Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

vader

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950

 

Vader, hier zijn de kleine

Vader, hier zijn de kleine
Bomen waar de mandarijnen
Groeien van het plezier.
"Het is als Perzië hier."

Ja, vader, de witte
Kleine Arabieren zitten
Lachende bij de fontein.
'Weet je nog waar we zijn?'

------------------------------------
uit: 'Verzamelde Gedichten', 1996.

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

taal

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

 

TAAL

Buiten mijn moedertaal
en die der nachtegalen
wist ik naar diepe zin
geen klare talen
en vaak heb ik bedroefd
naar ’t wonderboek gekeken
waarin geschreven stond
wat andere landen spreken.

Toen deed de stad van leed
voor mij haar poorten open;
ze leerde mij ‘t geheim
van wanhoop en van hopen;
daar hing te spreken veel
aan ogen en aan monden
waarvoor men hier beneên
geen taal heeft uitgevonden.

Leven is hogeschool
voor nieuwe en dode talen
Die lang mag leerling zijn
in haar rumoeren zalen
die kan uit kolken roes
van juichen en van smeken
redden het ijl relaas
waarin de zielen spreken.

Schaduwen (1928)

Geschreven door Dora om 17:21 Reageer op dit bericht

tabakroken

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

 

Het tabakroken

Waar ben ik? In wat Hel van rampen?
Op ieder voetstap dat ik tree
Omwalmt mij 't walglijk onkruiddampen
En doet mijn borst en longen wee.
Hoe keert mij 't hart en d'ingewanden
Wanneer dit stinkende verbranden
Zijn gif door heel de lucht verspreidt,
In 't lichaam om met pijnlijk wringen!
En geldt dit voor versnaperingen,
Voor feestonthaal en lieflijkheid?

O gouden tijd van onze Vaderen,
Toen d'ouderwetse goede sier
Vernieuwde krachten stortte in d'aderen
In 't smaaklijk, voedzaam gerstebier!
Doch, Frankrijk? ja, bij uw venijnen
Van aangezette valse wijnen
Heeft ook dit gif zijn rechte plaats.
Welaan, het moog' wie 't lust vermaken,
Voor mij zal nooit die wierook blaken:
Voor mij geen stinkend dampgeblaas!

Geschreven door Dora om 17:34 Reageer op dit bericht

ter

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Ter uitnodiging

Volmaakte vreê van 't landelijke rusten:
een brief, een boek, en dan de gramofoon...
Het grasveld is geschoren, de einder schoon,
de vijver uitgediept, geregeld onze lusten.

De zwanen varen traagzaam langs de kusten,
Loh'ngrins onzeker van der Jonkvrouw' woon,
maar God woont hier met zijn papieren kroon,
en deze rust is een volmaakt berusten.

Ik zend u dit sonnet met een tros druiven,
onze eerste: niet onmooglijk nog wat zuur.

Kom spoedig met ons leven, met ons wuiven
de zwanen toe, klassiek, in 't schemeruur.

Kom voelen hoe de zorgen vàn u schuiven,
met de allerlaatste zucht naar 't Avontuur.

Verzameld werk I

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

gepoeft

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Gepoeft, gepaft

Gepoeft, gepaft, ge'n hoort niet el,
met wappers en met wissen fel,
als smijten, slaan en buisen,
dat beide uwe oren ruisen,
op vodde en lap en vuil tapijt,
dat ‘t kuilt en wentelt wijd en zijd,
van ‘t stof! De greppen zweren
vervaarlijk, onder ‘t scheren
der groeve en fijne bezems, daar ‘t
gerokte volk mee henenvaart
de straten langs. Ze gieten,
bij hele en ganse vlieten!
Past op, en niet te bij en gaat,
gij heren: heel die waterstaat
en zult ge, of ‘t zal u rouwen,
niet storen. Zwicht de vrouwen,
die heersend met de bezem staan,
of seffens zal hun tonge gaan!
‘t En baat hier niet als vluchten
en, stille of luide, zuchten:
‘t Zij binnen of ‘t zij buiten huis,
geen vrijheid meer: t is 'grote kuis!'
‘k Ga ievers om een glaasken:
te naaste weke is ‘t Pasen!

1892

------------------------------------------
wapper - kleerklopper
buisen - al slaande lawaai maken
kuilen - in wolken opstijgen
grote kuis - grote schoonmaak

Tijdkrans (Oostermaand)

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

genot

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Genot bindt niet...

Genot bindt niet voor immer: lichaamspracht
verschemert onder de eedle zieleglans:
mijn geest omhult u met de stralenkrans,
door kunstnaars slechts aan heilgen toebedacht.
Uw zachte glorie glijdt om mij en windt
mij in haar helder licht, - en lange nacht verzwindt.

Slechts zielen minnen: wat is lichaamspracht,
als zij niet schittert van de glans der ziel,
die wondersprank, die de eeuwige kracht ontviel,
kracht op zichzelve en toch een deel dier kracht,
die 't leven dwingt, ja 't leven is, en leeft
in al 't geschapene, waardoor Gods adem beeft.

Ons wordt die kracht bewust, bij toverslag,
ontwakend met de kuise liefdegloed,
die heel de schepping leven, tintlen doet,
zo maagdlijk schoon, als d'eerste scheppingsdag,
en in de laaien glans van 't jeugdig bloed
verbeelding zwieren laat gelijk een glorievlag.

Maar niet als in de wondre gloed der jeugd,
maar met der rijpheid traag en vast gespin,
spint zich het net der draden die ons in
het leven wikklen, met zijn smart en vreugd,
dat voor ons wezen tot een eenheid smelt,
die onze wereld is en heel de wereld geldt.

Geschreven door Dora om 16:28 Reageer op dit bericht

prinses

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

 

Prinses van hoge geboorte

Stond ik voor de poorten,
Verlangende binnen te gaan;
Ik droeg een kroon op de haren,
Ik had een slepend, zware
Purperen mantel aan.

Ik wist niet, tot wie mij te wenden,
Ik was een onbekende
In het vreemde land;
Ik smeekte: 'Laat mij binnen!
Laat mij als dienstmaagd binnen!'
En klopte met bevende hand.

'Ik kom met lege handen,
Ik breng geen offeranden
Van myrrhe of wierook of goud.
Ik ben een vermoeide, belaste,
Dus heb ik op de vaste
Beloften uws Konings vertrouwd.'

'Leg af dan uw purperen kleren,
Hier geldt geen macht, geen ere,
Geen rijkdom, geen aardse schijn.
De mensen, die hier wonen,
Dragen geen gouden kronen,
Geen purper, geen hermelijn.'

'Graag wil ik mijn schatten geven,
Sprak ik en glimlachte even
En bloosde, toen ik het zei;
Ik had porphyrogenneta
Die koningskleding vergeten,
Ze scheen mij een deel van mij.

Sinds loop ik arm, verlaten,
Klein meisje door de straten.
Wie vraagt, of ik kom, of ik ga?
Ik ben hier van allen de minste,
Ik leef niet van eigen verdienste,
Ik leef van mijns Konings gena.

Maar deze gena maakt mij rijker
Dan kronen of koninkrijken,
Ze maakt mij, onreine, rein,
Mij, geringe, van hoger geboorte,
Dan buiten deze poorten
Vorsten en koningen zijn.


------------------------------------------------
porphyrogenneta - in het purper gekleed

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

verandering

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

Treurige verandering

O! wat is mijn ziel veranderd
Door der liefde treurigheid!
Voortijds was ik altijd vrolijk,
Als Natuur mij open lag;
Blijde met een dansend mugje,
En een wemelende worm;
Gaf een magre bloem der heide,
Gaf een blaadje mij vermaak;
In het rijk van plant en dieren
Was de bron van mijn genot;
‘k Dronk daaruit met volle teugen
’t Reinste vergenoegen in.
In het rijk van plant en dieren
Vloeit voor mij die bron niet meer:
Al ’t vermogen om te delen
In der schepselen geluk,
Is in mij uitgestorven;
‘k Voel geen zachte banden meer.
Hoe het geure en gloeije, plat;
Vogels, alles zingt rondom mij,
Ik alleen zing niet en kwijn.
Weggezonken in gedachten
Pluk ik dikwijls blaadjes kort;
Onbedachtzaam slaat mijn stokje,
Plantjes van hun wortels af;
‘k Zie daarna, met spijt, de brokken
Der vernielde schoonheid aan;
‘k Schaam mij even, ‘k zucht en zink weer
In mijn diepe stille smart.
Liefde! gij die ’t hart vertedert,
Maakt gij ’t tevens koel en nors?
Liefde! - ja zijt ge ongelukkig,
Dan is uwe kwelling wreed.

------------------------------
gloeije: schitteren
plat: ronduit gezegd

Gezangen der liefde (1794)

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

de wagen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De wagen

Kom, de sluier omgeslagen
en het al omhullend kleed:
buiten is de wonderwagen
met zijn driftig hart gereed,
om ons ruimten in te dragen,
wijder dan waar ‘t oog van weet,

Kom, ons beelden te vergaren,
later weer in droom begroeten
morgenweelde te bewaren
in het sneller-jachtend bloed,
en het leven in te varen
en de bergen tegemoet.

Kom, ons beelden te vergaren,
later weer in droom begroet,
morgenweelde te bewaren
in het sneller-jachtend bloed,
en het leven in te varen
en de bergen tegemoet.

Kom, de toppen te zien blinken -
en de huizen, ver en klein,
en het dal te zien verzinken
in de wijde zonneschijn, -
en de zaligheid te drinken
van alleen en vrij te zijn.

Sneller aldoor gaan de bomen,
gaaan de woningen voorbij.
Tot de overweg gekomen
wijken en verdwijnen zij,
en de verte ligt voor dromen
open, en voor liefde vrij.

Kom, de kameren gaan open
van de wachtende natuur:
alles staat van licht bedropen
in dit zondoorzonken uur,
en de paden zijn doorslopen
overal van trillend vuur.

Langzaam, van de voet gestegen,
windt de wagen zich omhoog.
Hellingen terzij bewegen
voor het ruimtedronken oog.
Donker staan de wouden tegen
de verheven hemelboog.

Donker, in hun kring gesloten,
staan zij op en houden wacht
houden veilig zij de grote
koelte in zich van de nacht,
staan zij in de lucht gestoten,
met hun duisternis bevracht.

Waren wij de vlakte onvloden
om de toppen, hard en naakt,
in de zware donkerrode
avondgloed te zien geblaakt?
Ach, - ons voeren schaduwpaden
op in het geluk alleen.

Kom, de glooiingen geleiden
in die eindelijke rust,
waar de stilte voor ons beiden
stilster wordt van leed en lust -
en het diep genot te drinken,
van de wereld vrij te zijn.

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

stil

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Zo stil moet het zijn

Zo stil moet het zijn
om de dichter,
dat, als in de schijn,
het duizendvoudig gelichter
der fantasie die in de stilte bloeit,
- het schoon en rein
beeld van de wereld richt er
zich op - hij het hoort in het fijn
ruisen der stilte. Verdichter
heet hij, omdat hij bijeenbrengt en boeit
het gezicht dat hij hoort in zijn oren
en het leven van de woorden.

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

weg

Een gedicht van Agusta Peaux 1859-1944

 

Verlaten weg

De eenzaamheid op zonbeschenen wegen
is erger dan die in de schemer sluipt,
kom haar niet op de volle middag tegen
als zij met huiverkilte uw hart bekruipt.

Zij is en is er niet, zij is doorschenen
gelijk een spooksel van het levend licht,
maar alle leven is uit haar verdwenen
en dood staart uit haar wezenloos gezicht.

Toch houdt zij u in sterke greep gevangen
en trekt een tovercirkel om u heen
en bant u buiten menselijk verlangen
en laat u met verstorvenheid alléén.

Nieuwe gedichten (1918)

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

ANTWOORDE AAN EEN VRIEND

Nooit en streelde er mijne wangen
traan zo dierbaar en zo lief
als die ik heb opgevangen
in de plooien van uw brief,
zoenend hem zo menigwerven
eer dat ik nog tenden was,
vrezende eerder hem te derven
hoe ik snel- en snelder las.
Ja, een kind dat blijve uw herte,
schoon al ‘t ander manlijk zij,
ende, vriend in vreugd en smerte,
heb ik u, zo hebt ge mij.
Hebbe God ons boven allen,
hebbe Jesus ons getween!
Laat al ‘t andre, moet het vallen,
‘t valle! Jesus blijve alleen!

Geschreven door Dora om 19:22 Reageer op dit bericht

nevelen

Een gedicht van Piet Paaltjens  1835-1894

Niet als met nevelen...

Niet als met nevelen
De morgenzonne,
Schoon baan zich brekend,
Nog felle kamp voert,
Ook niet, als blindend
Van hoge hemel
Des middags glansen
Op de aarde stralen;
Maar, als aan d'avond
De moegestredene,
Niet strijdendsmoede,
Ter gulden kim daalt,
Dan viert de schepping
Haar schoonste zege,
En bloemengeuren
En vogelkoren
En dankbre blikken
Uit mensenogen,
't Brengt alles hulde
De overwinnaar.

Dus gij ook, edel,
Gij, gouden Bruidspaar,
Aan 't eind van vijftig,
Niet altoos lichte,
Niet immer blijde,
En toch hoe rijke,
Aan liefde rijke,
Door heilge trouwe
Gewijde jaren!

Uw krachten slonken,
Uw schedel buigt zich,
Maar 't allerbeste
Hebt gij behouden:
De moed tot leven,
Moed ook tot sterven,
De macht daarbinnen,
Die grijzen jong maakt.
En uit uw handdruk
En van uw lippen
Spreekt de eigen teerheid,
Hetzelfde hart nog,
Dat uwe kindren
Gelukkig maakte,
En velen met hen,
Fier op uw vriendschap.

Gezegende ouden,
Gezegende ouders!
U zegenen ze allen,
Wier zegen gij waart,
En zijt, en zijn zult.
Met gouden letters
Schreeft ge in hun zielen
Uws naams gedachtnis.
En waar thans jubelend
Hun dank u kroont,
Daar is 't Uw leven,
Uw schone leven,
Dat aan zijn avond
Met de allerschoonste
Der mensenkronen
Zichzelf beloont.

 

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

jeugd

Een gedicht van Hendrik Muller 1855-1927

Jeugd

Een handvol verwelkende bloemen,
Geplukt met een bevende hand,
En gesnoerd met een rozenband -
Is dat wel een ruiker te noemen?

Een handvol bedrieglijke vreugd,
Met een ijdel hart genoten,
In de kring der uren besloten -
Is dat wel een zalige jeugd?

Gedichten (1878)

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

terugkeer

Een gedicht van Jacob Israël de Haan  1882-1924

Terugkeer.

Weet Gij nog, moeder, hoe ik jong
Schatten-verlangend u verliet?
Wereld en weelde lokten, mij bedwong
Uw smeken niet.

Ik ging en wierf mij menig schat
Van goed metaal en gave steen,
Rijker dan ik in wereldstad
Was er niet een.

Maar schat verwervende verloor
Ik morgenvrede en avondrust
En wist dat niet. Leefde fel door
Op schat belust.

Zó leed ik pijn, doofde pijn fel
Met wijn en wierook. Nimmer vond
Ik van het leed de gulle wel:
Mijn hartewond.

Dan: ene avond, dat de lucht
Zoetmild was met een matte schijn
En mist van maan, de stad ontvlucht
Zag ik mijn pijn

Het was mijn hart open, het bloedde,
Want niemand heeft mijn hart getroost.
Toen voelde ik rijke, schattenmoede,
Leed eindeloost.

Lang bleef ik stil... die milde lucht
Verfijnd van geur... het maanlicht diep,
Hoorde ik een stem en zachte zucht?
Uw stem, die riep?

En ik bezon mij, moeder, en ik liet
Mijn schatten liggen, voor wie weelde wil.
Wereld en weelde wil ik niet
Maar vrede stil.

Die schatten zocht en schatten vond
In 't rustloos werven buiten huis,
Keert bedel-arm en hartgewond
Moeder, weer thuis.

En vraagt, dat in het oud gezin,
Hem weder worde een plaats bereid.
Ik wil uw vrede en stille min
Thans en altijd.

Liederen

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

vergeet-mij-niet

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

De vergeet-mij-niet

Wie kent het beekje van de weiden,
Waar bloemen wenken teer en bont?
Mijn liefje en ik, we plukten beiden
Der bloemen puik in d’avondstond.

Doch geen der bloempjes in de weiden,
Hoe rijk van kleur, hoe zoet van geur,
Hoe lieflijk wenkend zij ons vleiden,
Kreeg boven de andere onze keur.

Maar dicht bij ‘t beekje van de weiden,
Belommerd door het wanklend riet,
Daar loech om dra ons te verleiden
De helderblauw vergeet-mij-niet.

En naar het beekje van de weiden
Boog zich mijns liefjes engelhoofd;
Daar zal de plant geen straal meer spreiden,
Zij werd van hare kroon beroofd.

Liefje in de weelge weiden
Stak ‘t blauwe takje aan mijn hart,
Zij dacht aan ‘t uur van gaan en scheiden
En al haar lust verging in smart.

En waar het beekje door de weiden
Bij els en wilgen henenvliet,
Omhelsden wij elkaar en schreiden
Vergeet mij niet! Vergeet mij niet!

Gedichten (1850)

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

vakantie

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

  

Vakantie

Vakantie dat 's een pretje, he?
Mamaatje zegt: o jongens, nee!
En achter 't dagblad duikt papa
En doet zo leuk en zegt: wel ja!

Mijn grote zus die kijkt mij aan
Of 'k heel wat lelijks heb gedaan,
En Mie de meid doet ook al dom
En bromt: mijn hoofd loopt nou al om.

Dat zal wel komen daarvandaan
Dat zij niet meer naar school toe gaan,
Want Meester, zag ik aan zijn blik,
Die had al net zo'n pret als ik.

Geschreven door Dora om 17:05 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ballade

Villon, Rimbaud, Verlaine, Du Plessys,
Verstooten, rein van roem, alleen behorend
In 't heilloos gilde der Poètes Maudits,
Sinds uitgeroeid, verstrooid, welhaast verloren -
Vergeef dat een, door rampspoed achterhaald,
Om hulp roept, radeloos uw naam doet horen,
Terwijl zijn leven zinkt, zijn zingen faalt,
Tot troost uw groter lijden heeft bezworen.

Villon, clerc, vagebond, in stage vete
Met 't burgerdom, benard door zijn gebod,
Met boeven, lichtekooien saamgerot,
Alleen op 't punt van rijmen vol geweten,
Hij stierf van dorst bij klaatrende fonteinen,
Vond voor liefde ontucht, voor paleis een krot.
Zijn leven kende uitdagende refreinen:
Hij keerde de aard de rug toe van 't schavot.

Verlaine sleepte voort zijn lijdensketen
Van zonde aan straf geschakeld zonder slot,
Heeft den hem toegewezen tijd gesleten
In beurtgezang van lust en zucht naar God.
In de gevangenis, bij 't stomp verkwijnen
In 't dranklokaal, of op een kil terras,
Voelde hij als wroeging vol verwondring schrijnen
Waarom voor hem geen plaats op aarde was.

Rimbaud, op allen, ook zichzelf gebeten
Als op de aartsvijand, strijdend tegen 't lot
Van de met spot gekroonden, smaad gesmeten,
Tussen de mensen wild verdwaalde God,
Liep storm door steppen, steden en woestijnen,
Gevloekt, geschuwd door 't rechtgeaarde ras,
Leerde in verlatenheid en helse pijnen
Dat er voor hem geen plaats op aarde was.

Du Plessys, door zijn oud verbond vergeten,
Verzwegen, onderdrukt door 't plomp complot
Van intriganten, door de hunkring tot
Luidruchtge en lucratieve roem bezeten,
Ontbeerde stoïsch en verteerde in 't reine
Heimwee naar 't onbereikbare Hellas.
Hij wist op hoge ritmen weg te deinen
Vanwaar geen plaats voor hem op aarde was.

Weet, gij die in hun geest nog moet verschijnen,
Voor ramp te zijn geboren. Neem dit lot
Niet op u! Breek de lier! Weet te verdwijnen.
Maak uw bestaan dat nergens hoort, weer vlot,
Stroomafwaarts drijvend met de goede Lethe.
Geen lied meer. Geef gehoor aan haar refrein.
Over uw leven spoelt de vloed. Vergeten
Zult ge eer dan echo's van nachtregens zijn.

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

het verdriet

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het verdriet

Ik heb gewerkt, ik heb geleden,
Ik heb geworsteld met 't  verdriet,
Ik heb gebogen als het riet,
en soms heb ik 't met laffe vlucht gemeden.

Nu stelt 't  zich ondoordringbaar voor mijn staren
Als van de nacht het nevelig begin.
Maar als een lichtende lantaren
Hef ik U op en volg U 't  duister in.

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

roodborstje

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Roodborstje

Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
Heb je wel ooit te pronken gezeten?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten:
Aardige springer! wat heb ik je lief!
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veertjes zo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?

- Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bos is het eens nog zo fleurig:
Vrij te zijn, lieverd! is beter dan mooi!
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op die boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoals ge nimmer of nooit hebt gehoord! -

Kinderliederen (1870)

Geschreven door Dora om 22:37 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten