Koning
Een lijdenslied, spreekt geheel voor zichzelf. Er is geen beeld bij want als het tot in de ziel spreekt dan is er genoeg beeld!
Gezang 13
Toegevoegd aan de Psalmberijming van 1773
KoningEen lijdenslied, spreekt geheel voor zichzelf. Er is geen beeld bij want als het tot in de ziel spreekt dan is er genoeg beeld!
Toegevoegd aan de Psalmberijming van 1773
meisje

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930
Daar was 'n meisje,
daar was 'n water,
daar was wat zonne
en groenig riet.
Dat water zong
met zilvren klater,
dat meisje zong
'n vrijerslied.
Dat meisje had
zo rode wangen
en brede heupen
dat ze had!
D'r haar dat berste
uit de spangen
en glom of 't vol
van zonne zat.
D'r ogen keken
maar in het water
daar sloeg ze 'n hempje
heen en weer:
dat was in lichtend
zongeschater
daar blonk de zonne
zich in weer.
Daar was 'n meisje
aan het water
daar was wat zonne
en groenig riet.
Het hempje flakkerde
in witte klater
waar 't meisje rode
armen liet.
Ze spoelde en ze
plensde zonne
ze pletste wit
ze plensde licht
en lichte pareltjes
waren begonnen
te rollen langs
haar blond gezicht
Daar vloog 'n mugje
daar vloog 'n vogel
daar vloog 'n bijtje
tussen 't riet
en 't hempje als
'n witte vogel
klapte als 'n witte
wiedewied.
Jonge Mei, Amsterdam.(1924)
burgerdeugd

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940
De trammen tuimlen door de lange straten;
Al 't leven buiten, en de ramen dicht;
Wat thee voor ons en de avond te verpraten.
De lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.
Inbrekers, wurgers, rovers en piraten,
En de eerste Zondvloed en het laatst Gericht -
Elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten.
O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!
Straks 't koesterende donker; morgen lopen
Wij opgefleurd te kopen of verkopen:
Tragedie blijft tragedie, klein of groot.
Genoeg vermoeienis om 's nachts te slapen;
Alle overgangen tussen lach en gapen;
En aan het eind, de Liefderijke Dood.
1928
schapen

Een gedicht van Charivarius 1870-1946
’k Zie schapen witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol
Van stu- en decadente'
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open.
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers lopen.
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre mussen,
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mens en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie.
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!
Charivari, 1913.
stadsgezichten

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940
Open de vensters
wijd op de dag,
het leven trilt
het leven gilt
en 't zonlicht lilt
waar schietende schaduw stuk slaat!
De straat
is wild van rumoer en van haat,
haat die als liefde groot is,
zij stroomt en snelt
vol donker geweld,
ieder mens wordt een held
die strijdt om 't doel dat brood is!
Open de vensters en luiken,
ik wil de lucht
de zwoel bezwangerde lucht wil ik ruiken
waarin het leven hijgt
en duizenden stemmen zoemen;
microben zijn bloemen
die bloeien in millioenen
microben zijn de zoenen
van de donkere lichtende wereldstad!
De vensters, de luiken open,
wijd op de straat,
o, dat het leven opslaat
tegen het bloedloos gelaat,
tegen mijn lege ogen!
'k Wil zien de jagende, vluchtende mensen, tussen
de auto's en bussen
die snorrend en dreunend jagen
en levende drommen dragen
in hun glanzende vierkante buiken.
Open de vensters wijd
op het leven!
Het leven is meer dan vizioen
van koortsende droom .... 0 één doen,
één strijd
voor het begeven!
Parijsche verzen (1923)
melissa

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920
Dat nu dit ene zacht-herlezen woord
Zo diep mijn zwijgend mijmren kon ontroeren
En tot die traag-vervaagde erinnring voeren
Als had mijn luisteren haar naam gehoord.
Dat was geluk: door angst noch lust gestoord
Schreden wij over winters sneeuwen vloeren
En spraken samen in een zoet vervoeren
Van wat ons in dit leven had bekoord.
Het was maar kort en 't lijkt een vreemde droom
Waarin zij tot mij kwam en tot mijn peinzen
Gelijk een bij naar hoven vol aroom.
En sinds: ik vond niet wat ik zo behoef,
En zo mijn woorden luid soms blijheid veinzen,
Mijn ziel is stil en vol verlangst en droef.
kolenkar

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930
Door de zwarte stad
rijdt de zwarte kar
met de hooggeladen kolen,
de kolen zijn zwart
de zakken zijn zwart
de kar is eronder verscholen.
De twee grote paarden
gepeesd en gespierd
zwaar gevleesd
op de ronddikke poten:
zij schokken, zij nijgen
de koppen ter aard,
de zwetende koppen
grauw-manen omzwierd.
Zij trekken de wagen
zij trekken de kar
twee kerels! twee
werkvrome beesten:
hun vellen die glanzen
als zonzonnend git
om ronkende dampende leesten.
Zij trekken de wagen
zij trekken de kar
de moeren, de snoeren
die kraken.
zij hebben de kracht
van een veel-getal
in de klemmende kwijlende kaken.
Huup! Huup!
laat je zweten
maar dampen,
laat je trekkende poten
pilaren zijn,
en krimp je en rek je
in 's voerders lijn,
de keienweg dreunt
van je stampen!
Twee grote paarden
als kolen zwart
twee grote sterke beesten,
de benen straf recht
de koppen vooruit!
en dampend de glanzende leesten.
Jonge Mei, Amsterdam.(1924)
wonder

Een gedicht van Helen Swart 1859-1941
'k Stond over 't wonder van uw zijn gebogen,
Kind, ziel gevangen in onze aardecel.
En duizlend tuurde ik, als in diep een wel,
In 't grondeloos mysterie van uw ogen.
- ‘Daalt ge uit de Hemel in de levenshel?
O gave een god uw mondje 't groots vermogen
't Onthullen ál wat wij te raden pogen,
Eer gij 't verleên vergeet voor kinderspel!
En móet gij zwijgen, moogt gij niets verraden
Van 't vorig leven? Boet gij boze daden
In eeuwen-kringloop van geboorte en dood?’
Maar 't kind bleef ernstig mij in de ogen staren.
En 't leek mij oud, of 't leefde al duizend jaren,
Wijl 't rond mijn vinger 't weke handje sloot.
Kinderen (1924)
aan

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920
Velen die 'k noodde in mijner dromen woon
En die er 's levens wondre beelden zagen
Hoorde ik elkander met verwondring vragen:
"Hij roemde zo, is dit dan al zijn schoon?"
En andren lachten luid: "Hoe ongewoon!
Hoe vreemd, hoe dwaas: hoe kan hem dat behagen!"
En keerden weer naar de eigen grijze dagen.
Doch geen van hen gaf mij 't verwachte loon.
En 'k schreidde zacht wijl sinds wij beiden scheidden
Geen warme hand mij leidde bij mijn dwalen,
Mij die alleen zo droef ben en zo zwak.
Maar toen de luchters weer hun schijnen spreidden
Trad ik stil met herinnring door mijn zalen,
En 't was me als hoorde ik weer uw stem die sprak.
Ontmoetingen (1917)
koreaan

Een gedicht van Jan Jacob Saluerhoff 1898-1936
Hoofddeksel met dubbele bodem:
Een kalot in een doorzichtige punthoed,
De tussenruimte vormt een kleine vliegenkast.
Uit het wit gewaad rijst een ingevallen gelaat
Waaruit, boven een spichtige baard,
Een dunne pijp die tabak voor drie trekken bevat
Op de borst hangt.
De blik is verwonderd en berustend, van een
Waardig onderdrukt ras.
Oost-Azië (1928)
kameraden

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930
Ik zit aan mijn tafel in de werkersbuurt
de lucht is grauw, het licht is stil, dood-grijs:
wat kinders en een orgel klagen droeve wijs
omhoog, 't is of de dag al eeuwigheden duurt.
Ik zit aan mijn tafel, rondom mij zijn stil
drie schamele gestalten zwijgend neergezeten,
zij zijn mijn kameraden lang reeds, en zij weten
dat 'k vrij hen bij mij duld, niet angstig voor hen ril.
Links van mij zit de zorg, de maagre handen in het vale haar
de ogen brandend en van bloedstralen doorlopen,
de lippen dichtgeklemd en heel 't gelaat bekropen
van 't grauwe baardhaar: leent op zijn armenpaar.
Rechts van mij zit de ziekte, een vale jongeling,
het bleke vel op uitgeteerde kaken,
ogen die even nog, als doffe sintels blaken,
het hoofd op maagre borst, in doffe mijmering.
en over mij leent zacht en zonder spreken
mijn dode lief, en lacht mij troostend toe:
haar mond is slap, haar ogen schijnen moe
haar haar is war, haar wangen zijn zo bleke.
Zo zitten wij en wachten, vier stille kameraden
mijn lief kijkt mij zo troostend, zo lieflijk in 't gezicht:
de avondschemer grauwt en legt zich dicht
rondom ons, als donkre grauwe dodenwaden.
Immortellen, Bussum.(1912)
donderwolken

Een hartenkreet van Vos Andrea
Waarom donderwolken laten verschijnen ?
met diepe onherstelbare breuklijnen.
Zwaar beladen met negatieve energie,
je geraakt moeilijk uit die nachtmerrie.
De ene wolk na de andere schuift aan,
het kan plots heel snel, héél mis gaan,
oncontroleerbaar onvoorziene krachten,
nemen je over in jouw troebele gedachten.
Alles vervaagd, wat ooit zo mooi was,
van engelengezang tot miskenbare Judas,
standvastig verlies je alles om je heen,
als jij gooit, die pijnlijke dondersteen.
Herinner jou weer, aan vervlogen tijden,
dat liefde jouw hart voelde binnenglijden,
gelukkig zijn, met al jouw zorgen terecht,
weet dan, waarvoor je eindeloos vecht.
Een lief woord, een simpel zacht gebaar,
laat de zon eeuwig schijnen voor elkaar,
liefde een mooi machtig krachtig iets,
wees er zuinig op, zonder is men niets.
(Waar liefde is, gooi er nooit stenen naar..)
minnen

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943
Minnen is beter dan bemind te worden,
Oneindiger en eeuwger als de grote
Hemelen die de duistere besloten
Tuin dezer aarde in hunnen luister gorden -
Als ooit mijn hart tegen uw gulden orden
Opstond en kreet zich uw enig verstoten
Kind onder al zijn zalige genoten,
Liefde, vergeef, als ooit mijn lippen morden...
Nu drijft de droom door ’t waterhelle land
Zijn bloemen en zijn zonneschaûw te vieren;
En boven sluit de blinde dagewand;
Maar veilig voel ik over mij uw pracht,
Vertrouwd uit lange huiverstille nacht:
De sterren uwer hemelse revieren.
Sonnetten
gevangene

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1935
Laatst toegevoegde gedicht (nr. 3.243):
De gevangene
Gij moet niet wachten tot ik kom.
Ik ben gekerkerd en geboeid.
Maar vensters heb ik om en om
En zie hoe alles groeit en bloeit.
Ik zag uw opvlucht uit de stroom
En naar de bergen op de kim:
Uw licht lag als een sluierzoom
Op 't pad dat ik met ogen klim.
Toen rees een grote en rode maan
En bloesems blonken in haar glans.
Ik heb lang aan een raam gestaan
En warm geluk vulde mij gans.
Gij moet niet komen als ik roep:
Ik spreek soms luid voor mij alleen.
Mijn denken draagt mij als een sloep:
Gij staat aan de oever op een steen.
En reikt me uw hand, maar als ik grijp
Werpt mij een plotselinge schok
Terug en in mijn handen nijp
Ik staaf of tralie van mijn hok.
Maar mijn geluk is even groot,
Het is de wereld die ik weet,
Die buiten me en die 'k in mij sloot: -
Eén wereld - die ik de uwe heet.
Ik zeg u nu mijn diepst geheim:
Het schijnt dat ik gevangen ben,
Maar ik ben zelf 't ommuurde heim
Dat alles insluit wat ik ken.
Oorspronkelijk dichtwerk
dichtje

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1890
Daar liep een dichtje in mijn gebed,
en 'k wilde 't aan de kant gezet,
maar, niet te doen, het wilde en 't zou
mij plagen, als ik bidden wou!
En nu is mijn gebed gedaan,
en 't dichtje is 'k weet niet waar gegaan:
vergeefs gezocht, vergeefs, o wee,
'k en vinde noch rijm noch dichtje meer!
1860
gewetenEen gedicht van Ton Rijkers, toepasselijk voor de lijdenstijd! Wanneer raak ik dat sprekende geweten aan die Ander kwijt! Of heb ik mijn geweten dichtgesloten?
Zwijg nu eindelijk eens, geweten
ik heb reeds lang je stem gehoord
Ik wil wat mij gebeurde, vergeten
doch je verwijt komt ongestoord
Zwijg nu toch eens naar geweten
waarom verwijt je bestendig door
Mag ik dan niet de daad vergeten
is ‘t daarom dat ik je almaar hoor
Zwijg nu tenslotte toch, geweten
ik heb haar vergiffenis gevraagd
Mijn innerlijk is totaal gespleten
omdat jij steevast aan mij knaagt
Zwijg nu eindelijk eens, geweten
wat er verkeerd ging, weet ik wel
Ik wil al dat er voorviel, vergeten
doch jij leidt mij steeds in de hel
volksleider

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938
Gij zijt een bruut en absoluut genieter
Van 't heerlijk Leven, waar het zich maar aanbood,
Maar zoudt gij even willen worden schaamrood
Omdat gij zijt bruut, absoluut verniet'ger
Van al het echte dat naar u zich saamgooit
Tot één groot mens-zijn, niet om te verdriet'gen
Uw zwak, klein zelf, maar om u te verniet'gen
U, mens, die waart voor elk echt mens een aanstoot.
Aanstootje afschuwlijk, die uw klein ikje aanhangt
Als één verniet'gend doemen van u zelven.
O gij die zijt een ijdeltuit afgrijslijk,
Gij gaat u zelf een gruwbre afgrond delven,
Daar 't groot Hollands volk niets meer voor u aanvangt
Dan dat het vindt uw houdinkjes vrij prijslijk.
Verzen (1894)
kwartierDit gedicht is voor mij van een onbekende dichter wel mooi beschreven daarom zet ik het hier neer!
Toen viel een gat in mijn droom
En een koele klok sloeg het kwartier
Door de zwijgende nakende nacht,
En ik voelde mijn ogen wijd open -
Die zagen stil
In de nacht.
Maar ik lag in een doodstille kuil
En ik keek in het donker heelal,
Verwonderd en wakker, naar het geluid
Van het eenzame koele kwartier -
Dat al zweeg
In de nacht.
En toen op eens, dwars door het duister,
Zag ik het werklijke leven
En voelde ik duidlijk de tijd -
Die spoelde voorbij - en vervloot -
Met mijn jeugd - met mijn jeugd -
In de nacht!
Uit stilte en strijd (1928)
verhaal

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942
Zie hier een schoon verhaal uit verre tijden,
De burchtvrouw toevend op de hoge tin,
Van dag tot dag in ademloos verbeiden
Van hem, die zij bemint met welk een min.
Zij ziet de Rijn, de bergen dalwaarts glijden,
Zij speurt het Oosten af met vrome zin,
En eind'lijk, plots zij houdt de adem in,
Wie is de ridder die ginds aan komt rijden?
Keert hij thans weder uit het Heilig Land?
Zij tuurt en tuurt, dan wuift ten groet zijn hand
En daalt zij schielijk, ijlings van omhoog.
En als zij straks elkander weer omarmen,
Uitzinnig schier van vreugd, breekt plots haar oog
En sterft zij, gans verzadigd, in zijn armen.
Verzen (1936)
tranen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941
Van ál de tranen, die mijn wanhoop schreide,
Zijn de allerdroefste voor mijzelve niet,
Doch voor uw ziel, die gij zo laf misleidde,
Uw arme ziel, die gij zo vals verried.
Gelijk een lam, dat, in een wilgenweide,
Tevreden graast, tot lokt een fluitelied
Van herders vijand naar de zompe-zijde
En 't lam zinkt weg, verraden door het riet; -
Zo liet ge uw ziel door de eigen lust verlokken
Uit liefdes weide, waar 't zo veilig was.
Dede' u de wilgen van mijn weemoed wrokken,
Vol teedre bloemen geurde er 't welig gras.
En zoetjes droeg, wen luidden de avondklokken,
Haar wel de herder vér van 't zwart moeras.