Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

moed

Een gedicht van Seerp Anema 1865-1961

Moed

O, laat mij gaan, waar gindse duinen rusten,
waar koele westenwind nauw ademhaalt
en matte herfstzon zilvertintig straalt
en vrede murmelt aan de kalme kusten!

Hoe laaft mijn lijf, o eeuwig onbewuste,
zich aan de wind, die van uw kruinen daalt,
en vallend lover lispelt en herhaalt,
dat eenmaal rusten mag, die nooit mocht rusten.

Want achter al mijn kwijnen en mijn klagen
trilt in mijn hart nu hoog, dan somber diep,
maar steeds, - een toon van nimmermeer versagen!

Omdat mijn Heiland bij mijn naam mij riep
en heeft gezegd, dat ook voor mij zal dagen
het leven, dat Hij in zijn sterven schiep!

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

merellied

Een gedicht van Gaston Burssens 1896-1965

Merellied

Reeds is de zon in purperbrons gezonken
en sleept na zich een laan van gloed,
die 't landschap verwt in kleurenpracht en 't haantje
van de toren fonklen doet....
Daarna, in 't nakend, fluistrend avondslomen,
gewiegd door 't ruisen van het riet,
weerklinkt uit malse, volle merelborste,
het malse, volle merellied:
het gallemt in de plecht'ge avondstand;
met lieflijk stijgend geborrel,
en 't schalt en 't schalt en 't zijpelt door de lucht,
met rollend, orgelend gescharrel;
en 't wijfje galmt hem tegen, guitig-lief,
als helder tokkelende bronne.
En samen gorgelen z'een lied, een lied
van kalme, stille levenszonne....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

overwerk

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

Overwerk

In het bleke ochtendgloren
Stapelt Dora nachtclubstoelen,
Want dat doet ze van tevoren
Omdat ze de vloer moet spoelen.

Zo maar schrobben is zo zonde;
Even doet ze snel de ronde
Om vooral de driekwart peuken
Voor het knechie in de keuken
En de bandjes van sigaren
Voor haar nichie te bewaren;

En vergetene corsasies
Zet ze thuis in kleine vasies
En de glazen met de ressies
Giet ze uit in doktersflessies,
Want vanavond is het feest:
Vijfentwintig jaar is Dora
Werkster op die club geweest.

's Avonds zit ze stil te dromen
Of de directeur zal komen
Met een dichte enveloppe,
Maar geen mens komt bij haar kloppen.
Somber zet ze alle flesjes
Met de restjes op een rijtje,
Zit te wachten nog een tijdje,
Maar zo tegen half elf
Proeft ze alle drankjes zelf
En na nog een drie kwartier
Heeft ze stilletjes plezier.
Sloeg het daar niet half negen?
Nee, ze kan er niet goed tegen,
Restjes zijn merakel sterk:
Zwaaiend gaat ze naar haar werk.

Toen ze binnenkwam, toen spoog ze
Eerst een paar keer in haar handen,
Schoof de mensen van de stoelen,
Maakte stapels aan de wanden.
Daarna ging ze op haar ronde:
Nam de peuken uit de monden,
Brak de brandende sigaren
Om de bandjes te bewaren,
Trok de dure orchideeën
Uit de halsdecolleteeën;
Schuimende champagneflessen
Sjouwde zij bijeen als resten.
Dora zong haar morgendeunen
Samen met de lady-kreuner.
Ze kroop stotend tegen benen
Om de dansvloer af te nemen
En ze plaste met de emmer
Op de divans en de paren
En ze stak de ruwe bezem
In gepermanente haren;
Met een pekinees begon ze
Toen de tafels af te sponzen;
Alle poten moest ze boenen,
Ook al stonden ze in schoenen.

Eindelijk na veel proberen,
Wisten obers en wat heren
Dora in een hoek te trekken,
Waar ze met een zucht in slaap viel
Met een dweil om toe te dekken.
Dora moest wel drie keer vragen
Waarom Dora werd ontslagen:
Dora zelf had niets gemerkt,
Maar haar plicht gedaan: gewerkt.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

annabel

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Annabel

Mijn kleine, kleine Annabel
zij zong zo zuiver en zo schel
als fluiten op een glansrivier,
zij was geluk en leefde hier

mijn kleine, kleine Annabel
ik wist uw prille leden wel,
de trilling van die bloemenmond
wanneer een hand uw haren vond

mijn kleine, kleine Annabel
de geest is lang, maar wij gaan snel:
op 't koude laken ligt uw lijf
en ik vind nergens meer verblijf

mijn kleine, kleine Annabel
als ik in hemel of in hel
moet varen met mijn lichte lied,
verloochen, maar vergeet mij niet

Tuin van Eros (1933)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

weeshuis

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Op ons Weeshuis

Hier treurt het Weeskind met geduld,
Dat arm, is zonder zijne schuld,
En in zijn armoe moet vergaan,
Indien gij 't weigert bij te staan.
Zo gij gezegend zijt van God,
Vertroost ons uit uw overschot.

De werken van Vondel (3) 1627-1640

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

het licht

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

HET LICHT.

Wij zaten aan het kalme plein,
voor 't open venster van ons klein
vertrek, de avond te beschouwen.
Wij zagen hoe de hemel, bleek
en ver, over de gevels week
van de ons omringende gebouwen.

De gave stammen, vast en rond,
van olmen stegen uit de grond
en hoog, om de verspreide kronen,
zagen wij voorjaarsvogels al
de uitgebreide schemerhal
met hunne omzwervingen bewonen.

Wij konden nog het klaar geluid
horen voorbij ons gaan, dat uit
de verte kinderstemmen maken.
Een late zang bereikte ons, die
verliep. Toen zei-je aandachtig: „zie
„o zie het licht over de daken ..."

Wij liepen in de luide stad,
waar onze liefde zoveel had
gevonden en zoveel geleden.

Getijden (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

vlas

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Het vlas staat in de blom.

Het vlas staat in de blom,
Al groen en blauwig; 
En 't windje vliegt er om
Zo vleiend lauwig. 

De herels rechten flinks
Hun tere topkens, 
En keren, rechts en links,
Hun kleene kopkens. 

Hoe zot en preuts ze zijn,
Elk met zijn vaantje 
Van hemelblauw satijn
Op 't groene staantje! 

Hier beet een bruine bie;
En ginder, ginder, 
Vlug weg en weder, zie!
Een witte vlinder! 

En voort, tot waar dat blauw
En groen in 't koren, 
Vol lokkend grijs en grauw,
Verloopt, verloren; 

Zo ver als om-en-dom
Het oog kan dragen, 
Het vlas staat in de blom
Te wiegewagen.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Guid Gezelle 1830-1899

Brand los, mijn hert

Brand los, mijn hert, van al dat uw
gevlerkte vlucht ombindt;
brand los van kot en ketens, nu
de wenende oge ontblind;
brand los, mijn hert, 't is nu, 't is nu
dat de hemelvaart begint!

Kleengedichtjes (1860)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

Sint Jan

Een gedicht van Albertine Steenhoff-Smulders  1871-1930

Sint Jan

Nu is de nacht alleen een waas van dauw
Dat strelend op de warme weiden daalt
En vóór ’t opaal vervloeit in donkerblauw
Teerrood alrêe de morgenschemer straalt,
Het zijn de lichte nachten van Sint Jan.
Zwaar wolkt een geur van rozen door het woud,
Daar is geen vogel, die nu slapen kan,
Geen bloem, die niet haar kelke openvouwt.

Stil-stralend ligt de Plas in zilverlicht;
Heel zacht bewogen door de morgenwind
Wuift suizend riet; in ’t wijde vergezicht
Sluimren de dorpen in matgrijze tint.
’t Is hoogfeest van het blije zomertij,
Reeds juicht de merel als de vreugde ervan,
De zomerdroomen ruisen ons voorbij …
Het zijn de lichte nachten van Sint Jan.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

mensheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

De voortreffelijkheid der mensheid.

De Vleizucht moog een lofzang zingen,
Als Heerszucht mensenbloed vergiet,
Om volken door haar wenk te dwingen;
Zij schat, onsterflijk mens! zij kent uw grootheid niet.

Geen troon verheft, geen stulp vernedert;
Het goud versmelt, en de eer is schijn;
Maar 't hart, door eedler smaak vertederd,
Zingt vrolijk; ‘'t Is voor mij genoeg, een mens te zijn.’

Voortreflijkst Schepsel! Heer der Aarde!
Uws Makers liefde! Uws Makers beeld!
Gevoel, als Gods geslacht, uw waarde,
En toon, dat in uw geest de Geest der Godheid speelt!

Zo pronkte ge eens, gelijk een ceder;
Dan ach! nu ligt ge in 't stof geveld:
Gij stortte van uw hoogte neder,
Daar ge, al wat u omringt, hier tot verwoesting stelt.

En nog wil God de mensheid eren:
Gods Zoon werd mens, en stierf op aard',
Leer mensdom, leer uw zelf waarderen;
Zo veel is uw behoud zelfs aan de Godheid waard.

Al moog deze Aarde een handvol schijnen
Bij 't groot Heelal, een stip bij God;
Al ziet ge u op dit stip verdwijnen;
De mensheid van Gods Zoon plaatst mensen naast bij God.

Hij heeft uw schuld op zich genomen,
En is tot ons met 's Vaders Geest,
Tot God met ons rantsoen gekomen:
Hij is een mens bij God, en God bij ons geweest.

Hij heeft de mensheid hoogst verheven,
God zag in Hem, schoon 's Mensen Zoon,
De heiligheid der Godheid leven;
En wij, wij zien in Hem de mensheid op Gods troon.

Daar mag Zij 's Wereld lot bestieren,
Ten nutte van de Broederschaar:
Wij zullen ook eens zegevieren;
De kroon is in de hand van onze Middelaar.

Wat is het groot, een mens te wezen!
Schoon de Englenrang ons hoger schijn;
Wij, in 't verheerlijkt vlees verrezen,
Wij zullen, meer dan zij, gelijk aan Jesus zijn.

Hij, die met ons als broedren handelt,
Liet ons zijn Woord en Geest te pand,
Welaan! zijn voetspoor nagewandeld!
Daar Jesu's mensheid is, daar is ons Vaderland.

ô Mens! hoe Godlijk zijn uw schatten!
Het stof is voor 't gewormt bereid;
Niets eindigs kan uw heil omvatten.
Gods rijkdom is uw schat, uw leven de Eeuwigheid.

Vaderlandsche letteroefeningen, jrg 1792

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

rozeneiland

Een gedicht van J.A. van der Mouw 1863-1919

't Rozeneiland

't Rozeneiland Cyprus betrad een zeeman;
tempelwaarts eerbiedig zijn schreên hij richtte,
tot hij kwam, waar spieglen in groene golven
marmeren zuilen:

'Priesters, op! brand 't geurigst, het kostelijkst wierook,
stijg' zijn damp naar 't dak van deez' heil'ge tempel,
pleng op 't altaar purperen wijn en helder
       rijzen uw hymnen:

Diensters, op! pluk rozen en kronklend eiloof,
geur'ge bloemkrans vlecht op het heilig altaar
haar ter eer, die erfde de op 't ruim der wat'ren
       dartlende glimlach.'

Hem, die Mij eert, schenk Ik Mijn gunst der liefde
vaste trouw; u, maagd, in het nev'lig noorden
zend dit pand Ik, heil'ge van 't zonnig Cyprus,
       Ik, Afrodite.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

gesprek

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

GESPREK

Er was geen nood, er was geen zonde,
Die ik niet aan u zeggen konde.
En alle zorg en alle wee
Verzonk in uwer liefde zee.

Gij had geen woorden en gebaren,
Het licht, dat fonkelde in uw haren,
De glans die in uw ogen lag,
Uw klaarheid wàs: de nieuwe dag,

De milde zon, de frisse winden,
't Onwrikbaar aan elkaar verbinden
Van morgenkalmte en avondvreê,
Van stervens- en geboortesteê.

God laat de sferen soms verschuiven,
Even zijn de heemlen openwuiven,
Opdat wij weder vreugde en moed
Veroveren voor ziel en bloed.

En zo zijt gij ... maar waarom beven
Uw wimpers en uw lippen even?
'Omdat ik voor die vrede en pracht,
Als gij, op Gods genade wacht.'

Uit: De Kringloop (1912 - 1935) (12-04-1934) .

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Alfrad Hegenscheidt 1866-1964

Avond aan Zee

De gladde golven glippen naar de rede
Met klaterend even, weer gesmoord gekoos,
De hemel schemert over zee, en mede
Is vrede wijd en zijd en tijdeloos.

En uit de haven komen zij gegleden
De boten met hun zeilen roereloos,
Een kantige schaduw tegen donkerheden,
In 't spiegelende nat een schaduw broos.

De nacht is peilloos; waar de verte zwicht,
Verschijnt, verdwijnt het wezenloze licht
Van ene baken in de zee verloren.

De boten, onbeweeglijk, gaan te lore.
Ginds in de nachtelijke wederschijn,
Schaduw en schaduwbeeld verschemerd zijn.

Van Nu en Straks, jrg 4 (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

reizen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

REIZEN

Ligt aan de tint des gronds verscheiden verve,
Hangt aan het licht der zon verscheiden aard
Der mensen? Dán, o laat mij, laat mij zwerven,
O laat mij dolen, dolen Oost-, West-waart.

Hoe zoude ik in dit eenzaam kluisken derven.
Kennis dier allen, die in weelde-gaard'
Of woestenij van stad of zand-zee erven
Des levens vonk, uw gave, o Moeder Aard',

Uw gave, o Vader Zon. 0 laat mij drinken
De blik van ogen, zwart, bruin, hemels-blauw,
O laat mij diep in kelk van stem wegzinken,
Daar pure ziel als bie puurt honig-dauw...

Ach, oov'ral beedlaar zijn, slechts gaven gaeren?
Geen stem doen helder zijn, geen smart-blik klaren?

15 maart 1919

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

vonkelt

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Vonkelt er een straal der zonne

Vonkelt er een straal der zonne,
lachend in het hart der bronne,
borr’lend zingt ze in heilige wonne:
liefde, liefde zoet! 

Kom, terwijl die zielestralen
van het liefke in mij dalen,
zal ik moedig haar herhalen:
liefde, liefde zoet! 

Hebt ge, kind, de straal der minne,
‘k voel in mijne ziel en zinnen,
d’eeuwige bronne voor u rinnen:
liefde, liefde zoet!

Uit de liefde in het leven (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE DICHTER

Toen ik nog daar was, twistten om mijn ziel,
En voerden, met het zwaard gewapend, strijd,
Twee machten, die ik in de handen vie!,
De worm zo noemde ik ze en de oneindigheid.

Maar zie nu naast mijn grafstee opgericht,
Tezaam gebeiteld uit het kuis albast,
En warm besprenkeld door het weemlend licht,
De beide knapen bij hun kus verrast.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

tred

Een gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

 

Ik zie ze gaan, met de vermoeide tred

Ik zie ze gaan, met de vermoeide tred
van hen die moedeloos-ontkrachtigd leven,
die nooit op banen van manmoedig streven
een veerkrachtige voet hebben gezet.

Ik zie ze gaan, met de slepende gang
van wie niets wacht, na de doorzwoegde uren,
dan even 't kort opflikkren van de vuren
der lust, en weergalm van haar rauw gezang.

Ik zie ze willoos vallen naar de nacht
en neerstorten in de slaap zonder beelden
die hun trillende lijven maakt als lood...

Heeft àl ons wete' ons dan hiertoe gebracht
en àl ons kunnen? Tot zielloze weelde
voor weinge' en voor de velen 't leve'-in-dood?

Dietsche Warande en Belfort. jrg 1929

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

ALLES IN ËEN.

Geen najaar nog, maar in zijn volle zomer
Strekt zich voor mij het land des Levens uit;
Na 't blanke bloemscherm voor de jonge dromer,
Rijpt voor den man 't geboomt zijn vroegste fruit.

Veel donkre dalen liet ik stijgend achter,
En 't morgenland, dat diep teruggeblauwt:
Een werelds paradijs, waar zacht en zachter
Kleuren vervloeien en het licht verflauwt.

Maar lust het mij somtijds terug te keren,
Dat land der Jeugd te zien met mannelijk oog,
Dan brengt Herdenken 's harten teerst begeren
Zo toovrig schoon als 't eéns dat hart bewoog,

En zet in brand, wat lang zijn vlam verloren,
En maakt zelfs zoet, wat eind te bitter had,
En wijst de oude weg, door 't zonnig koren,
Naar 't schaduwkoele van der wouden pad,

En doet mij, schoon of 't werkelijk waar herleven
Het uur, dat nooit op aarde weerga vond,
Een lach, die leeft, langs dode lippen zweven,
En wekt het woord uit lang gestorven mond.

Heeft mij dan dus een eeuwig trouw Herdenken
Opnieuw geschonken vreugd van vroeger tijd,
Dan zie ik 't Leven voor mijn voeten drenken
In glans van Uwe tegenwoordigheid;

Dan ligt, zo ver als achter mij 't verleden,
Het Leven vóór me' in volle zonnegloed;
Dan, 't licht verschiet, van 't Leven nieuw betreden
De voller vreugd, die 'k eenmaal vond, vergoedt,

Daar zingend klinkt door mijn verjeugdigd wezen
De klare vreugdklank Uwer stemme heen,
En ogen zeggen, wat ze' in ogen lezen:
"Niet meer alleen, nooit meer op aarde alleen."

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:02 Reageer op dit bericht

waarom?

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

Waarom die dromen?

‘Waarom die dromen? - Weer ze uit uw leven!’
Zo hoor ik stemmen. - Wrede werkelijkheid
Is 't, die van 't wiegje naar het graf U leidt,
Wat kunnen dromen U voor 't leven geven? -

En tóch, tóch acht ik ze mijn hoogste goed,
Die dromen. Of ze ook nevelbeelden blijken,
Zij komen daaglijks heel mijn zin verrijken
Met schatten van genot, van licht en gloed.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

omhoog

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Omhoog zien naar de zon de waterrozen

Omhoog zien naar de zon de waterrozen,
Kinderlijk, alsof 't Rafaels eng'len waren;
Grauw slib en wijde schem'ringen bewaren,
Die hier de dood stilde tot smartelozen.

Opzuigt de bliksemstorm het meer tot hozen:
Dan staan in blauw doorschijnende pilaren
De doden: hun zwarte ogengaten staren
Boven hun grijns om macabre apotheozen.

Naar Brahman's zonlicht bloeien mijn gedachten;
Schem'ringen, koel, van zielegronden brachten
Rust aan mijn smart om wensen, lang gebroken:

Vlaag van herinn'ring woelt uit grauw vergeten
'T verleden op bij flits van plots'ling weten -
'T herrijst, 't herrijst; mijn dode wensen spoken.

Brahman II (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:01 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten