aan
Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Aan alle dichters
Uw literatuur is literatuur.
Waar is uw Lied, dat beeft van hartebloed?
Het goud wordt gelouterd in louter vuur.
En het Lied in Gods grote gloed.
aanEen gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Uw literatuur is literatuur.
Waar is uw Lied, dat beeft van hartebloed?
Het goud wordt gelouterd in louter vuur.
En het Lied in Gods grote gloed.
jongelingenEen gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786
In een kring van jongelingen,
Bij de warme haard gezeten,
Drinken wij de purpren nektar.
Gulheid lacht in aller ogen,
Ieder vult de glazen beker
Op het welzijn van zijn meisje.
En dan vullen wij de glazen
Op het welzijn aller schonen.
Allen roepen wij: het welzijn
Van de Vaderlandse Schonen! -
Nu doen wij opnieuw de nektar
In de heldre beker branden,
En nu roepen wij eenparig:
't Vaderland! . . . . de bekers klinken,
En een traantje van verrukking
Mengt zich met de druivennektar.
Niemand spreekt er, maar elk aanzicht
Draagt de duidelijkste tekens
Van een edeldenkend harte.
waarheenEen gedicht van Ren´s de Clercq 1877-1932
Waarheen, waarheen? Waartoe, waartoe?
De witte wind holt vast vooraan.
Het is geen gaan,
maar jagen dat ik doe.
De schaduwen dansen voor mij uit,
en wil ik wel, of wil ik niet,
een ruisend lied
wordt spelende mijn buit.
De vrije wereld zwerf ik door,
door hei en wei, langs kant en kust,
en tril van lust
als ik een jager hoor.
Meidoorn
staaltjesEen gedicht van Gerrit van derLinde 1808-1858
Nos poma natamus.
Zo hopen dwaze paardevijgen,
Die, daar ze in 't stinkend stalvocht staan,
In hun vermeet'le drekhoop-waan
Hun afkomst onbeschaamd verzwijgen
En zweren, dat ze uit zwemmen gaan,
Door al dat gaad'loos bluffen slaan
Tot ooger glorie nog te stijgen,
Een eretitel te verkrijgen,
En, recht men 's Landsheers bruiloft aan,
Als app'len op 't dessert te staan.
Zo waant zich vaak 't bezopen veulen
Der ezelin een jeugdig paard,
En, zo het de oren en de staart
Slechts weg kan steken of verheulen,
De hoge prijs van 't strijdros waard.
Zo laat een boer zijn nagels groeien,
En smeert zijn wenkbraauw met een kurk,
En steekt zich in een wijde jurk,
En draagt een staart, gelijk zijn koeien,
En kapt zich als een burgerwees,
En laat zich in zijn schaatsen schoeien,
En huurt, voor draak, een Leidse Kees,
Om naar 't Museum heen te roeien,
Waar hij zich aandient als Chinees.
berceuseEen gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
Wanneer de zandman nog eens komt
- maar hij komt niet meer -
zullen wij slapen gaan en dromen
van een droom
die niet gedroomd werd
Ach alle mensen slapen goed
die de deur op grendel weten
Nagelaten gedichten
verjaardagEen gedicht van Hein Boeken 1861-1933
Geen klacht om 't vlieden van de snelle jaren
Noch zelfs om 't naderen van de zwarte dood.
Zo min als, stralend goud door gouden blaêren,
De zon treurt, daar zij zinkt in 't gloeiend rood.
Slechts Éne weet, daar andren op mij staren,
Meelijdend, met mijn eenzaamheid en nood,
Slechts Éne weet wat heuchnis ik mocht garen,
Wat gouden oogst dit gouden jaar mij bood.
't Verga me als hem, die op de zwarte zee
De ganse nacht gekampt heeft met de golven,
Dan wetend 't eindlijk naderen van 't land,
Bij 't eerste licht, dat over zee-vlak gleê
De schuimpracht ziet, waaronder hij bedolven
Dra vredig aanspoelt aan 't gewenste strand.
oud liedjeEen gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930
Het licht is bleek en traag,
De dag is arm en kort.
Wat leeft beweegt zo vaag…
‘t Is of geleefd niet wordt.
Een ondoorzicht’ge hang…
Een leeftijd arm en kort…
Maar ‘t ogenbliks-leven is lang
En stilkens eindeloos wordt.
December 1900
huisEen gedicht van P.C. Boutens 1870-1943
In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt,
Zag 'k Zorg en Ouderdom en Spijt
Dansen of zij 't van buiten kenden.
De Tamboerijn, bij naam Ellende,
Gaf, hoog bevel, de stok respijt
In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt.
In huilgezangen brak de bende
Buiten muziek en maat en tijd -
Verveeld, van angst mijzelve kwijt,
Sliep 'k in, vóór het nog erger endde,
In 't huis van Smart, waar ik belandde.
Tusschenspelen
illusiesEen gedicht van Frederik Schmidt-Degener 1881-1941
De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;
en weggedwerreld is in daaglijksheid,
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.
Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.
Het binnenspel van uw verbeelding bant
de nutteloze zwaarte van ’t verstand,
in welks omkluistering gij doods moest leven.
Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
droom los u uit de dag en droom nog even
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.
----------------------------------------------
uit: 55 variaties op een bekend thema (1937)
meisjeEen gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
's Morgens op het witte laken
doet er een gelaat ontwaken -
dat ligt daar als een waterlelie
op een golf water, op de peluw.
's Middags loopt ze in het bos te schijnen,
haar ogen tussen bladen als twee kleine
vuurjuwelen, kijkend in een laan -
bladen ruisen weer dicht, ze is gegaan.
's Avonds lacht ze in een stille
kamer, zonder 't zelf te willen
wordt ze weer dromerig en lacht
minder en minder - zegt goênacht.
voetbalEen gedicht van Cahrivarius 1870-1946
O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,
Die dagelijks 't gedaas der krant verslinden,
In hartstocht, die geen smaak voor 't hogere duldt,
Dat mensen beesten maakt, en zienden blinden -
Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,
Terwijl het aan 't afzichtlijk schouwspel smult,
Als daar een horde woestaards en ontzinden
In 't schunnig schop-werk vuile vreugde vinden ...
Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,
De pees zich opbolt als een boos gezwel,
Wijl 't oog van een onheil'gen vuurgloed fonkelt ...
Ja, duizendwerf vervloekt zij 't voetbalspel,
Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld ...
Voort! vuige voetbalbende - vaar ter hel!
Ruize-rijmen (1922)
ontevredenEen gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932
"Het bulder vrij op 't woeste meer
Ik kijk eens buiten naar 't weer
En ga dan thuis wat slapen "
Tollens 'Tevredenheid'
Ach! waartoe dat eeuwig klagen,
Ontevreden, onvernoegd;
God geeft niemand meer te dragen,
Dan juist voor zijn krachten voegt.
Wangunst zie 'k elks hart verteren,
Woekrend als een fel venijn,
Schooiers vragen mooie kleren,
Knechten willen bazen zijn.
O, als elk maar wilde leren,
Dat de Heer geeft kracht naar kruis,
De arme zou geen goud begeren,
Beedlaars bleven in hun kluis.
Zoekt de Zorg niet naar der rijken
Warm en weeldrig ledikant,
Om het harde bed te ontwijken
Van de mingegoede stand?
Zorg heeft ieder - maar op aarde
Is 't geluk steeds weggelegd
Voor wie dankbaar wil aanvaarden,
Wat hem God heeft toegezegd.
Ook mijzelf, naast veel verblijden
Viel veel bittere smart ten deel,
Veel miskenning, lichaamslijden,
Klappen in mijn financieel,
Zou ik daarom morren, klagen?
Neen! - bestendig dank ik God
Wachtend op de beetre dagen,
'k Zoek de lichtzij van mijn lot.
's Zomers als de bloemen bloeien
Ga ik wandlen met mijn vrouw,
Waar de koeien vreedzaam loeien
In de groenende landsdouw.
't Zie de noeste landman ploegen,
Hijgend, zwetend, blij te moe,
't Vogeltje vol vergenoegen
Kweelt de Heer een loflied toe.
Door de lachend malse beemden
Blinkt de lieve zonneschijn,
O, wie zou 't dan niet bevreemden
Dat er ontevreednen zijn!
Vrolijk als de visjes spartlen
In de zilverblanke vliet,
Zie 'k mijn zeven kleintjes dartlen,
(De allerjongste loopt nog niet).
'k Zoek dan bloempjes in de weide,
Zelf in Gods natuur een kind,
't Ga dan met een krans verblijden
De egâ die mijn hart bemint.
Neem, zeg ik, 't eenvoudig kleinood,
Kroon-door menig vorst benijd,
Schoon een koning u het zijn' bood,
Gij hebt meer: `tevredenheid!'
Deze krans zal nooit verdorren,
Vlecht hem in uw lokken, Trui!
Kom! wij lachen met het morren
Van die ontevreden lui!
Mengelpoëzie onder pseudoniem Cornelis Paradijs
vervreemdEen gedicht van Jan Campert 1902-1943
Ik raak vervreemd van alles en van allen,
van dingen die voor mij van waarde zijn geweest,
van vrienden en van vrouwen wel het allermeest;
zij duiken weg onder de duizendtallen.
Soms komen 's avonds zij mij overvallen.
Hij zegt: ga mee naar die of die, er is een feest;
zij klaagt: waar ben je al die weken toch geweest?
Ik wacht tot ik de deur weer dicht hoor vallen.
Ik neem het boek, waarin ik zat te lezen,
maar weet de zin niet meer van wat ik las;
ik sluit mijn ogen om anders niet te wezen
als een vergeten woord, een ledig glas,
een ouder wordend man, die merkt nu pas
dat van eenzelvigheid hij niet is te genezen.
Het onontkoombaar lied (1985)
visioenEen gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907
't Strand loopt onder water, langzaam onder...
Links het duin: er langs een rose rand
Rul doortrappeld, ondoorwaadbaar zand:
Rechts de zee: een altijd ruisend wonder.
En als eens Joannes, de verkonder
Jesu Christi, zie 'k een muur, een wand,
Opgebouwd door 's krijgsmans stalen hand,
Onder roff'len en kanongedonder.
Wees nabij mij, Gij, die storm gebieden
En kunt stillen, 't scherp van 't zwaard niet vreest...
Plots een licht... Wat zou die glans bedieden ?...
Over 't water wandelt weer een geest:
En ik zie de golven westwaarts vlieden,
Als voor 't oog des temmers 't wilde beest.
late herfstEen gedicht van Hein Boeken 1861-1933
Geel is het blad, geel zijn de lichte bladeren,
Ver is de lucht, - 'k durf haast niet dat ik 't zeg -
Niet blauw, niet wit, wèl licht, - het snelle raderen
Van waagnen hoor 'k op blad-bestrooide weg.
Maar angstig is mijn hart, want in mijn aderen
Voel 'k 't leven leven, wetend dat ik weg
Eens moet, en dat ik mee-weg-dorrend leg
Onder de grond, - weg, al die lichte bladeren.
O blaadren die zo schoon zijt in uw dunheid,
Schoonst nu gij dun zijt, schoner dan de zomer,
Al-licht, dóór-licht, gans ín-schijn van de zon,
Gij sterft, de zon blijft - durf ik zo, ik dromer?
Ik die niet weet dan licht-, dan fijn-, dan dun-heid,
En dat ik loop in 't wondre licht der zon.
De Nieuwe Gids. Jaargang 8 (1893)
meisjeEen gedicht van Willem de Merode 1887-1939
Egyptische grafschildering
Zij is een nauw ontloken lotos,
Maar veel hulplozer en droever.
Zij is als een smalle boot, los
Van de nog nabije oever.
Zij is niets dan een kleine leegte
In dit boordevol heelal,
Want zij smachtte, maar verzweeg te
Zeggen, wat haar vullen zal.
Spiegelbeelden (1937-1938)
avondEen gedicht van Jacques Perk 1859- 1881
De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde,
Toen is de blonde Muze mij verschenen ...
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde.
Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen,
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't wenen:
Haar blik was eindloos-teer, toen ze op mij staarde,
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde:
'Een hoge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,
En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen.'
avondEen gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
'k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
– wie zal dit kwaad genezen? –
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was 't een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart; dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden, u,
dien avond – en – die rooze!
duivenEen gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de ene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze, van mijn dak mij daar.
Klap-klap-klap,
ze spelevaren,
rinkelroeiende, altemaal;
klap-klap-klap,
van harentaren,
ommenton, in énen haal.
Klap-klap-klap,
zij zijn daar weder;
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
klap-klap-klap,
ze vallen neder,
betende op mijn dak, voortaan.
Klap-klap-klap,
de veren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
boetende, in de zonne, zijn.
tijdEen gedicht Michel van der Plas 1927-2013
Tijd die verdwijnt, zomaar, uren en dagen
onachterhaalbaar, wegvallend voorgoed,
zand door mijn vingers, het niets tegemoet;
tijd van leven die ik niets meer kan vragen;
kostbare tijd, die er niets meer toe doet
zonder verwachting; tijd van nederlagen
werktuigelijk doorleefd en stom verdragen;
verloren tijd, uitgebrand, uitgewoed;
tijd die nooit meer terugkeert; tijd van hoop,
van dromen, plannen, vriend van wie weet mogen;
tijd met beloftevolle regenbogen;
rots met vanwaar opeens de waterloop
over mijn hoofd, steeds mogelijke doop;
tijd opgegeven, tranend uit mijn ogen.