Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

O, rust

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

O, rust van Tonbridge na 't rusteloos Londen

Aan vier Engelsche makkers,
(Mickel, Clement, Sidney en Paul.)

O, rust van Tonbridge na 't rusteloos Londen;
Hier welt het water helder, 't veld staat blauw
Van vlas, de hoge hop rankt langs zijn touw,
De wilde wingerd houdt elk huis omwonden.

En elke dag zet in één zaalge brand
De hemel en uwe hemelsblauwe ogen.
Wij dwaalden, nu verdiept, dan opgetogen,
Ik zag naar u, de hemel, 't akkerland.

En 't was uw vraag: 'Gij waart een blij bewoner
Van rijke steden en van weidse streken
Is mijn dorp schoon? Mijn land? Waar vindt men schoner?'

En 't antwoord: 'Maat: ik heb mijn weg gewend
Van land naar land, niets heeft mij meer geleken
Dan uw dorp Tonbridge en uw heuvlend Kent.'

Liederen (1917)

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

gearmd

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Gearmd

Honger, honger! lelijk woord,
Als een lege maag u hoort!
Als de tanden watertanden,
En men staat met lege handen...
Als ge op volle schaal of manden
Gretig u een blik verstout,-
Maar de maag vakantie houdt.

Doch - hoe lastig gij soms zijt,
Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,
Zullen we u graag welkom heten
Als we happig zijn gezeten
Voor een schotel lekker eten...
Grage tand de spijs vermaalt,
Zelf verdiend en zelf betaald!

Daarom roept ons blij gezang:
Lieve Honger! plaag ons lang!
Rijk en ziek zou menigmalen
(Kon het!) u met goud betalen -
Ons zult gij zo licht niet falen;
Maar verlangt gij dank en prijs,
Kom, dan (kan't!) gearmd met...spijs!

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

ontevreden

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Ontevredenen

"Het bulder vrij op 't woeste meer
Ik kijk eens buiten naar 't weer  
En ga dan thuis wat slapen "

Tollens 'Tevredenheid'



Ach! waartoe dat eeuwig klagen,
  Ontevreden, onvernoegd;
God geeft niemand meer te dragen,
Dan juist voor zijn krachten voegt.

Wangunst zie 'k elks hart verteren,
  Woekrend als een fel venijn,
Schooiers vragen mooie kleren,
  Knechten willen bazen zijn.

O, als elk maar wilde leren,
Dat de Heer geeft kracht naar kruis,
De arme zou geen goud begeren,
  Beedlaars bleven in hun kluis.

Zoekt de Zorg niet naar der rijken
  Warm en weeldrig ledikant,
Om het harde bed te ontwijken
  Van de mingegoede stand?

Zorg heeft ieder - maar op aarde
  Is 't geluk steeds weggelegd
Voor wie dankbaar wil aanvaarden,
  Wat hem God heeft toegezegd.

Ook mijzelf, naast veel verblijden
  Viel veel bittere smart ten deel,
Veel miskenning, lichaamslijden,
  Klappen in mijn financieel,

Zou ik daarom morren, klagen?
  Neen! - bestendig dank ik God
Wachtend op de beetre dagen,
  'k Zoek de lichtzij van mijn lot.

's Zomers als de bloemen bloeien
  Ga ik wandlen met mijn vrouw,
Waar de koeien vreedzaam loeien
  In de groenende landsdouw.

't Zie de noeste landman ploegen,
  Hijgend, zwetend, blij te moe,
't Vogeltje vol vergenoegen
  Kweelt de Heer een loflied toe.

Door de lachend malse beemden
  Blinkt de lieve zonneschijn,
O, wie zou 't dan niet bevreemden
  Dat er ontevreednen zijn!

Vrolijk als de visjes spartlen
  In de zilverblanke vliet,
Zie 'k mijn zeven kleintjes dartlen,
  (De allerjongste loopt nog niet).

'k Zoek dan bloempjes in de weide,
  Zelf in Gods natuur een kind,
't Ga dan met een krans verblijden
  De egâ die mijn hart bemint.

Neem, zeg ik, 't eenvoudig kleinood,
  Kroon-door menig vorst benijd,
Schoon een koning u het zijn' bood,
  Gij hebt meer: `tevredenheid!'

Deze krans zal nooit verdorren,
  Vlecht hem in uw lokken, Trui!
Kom! wij lachen met het morren
  Van die ontevreden lui!

Mengelpoëzie onder pseudoniem Cornelis Paradijs

Geschreven door Dora om 18:51 Reageer op dit bericht

rijmen

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Schouwburg-rijmen

Aº 1637
I.
(OPSCHRIFT VAN BUITEN)
De wereld is een schouwtoneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

II.
Geen kind de schouwburg lastig zij,
Tabakspijp, bierkan, snoeperij,
Noch generlei baldadigheid;
Wie anders doet, wordt uitgeleid.

III.
Toneelspel kwam in ’t licht tot leerzaam tijdverdrijf,
Het wijkt geen ander spel noch koninklijke vonden;
Het bootst de wereld na, het ketelt ziel en lijf,
Het prikkelt ze tot vreugd of slaat ons zoete wonden;
Het toont, in ’t klein begrijp, al ’s mensen ijdelheid,
Daar Demokriet om lacht en Herakliet om schreit.

IV.
(BOVEN DE SCHOORSTEENMANTEL IN DE REGENTENKAMER)
Gelukkig is het land,
Daar ’t kind zijn moêr verbrandt.

V.
(OP HET VOORSCHERM)
De Bijen storten hier het eêlste, dat zij lezen,
Om d’ oude stok te voên en ouderloze wezen.

VI.
Het zij gij speelt voor stom of spreekt,
Let altijd in wat kleed gij steekt.

VII.
Twee vaten heeft Jupijn: hij schenkt nu zuur, nu zoet,
Of matigt weelde en vreugd met druk en tegenspoed.

VIII.
Het spel heeft ook zijn tijd, wanneer ’t de tijd gehengt;
’t Vermakelijk en nut wordt hier van pas gemengd.

IX.
Verbiê de lieden het toneel,
Zo loopt er zevenmaal zoveel;
’t Verboden wil men allermeest,
En tegenstreven noopt de geest.
Wie die de ijver blussen wil,
Zie door de vingers en zwijg stil;
Want wordt gij op uw zeer geraakt,
Zo denkt: ik heb ’t er na gemaakt.

Geschreven door Dora om 12:36 Reageer op dit bericht

hond

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Wat mijn hond heeft

't Fijnste neusje heeft mijn hond,
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
Steekt het als een ijdeltuitje
In de lucht bij wind of buitje;
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
't Fijnste neusje heeft mijn hond.

Mooie ogen heeft mijn hond,
Warme ogen, trouwe ogen,
Ogen die er wezen mogen,
Nooit wat hebben voorgelogen,
Warme ogen, trouwe ogen,
Mooie ogen heeft mijn hond.

'n Gouden hartje heeft mijn hond,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
Tussenbeide kan hij vleien,
Hij kan lachen, hij kan schreien,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
'n Gouden hartje heeft mijn hond.

Kindergedichten (1914)

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

geboortestad

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Geboortestad

Is dit mijn stad? De welvaart is voorbij,
De schepen liggen rottend in de haven
En door het touwwerk vliegen zwarte raven:
Het is gedaan met vloot en visserij.
Waar is het volk van dit verlopen tij?
Men zag het vroeger langs de kaden draven,
Het is vergeten nu of reeds begraven,
Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.
Voorgoed gedaan? Vergeefs gekalefaterd?
Daar ligt een schip, waarop ‘Vertrouwen’ staat,
Ik zie een jongen, turend over 't water.
Vertrouw, mijn stad: nòg stroomt de Maas voorbij
En dit is sterker dan uw averij:
De trek naar zee, een jongensdroom voor later.

Geuzenliedboek 1940-1945

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

vliegmachine

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vliegmachine

De aarde spant zich om hem uit te stoten,
de roekeloze, die haar greep ontsprong
en zich naar hare rondste toppen wrong,
waar 't wonder hem der luchten wordt ontsloten –

Want vorsing loert in zijn gedoken sprong
en heersen ligt in zijne wil besloten;
hij proeft de kansen om zich af te stoten
aan harde lucht, waardoor zijn schroefslag zong.

Reeds houden vleugels voeling met de trans
en, ongeschonden heerser in de ruimte
drijft hij, een glimlach van onkwetsbaarheid –

Bewegend evenwicht in eindeloosheid,
metalen rustkern in gespleten ruimte,
gebeiteld mensmerk aan gespannen trans!

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

schemering

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Schemering in 't woud

                  Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
         het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
         ik voel de lome schemer stijgen -
         en stijgen, stil.

         Wat glanst het bleke Westen koud!
         een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
         doet flauw de teed're nevel blauwen
         in 't gélend woud. -

         Ik zie de bleke stervenswenk.
         Ik voel het doffe duister in mij dringen
         en verre stemmen hoor ik zingen
         al wat ik denk. -

         Waar zijt ge, Dood? - zo gij rondom
         op wieken van de schemering komt rijzen,
         nu doet uw nadering niet ijzen, -
         ik wacht u - kom!

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

kindje

Een gedicht van  Helene Swarth 1859-1941

Als 't kindje komen zal

Loom laat zij vallen 't hemdje vlinderlicht -
En dromig ziet ze, aan morgenblauwe trans,
Met wapperlokken zweven rond een krans
Van engelkopjes, blond en blank, belicht
Door lente-zon, in slepende cadans.
Op wie zal 't kindje lijken? - En 't gezicht
Houdt, blij en vroom, ze op 't wolkenspel gericht,
Waar hemelkindren dansen hemeldans.

Het duizlend kopje in 't kussen, dat haar man,
Met teedre streelhand, schoof onder 't hoofd,
Blijft stil zij turen, tot de rei vervloot.
Verwonderd, wijl zij nog niet raden kan
't Gelaat der vreugd, door liefde haar beloofd:
Haar eigen kind, nog sluimrend in haar schoot.

De Gids (1925)

Geschreven door Dora om 19:35 Reageer op dit bericht

koffiehuis

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

KOFFIEHUIS

   Razend. Gedwarrel van stemmen, tot éen geraas vergroeid.
   Hoge klarinetklanken. Saxofoon-geluiden en wat rest
   daar tussen: geweldig koperen orkest.

   De buffetjuffrouw dromend. Heimwee of verlangen?
   Alles is hier een open raadsel. De oplossing echter vindt geen.
   Zacht autoritair de waard. Symbool van toekomst en verleen.

   En 't eeuwig spel van spelers schijn en wezen,
   vast het gelaat, niet te doorlezen;
   behoedzaam defensief, maar de sterkte van hen die niet vrezen.

   Solidariteit der spel-geruchten,
   van de tragies-ernstige domino's, fatum-zwart
   tot der biljartballen rood-wit luchtig vluchten.

   Geblaseerde rasta's; daarnaast huiselike dikbuiken,-
   alles weerom schijn, - dames die eeuwig goedig toeluiken:
   allen Babelbouwers van dezelfde gebazel-innigheid.

   Gebannen is de innigheid uit de straat,
   achtervolgde faun, binnen de koffiehuizen gedreven.
   De zwakke muren zijn de sterke dam tussen dood en leven.

   Bij 't even openen der deur, klinkt wat daarbuiten is, de trem,
   of 't geroep van een venter, als een onheimelike stem:
   heel even. Dan herneemt 't orkest zijn razende galop.


14 - 21 januarie 1917

Ik en de stad

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

café

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

   Café

     Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
     Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
     In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
     Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
     Dan in geroes van vele talen,
     In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
     We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
     Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
     Daar zitten we onder zuilen als in dag,
     Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
     Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.
     De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
     Hóór, door de rooie rook joelt onze lach ...
     De zaal 'n burcht is ... de klare glazen klinken.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

winterhout

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Winterhout

Alom, aan de ronde zomen
van het rustig vergezicht,
aan de lage damp ontkomen,
aan de oever van het licht,
achter 't levendig gewemel
van de daken, op het goud
van de uitgespannen hemel
opgericht, is 't winterhout.

Hoog over de lege tuinen
staat het, zuiver afgerond,
met zijn vederige kruinen
op tegen de avondstond,
met zijn neergebogen takken,
met zijn twijgen, teer en sterk
en volledig, op de zwakke
weerglans in 't namiddagzwerk.

Met de roerloze verschijning
van zijn hoge statigheid,
met de zekere belijning
van zijn wasdom, uitgebreid
op de stilte, over een hoeve
rijzend of om een gehucht,
is 't aanwezig in de droeve
leegheid van de winterlucht.

Maar inwendig, in de gave
taaie vezel van zijn stam,
is 't of iets, dat lang begraven
lag, opnieuw tot uiting kwam,
of iets, dat zich had begeven,
uit zijn diepste wezen tot
de verlokking van het leven,
tot het licht naar buiten bot.

Eer zich elders iets vertonen,
eer men iets vermoeden zal
wordt het in zijn wijde kronen
donkerder en dichter al,
wordt het voller in den bleke
omtrek van zijn duisternis,
als het allereerste teken
van wat vast in aantocht is.

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

slaan

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Kunt Gij nog wreder slaan!

Kunt Gij nog wreder slaan! - mijn God! mijn God!
Zie, ik ben sterk en breken zal ik niet,
Maar was er één die Gij zó lijden liet,
Wijl hij U lief had, boven zielsgenot?

En nóg zal ik niet vloeken 't mensbestaan,
En 't Leven niet, en Uwe naam niet smaden,
Zelfs met dít mateloze Leed beladen,
Neem ik het Leven uit Uw handen aan.

Maar schrijf dan ook, ter keerzij mijner schuld,
Dat ééns een menskind, zó diep in ellende,
Zó ver verloren in een nacht van rouw,

De maat zijns droeve Levens heeft vervuld,
En schoon hij 't bitterst dezer wereld kende,
Toch durfde leven en niet sterven wou!

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

thans

Een gedicht van Karal van de Woestijne 1878-1929

Thans is het uur dat schaduwen neigen

Thans is het uur dat schaduwen neigen,
En de avond, als een teder lied,
Om huize’ en zielen zacht komt zijgen,
En moede durend, stil vervliet
In de open schoot van ’t schemer-zwijgen…

Thans is in al de zielen vreê,
En dank-gebed in al de huizen;
En zelfs wie wránge dagen leê
Voelt in zijn wezen kalmte suizen
Als een slaap-zware zomer-zee…

- o Pijn van hér-doorleefde pijnen…
Alleen voor óns is vrede niet,
O mijn vér kind, in ’t trage deinen
Van ’t kallem-durend avond-lied
Over de dankende avondpleinen.

Het vader-huis (1903)

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

wensen

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

 

Negatieve wensen

Geen krakende deuren,
Geen tochtige scheuren,
Geen lek in je dak!
Geen aandrang van beren,
Geen vocht in je veren,
Geen gat in je zak!
Geen smaad van de rijken,
Geen vrienden die strijken,
Geen kroos in je vliet!
Geen meiden die vrijen,
Geen vitters te mijen,
Geen kleur die verschiet!
Geen kramp aan je voeten,
Geen vrees voor bankroeten,
Geen droes aan je paard!
Geen last van poëten,
Geen roetsmaak aan ’t eten,
Geen rook uit de haard!
Geen knellende kleren,
Geen vloekers tot heren,
Geen waas voor ’t gezicht!
Geen ratten of muizen,
Geen jaarlijks verhuizen,
Geen kiespijn of jicht!
Geen kinders die razen,
Geen stof in je glazen,
Geen vuil op je stoep!
Geen stenen voor krenten,
Geen Brabrantse centen,
Geen nachtlijk geroep!
Geen vochtige muren,
Geen twist met je buren,
Geen snoepzieke kat!
Geen ontrouw van knechten,
Geen schrale gerechten,
Geen slijk op je pad!
Geen kelder met water,
Geen praats van een prater,
Geen schel die niet klinkt!
Geen vest zonder knopen,
Geen hart zonder hopen,
Geen haartjes in de inkt!
Geen brandbrief gekriebeld,
Geen tafel die wiebelt,
Geen sleep van logees!
Geen zwakte in je spieren,
Geen kamers die gieren,
Geen beenen voor vlees!
Geen wangunst of schrafel,
Geen dertien aan tafel,
Geen deuk in je hoed;
Geen zondag met regen.
Geen kans zonder zegen,
Geen waanzin voor moed!
Geen knoop in je kluwen,
Geen spot te verduwen,
Geen blok aan je been!
Geen koelte van binnen,
Geen linksheid in ’t minnen,
Geen blauw aan je scheen!
Geen boômloze kisten,
Geen bier dat gaat gisten,
Geen gift die je stuit,
Geen meel in je suiker,
Geen wesp in je ruiker,
Geen slot dat niet sluit.

En zo ’k in mijn beden
Om regels of reden
Niet ver ben gegaan,
’k Vraag ’t elk in ’t bijzonder,

1847.

beren - schuldeisers
vocht in je veren - een nat matras
strijken - vleien
mijen - vermijden
droes - neusslijmvliesontsteking bij paarden
Brabantse centen - Belgische centen
sleep - lange stoet
schrafel - vrekkigheid
blauw aan je scheen - een blauwtje gelopen
boômloos - zonder bodem
gift die je stuit - cadeau dat je hindert

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

scheppingsverhaal

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Scheppingsverhaal

Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar

In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.

De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een lege wereld, waar
Ze bleven zoals ze er heen geworpen.

De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De grote steden en de kleine dorpen

Serenade (1930)

Geschreven door Dora om 11:26 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

NIET KLAGEN

Niet klagen
Maar dragen
En vragen
Om kracht.
Niet zorgen
Voor morgen
Bij vallende nacht. 
Niet beven
Voor ‘t leven
Gegeven
Van God
Maar ‘t heden
Besteden
Naar plicht en gebod. 
Niet dringen
In dingen
Door niemand bevroed.
Tevreden
Te treden
Bij ‘t licht op het pad
En de lamp voor de voet.

GEMENGDE GEDICHTEN (1892)

Geschreven door Dora om 19:58 Reageer op dit bericht

kater

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De witte kater

Hij ligt graag op de leuning van mijn stoel,
Een warme sneeuwbal, die zich kan ontwinden
En naar het lege tasten als een blinde,
En golven met zijn rug of een gevoel
Zich uit wil leven tot een melodie,
Achteloos in de stille lucht geschreven.
Dan zit hij star, uit wit metaal gedreven,
En schuift voorzichtig over op mijn knie.

Hij schikt heel streng mijn leven naar zijn lot,
En glimlacht met zijn grote grijze ogen
En krult, vraagteken van een wijze spot,
Zijn schone staart en geeuwt (maar ingetogen)
En geeft een kopje en slaat zijn scherpe tanden
En klauwen spelend in mijn drieste handen.

Geschreven door Dora om 18:25 Reageer op dit bericht

onttovering

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Onttovering

Ons jeugdig harte leeg, de hersenen overlaên,
Onze armen op de borst gekruist en 't hoofd gebogen
Doorwandlen wij de kille en dichterloze baan
Der aardse wetenschap, onttoverende logen,

Bij jacht op waarheid en op stelligheid bedrogen,
Zien wij de ontvleesde schim daar tergend voor ons staan.
En ook de dichterdroom, die verre is heengevlogen,
Een nevelbeeld gelijk, in walm en damp vergaan.-

Onze Oudren waren niet als wij; - hun vrome scharen
Gewonnen troost in smart uit heilge Bijbelblaren
En laafden zieledorst met englenmelodij.

Wij hebben ‘t diepst geheim der dingen willen weten,
Als Adam van de boom der wetenschap gegeten…
Waarheen is nu Geloof en Kunst en Poëzij?

Geschreven door Dora om 23:11 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten