Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

café

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

   Café

     Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
     Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
     In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
     Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
     Dan in geroes van vele talen,
     In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
     We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
     Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
     Daar zitten we onder zuilen als in dag,
     Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
     Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.
     De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
     Hóór, door de rooie rook joelt onze lach ...
     De zaal 'n burcht is ... de klare glazen klinken.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

winterhout

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Winterhout

Alom, aan de ronde zomen
van het rustig vergezicht,
aan de lage damp ontkomen,
aan de oever van het licht,
achter 't levendig gewemel
van de daken, op het goud
van de uitgespannen hemel
opgericht, is 't winterhout.

Hoog over de lege tuinen
staat het, zuiver afgerond,
met zijn vederige kruinen
op tegen de avondstond,
met zijn neergebogen takken,
met zijn twijgen, teer en sterk
en volledig, op de zwakke
weerglans in 't namiddagzwerk.

Met de roerloze verschijning
van zijn hoge statigheid,
met de zekere belijning
van zijn wasdom, uitgebreid
op de stilte, over een hoeve
rijzend of om een gehucht,
is 't aanwezig in de droeve
leegheid van de winterlucht.

Maar inwendig, in de gave
taaie vezel van zijn stam,
is 't of iets, dat lang begraven
lag, opnieuw tot uiting kwam,
of iets, dat zich had begeven,
uit zijn diepste wezen tot
de verlokking van het leven,
tot het licht naar buiten bot.

Eer zich elders iets vertonen,
eer men iets vermoeden zal
wordt het in zijn wijde kronen
donkerder en dichter al,
wordt het voller in den bleke
omtrek van zijn duisternis,
als het allereerste teken
van wat vast in aantocht is.

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

slaan

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Kunt Gij nog wreder slaan!

Kunt Gij nog wreder slaan! - mijn God! mijn God!
Zie, ik ben sterk en breken zal ik niet,
Maar was er één die Gij zó lijden liet,
Wijl hij U lief had, boven zielsgenot?

En nóg zal ik niet vloeken 't mensbestaan,
En 't Leven niet, en Uwe naam niet smaden,
Zelfs met dít mateloze Leed beladen,
Neem ik het Leven uit Uw handen aan.

Maar schrijf dan ook, ter keerzij mijner schuld,
Dat ééns een menskind, zó diep in ellende,
Zó ver verloren in een nacht van rouw,

De maat zijns droeve Levens heeft vervuld,
En schoon hij 't bitterst dezer wereld kende,
Toch durfde leven en niet sterven wou!

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

thans

Een gedicht van Karal van de Woestijne 1878-1929

Thans is het uur dat schaduwen neigen

Thans is het uur dat schaduwen neigen,
En de avond, als een teder lied,
Om huize’ en zielen zacht komt zijgen,
En moede durend, stil vervliet
In de open schoot van ’t schemer-zwijgen…

Thans is in al de zielen vreê,
En dank-gebed in al de huizen;
En zelfs wie wránge dagen leê
Voelt in zijn wezen kalmte suizen
Als een slaap-zware zomer-zee…

- o Pijn van hér-doorleefde pijnen…
Alleen voor óns is vrede niet,
O mijn vér kind, in ’t trage deinen
Van ’t kallem-durend avond-lied
Over de dankende avondpleinen.

Het vader-huis (1903)

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

wensen

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

 

Negatieve wensen

Geen krakende deuren,
Geen tochtige scheuren,
Geen lek in je dak!
Geen aandrang van beren,
Geen vocht in je veren,
Geen gat in je zak!
Geen smaad van de rijken,
Geen vrienden die strijken,
Geen kroos in je vliet!
Geen meiden die vrijen,
Geen vitters te mijen,
Geen kleur die verschiet!
Geen kramp aan je voeten,
Geen vrees voor bankroeten,
Geen droes aan je paard!
Geen last van poëten,
Geen roetsmaak aan ’t eten,
Geen rook uit de haard!
Geen knellende kleren,
Geen vloekers tot heren,
Geen waas voor ’t gezicht!
Geen ratten of muizen,
Geen jaarlijks verhuizen,
Geen kiespijn of jicht!
Geen kinders die razen,
Geen stof in je glazen,
Geen vuil op je stoep!
Geen stenen voor krenten,
Geen Brabrantse centen,
Geen nachtlijk geroep!
Geen vochtige muren,
Geen twist met je buren,
Geen snoepzieke kat!
Geen ontrouw van knechten,
Geen schrale gerechten,
Geen slijk op je pad!
Geen kelder met water,
Geen praats van een prater,
Geen schel die niet klinkt!
Geen vest zonder knopen,
Geen hart zonder hopen,
Geen haartjes in de inkt!
Geen brandbrief gekriebeld,
Geen tafel die wiebelt,
Geen sleep van logees!
Geen zwakte in je spieren,
Geen kamers die gieren,
Geen beenen voor vlees!
Geen wangunst of schrafel,
Geen dertien aan tafel,
Geen deuk in je hoed;
Geen zondag met regen.
Geen kans zonder zegen,
Geen waanzin voor moed!
Geen knoop in je kluwen,
Geen spot te verduwen,
Geen blok aan je been!
Geen koelte van binnen,
Geen linksheid in ’t minnen,
Geen blauw aan je scheen!
Geen boômloze kisten,
Geen bier dat gaat gisten,
Geen gift die je stuit,
Geen meel in je suiker,
Geen wesp in je ruiker,
Geen slot dat niet sluit.

En zo ’k in mijn beden
Om regels of reden
Niet ver ben gegaan,
’k Vraag ’t elk in ’t bijzonder,

1847.

beren - schuldeisers
vocht in je veren - een nat matras
strijken - vleien
mijen - vermijden
droes - neusslijmvliesontsteking bij paarden
Brabantse centen - Belgische centen
sleep - lange stoet
schrafel - vrekkigheid
blauw aan je scheen - een blauwtje gelopen
boômloos - zonder bodem
gift die je stuit - cadeau dat je hindert

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

scheppingsverhaal

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Scheppingsverhaal

Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar

In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.

De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een lege wereld, waar
Ze bleven zoals ze er heen geworpen.

De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De grote steden en de kleine dorpen

Serenade (1930)

Geschreven door Dora om 11:26 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

NIET KLAGEN

Niet klagen
Maar dragen
En vragen
Om kracht.
Niet zorgen
Voor morgen
Bij vallende nacht. 
Niet beven
Voor ‘t leven
Gegeven
Van God
Maar ‘t heden
Besteden
Naar plicht en gebod. 
Niet dringen
In dingen
Door niemand bevroed.
Tevreden
Te treden
Bij ‘t licht op het pad
En de lamp voor de voet.

GEMENGDE GEDICHTEN (1892)

Geschreven door Dora om 19:58 Reageer op dit bericht

kater

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De witte kater

Hij ligt graag op de leuning van mijn stoel,
Een warme sneeuwbal, die zich kan ontwinden
En naar het lege tasten als een blinde,
En golven met zijn rug of een gevoel
Zich uit wil leven tot een melodie,
Achteloos in de stille lucht geschreven.
Dan zit hij star, uit wit metaal gedreven,
En schuift voorzichtig over op mijn knie.

Hij schikt heel streng mijn leven naar zijn lot,
En glimlacht met zijn grote grijze ogen
En krult, vraagteken van een wijze spot,
Zijn schone staart en geeuwt (maar ingetogen)
En geeft een kopje en slaat zijn scherpe tanden
En klauwen spelend in mijn drieste handen.

Geschreven door Dora om 18:25 Reageer op dit bericht

onttovering

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Onttovering

Ons jeugdig harte leeg, de hersenen overlaên,
Onze armen op de borst gekruist en 't hoofd gebogen
Doorwandlen wij de kille en dichterloze baan
Der aardse wetenschap, onttoverende logen,

Bij jacht op waarheid en op stelligheid bedrogen,
Zien wij de ontvleesde schim daar tergend voor ons staan.
En ook de dichterdroom, die verre is heengevlogen,
Een nevelbeeld gelijk, in walm en damp vergaan.-

Onze Oudren waren niet als wij; - hun vrome scharen
Gewonnen troost in smart uit heilge Bijbelblaren
En laafden zieledorst met englenmelodij.

Wij hebben ‘t diepst geheim der dingen willen weten,
Als Adam van de boom der wetenschap gegeten…
Waarheen is nu Geloof en Kunst en Poëzij?

Geschreven door Dora om 23:11 Reageer op dit bericht

kille regen

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947 

Kille regen

Kille regen ruizelt stille
Over 't blekend zomer-lover,
Morgen drijft de zomer over,
Daar het najaar nader toog.

Ik zou wel, berustend, willen
Lichteloze dag verduren
Als uw hoofd maar enkele uren
Zich tot mijn schouder boog.

Maar ik zag de nachtgetijen
Veler jaren gaan en komen
Zonder dat gij van mijn dromen
Maakte uw leven deelgenoot;

En ik hoor de regen schreien
Door de twijgen, triestig liedje
Bij dit menselijk verdrietje
Dat zo klein is... en zo groot.

Gedichten (1909)

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

tegenstelling

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

Tegenstelling

Weegt op de nacht een dubbele donkerheid
door zoveel ogen, duister voor altijd?
Gaat in de dag de stilte warende om
van zoveel lippen met doods zegel stom?

Neen luide zijn de dagen met de klank
van zwaar geschut en felle wapens blank
en nachten lichten van de hoge vlam
die laait door 't land en zoekt het offerlam.

Duister en stilte zijn gelijk vermoord,
al breekt de klank in 't oor dat niet meer hoort
al dooft de vonk in 't oog dat niet meer ziet,
al wordt de ziel geblust in 't bloed dat vliet.

Gedichten (1918)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

rups

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

TOPZIEKE RUPS

Topzieke rups, in 't stijgen
Van blad tot blad, van steel op stam,
Denkt ge eindlijk te verkrijgen
Het veld van blauw, de witte vlam ?


Te hoog! Ge kunt niet keren!
Hangende aan de hoogste top,
Geeft ge in een verdwaasd begeren
Nog eens op.

Oorspronkelijk dichtwerk /De Muze en de dieren

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

het italiaans

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756/1831

Het Italiaans

U minne ik teer, o taal van lust en weelde,
Die 't stug Latijn in dartele ontucht teelde;
Die als de kus op malse lippen smelt,
En 't hart doorstroomt met liefdes algeweld.
Uw woorden zijn uit zacht satijn geweven,
In toontjes die op donzen vlerkjes zweven;
Uw letters, zoet als Zefirs ademzucht;
En heel uw spraak, één lieve lentelucht.
Maar meer nog u, o vaderlandse tonen,
Waar kracht en ziel en hemelgeest in wonen;
Die met de zang van Po en Tiber vliet,
En Godenlust door hart en aders giet,
Maar rijzen kunt, en onder 't boezemstrelen,
Met Godenwil op 't menslijk hart bevelen,
Zijn stormen stilt, zijn ijs in vlammen zet,
En donders voert, en bliksemend verplet.

----------------------------------------------------
Zefir - ook: zefier, zephyr:
zachte westenwind, aangename bries

Geschreven door Dora om 19:48 Reageer op dit bericht

droomstad

Een gedicht van Albert  Verwey 1856-1936

Granada: droomstad

De straten van Granada waar in 't donker
Gitaren gonzen en van 't lang gefluister
Van minnaars aan de traliën de duister
Nacht warm wordt, - gaan met graden naar 't geflonker
Van 't sterrenbeeld. En op de top wat wonk er
Rode lantaarn van het Alhambra? ruiste er
Wening uit rode muren? of wel, huisde er
Morenkoning nog eens en wat zo klonk er,
Was 't het gespeel van alle zijn fonteinen -
Droppengeklater in de zilvren zalen -
Vrouwengepraat van die in kanten sjalen
Gehulde en parelen? - De starren straalden
Klaarder dan ooit, ook kalmer, toen ik daalde
Naar de stad leeg en de verlaten pleinen.

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596/1687

Aan Mevrouw Van Merode

Zoet vrouwtje, wier gebed gebod is over mij,
Verwacht gij nog in dicht hoe 't afgelopen zij
Met mijn uitheemse reis? Ik zal z' in 't kort vertellen.
Zo heb ik omgezwierd met mijn drie jonggezellen:
Ter Goud' heb ik vernacht en in ons Monnikland,
En op mijn Zuilichem, en aan de overkant
Ten Bosch en t' Eindhoven, te Bree, te Maastricht binnen,
Te Luik, de grote stad van ongeruste zinnen,
Te Maastricht andermaal, te Aken eens in 't bad,
Te Spa vier weken lang eens daags door en door nat,
Te Butgenbach, Sint Vijt, en Dasburg en Vianden,
Te Echternach en Trier, en langs de Moezelstranden,
Te Kobelenz, te Bonn, te Keulen, Dusseldorf,
Te Moers, te Krefeld, weer te Moers en met een korf
Vol voedsel op de Rijn voor Wesel, voor Nijmegen,
Voor Monnikland, en thuis, door Gods gewenste zegen.
Waar ik geslapen heb, is afgekerfd; hoe lang
Zal best bij monde gaan. In rijm viel 't mij te bang.
In 't gros zeg ik ervan, als 't iemand kwam te vragen:
‘De reis is net gedaan in viermaal twintig dagen.’
Houdt gij u dan voldaan, zo ben ik 't meer dan gij,
Zoet vrouwtje, wier gebed gebod is over mij.

---------------------------------------------------
reisverslagje, gedicht op 22 september 1654

drie jonggezellen:
zijn zonen Christiaan en Lodewijk en een neef
Monnikland - buitenverblijf van Huygens bij Loevestein
afgekerfd - kort opgesomd

Geschreven door Dora om 20:59 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het meisje

Egyptische grafschildering

Zij is een nauw ontloken lotos,
Maar veel hulplozer en droever.
Zij is als een smalle boot, los
Van de nog nabije oever.
Zij is niets dan een kleine leegte
In dit boordevol heelal,
Want zij smachtte, maar verzweeg te
Zeggen, wat haar vullen zal.

Spiegelbeelden (1937-1938)

Geschreven door Dora om 17:48 Reageer op dit bericht

de weg

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De weg in 't woud

Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij die holle weg in ’t woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!

Daar sluipen schimmen rond van vroeger tijden,
een geestenheir, doodsbleek in ’t zilvren maanlicht.
O laat geen lach die stille plek ontwijden,
geen ruwe spot, waarvoor de zoete waan zwicht.

Zacht zingt de wind een lied van eeuwig scheiden
en, voor mijn voeten, dwarrelt van de takken
-een gouden regen- geel en rossig lover.

Vrij moge ’t bos een nieuwe lente beiden!
De blaadren, die in ’t slijk der wegen zakken,
zijn dood, voor eeuwig. Dan, wie treurt daarover?

Blauwe bloemen (1884)

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

op

Een gedicht van J. Antonides van der Goes 1647-1684

OP HET VERJAREN VAN Mejuffrouw SUZANNA BORMANS.

Het zonnelicht verrijst zo vrolijk als uw wezen.
Als lachte 't u op uw verjaardag toe,
Begaafde maagd, zo zacht van aard, zo uitgelezen,
Wier liefelijk gezicht ik nimmer moe
Lang wens te zien verrukt en opgetogen.
En mij nog lang te spieglen in uw ogen.

1675

VERJAERGEDICHTEN.

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

hoed

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

De hoge hoed

Er was een lelijke meneer,
Waar niemand graag naar keek,
Omdat ie met z'n scheef gezicht,
'n Slechte kerel leek
Maar, toen ie op een goeie dag
Ook graag een meisje kreeg,
Toen maakte ie, om mooi te zijn,
Z'n hele spaarpot leeg
Voor een hoge hoed, voor een hoge hoed.

Hij liep een kleine winkel in
En kocht een hoge dop;
Toen even nog naar z’n barbier,
Die knapte 'm wat op.
Door steegjes snapte ie naar huis,
Z'n hoed bracht 'm van streek;
Het was of iedereen 'm zag
En spottend naar 'm keek
Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed.

Eerst ging die naar z'n moeder toe
En vroeg hoe of ze ’t vond;
Die zei, omdat ze van 'm hield,
Dat hém zoiets wel stond.
Maar toen ze 'm zo opgeruimd
Er mee op straat zag gaan,
Toen keek ze 'm verlegen na
En ging voor 't raam vandaan:
Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed.

Toen vroeg ie an z'n beste vrind,
Hoe die er over dacht.
Die zei: "Jij wordt nog met dat ding
naar 't gekkenhuis gebracht:
Jouw kop is voor zoiets te lomp,
Te pokkig en te boers".
Toen dacht die lelijke meneer:
M'n vriend wordt al jaloers:
Op m'n hoge hoed, op m'n hoge hoed.

Maar hij ging naar 't meisje toe
Waarmee die trouwen wou;
Hij dacht dat zij hem nou misschien
Niet lelijk vinden zou.
Eerst liep-ie nog een straatje rond,
Bleef hier en daar wat staan;
Toen sloop-ie 't stoepje schuchter op
En belde zachtjes aan:
Met z'n hoge hoed, met z'n hoge hoed.

Z'n meisje keek door 't raampje heen
En lachte in de gang.
Maar niemand kwam 'm open doen,
Toen werd ie rood en bang.
Hij zag haar gillend van de lach
Weer in de kamer gaan.
Ze liet die lelijke meneer
Toen op 't stoepje staan:
Met z'n hoge hoed, met z'n hoge hoed.

Geschreven door Dora om 20:03 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten