Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

duiven

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DUIVEN

Klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de ene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze, van mijn dak mij daar.

Klap-klap-klap,
ze spelevaren,
rinkelroeiende, altemaal;
klap-klap-klap,
van harentaren,
ommenton, in énen haal.

Klap-klap-klap,
zij zijn daar weder;
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
klap-klap-klap,
ze vallen neder,
betende op mijn dak, voortaan.

Klap-klap-klap,
de veren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
boetende, in de zonne, zijn.

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

tijd

Een gedicht Michel van der Plas 1927-2013

Tijd

Tijd die verdwijnt, zomaar, uren en dagen
onachterhaalbaar, wegvallend voorgoed,
zand door mijn vingers, het niets tegemoet;
tijd van leven die ik niets meer kan vragen;

kostbare tijd, die er niets meer toe doet
zonder verwachting; tijd van nederlagen
werktuigelijk doorleefd en stom verdragen;
verloren tijd, uitgebrand, uitgewoed;

tijd die nooit meer terugkeert; tijd van hoop,
van dromen, plannen, vriend van wie weet mogen;
tijd met beloftevolle regenbogen;
rots met vanwaar opeens de waterloop
over mijn hoofd, steeds mogelijke doop;
tijd opgegeven, tranend uit mijn ogen.

Geschreven door Dora om 23:06 Reageer op dit bericht

wooningloze

Een gedicht van J. Slauerhoff  1898-1936

Wooningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

zandloper

Een kwatrijn van Constantijn Huygens 1596-1687

Zandloper

De tijden waren boos, en zijn ‘t, en zullen ‘t wezen;
‘k zie geen verandering ter wereld voor de hand.
Keer om uw tijd-gelas, het schijnt wat een nieuw wezen;
maar ‘t loopt gelijk het liep, en ‘t is al ‘tzelfde zand.

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

gewoon

Gewoon
 
Hoe gaat het?
Oh…gewoon
Ja, want ik ben gewoon
En waar ik in woon
Dat is een huis
En in dat huis is het pluis
Pas was er zomaar een muis
Maar die is gevangen
Ik was niet bange
Maar hou niet van die kleine griezels
Ze plassen en poepen overal
Dus dan maar een harde knal
De muizenvanger sloeg dicht
Dat was wel een naar gezicht
Zijn kopje hing
Maar toch handig zo´n ding!
Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

zusje

Een gedicht van Hyronymus van Alphen 1746-1803

 Ach! mijn zusjen is gestorven,
   nog maar veertien maanden oud.
‘k Zag haar dood in ’t kisje liggen:
   ach wat was mijn zusje koud!
‘k Riep haar toe: mijn lieve Mietje!
   Mietje! Mietje! maar voor niet.
Ach! haar oogjes zijn gesloten;
   schreien moet ik van verdriet.
Altoos wil ik om haar treuren,
   bloempjes strooien op haar graf:
Weenend aan de kusjes denken,
   die mij ’t lieve meisje gaf.
Morgen zal ik – maar voor mij ook
   is ’t gevaar van sterven groot.
Gistren liep zij met mij speelen;
   gistren nog! en nu – reeds dood!

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

schrijverke

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HET SCHRIJVERKE
(gyrinus natans)

O krinklende winklende waterding
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwe weg zo wel,
al zie 'k u geen oge, geen één.

Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt over 't spegelend water klaar,
en 't water niet méér en verroert
dan of het een gladdige windje waar,
dat stille over 't waterke voert.

O Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladjes of blomkes zoet,
of 't water, waarop dat ge drijft?

Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zo diep,
of is het u, schrijverken zelf?

En 't krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en 't bleef daar een stondeke staan:

"Wij schrijven," zo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en lerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;

wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
de heilige Name van God!"

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Betje Wolff-Bekker 1738-1804

Liedje

Wat is zonder min en wijn
´t fleurig, jeugdig leven?
Alles wat ons lief kan zijn
moeten zij ons geven.
Groten, wilt g´eens vrolijk zijn,
en uw zorg verjagen?
Zoete meisjes, goede wijn,
kunnen u behagen.

Helden, wie de krijg verheugt,
vragen niet naar kransen,
als zij aan de hand der vreugd,
met de meisjes dansen.
Wen w´in levens angst en pijn
naar vertroosting dorsten,
geef ons liefde, geef ons wijn!
O, dan zijn wij vorsten!

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

waarheen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

WAARHEEN, WAARHEEN? WAARTOE, WAARTOE?

Waarheen, waarheen? Waartoe, waartoe?
De witte wind holt vast vooraan.
Het is geen gaan,
maar jagen dat ik doe.

De schaduwen dansen voor mij uit,
en wil ik wel, of wil ik niet,
een ruisend lied
wordt spelende mijn buit.

De vrije wereld zwerf ik door,
door hei en wei, langs kant en kust,
en tril van lust
als ik een jager hoor.

Meidoorn

Geschreven door Dora om 16:11 Reageer op dit bericht

twist

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Twist met Grete

Hoe zo’n twist ontstaat weet niemand.
Zij weet het niet, Marguerite,
En ik ook, ik weet het niet.
Plots voel je zijn bestaan en zonder weerstand
Word je meegevoerd. Om welke reden
Zo’n twist ontstaat, kan niemand weten.

Enkel is hij daar,
Tussen mij en haar,
Als ’n metselaar,
Die plots een muur begint te bouwen
In een tuin, waar elke kleur
Van elke bloem, die zich ontvouwen
Wil, in zachte schijn van dageraad,
Een nieuwe, ongekende kleur
Verraadt.

De muur, zo opgebouwd,
Hij breekt de één-wijde verte
Van kleuren, die rillen in d’adem
Der geurende herten;
Hij is als een man die, stram en oud,
Leeft te midden van een heel fris woud.

Zo herrijst, traag maar zeker, de twist
Tussen ons beiden; niemand gist
Wat er gebeuren gaat
En bouwt verder een wal rond ‘tgeen
Hem lief is, tot de wal sterk staat
Steen op steen.
En dan zien wij die wal
Herrezen en hoe ‘t moeilik zijn zal
Hem weer omver te halen.

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

niet

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

NIET KLAGEN

Niet klagen
Maar dragen
En vragen
Om kracht.
Niet zorgen
Voor morgen
Bij vallende nacht.
  Niet beven
Voor ‘t leven
Gegeven
Van God
Maar ‘t heden
Besteden
Naar plicht en gebod.
  Niet dringen
In dingen
Door niemand bevroed.
Tevreden
Te treden
Bij ‘t licht op het pad
En de lamp voor de voet.

GEMENGDE GEDICHTEN (1892)

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

grafrozen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Grafrozen

Een schone dodendroom heb ik gedroomd:

Diep onder marmerblank en bloemgeboomt,
Sliep kalm en koel mijn moegemarteld lijf.
Toen zag mijn ziel, vanuit haar blauw verblijf,
Een meisjesgroep in klederen leliewit.
En éen maagd, blond met vliegend haar, zei dit:
- ‘Zij die daar rust gaf liedren ons, in ruil
Willen wij winden rozen rond haar zuil.’
En zingend slingerde om het marmerblank
De meisjesrei een smijd’ge rozenrank.
En de éne roos was blank als duivendons,
Als maagden-onschuld – Jonkvrouw, bid voor ons! –
Als sneeuw op aarde en vederig wolkje in ’t blauw.
En rood was de andre als ’t vlammend hart der vrouw.

Diepe wateren (1897)

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

TAAL

Buiten mijn moedertaal
en die der nachtegalen
wist ik naar diepe zin
geen klare talen
en vaak heb ik bedroefd
naar ’t wonderboek gekeken
waarin geschreven stond
wat andere landen spreken.

Toen deed de stad van leed
voor mij haar poorten open;
ze leerde mij ‘t geheim
van wanhoop en van hopen;
daar hing te spreken veel
aan ogen en aan monden
waarvoor men hier beneên
geen taal heeft uitgevonden.

Leven is hogeschool
voor nieuwe en dode talen
Die lang mag leerling zijn
in haar rumoeren zalen
die kan uit kolken roes
van juichen en van smeken
redden het ijl relaas
waarin de zielen spreken.

Schaduwen (1928)

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

verbena

Een gedicht van August Peaux 1859-1944

Een verbena

Een bloem bloeit aan de wegen
bleek in een zon van jaren her,
rood - haar laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.

Spokende zomergnomen
mengen de beker en breken het brood;
haar drenken verre dromen,
zij bloeit zo bleek, zo rood.

Geschreven door Dora om 11:42 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Herfst

En in de lucht des vochte ochtends hangen
De laatste dunne blaad'ren van het jaar,
Als in het zwarte takkennet gevangen,
Met fijne glans van kleuren naast elkaar.

Zo louterde de pracht zich van de lange
En luide lichttijd en de brede schaar
Van groengedoste bomen, tot die bange
En tere lichtkleur van het late jaar.

Die blaadren schenen mij een vreemd gezicht
Van schone zielen uit veel enge pijn
En godgelijk genot alhaast gevlucht.

Hun laatste middag komt met zomerschijn
Van gouden stralen uit de hoge lucht
En drupplen tintlend in het laatste licht.

Geschreven door Dora om 11:39 Reageer op dit bericht

visioen

Een gedicht van Jacob Winkeler Prins 1849-1907

VISIOEN

't Strand loopt onder water, langzaam onder...
Links het duin: er langs een rose rand
Rul doortrappeld, ondoorwaadbaar zand:
Rechts de zee: een altijd ruisend wonder.

En als eens Joannes, de verkonder
Jesu Christi, zie 'k een muur, een wand,
Opgebouwd door 's krijgsmans stalen hand,
Onder roff'len en kanongedonder.

Wees nabij mij, Gij, die storm gebieden
En kunt stillen, 't scherp van 't zwaard niet vreest...
Plots een licht... Wat zou die glans bedieden ?...

Over 't water wandelt weer een geest:
En ik zie de golven westwaarts vlieden,
Als voor 't oog des temmers 't wilde beest.

Geschreven door Dora om 10:20 Reageer op dit bericht

zonnezeil

Een gedicht vasn Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Onder het zonnezeil

Onder het zonnezeil, verrukt door de wind,
Zit ik gelukkig.
’t Noodlot is nukkig,
Maar er blijft niets meer dat me aan ’t leven bindt.
De vrouwen, vroeger voor eeuwig bemind,
Liet ik gelukkig
Vroegtijdig achter zonder kind.
Ik heb genoeg aan de natuur,
Altijd grootmoedig,
En aan de stille of stormende oceaan,
Eindloos voorspoedig.
Een vluchtig avontuur
Houdt me even opgetogen:
Meeuw, door een golf bewogen,
Veilig bevleugeld, toebehorend aan
’t Onmeetlijk, onuitputtelijk azuur.

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

rosa

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Rosa Luxemburg

Rosa, grootse, eedle, machtige Vrouw,
Met uw klaar verstand, uwe reine liefde
Voor de arbeidersklasse, uwe Geliefde,
Aan welke alleen gij uw leven trouw.

Gij ging zoals een hoge klare ster
De arbeidersklasse voor, uwe Geliefde,
In de strijd, - en uwe klare liefde
Lichtte voor hen uit, ver, alleen en ver.

Gij stierf. Waardoor? Door 't kapitaal vermoord,
Maar ook door de arbeiders die u verlieten,
Die u alleen met uw vijanden lieten,
En niet luisterden naar uw verre woord.
Uw liefde stierf, omdat gij werd verlaten
Door de Duitse arbeiders, die Uw liefde haatten.

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Het tederhartige kind

Zou ik niet mijn moeder eren,
Ach, wat doet ze niet voor mij?
Wat mij nut is, mag ik leren;
Ben ik vrolijk, zij is blij.

Ben ik ziek, ik hoor haar klagen;
En wanneer zij bij mij zit
Met het oog omhoog geslagen,
Dan geloof ik, dat zij bidt.

Ja, dan bidt zij, dat ik spoedig
Mag bevrijd zijn van mijn smart;
Word ik beter, hoe blijmoedig
En hoe dankbaar is haar hart.

Ik zal altoos haar beminnen,
Altoos doen wat haar behaagt.
Nimmer wil ik iets beginnen,
Daar mijn moeder over klaagt.

'k Zal haar naam met eerbied noemen,
Als zij neerdaalt in het graf.
En Gods goedheid altoos roemen,
Die mij zulk een moeder gaf.

Goede God! ach laat haar leven
Tot mijn voordeel, tot mijn vreugd;
Welk een droefheid zou 't mij geven,
Haar te missen in mijn jeugd.

Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778–1782)

Geschreven door Dora om 22:57 Reageer op dit bericht

guido gezelle

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

GUIDO GEZELLE

Plant
fontein
scheut die schiet
straal die spat
tempeest over alle diepten
storm over alle vlakten
wilde rozelaars waaien
stemmen van elzekoningen bloot
Diepste verte
verste diepte
bloemekelk die schokt in de kelk van bei’ mijn palmen
en lief als de madelief
Als de klaproos rood
o wilde papaver mijn

De Sikkel

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten