Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

taal

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

TAAL

Buiten mijn moedertaal
en die der nachtegalen
wist ik naar diepe zin
geen klare talen
en vaak heb ik bedroefd
naar ’t wonderboek gekeken
waarin geschreven stond
wat andere landen spreken.

Toen deed de stad van leed
voor mij haar poorten open;
ze leerde mij ‘t geheim
van wanhoop en van hopen;
daar hing te spreken veel
aan ogen en aan monden
waarvoor men hier beneên
geen taal heeft uitgevonden.

Leven is hogeschool
voor nieuwe en dode talen
Die lang mag leerling zijn
in haar rumoeren zalen
die kan uit kolken roes
van juichen en van smeken
redden het ijl relaas
waarin de zielen spreken.

Schaduwen (1928)

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

verbena

Een gedicht van August Peaux 1859-1944

Een verbena

Een bloem bloeit aan de wegen
bleek in een zon van jaren her,
rood - haar laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.

Spokende zomergnomen
mengen de beker en breken het brood;
haar drenken verre dromen,
zij bloeit zo bleek, zo rood.

Geschreven door Dora om 11:42 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Herfst

En in de lucht des vochte ochtends hangen
De laatste dunne blaad'ren van het jaar,
Als in het zwarte takkennet gevangen,
Met fijne glans van kleuren naast elkaar.

Zo louterde de pracht zich van de lange
En luide lichttijd en de brede schaar
Van groengedoste bomen, tot die bange
En tere lichtkleur van het late jaar.

Die blaadren schenen mij een vreemd gezicht
Van schone zielen uit veel enge pijn
En godgelijk genot alhaast gevlucht.

Hun laatste middag komt met zomerschijn
Van gouden stralen uit de hoge lucht
En drupplen tintlend in het laatste licht.

Geschreven door Dora om 11:39 Reageer op dit bericht

visioen

Een gedicht van Jacob Winkeler Prins 1849-1907

VISIOEN

't Strand loopt onder water, langzaam onder...
Links het duin: er langs een rose rand
Rul doortrappeld, ondoorwaadbaar zand:
Rechts de zee: een altijd ruisend wonder.

En als eens Joannes, de verkonder
Jesu Christi, zie 'k een muur, een wand,
Opgebouwd door 's krijgsmans stalen hand,
Onder roff'len en kanongedonder.

Wees nabij mij, Gij, die storm gebieden
En kunt stillen, 't scherp van 't zwaard niet vreest...
Plots een licht... Wat zou die glans bedieden ?...

Over 't water wandelt weer een geest:
En ik zie de golven westwaarts vlieden,
Als voor 't oog des temmers 't wilde beest.

Geschreven door Dora om 10:20 Reageer op dit bericht

zonnezeil

Een gedicht vasn Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Onder het zonnezeil

Onder het zonnezeil, verrukt door de wind,
Zit ik gelukkig.
’t Noodlot is nukkig,
Maar er blijft niets meer dat me aan ’t leven bindt.
De vrouwen, vroeger voor eeuwig bemind,
Liet ik gelukkig
Vroegtijdig achter zonder kind.
Ik heb genoeg aan de natuur,
Altijd grootmoedig,
En aan de stille of stormende oceaan,
Eindloos voorspoedig.
Een vluchtig avontuur
Houdt me even opgetogen:
Meeuw, door een golf bewogen,
Veilig bevleugeld, toebehorend aan
’t Onmeetlijk, onuitputtelijk azuur.

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

rosa

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Rosa Luxemburg

Rosa, grootse, eedle, machtige Vrouw,
Met uw klaar verstand, uwe reine liefde
Voor de arbeidersklasse, uwe Geliefde,
Aan welke alleen gij uw leven trouw.

Gij ging zoals een hoge klare ster
De arbeidersklasse voor, uwe Geliefde,
In de strijd, - en uwe klare liefde
Lichtte voor hen uit, ver, alleen en ver.

Gij stierf. Waardoor? Door 't kapitaal vermoord,
Maar ook door de arbeiders die u verlieten,
Die u alleen met uw vijanden lieten,
En niet luisterden naar uw verre woord.
Uw liefde stierf, omdat gij werd verlaten
Door de Duitse arbeiders, die Uw liefde haatten.

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Het tederhartige kind

Zou ik niet mijn moeder eren,
Ach, wat doet ze niet voor mij?
Wat mij nut is, mag ik leren;
Ben ik vrolijk, zij is blij.

Ben ik ziek, ik hoor haar klagen;
En wanneer zij bij mij zit
Met het oog omhoog geslagen,
Dan geloof ik, dat zij bidt.

Ja, dan bidt zij, dat ik spoedig
Mag bevrijd zijn van mijn smart;
Word ik beter, hoe blijmoedig
En hoe dankbaar is haar hart.

Ik zal altoos haar beminnen,
Altoos doen wat haar behaagt.
Nimmer wil ik iets beginnen,
Daar mijn moeder over klaagt.

'k Zal haar naam met eerbied noemen,
Als zij neerdaalt in het graf.
En Gods goedheid altoos roemen,
Die mij zulk een moeder gaf.

Goede God! ach laat haar leven
Tot mijn voordeel, tot mijn vreugd;
Welk een droefheid zou 't mij geven,
Haar te missen in mijn jeugd.

Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778–1782)

Geschreven door Dora om 22:57 Reageer op dit bericht

guido gezelle

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

GUIDO GEZELLE

Plant
fontein
scheut die schiet
straal die spat
tempeest over alle diepten
storm over alle vlakten
wilde rozelaars waaien
stemmen van elzekoningen bloot
Diepste verte
verste diepte
bloemekelk die schokt in de kelk van bei’ mijn palmen
en lief als de madelief
Als de klaproos rood
o wilde papaver mijn

De Sikkel

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Willem G. Focquenbroch 1640-1670

Sonnet

Laas! Zal mijn onluk dan zijn wreedheid nimmer staken?
Zal dan mijn smart, dus lang gerezen in de top,
Nooit dalen? Zal mijn ramp dan nimmermeer houden op?
Maar steeds volharden in op mij zijn haat te braken?

Dus klaagde Phillis laatst, met tranen op haar kaken,
En wrong, gelijk ontzind, haar hagelwitte krop:
En rukte zo veel haar in een uur uit haar kop,
Dat m'er wel met fatsoen zes ballen van kon maken.

Vaar voort (riep zij in 't end) o nootlot al te wreed;
Ja zelfs verdubbel vrij, indien 't u lust, mijn leed;
Gij zult mij nimmer weer daartegen horen klagen.

Mijn ziel, is, om meer kwaad te lijden nu alree;
En om te proeven of ik alles kan verdragen,
Hebt gij mijn hond gedood, neem ook mijn kat vrij mee.

Tweede Deel Van Thalia, of Geurige Zang-Goddin (1668)

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Sonnet

Nog blozen mijn wangen en gloeien mijn ogen
En zweeft om mijn lippen de vrolijke lach.
Toch zijn me een voor een alle dromen ontvlogen
En weg is de hoop op een betere dag.

Nog steek ik het hoofd ongedeerd in den hoge
En scherts ik en juich ik bij vriendengelag.
En toch zag ik iedre verwachting bedrogen,
Met ieder geloof dat in ‘t binnenst mij lag.

Geen roem of geen rijkdom gold ooit mij een hemel;
Veel heb ik, helaas, op de vriendschap betrouwd,
‘t Paleis mijner toekomst op liefde gebouwd,

En ‘k wandel allenig door ‘t aardse gewemel…
Ach! baat er geen balsem ‘t verouderd gezicht,
‘t Gerimpelde hartje blanket men zo licht!

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

kus

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Kus mijn hart en kus mijn mond

Kus mijn hart en kus mijn mond
dat ik kan slapen in de grond.

Vegeet niet dat ik wacht,
vergeet niet dat ik wacht,
tot middernacht.

Keer tot mij uw aangezicht,
als ge naast mij te rusten ligt.
De nacht is lang.

Meidoorn

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

O, rust

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

O, rust van Tonbridge na 't rusteloos Londen

Aan vier Engelsche makkers,
(Mickel, Clement, Sidney en Paul.)

O, rust van Tonbridge na 't rusteloos Londen;
Hier welt het water helder, 't veld staat blauw
Van vlas, de hoge hop rankt langs zijn touw,
De wilde wingerd houdt elk huis omwonden.

En elke dag zet in één zaalge brand
De hemel en uwe hemelsblauwe ogen.
Wij dwaalden, nu verdiept, dan opgetogen,
Ik zag naar u, de hemel, 't akkerland.

En 't was uw vraag: 'Gij waart een blij bewoner
Van rijke steden en van weidse streken
Is mijn dorp schoon? Mijn land? Waar vindt men schoner?'

En 't antwoord: 'Maat: ik heb mijn weg gewend
Van land naar land, niets heeft mij meer geleken
Dan uw dorp Tonbridge en uw heuvlend Kent.'

Liederen (1917)

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

gearmd

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Gearmd

Honger, honger! lelijk woord,
Als een lege maag u hoort!
Als de tanden watertanden,
En men staat met lege handen...
Als ge op volle schaal of manden
Gretig u een blik verstout,-
Maar de maag vakantie houdt.

Doch - hoe lastig gij soms zijt,
Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,
Zullen we u graag welkom heten
Als we happig zijn gezeten
Voor een schotel lekker eten...
Grage tand de spijs vermaalt,
Zelf verdiend en zelf betaald!

Daarom roept ons blij gezang:
Lieve Honger! plaag ons lang!
Rijk en ziek zou menigmalen
(Kon het!) u met goud betalen -
Ons zult gij zo licht niet falen;
Maar verlangt gij dank en prijs,
Kom, dan (kan't!) gearmd met...spijs!

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

ontevreden

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Ontevredenen

"Het bulder vrij op 't woeste meer
Ik kijk eens buiten naar 't weer  
En ga dan thuis wat slapen "

Tollens 'Tevredenheid'



Ach! waartoe dat eeuwig klagen,
  Ontevreden, onvernoegd;
God geeft niemand meer te dragen,
Dan juist voor zijn krachten voegt.

Wangunst zie 'k elks hart verteren,
  Woekrend als een fel venijn,
Schooiers vragen mooie kleren,
  Knechten willen bazen zijn.

O, als elk maar wilde leren,
Dat de Heer geeft kracht naar kruis,
De arme zou geen goud begeren,
  Beedlaars bleven in hun kluis.

Zoekt de Zorg niet naar der rijken
  Warm en weeldrig ledikant,
Om het harde bed te ontwijken
  Van de mingegoede stand?

Zorg heeft ieder - maar op aarde
  Is 't geluk steeds weggelegd
Voor wie dankbaar wil aanvaarden,
  Wat hem God heeft toegezegd.

Ook mijzelf, naast veel verblijden
  Viel veel bittere smart ten deel,
Veel miskenning, lichaamslijden,
  Klappen in mijn financieel,

Zou ik daarom morren, klagen?
  Neen! - bestendig dank ik God
Wachtend op de beetre dagen,
  'k Zoek de lichtzij van mijn lot.

's Zomers als de bloemen bloeien
  Ga ik wandlen met mijn vrouw,
Waar de koeien vreedzaam loeien
  In de groenende landsdouw.

't Zie de noeste landman ploegen,
  Hijgend, zwetend, blij te moe,
't Vogeltje vol vergenoegen
  Kweelt de Heer een loflied toe.

Door de lachend malse beemden
  Blinkt de lieve zonneschijn,
O, wie zou 't dan niet bevreemden
  Dat er ontevreednen zijn!

Vrolijk als de visjes spartlen
  In de zilverblanke vliet,
Zie 'k mijn zeven kleintjes dartlen,
  (De allerjongste loopt nog niet).

'k Zoek dan bloempjes in de weide,
  Zelf in Gods natuur een kind,
't Ga dan met een krans verblijden
  De egâ die mijn hart bemint.

Neem, zeg ik, 't eenvoudig kleinood,
  Kroon-door menig vorst benijd,
Schoon een koning u het zijn' bood,
  Gij hebt meer: `tevredenheid!'

Deze krans zal nooit verdorren,
  Vlecht hem in uw lokken, Trui!
Kom! wij lachen met het morren
  Van die ontevreden lui!

Mengelpoëzie onder pseudoniem Cornelis Paradijs

Geschreven door Dora om 18:51 Reageer op dit bericht

rijmen

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Schouwburg-rijmen

Aº 1637
I.
(OPSCHRIFT VAN BUITEN)
De wereld is een schouwtoneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

II.
Geen kind de schouwburg lastig zij,
Tabakspijp, bierkan, snoeperij,
Noch generlei baldadigheid;
Wie anders doet, wordt uitgeleid.

III.
Toneelspel kwam in ’t licht tot leerzaam tijdverdrijf,
Het wijkt geen ander spel noch koninklijke vonden;
Het bootst de wereld na, het ketelt ziel en lijf,
Het prikkelt ze tot vreugd of slaat ons zoete wonden;
Het toont, in ’t klein begrijp, al ’s mensen ijdelheid,
Daar Demokriet om lacht en Herakliet om schreit.

IV.
(BOVEN DE SCHOORSTEENMANTEL IN DE REGENTENKAMER)
Gelukkig is het land,
Daar ’t kind zijn moêr verbrandt.

V.
(OP HET VOORSCHERM)
De Bijen storten hier het eêlste, dat zij lezen,
Om d’ oude stok te voên en ouderloze wezen.

VI.
Het zij gij speelt voor stom of spreekt,
Let altijd in wat kleed gij steekt.

VII.
Twee vaten heeft Jupijn: hij schenkt nu zuur, nu zoet,
Of matigt weelde en vreugd met druk en tegenspoed.

VIII.
Het spel heeft ook zijn tijd, wanneer ’t de tijd gehengt;
’t Vermakelijk en nut wordt hier van pas gemengd.

IX.
Verbiê de lieden het toneel,
Zo loopt er zevenmaal zoveel;
’t Verboden wil men allermeest,
En tegenstreven noopt de geest.
Wie die de ijver blussen wil,
Zie door de vingers en zwijg stil;
Want wordt gij op uw zeer geraakt,
Zo denkt: ik heb ’t er na gemaakt.

Geschreven door Dora om 12:36 Reageer op dit bericht

hond

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Wat mijn hond heeft

't Fijnste neusje heeft mijn hond,
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
Steekt het als een ijdeltuitje
In de lucht bij wind of buitje;
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
't Fijnste neusje heeft mijn hond.

Mooie ogen heeft mijn hond,
Warme ogen, trouwe ogen,
Ogen die er wezen mogen,
Nooit wat hebben voorgelogen,
Warme ogen, trouwe ogen,
Mooie ogen heeft mijn hond.

'n Gouden hartje heeft mijn hond,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
Tussenbeide kan hij vleien,
Hij kan lachen, hij kan schreien,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
'n Gouden hartje heeft mijn hond.

Kindergedichten (1914)

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

geboortestad

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Geboortestad

Is dit mijn stad? De welvaart is voorbij,
De schepen liggen rottend in de haven
En door het touwwerk vliegen zwarte raven:
Het is gedaan met vloot en visserij.
Waar is het volk van dit verlopen tij?
Men zag het vroeger langs de kaden draven,
Het is vergeten nu of reeds begraven,
Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.
Voorgoed gedaan? Vergeefs gekalefaterd?
Daar ligt een schip, waarop ‘Vertrouwen’ staat,
Ik zie een jongen, turend over 't water.
Vertrouw, mijn stad: nòg stroomt de Maas voorbij
En dit is sterker dan uw averij:
De trek naar zee, een jongensdroom voor later.

Geuzenliedboek 1940-1945

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

vliegmachine

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vliegmachine

De aarde spant zich om hem uit te stoten,
de roekeloze, die haar greep ontsprong
en zich naar hare rondste toppen wrong,
waar 't wonder hem der luchten wordt ontsloten –

Want vorsing loert in zijn gedoken sprong
en heersen ligt in zijne wil besloten;
hij proeft de kansen om zich af te stoten
aan harde lucht, waardoor zijn schroefslag zong.

Reeds houden vleugels voeling met de trans
en, ongeschonden heerser in de ruimte
drijft hij, een glimlach van onkwetsbaarheid –

Bewegend evenwicht in eindeloosheid,
metalen rustkern in gespleten ruimte,
gebeiteld mensmerk aan gespannen trans!

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

schemering

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Schemering in 't woud

                  Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
         het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
         ik voel de lome schemer stijgen -
         en stijgen, stil.

         Wat glanst het bleke Westen koud!
         een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
         doet flauw de teed're nevel blauwen
         in 't gélend woud. -

         Ik zie de bleke stervenswenk.
         Ik voel het doffe duister in mij dringen
         en verre stemmen hoor ik zingen
         al wat ik denk. -

         Waar zijt ge, Dood? - zo gij rondom
         op wieken van de schemering komt rijzen,
         nu doet uw nadering niet ijzen, -
         ik wacht u - kom!

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

kindje

Een gedicht van  Helene Swarth 1859-1941

Als 't kindje komen zal

Loom laat zij vallen 't hemdje vlinderlicht -
En dromig ziet ze, aan morgenblauwe trans,
Met wapperlokken zweven rond een krans
Van engelkopjes, blond en blank, belicht
Door lente-zon, in slepende cadans.
Op wie zal 't kindje lijken? - En 't gezicht
Houdt, blij en vroom, ze op 't wolkenspel gericht,
Waar hemelkindren dansen hemeldans.

Het duizlend kopje in 't kussen, dat haar man,
Met teedre streelhand, schoof onder 't hoofd,
Blijft stil zij turen, tot de rei vervloot.
Verwonderd, wijl zij nog niet raden kan
't Gelaat der vreugd, door liefde haar beloofd:
Haar eigen kind, nog sluimrend in haar schoot.

De Gids (1925)

Geschreven door Dora om 19:35 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten