Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

BADERS HARTEWENS

Dwars door de tuinen
Van roos en ranken
Zich ’t pad te banen,
Dan door de lanen
Van zand en dennen
Vluchtig te rennen
Tot waar de kruinen
Van hoge duinen
In ’t blauwe blanken
En zo te naderen
Met zwellende aderen
In laatste loop
De harde golven
En, overdolven,
Hun koele doop.

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de hoveling

Een gedicht van Hermanus Asschenberg(h)  1726-1792

De hoveling

Een zekre koning maakte een jammerlijk gedicht,
En gaf 't een hovling, om te zien of 't wierd geprezen.
Dees sprak: wat weetniet, welk een zot, heeft dit verricht?
't Is een ellendig vers, niet waardig om te lezen.
De koning zeide: Ik heb 't gemaakt.  Hoe! gij, mijnheer?
Hernam de hoveling: 'k wil zweren, op mijn eer,
Dat gij 't met voordacht, dan zo slecht hebt willen maken:
Uw majesteit is toch bekwaam tot alle zaken.


1793

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

schitterende

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Schitterende starre

Ik zag een starre schittren,
Maar ’t was niet aan de trans;
’t Was in twee dierbre ogen,
Een starretje vol glans.

’t Betoverde en bezielde
Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd,
’t Spreidde in mijn blijde woning
Gods licht en vrede en vreugd.

Het blonk op al mijn wegen
Zo vriendlijk en zo zacht,
Een zonnetje van zegen,
Te morgen en te nacht.

Het blonk van heilge liefde
Voor zoveel goeds en groots;
Het scheen een licht des levens,
Maar ’t bleek - een boô des doods!

Dat was het Teringstarretje –
Beware Gods genaê,
Dat gij het ooit ziet schittren
In ’t oog van kind of gaê!

 

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

driekleur

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Verbleekte driekleur

Hoe is uw lief gelaat zo bleek,
Dat eenmaal zo vriendlijk kon blozen?
Ach, als de zuivre zonne week,
Verbleken de lachende rozen.

Hoe is uw voorhoofd nu zo dof,
Zo stroef en zo droef en zo duister?
Ach, als de wind ze sleurde in 't stof,
Verliezen de lelies hun luister.

Hoe staan die oogjes nu zo flauw,
In wenende wimpers verscholen?
Ach, drijvende in te kille dauw,
Besterven de blauwe violen.

In den Bloemhof

Geschreven door Dora om 22:50 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Nieuwe reis

De zilvren eilanden van Denemarken,
In 't zomers-vroege licht waar ik ze zag,
Lagen als perken in de waterparken
Waardoor ik voer bij 't opgaan van de dag.

Geen morgen was ooit lieflijker, ooit reinder.
Een pasgeslepen wereld toonde nog
In land en water en verborgen einder
Haar vreemdheid, maar geen aanvang van bedrog.

En ook wij beiden waren, bij 't beginnen
Van zulk een nieuwe reis, in hoop en schroom,
Als zonder zonde, als met gebade zinnen
Open naar 't waken en nog vol van droom.

Oorspronkelijk dichtwerk (1938)

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Eduard Brom 1864-1935

In zulk een nacht...

In zulk een nacht, - als waarvan Shakespeare zong
In 't toovrig beurtgezang 'in such a night',
Van 't stralende Venetiaanse spel, -
In zulk een nacht, waarvan dàt lied nòg klinkt,
Is àl de schoonheid van de klare dag,
Verinnigd en vertederd en de droom,
En àl de klaarheid van de schone nacht,
Tezaamgevloeid tot die betovering
Die is Venetië's ziel en innigst leven:
De wonder-tedere melancholie
Die aantrekt, aantrekt en niet los meer laat
En, waar zij smarten gaat, weer stil verijlt,
Uitvloeiende tot dromen van verlangen...
In zulk een nacht...

Geschreven door Dora om 16:56 Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van Marnix van Sint Aldegonde 1540-1598

Psalm 30

1.
Een Psalm Dauids, (welck is) een Liedt der wyinghe des huys Dauids.

2.
Ick wil met lofsang wel bequaem
O Godt verheffen dynen naem.
Want du my nae mijn toeversicht
Om hoogh' hebst weder opghericht,
End' hebst doch geenssins willen lyden,
Dat sick mijn vyant soud' verblyden.

3. 
O Heer mijn Godt ick riep tot dy
End' mijn ghesontheyt gaefstu my.

4.
Mijn leuen hebstu uyt het graf
Ghelost: want ick nam gheheel aff:
Ick was schier onder d'eerde bleuen
Als du my gaefst een nieuwe leuen.

5.
Godts uytvercoren al ghelijck
Looft Godt den Heer in hemelrijck:
Houdt in ghedacht'nis all' te saem
De weerde van zijn heyl'ghen naem:

6.
Want syne gramschap wort verswonden
End' gantz ghestilt in corter stonden.
Maer zijn ghenade, gunst' end' danck
Gheduert all' onse leuen lanck,
Daer uyt gheschiet dat druck end' clacht'
Des auonts t'onsent wel vernacht:
Maer als de daeg'raet is gheresen
Verthoont hem we'er een vrolijck wesen.

7.
Doet my al ginck na mynen lust
End' dat ick was in vred' end' rust,
Ick sprack: t'gaet nu met my te deg'
Ick sal niet struyck'len uyt de weg'.

8.
Du hadtst uyt gunst end' wel ghevallen
Mijn berg' ghesterckt met goede wallen.
Maer so haest als dijn aensicht werdt
Voor my ghebergt: versloeg mijn hert'.

9.
Ick riep tot dy met ancxt bevaen,
End' badt dy Heer ootmoedich aen.

10.
Ick sprack: o Heer, wat salt dy baten
Dat ick int graf werd' ne'erghelaten.
Soud' onder d'eerd' een leeflos stoff
Verbreyden kunnen dynen loff?
Oft dyne waerheyt maken kondt?

11.
Verhoor my Heer' tot deser stondt,
End' wil dy mijnr' ellend' ontfermen
Du sy mijn hulp, wil my beschermen.

12.
Du hebst ghewendt mijn rouw' end' leedt
In vrolijckheyt, end' my vercleet
In stede van een sack met vreugt.

13.
Op dat mijn tonge seer verheugt
Niet swyghe, maer dijn loff verconde.
Dies lou'ick dy Heer t'elcker stonde.



HUIDIGE VERSIE:

1.
Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel van David.

2.
Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.

3.
HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.

4.
HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.

5.
Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.

6.
Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

7.
In mijn overmoed dacht ik:
Nooit zal ik wankelen.

8.
HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg,
u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst.

9.
U, HEER roep ik aan
u, Heer, smeek ik om genade.

10.
Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?

11.
Luister, HEER, en toon uw genade,
HEER, kom mij te hulp.

12.
U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.

13.
Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen,
HEER, mijn God, ik wil u eeuwig loven.

Het boeck der psalmen Davids (1580)

 

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1976

Engelen

In de Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in de nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!

Dikwijls als ik had gebeden
Was 't, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik - en met heilig vrezen
Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Sonnet

De wereld is dezelfde; overal
De blauwe hemel en de grauwe steden,
Drijvende wolken en, daar vér beneden
De velden en de mensen; morgen zal
Deze aarde mij niet anders zijn dan heden
En dan zij gisteren was; en zonder tal,
Trekken bij zonneschijn, bij regenval
De dagen verder, als zij altijd deden.
Alleen, lief, waar wij vluchtige uren leven
Te zaam in immer wisselende vreugd
En zo grondloos verzonken in elkanders
Geluk, of de uren eeuwig bij ons bleven
Met prille glans van nooit vergane jeugd,
Is álles eender en is álles anders.

Beeld en stroom (1943)

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

peter

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

PATER  BIBAMUS

Al woon ik in het klooster,
van steen is mijn harte niet.
Wijn is mijn vertrooster,
vasten mijn verdriet.
Bibamus*, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Van alle goeie dingen
is 't beste nog de wijn.
Wil pater vrolijk zingen,
daar moet gedronken zijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Gij hoort, mijn stem is helder
als 't vocht in mijne kruik.
De sleutels van de kelder,
die rinkelen op mijn buik.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water,
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het schijnt u allen wonder,
hoe vol mijn wangen zijn.
Dat komt van rooie Bourgonder,
dat komt van gouden Rijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het staat niet in een boekske,
wat ik ten hemel bid.
Zet mij maar in het hoekske
waar vader Noach zit.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Al noemt men mij eerwaarde,
'k Maak u geen leugens wijs:
daar is een hel op aarde,
maar ook een paradijs!
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

-----------------------------------------
Bibamus - (latijn) laten we drinken

Nagelaten gedichten (1937)

Geschreven door Dora om 22:48 Reageer op dit bericht

planeet

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

De Planeet.

Blank-glanzende planeet
betuurt aandachtig weder,
strak-fonkelend en teder,
mijn stille avond-weg - alsof zij weet -
Gaat hare hoge baan,
blij-bezig, zeer verheven,
zelf wel vol moeizaam leven,
doch ziet men 't haar serene blik niet aan.
Stelt mij het hart gerust, -
zó hoog en zó ontzaglijk! -
Scheen 't al daar-even hachlijk,
mijn ziel nu glimlacht weer in milde lust.
Haar scherp gekijk behaagt
wie even klaar durft schouwen,
wiens blik niet zal verflauwen
door 't lastig leven dat hij lachend draagt.
Als zij, mijn glans-planeet,
draag ik een volk van zorgen,
toch vindt mij elke morgen
tot strenge gang in heldre vreugd gereed.
Wat bergt zij, wonder-ster,
voor vreemd, gestaltrijk woelen?
Kent zij mijn licht bedoelen?
Eens ken ik 't hare - als is zij nóg zo ver.

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

vader

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950

 

Vader, hier zijn de kleine

Vader, hier zijn de kleine
Bomen waar de mandarijnen
Groeien van het plezier.
"Het is als Perzië hier."

Ja, vader, de witte
Kleine Arabieren zitten
Lachende bij de fontein.
'Weet je nog waar we zijn?'

------------------------------------
uit: 'Verzamelde Gedichten', 1996.

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

 

TAAL

Buiten mijn moedertaal
en die der nachtegalen
wist ik naar diepe zin
geen klare talen
en vaak heb ik bedroefd
naar ’t wonderboek gekeken
waarin geschreven stond
wat andere landen spreken.

Toen deed de stad van leed
voor mij haar poorten open;
ze leerde mij ‘t geheim
van wanhoop en van hopen;
daar hing te spreken veel
aan ogen en aan monden
waarvoor men hier beneên
geen taal heeft uitgevonden.

Leven is hogeschool
voor nieuwe en dode talen
Die lang mag leerling zijn
in haar rumoeren zalen
die kan uit kolken roes
van juichen en van smeken
redden het ijl relaas
waarin de zielen spreken.

Schaduwen (1928)

Geschreven door Dora om 17:21 Reageer op dit bericht

tabakroken

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

 

Het tabakroken

Waar ben ik? In wat Hel van rampen?
Op ieder voetstap dat ik tree
Omwalmt mij 't walglijk onkruiddampen
En doet mijn borst en longen wee.
Hoe keert mij 't hart en d'ingewanden
Wanneer dit stinkende verbranden
Zijn gif door heel de lucht verspreidt,
In 't lichaam om met pijnlijk wringen!
En geldt dit voor versnaperingen,
Voor feestonthaal en lieflijkheid?

O gouden tijd van onze Vaderen,
Toen d'ouderwetse goede sier
Vernieuwde krachten stortte in d'aderen
In 't smaaklijk, voedzaam gerstebier!
Doch, Frankrijk? ja, bij uw venijnen
Van aangezette valse wijnen
Heeft ook dit gif zijn rechte plaats.
Welaan, het moog' wie 't lust vermaken,
Voor mij zal nooit die wierook blaken:
Voor mij geen stinkend dampgeblaas!

Geschreven door Dora om 17:34 Reageer op dit bericht

ter

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Ter uitnodiging

Volmaakte vreê van 't landelijke rusten:
een brief, een boek, en dan de gramofoon...
Het grasveld is geschoren, de einder schoon,
de vijver uitgediept, geregeld onze lusten.

De zwanen varen traagzaam langs de kusten,
Loh'ngrins onzeker van der Jonkvrouw' woon,
maar God woont hier met zijn papieren kroon,
en deze rust is een volmaakt berusten.

Ik zend u dit sonnet met een tros druiven,
onze eerste: niet onmooglijk nog wat zuur.

Kom spoedig met ons leven, met ons wuiven
de zwanen toe, klassiek, in 't schemeruur.

Kom voelen hoe de zorgen vàn u schuiven,
met de allerlaatste zucht naar 't Avontuur.

Verzameld werk I

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

gepoeft

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Gepoeft, gepaft

Gepoeft, gepaft, ge'n hoort niet el,
met wappers en met wissen fel,
als smijten, slaan en buisen,
dat beide uwe oren ruisen,
op vodde en lap en vuil tapijt,
dat ‘t kuilt en wentelt wijd en zijd,
van ‘t stof! De greppen zweren
vervaarlijk, onder ‘t scheren
der groeve en fijne bezems, daar ‘t
gerokte volk mee henenvaart
de straten langs. Ze gieten,
bij hele en ganse vlieten!
Past op, en niet te bij en gaat,
gij heren: heel die waterstaat
en zult ge, of ‘t zal u rouwen,
niet storen. Zwicht de vrouwen,
die heersend met de bezem staan,
of seffens zal hun tonge gaan!
‘t En baat hier niet als vluchten
en, stille of luide, zuchten:
‘t Zij binnen of ‘t zij buiten huis,
geen vrijheid meer: t is 'grote kuis!'
‘k Ga ievers om een glaasken:
te naaste weke is ‘t Pasen!

1892

------------------------------------------
wapper - kleerklopper
buisen - al slaande lawaai maken
kuilen - in wolken opstijgen
grote kuis - grote schoonmaak

Tijdkrans (Oostermaand)

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

genot

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Genot bindt niet...

Genot bindt niet voor immer: lichaamspracht
verschemert onder de eedle zieleglans:
mijn geest omhult u met de stralenkrans,
door kunstnaars slechts aan heilgen toebedacht.
Uw zachte glorie glijdt om mij en windt
mij in haar helder licht, - en lange nacht verzwindt.

Slechts zielen minnen: wat is lichaamspracht,
als zij niet schittert van de glans der ziel,
die wondersprank, die de eeuwige kracht ontviel,
kracht op zichzelve en toch een deel dier kracht,
die 't leven dwingt, ja 't leven is, en leeft
in al 't geschapene, waardoor Gods adem beeft.

Ons wordt die kracht bewust, bij toverslag,
ontwakend met de kuise liefdegloed,
die heel de schepping leven, tintlen doet,
zo maagdlijk schoon, als d'eerste scheppingsdag,
en in de laaien glans van 't jeugdig bloed
verbeelding zwieren laat gelijk een glorievlag.

Maar niet als in de wondre gloed der jeugd,
maar met der rijpheid traag en vast gespin,
spint zich het net der draden die ons in
het leven wikklen, met zijn smart en vreugd,
dat voor ons wezen tot een eenheid smelt,
die onze wereld is en heel de wereld geldt.

Geschreven door Dora om 16:28 Reageer op dit bericht

prinses

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

 

Prinses van hoge geboorte

Stond ik voor de poorten,
Verlangende binnen te gaan;
Ik droeg een kroon op de haren,
Ik had een slepend, zware
Purperen mantel aan.

Ik wist niet, tot wie mij te wenden,
Ik was een onbekende
In het vreemde land;
Ik smeekte: 'Laat mij binnen!
Laat mij als dienstmaagd binnen!'
En klopte met bevende hand.

'Ik kom met lege handen,
Ik breng geen offeranden
Van myrrhe of wierook of goud.
Ik ben een vermoeide, belaste,
Dus heb ik op de vaste
Beloften uws Konings vertrouwd.'

'Leg af dan uw purperen kleren,
Hier geldt geen macht, geen ere,
Geen rijkdom, geen aardse schijn.
De mensen, die hier wonen,
Dragen geen gouden kronen,
Geen purper, geen hermelijn.'

'Graag wil ik mijn schatten geven,
Sprak ik en glimlachte even
En bloosde, toen ik het zei;
Ik had porphyrogenneta
Die koningskleding vergeten,
Ze scheen mij een deel van mij.

Sinds loop ik arm, verlaten,
Klein meisje door de straten.
Wie vraagt, of ik kom, of ik ga?
Ik ben hier van allen de minste,
Ik leef niet van eigen verdienste,
Ik leef van mijns Konings gena.

Maar deze gena maakt mij rijker
Dan kronen of koninkrijken,
Ze maakt mij, onreine, rein,
Mij, geringe, van hoger geboorte,
Dan buiten deze poorten
Vorsten en koningen zijn.


------------------------------------------------
porphyrogenneta - in het purper gekleed

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

verandering

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

Treurige verandering

O! wat is mijn ziel veranderd
Door der liefde treurigheid!
Voortijds was ik altijd vrolijk,
Als Natuur mij open lag;
Blijde met een dansend mugje,
En een wemelende worm;
Gaf een magre bloem der heide,
Gaf een blaadje mij vermaak;
In het rijk van plant en dieren
Was de bron van mijn genot;
‘k Dronk daaruit met volle teugen
’t Reinste vergenoegen in.
In het rijk van plant en dieren
Vloeit voor mij die bron niet meer:
Al ’t vermogen om te delen
In der schepselen geluk,
Is in mij uitgestorven;
‘k Voel geen zachte banden meer.
Hoe het geure en gloeije, plat;
Vogels, alles zingt rondom mij,
Ik alleen zing niet en kwijn.
Weggezonken in gedachten
Pluk ik dikwijls blaadjes kort;
Onbedachtzaam slaat mijn stokje,
Plantjes van hun wortels af;
‘k Zie daarna, met spijt, de brokken
Der vernielde schoonheid aan;
‘k Schaam mij even, ‘k zucht en zink weer
In mijn diepe stille smart.
Liefde! gij die ’t hart vertedert,
Maakt gij ’t tevens koel en nors?
Liefde! - ja zijt ge ongelukkig,
Dan is uwe kwelling wreed.

------------------------------
gloeije: schitteren
plat: ronduit gezegd

Gezangen der liefde (1794)

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

de wagen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De wagen

Kom, de sluier omgeslagen
en het al omhullend kleed:
buiten is de wonderwagen
met zijn driftig hart gereed,
om ons ruimten in te dragen,
wijder dan waar ‘t oog van weet,

Kom, ons beelden te vergaren,
later weer in droom begroeten
morgenweelde te bewaren
in het sneller-jachtend bloed,
en het leven in te varen
en de bergen tegemoet.

Kom, ons beelden te vergaren,
later weer in droom begroet,
morgenweelde te bewaren
in het sneller-jachtend bloed,
en het leven in te varen
en de bergen tegemoet.

Kom, de toppen te zien blinken -
en de huizen, ver en klein,
en het dal te zien verzinken
in de wijde zonneschijn, -
en de zaligheid te drinken
van alleen en vrij te zijn.

Sneller aldoor gaan de bomen,
gaaan de woningen voorbij.
Tot de overweg gekomen
wijken en verdwijnen zij,
en de verte ligt voor dromen
open, en voor liefde vrij.

Kom, de kameren gaan open
van de wachtende natuur:
alles staat van licht bedropen
in dit zondoorzonken uur,
en de paden zijn doorslopen
overal van trillend vuur.

Langzaam, van de voet gestegen,
windt de wagen zich omhoog.
Hellingen terzij bewegen
voor het ruimtedronken oog.
Donker staan de wouden tegen
de verheven hemelboog.

Donker, in hun kring gesloten,
staan zij op en houden wacht
houden veilig zij de grote
koelte in zich van de nacht,
staan zij in de lucht gestoten,
met hun duisternis bevracht.

Waren wij de vlakte onvloden
om de toppen, hard en naakt,
in de zware donkerrode
avondgloed te zien geblaakt?
Ach, - ons voeren schaduwpaden
op in het geluk alleen.

Kom, de glooiingen geleiden
in die eindelijke rust,
waar de stilte voor ons beiden
stilster wordt van leed en lust -
en het diep genot te drinken,
van de wereld vrij te zijn.

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten