Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

rups

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

TOPZIEKE RUPS

Topzieke rups, in 't stijgen
Van blad tot blad, van steel op stam,
Denkt ge eindlijk te verkrijgen
Het veld van blauw, de witte vlam ?


Te hoog! Ge kunt niet keren!
Hangende aan de hoogste top,
Geeft ge in een verdwaasd begeren
Nog eens op.

Oorspronkelijk dichtwerk /De Muze en de dieren

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

het italiaans

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756/1831

Het Italiaans

U minne ik teer, o taal van lust en weelde,
Die 't stug Latijn in dartele ontucht teelde;
Die als de kus op malse lippen smelt,
En 't hart doorstroomt met liefdes algeweld.
Uw woorden zijn uit zacht satijn geweven,
In toontjes die op donzen vlerkjes zweven;
Uw letters, zoet als Zefirs ademzucht;
En heel uw spraak, één lieve lentelucht.
Maar meer nog u, o vaderlandse tonen,
Waar kracht en ziel en hemelgeest in wonen;
Die met de zang van Po en Tiber vliet,
En Godenlust door hart en aders giet,
Maar rijzen kunt, en onder 't boezemstrelen,
Met Godenwil op 't menslijk hart bevelen,
Zijn stormen stilt, zijn ijs in vlammen zet,
En donders voert, en bliksemend verplet.

----------------------------------------------------
Zefir - ook: zefier, zephyr:
zachte westenwind, aangename bries

Geschreven door Dora om 19:48 Reageer op dit bericht

droomstad

Een gedicht van Albert  Verwey 1856-1936

Granada: droomstad

De straten van Granada waar in 't donker
Gitaren gonzen en van 't lang gefluister
Van minnaars aan de traliën de duister
Nacht warm wordt, - gaan met graden naar 't geflonker
Van 't sterrenbeeld. En op de top wat wonk er
Rode lantaarn van het Alhambra? ruiste er
Wening uit rode muren? of wel, huisde er
Morenkoning nog eens en wat zo klonk er,
Was 't het gespeel van alle zijn fonteinen -
Droppengeklater in de zilvren zalen -
Vrouwengepraat van die in kanten sjalen
Gehulde en parelen? - De starren straalden
Klaarder dan ooit, ook kalmer, toen ik daalde
Naar de stad leeg en de verlaten pleinen.

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596/1687

Aan Mevrouw Van Merode

Zoet vrouwtje, wier gebed gebod is over mij,
Verwacht gij nog in dicht hoe 't afgelopen zij
Met mijn uitheemse reis? Ik zal z' in 't kort vertellen.
Zo heb ik omgezwierd met mijn drie jonggezellen:
Ter Goud' heb ik vernacht en in ons Monnikland,
En op mijn Zuilichem, en aan de overkant
Ten Bosch en t' Eindhoven, te Bree, te Maastricht binnen,
Te Luik, de grote stad van ongeruste zinnen,
Te Maastricht andermaal, te Aken eens in 't bad,
Te Spa vier weken lang eens daags door en door nat,
Te Butgenbach, Sint Vijt, en Dasburg en Vianden,
Te Echternach en Trier, en langs de Moezelstranden,
Te Kobelenz, te Bonn, te Keulen, Dusseldorf,
Te Moers, te Krefeld, weer te Moers en met een korf
Vol voedsel op de Rijn voor Wesel, voor Nijmegen,
Voor Monnikland, en thuis, door Gods gewenste zegen.
Waar ik geslapen heb, is afgekerfd; hoe lang
Zal best bij monde gaan. In rijm viel 't mij te bang.
In 't gros zeg ik ervan, als 't iemand kwam te vragen:
‘De reis is net gedaan in viermaal twintig dagen.’
Houdt gij u dan voldaan, zo ben ik 't meer dan gij,
Zoet vrouwtje, wier gebed gebod is over mij.

---------------------------------------------------
reisverslagje, gedicht op 22 september 1654

drie jonggezellen:
zijn zonen Christiaan en Lodewijk en een neef
Monnikland - buitenverblijf van Huygens bij Loevestein
afgekerfd - kort opgesomd

Geschreven door Dora om 20:59 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het meisje

Egyptische grafschildering

Zij is een nauw ontloken lotos,
Maar veel hulplozer en droever.
Zij is als een smalle boot, los
Van de nog nabije oever.
Zij is niets dan een kleine leegte
In dit boordevol heelal,
Want zij smachtte, maar verzweeg te
Zeggen, wat haar vullen zal.

Spiegelbeelden (1937-1938)

Geschreven door Dora om 17:48 Reageer op dit bericht

de weg

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De weg in 't woud

Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij die holle weg in ’t woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!

Daar sluipen schimmen rond van vroeger tijden,
een geestenheir, doodsbleek in ’t zilvren maanlicht.
O laat geen lach die stille plek ontwijden,
geen ruwe spot, waarvoor de zoete waan zwicht.

Zacht zingt de wind een lied van eeuwig scheiden
en, voor mijn voeten, dwarrelt van de takken
-een gouden regen- geel en rossig lover.

Vrij moge ’t bos een nieuwe lente beiden!
De blaadren, die in ’t slijk der wegen zakken,
zijn dood, voor eeuwig. Dan, wie treurt daarover?

Blauwe bloemen (1884)

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

op

Een gedicht van J. Antonides van der Goes 1647-1684

OP HET VERJAREN VAN Mejuffrouw SUZANNA BORMANS.

Het zonnelicht verrijst zo vrolijk als uw wezen.
Als lachte 't u op uw verjaardag toe,
Begaafde maagd, zo zacht van aard, zo uitgelezen,
Wier liefelijk gezicht ik nimmer moe
Lang wens te zien verrukt en opgetogen.
En mij nog lang te spieglen in uw ogen.

1675

VERJAERGEDICHTEN.

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

hoed

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

De hoge hoed

Er was een lelijke meneer,
Waar niemand graag naar keek,
Omdat ie met z'n scheef gezicht,
'n Slechte kerel leek
Maar, toen ie op een goeie dag
Ook graag een meisje kreeg,
Toen maakte ie, om mooi te zijn,
Z'n hele spaarpot leeg
Voor een hoge hoed, voor een hoge hoed.

Hij liep een kleine winkel in
En kocht een hoge dop;
Toen even nog naar z’n barbier,
Die knapte 'm wat op.
Door steegjes snapte ie naar huis,
Z'n hoed bracht 'm van streek;
Het was of iedereen 'm zag
En spottend naar 'm keek
Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed.

Eerst ging die naar z'n moeder toe
En vroeg hoe of ze ’t vond;
Die zei, omdat ze van 'm hield,
Dat hém zoiets wel stond.
Maar toen ze 'm zo opgeruimd
Er mee op straat zag gaan,
Toen keek ze 'm verlegen na
En ging voor 't raam vandaan:
Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed.

Toen vroeg ie an z'n beste vrind,
Hoe die er over dacht.
Die zei: "Jij wordt nog met dat ding
naar 't gekkenhuis gebracht:
Jouw kop is voor zoiets te lomp,
Te pokkig en te boers".
Toen dacht die lelijke meneer:
M'n vriend wordt al jaloers:
Op m'n hoge hoed, op m'n hoge hoed.

Maar hij ging naar 't meisje toe
Waarmee die trouwen wou;
Hij dacht dat zij hem nou misschien
Niet lelijk vinden zou.
Eerst liep-ie nog een straatje rond,
Bleef hier en daar wat staan;
Toen sloop-ie 't stoepje schuchter op
En belde zachtjes aan:
Met z'n hoge hoed, met z'n hoge hoed.

Z'n meisje keek door 't raampje heen
En lachte in de gang.
Maar niemand kwam 'm open doen,
Toen werd ie rood en bang.
Hij zag haar gillend van de lach
Weer in de kamer gaan.
Ze liet die lelijke meneer
Toen op 't stoepje staan:
Met z'n hoge hoed, met z'n hoge hoed.

Geschreven door Dora om 20:03 Reageer op dit bericht

tedere liefde

Een gedicht van Hermanus Asselberg(h) 1726-1792

Tedere liefde

Na lange droogte kwam een zachte en milde regen
Op 't kwijnend aardrijk neergezegen.
Dit zagen Jaap en Piet met vergenoeging aan.
Jaap sprak, door blijdschap ingenomen,
'Al wat in de aarde is, zal nu fris tevoorschijn komen
En onze wens zal zijn voldaan.'
''k Verlang geenszins - sprak Piet - naar zulke grote gaven,
'k Heb, vóór acht dagen eerst, mijn wijf daarin begraven.'

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

verstoord geluk

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1739

Verstoord geluk.

In mijn tuin een sijsje zat,
Dat zo'n aardig nestje had.
't Vleugelde in zijn groengeel pakje
Vrolijk in de bomen rond,
Van het takje op de grond,
Van de grond weer op het takje.
In het nestje zat zijn schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Lustig ving met zoet gezing
't Kleine fijne kwinkelding
Al in d'ochtend aan te kwelen
Heel zijn zonnig hartje leeg,
Twinkelde of het perels reeg
Met zijn nebje uit zijn kele;
Keek maar naar zijn lieve schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Nu is alle blijheid uit;
't Sijsje roept met droef geluid,
Treurig tuurt hij naar zijn nestje
Dat nu bengelt in de wind
Zonder wijfje, zonder kind;
Nog wat veertjes is het restje.
Nimmer ziet hij weer zijn schat,
Die hij zo heeft liefgehad.

Triest en eenzaam zit hij daar
Als een kluwentje in elkaar,
Voelt niet, hoe de winden woeden,
Ziet mijn kruimkens brood niet staan,
Staart alleen zijn nestje aan,
Voelt alleen zijn hartje bloeden.
En de jongen die het deed
Weet niets van zijn grote leed.

Kindergedichten (1914)

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

de luiken

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De luiken

Om hitte en onrust uit te sluiten,
Doen wij de zware luiken dicht.
Nu dringt uit het rumoerig buiten
Alleen de klaarheid van het licht,

Want zie, de harten zijn nog open,
En zon komt helder ingezeefd
En toont, van blanke glans omdropen,
Al wat er binnen staat en leeft.

Heer, doe de luiken van ons wezen
Voor werelds ijdelheden dicht.
En maak ons hart door Uwe vreze
Zo vol van helder zonnelicht.

De steile tocht (1924-1928)

 

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

BADERS HARTEWENS

Dwars door de tuinen
Van roos en ranken
Zich ’t pad te banen,
Dan door de lanen
Van zand en dennen
Vluchtig te rennen
Tot waar de kruinen
Van hoge duinen
In ’t blauwe blanken
En zo te naderen
Met zwellende aderen
In laatste loop
De harde golven
En, overdolven,
Hun koele doop.

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

de hoveling

Een gedicht van Hermanus Asschenberg(h)  1726-1792

De hoveling

Een zekre koning maakte een jammerlijk gedicht,
En gaf 't een hovling, om te zien of 't wierd geprezen.
Dees sprak: wat weetniet, welk een zot, heeft dit verricht?
't Is een ellendig vers, niet waardig om te lezen.
De koning zeide: Ik heb 't gemaakt.  Hoe! gij, mijnheer?
Hernam de hoveling: 'k wil zweren, op mijn eer,
Dat gij 't met voordacht, dan zo slecht hebt willen maken:
Uw majesteit is toch bekwaam tot alle zaken.


1793

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

schitterende

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Schitterende starre

Ik zag een starre schittren,
Maar ’t was niet aan de trans;
’t Was in twee dierbre ogen,
Een starretje vol glans.

’t Betoverde en bezielde
Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd,
’t Spreidde in mijn blijde woning
Gods licht en vrede en vreugd.

Het blonk op al mijn wegen
Zo vriendlijk en zo zacht,
Een zonnetje van zegen,
Te morgen en te nacht.

Het blonk van heilge liefde
Voor zoveel goeds en groots;
Het scheen een licht des levens,
Maar ’t bleek - een boô des doods!

Dat was het Teringstarretje –
Beware Gods genaê,
Dat gij het ooit ziet schittren
In ’t oog van kind of gaê!

 

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

driekleur

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Verbleekte driekleur

Hoe is uw lief gelaat zo bleek,
Dat eenmaal zo vriendlijk kon blozen?
Ach, als de zuivre zonne week,
Verbleken de lachende rozen.

Hoe is uw voorhoofd nu zo dof,
Zo stroef en zo droef en zo duister?
Ach, als de wind ze sleurde in 't stof,
Verliezen de lelies hun luister.

Hoe staan die oogjes nu zo flauw,
In wenende wimpers verscholen?
Ach, drijvende in te kille dauw,
Besterven de blauwe violen.

In den Bloemhof

Geschreven door Dora om 22:50 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Nieuwe reis

De zilvren eilanden van Denemarken,
In 't zomers-vroege licht waar ik ze zag,
Lagen als perken in de waterparken
Waardoor ik voer bij 't opgaan van de dag.

Geen morgen was ooit lieflijker, ooit reinder.
Een pasgeslepen wereld toonde nog
In land en water en verborgen einder
Haar vreemdheid, maar geen aanvang van bedrog.

En ook wij beiden waren, bij 't beginnen
Van zulk een nieuwe reis, in hoop en schroom,
Als zonder zonde, als met gebade zinnen
Open naar 't waken en nog vol van droom.

Oorspronkelijk dichtwerk (1938)

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Eduard Brom 1864-1935

In zulk een nacht...

In zulk een nacht, - als waarvan Shakespeare zong
In 't toovrig beurtgezang 'in such a night',
Van 't stralende Venetiaanse spel, -
In zulk een nacht, waarvan dàt lied nòg klinkt,
Is àl de schoonheid van de klare dag,
Verinnigd en vertederd en de droom,
En àl de klaarheid van de schone nacht,
Tezaamgevloeid tot die betovering
Die is Venetië's ziel en innigst leven:
De wonder-tedere melancholie
Die aantrekt, aantrekt en niet los meer laat
En, waar zij smarten gaat, weer stil verijlt,
Uitvloeiende tot dromen van verlangen...
In zulk een nacht...

Geschreven door Dora om 16:56 Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van Marnix van Sint Aldegonde 1540-1598

Psalm 30

1.
Een Psalm Dauids, (welck is) een Liedt der wyinghe des huys Dauids.

2.
Ick wil met lofsang wel bequaem
O Godt verheffen dynen naem.
Want du my nae mijn toeversicht
Om hoogh' hebst weder opghericht,
End' hebst doch geenssins willen lyden,
Dat sick mijn vyant soud' verblyden.

3. 
O Heer mijn Godt ick riep tot dy
End' mijn ghesontheyt gaefstu my.

4.
Mijn leuen hebstu uyt het graf
Ghelost: want ick nam gheheel aff:
Ick was schier onder d'eerde bleuen
Als du my gaefst een nieuwe leuen.

5.
Godts uytvercoren al ghelijck
Looft Godt den Heer in hemelrijck:
Houdt in ghedacht'nis all' te saem
De weerde van zijn heyl'ghen naem:

6.
Want syne gramschap wort verswonden
End' gantz ghestilt in corter stonden.
Maer zijn ghenade, gunst' end' danck
Gheduert all' onse leuen lanck,
Daer uyt gheschiet dat druck end' clacht'
Des auonts t'onsent wel vernacht:
Maer als de daeg'raet is gheresen
Verthoont hem we'er een vrolijck wesen.

7.
Doet my al ginck na mynen lust
End' dat ick was in vred' end' rust,
Ick sprack: t'gaet nu met my te deg'
Ick sal niet struyck'len uyt de weg'.

8.
Du hadtst uyt gunst end' wel ghevallen
Mijn berg' ghesterckt met goede wallen.
Maer so haest als dijn aensicht werdt
Voor my ghebergt: versloeg mijn hert'.

9.
Ick riep tot dy met ancxt bevaen,
End' badt dy Heer ootmoedich aen.

10.
Ick sprack: o Heer, wat salt dy baten
Dat ick int graf werd' ne'erghelaten.
Soud' onder d'eerd' een leeflos stoff
Verbreyden kunnen dynen loff?
Oft dyne waerheyt maken kondt?

11.
Verhoor my Heer' tot deser stondt,
End' wil dy mijnr' ellend' ontfermen
Du sy mijn hulp, wil my beschermen.

12.
Du hebst ghewendt mijn rouw' end' leedt
In vrolijckheyt, end' my vercleet
In stede van een sack met vreugt.

13.
Op dat mijn tonge seer verheugt
Niet swyghe, maer dijn loff verconde.
Dies lou'ick dy Heer t'elcker stonde.



HUIDIGE VERSIE:

1.
Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel van David.

2.
Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.

3.
HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.

4.
HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.

5.
Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.

6.
Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

7.
In mijn overmoed dacht ik:
Nooit zal ik wankelen.

8.
HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg,
u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst.

9.
U, HEER roep ik aan
u, Heer, smeek ik om genade.

10.
Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?

11.
Luister, HEER, en toon uw genade,
HEER, kom mij te hulp.

12.
U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.

13.
Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen,
HEER, mijn God, ik wil u eeuwig loven.

Het boeck der psalmen Davids (1580)

 

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1976

Engelen

In de Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in de nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!

Dikwijls als ik had gebeden
Was 't, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik - en met heilig vrezen
Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Sonnet

De wereld is dezelfde; overal
De blauwe hemel en de grauwe steden,
Drijvende wolken en, daar vér beneden
De velden en de mensen; morgen zal
Deze aarde mij niet anders zijn dan heden
En dan zij gisteren was; en zonder tal,
Trekken bij zonneschijn, bij regenval
De dagen verder, als zij altijd deden.
Alleen, lief, waar wij vluchtige uren leven
Te zaam in immer wisselende vreugd
En zo grondloos verzonken in elkanders
Geluk, of de uren eeuwig bij ons bleven
Met prille glans van nooit vergane jeugd,
Is álles eender en is álles anders.

Beeld en stroom (1943)

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten