame paden, in duistere nacht.
Maar of 't om hem heen ook glinster en glans,
of de hemel blauw is en zonnig de trans,
of alles bloeie en fleure,
of alles zinge en geure,
diep mijmerend gaat hij: daarbinnen rust
een zoete gedachte, vol heil en lust,
die tovert in zijn oogen dat licht
en die milde lach op zijn eerlijk gezicht.
Want ginds, waar het oog tussen 't dichte geblaêrt,
dat krinklend wolkje rook ontwaart,
daar is zijn thuis, zijn blijde haard,
van buiten omloverd met wingerdfestoen,
van binnen met liefdes eeuwig groen; -
daar zweeft er en trippelt en rept zich bij zang
en kout een vrouwken, rozig en rank,
daar kraait, in zijn kribbeken blozend, een klein,
daar prevelt Grootje het simpel refrein
van lang vervlogen dagen,
met moed en lust gedragen.
En een trillende leeuwrik stijgt boven zijn hoofd,
een plechtige lofzang ruist door het loof,
en bijen snorren hem gonzend voorbij,
en alles ontwaakt en is vrolijk en blij...
De zonne lacht,
de morgen straalt in opperste pracht,
en hij, de gelukkige, gaat
met stralende blik en een lach op het gelaat.
Wiesbaden, 1878.
Gedichten

onrust
Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1874
't Kind schiet uit een zachte slaap;
Verre stormen huilen.
- Moeder, is 't de wind die ruist?
Moeder, is 't de zee die bruist?
Waar zou vader schuilen?
- Meisje, o! heel ver van ons
Zwalpt hij op de baren;
En wie weet waar of zijn schip,
In gevaar van nacht en klip,
Thans mag henenvaren!
- Moeder, hoor, de regen plast
Klettrend op de ruiten.
- Och! ons hindert nacht noch wind;
Maar hij is op zee, mijn kind,
In den stor daarbuiten.
- Moeder, 'k stond aan 't strand en keek,
Toen hij henenvaarde;
Haastig vloog het schip voorbij,
Maar hij lachte nog op mij,
Als hij mij ontwaarde.
- Kind, gij mint uw vader zeer,
O, in storm en regen
Lacht hem, bij het scheepsbestuur,
Ook gewis van ver het uur
Der tehuiskomst tegen.
- Maar, sprak 't kind, zo hij op zee
Eenmaal moest verdrinken,
Ach, dan zou het speelgoed al,
Dat hij medebrengen zal,
In het water zinken!
Zwarte nacht, en storm op zee!
Regen viel bij stromen.
Ach, de moeder zuchtte diep;
Maar het meisje zweeg en sliep
Weer bij zoete dromen.
Gedichten (1870)

krankte
Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
De Lente tooit zich als een bruid!
Het groene gras, het groene kruid,
En duizend bloempjes spruiten uit...
En iedre vogel kweelt en fluit.
Maar van de vogels altemaal
Zingt wel het teerst de Nachtegaal:
En, als ik krank en peinzend dwaal,
Roept hij mij toe, in zoete taal:
'Wel-op, mijn kranke vriend, wees blij,
Daar is het zoele Jaargetij! -
Ook in Uw ziel is melodij:
Och! 'k bid-je, spiegel u aan Mij!
'Al blijf ik kort, al zing ik kort,
o Denk niet, dat mijn hartje mort:
'k Heb, lang vóór dat het zomer wordt,
Mijn schat van Zangen uitgestort.
'Wie zó, het innigst wat hij heeft
In reine, dankbre liedren geeft,
Als lentebloesem hem omweeft...
Al is het kort - hij heeft gelééfd!'
Al de volksdichten (1865)

gedicht
Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
Zo ook gaat de geliefde
Mitri Karamasoff
dood
Ons op de schouders
valt nu laat en schuin de schaduw
des Iwan
Om het lijden dankbaar worden
en schijnbaar blijde
het scherpe vechten van spin en bij
verbeiden
Soms reeds is schoon mijn hand gesloten
alsof er geen verlangen
over mijn vingers
lag
Het is een verre weg
naar de passieloze berg
van het blote schouwen
Logos
Tao
Nagelaten gedichten

anti-dotum
Een gedicht van Richard Minne 1891-1965
Anti-dotum
Gewonnen roem
bij 't zingen van een lied
is maar een bloem
die ge even ziet;
is maar een pluim,
een gouden schub
die ge zo tussen duim
en vinger drukt.
Is maar een flits,
is maar een knal.
Daar is de sneeuw
en dekt het al.
In den zoeten inval en andere gedichten (1955)

verrukking
Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907
Ik wense geen rijkdom, geen pracht of geen weelde;
Ik wense geen macht of geen klink ende faam;
Ik dichte en ik zinge geknield voor uw voeten,
Mijn blik in uw oog en de handen te zaâm.
Gij hebt mij een toverend woord toegefluisterd;
Ik heb met het hoofd op uw schouder gerust.
't Verledene leed was vergeten, verzonken,
En 'k heb het geluk van uw lippen gedronken,
Toen blozend en aarz'lend gij mij hebt gekust.

de kroeg
Een gedicht van Francois Pauwels 1888-1966
De meinacht laat zijn koele droppels neder,
ik schuil onder een lispend lindendak,
mijn oude hart vindt zijn verlangen weder
dat naar de lente geurend openbrak,
en vóór mij is het licht der kleine kroeg,
daar tiert men bij de hooggevulde glazen,
al wat ik vrucht'loos aan het leven vroeg
ligt in de simp'le jool dier blijde dwazen.
Zij zwetsen, heffen 't glas en zijn tevreden,
soms klinkt in broederlijke zin een lied,
de zorgen van hun werkdag zijn geleden,
nu is er lach en leut en anders niet.
O, slechts een lange dag te zijn als gij,
mijn wezen naar het Uwe afgemeten,
als goede makker zitten aan uw zij,
en al mijn strijd voor één dag te vergeten,
hoe zou mijn hart een kalme slag hervinden,
't werd rust en 't leven gaf mij wat ik vroeg,
glimlachend zou ik bij gelijkgezinden
de hemel proeven in uw kleine kroeg!
Nu zie ik hunk'rend naar de gouden ruit,
de eenzaamheid staat naast mij, houdt mij tegen,
is het voor mij het kwijnende gefluit
der nachtegalen in de zachte regen? ...
Is het voor mij dat aan de bomen geuren
de wierookvaten van het nieuw getij,
ontsluit de lente haar onhoorb're deuren
en haar getooid paleis, alleen voor mij? ...
Dan wil de zwerver zwijgend binnengaan,
hij draagt zijn ziel op d' uitgestoken handen
en bij het altaar zal hij biddend staan
wanneer zijn kostbaar lam tot as zal branden,
want hij zal hand'len volgens heil'ge wetten,
dat wie ontving ook immer off'ren zal,
hij wil zich niet op lichte toppen zetten
maar in de schaduw van het schemerdal,
daar zal hij met zichzelf tezamen zijn,
de lach der and'ren zal hij niet benijden
en de verzwegen strijd niet als een pijn
maar als een roeping en geloof belijden!
Verzamelde gedichten (1928)

liefde
Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
I
En nog een ander licht stroomt van de aarde
In des heelals onmetelijke gaarde
Door de arbeid steeds groter. 't Is de liefde.
Luister, arbeiders, naar mijn zachte monde,
Naar wat ik diep in mijn hart heb gevonden,
Het ware wezen van der mensen liefde.

geestdrift
O schone kracht Geestdrift die doet vergeten
alle aardse ellende, elke lichaamsnood,
en het sidderend lijf voedt met de beten
van uw zonne-gerijpte goden-brood,
die uw stroom door de lam-gewerkte leden
en door de moe-gedachte hersens stuwt,
en ze op-richt tot de gespannenheden
waarvoor het laag en klein bewustzijn gruwt; –
gij heerlijke, sedert de moeder-aarde
mens-wezens voorbrengt uit haar rijke schoot,
hebt gij nog nooit uit zo geweld'ge haarden
de berg van 't leve' en d' afgrond van de dood
verlicht met uw zonne-gedrenkte stralen,
als in dat jaar van gouden opstands-pracht,
toen miljoenen wezens voelden dalen
in hen uw heil'ge essence, o schone kracht...



Een gedicht van Edward Koster 1861-1937
Zij maaien stadig met gelijke slagen,
Drie mannen, de armen strekkend met de zeis,
De benen ver gespreid, naar vechterswijs,
In felste warmte van de zomerdagen.
Met ritmisch schomm'len gaan de bovenlijven
Al op en neer, als grof-massieve slingers,
En stoer omsluiten de geknookte vingers
De dikke stelen, die in één lijn blijven.
Zacht-snerpend gaan de zeisen door de halmen,
Die nedervallen in gebogen rijen
Met nauw'lijks hoorbaar sterven, en zij spreien
Hun door de zon ontlokte zoete walmen.
Verzamelde gedichten (1903)

slag
Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880
De donkerende nacht betrok de wijd gesternde hemel,
de rusteloze zee, de hoge duinen,
de bergen en de vlakte van het heilig Ilios.
Van de ene zijde stonden d'hoge muren
der stede in 't flauwe schemeren der bevende hemellichten.
Daarnevens legerden de kloeke Trooiers
de peerdentemmers. Van alom daar brandden rode vuren.
Van tijd tot tijd daar zong een felle stemme
het krijgslied bij het ronken van het elpenbenen snaartuig,
en stemmen bont en talrijk zongen achter
bij 't zegevierend klinken van de zware stalen wapens.
Maar al de andre kant, ver aan de kimme,
daar brandde 't vuur in diepe stilte in 't donkre van de nacht.
Daar lag het kamp der goddelijke Achaiers.
Daar klonk geen blijde wapenklang, daar zong geen zegezang.
Van tijd tot tijd slechts kloeg de droeve stemme
der meiden met hun gouden haar, bewenende de krijger
die in de luide worsteling bezweek
door 't zweerd des grote Hektôrs met de glinsterende helm.
Het bloedig veld doorliepen honden huilend
te midden peerdenlijken en gebroken snelle wagens
en 't staal der wapensscherven dat alom
in 't nachtelijke dumster glom, daar waar de mannen vochten.
Maar uit het kamp der strijdgezinde Achaiers
daar kwamen stil drie mannen en zij stapten stil en zwijgend
door 't dumster en door 't bloedig slijk der weiden.
Doch in het nachtlijk donker glom het staal van hunne wapens,
en tegen nek en hiel sloeg beurtelings
der ronde schilden leedren rand, terwijl de mannen stapten.

dagdief
Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924
Over de heide zeurde ik,
Zo zonder gedachte,
Een oud liedje neurde ik,
Het zonneke lachte.
Over de hei ging ik,
- Een luierend feestje -
Uit de hemel ontving ik
Een lievenheersbeestje.
Over de hei sloofde ik,
Om mij gonsde een bietje,
Voor 'n wijfje, geloof ik,
Zong een leeuw'rik zijn liedje.
Over de hei stapte ik,
Zocht een ouderwets wijsje -
Zo arg'loos betrapte ik
Het aldermooiste meisje!
Over de hei lachte ik,
- Hoe zou ik beginnen? -
Wat is dat mooi, dacht ik: -
Twee mensen, die minnen!
Van Zon en zomer
