Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

geweten

Een gedicht van Ton Rijkers, toepasselijk voor de lijdenstijd! Wanneer raak ik dat sprekende geweten aan die Ander kwijt! Of heb ik mijn geweten dichtgesloten?

KNAGEND GEWETEN

Zwijg nu eindelijk eens, geweten
ik heb reeds lang je stem gehoord
Ik wil wat mij gebeurde, vergeten
doch je verwijt komt ongestoord

Zwijg nu toch eens naar geweten
waarom verwijt je bestendig door
Mag ik dan niet de daad vergeten
is ‘t daarom dat ik je almaar hoor

Zwijg nu tenslotte toch, geweten
ik heb haar vergiffenis gevraagd
Mijn innerlijk is totaal gespleten
omdat jij steevast aan mij knaagt

Zwijg nu eindelijk eens, geweten
wat er verkeerd ging, weet ik wel
Ik wil al dat er voorviel, vergeten
doch jij leidt mij steeds in de hel


Geschreven door Dora om 10:18 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

volksleider

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Aan een pseudo-volksleider

Gij zijt een bruut en absoluut genieter
Van 't heerlijk Leven, waar het zich maar aanbood,
Maar zoudt gij even willen worden schaamrood
Omdat gij zijt bruut, absoluut verniet'ger

Van al het echte dat naar u zich saamgooit
Tot één groot mens-zijn, niet om te verdriet'gen
Uw zwak, klein zelf, maar om u te verniet'gen
U, mens, die waart voor elk echt mens een aanstoot.

Aanstootje afschuwlijk, die uw klein ikje aanhangt
Als één verniet'gend doemen van u zelven.
O gij die zijt een ijdeltuit afgrijslijk,

Gij gaat u zelf een gruwbre afgrond delven,
Daar 't groot Hollands volk niets meer voor u aanvangt
Dan dat het vindt uw houdinkjes vrij prijslijk.

Verzen (1894)

Geschreven door Dora om 11:07 Reageer op dit bericht

kwartier

Dit gedicht is voor mij van een onbekende dichter wel mooi beschreven daarom zet ik het hier neer!

Het kwartier

Toen viel een gat in mijn droom
En een koele klok sloeg het kwartier
Door de zwijgende nakende nacht,
En ik voelde mijn ogen wijd open -
Die zagen stil
In de nacht.

Maar ik lag in een doodstille kuil
En ik keek in het donker heelal,
Verwonderd en wakker, naar het geluid
Van het eenzame koele kwartier -
Dat al zweeg
In de nacht.


En toen op eens, dwars door het duister,
Zag ik het werklijke leven
En voelde ik duidlijk de tijd -
Die spoelde voorbij - en vervloot -
Met mijn jeugd - met mijn jeugd -
In de nacht!

Uit stilte en strijd (1928)

Geschreven door Dora om 10:08 Reageer op dit bericht

verhaal

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

Zie hier een schoon verhaal

Zie hier een schoon verhaal uit verre tijden,
De burchtvrouw toevend op de hoge tin,
Van dag tot dag in ademloos verbeiden
Van hem, die zij bemint met welk een min.

Zij ziet de Rijn, de bergen dalwaarts glijden,
Zij speurt het Oosten af met vrome zin,
En eind'lijk, plots zij houdt de adem in,
Wie is de ridder die ginds aan komt rijden?

Keert hij thans weder uit het Heilig Land?
Zij tuurt en tuurt, dan wuift ten groet zijn hand
En daalt zij schielijk, ijlings van omhoog.

En als zij straks elkander weer omarmen,
Uitzinnig schier van vreugd, breekt plots haar oog
En sterft zij, gans verzadigd, in zijn armen.

Verzen (1936)

Geschreven door Dora om 10:27 Reageer op dit bericht

tranen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Van ál de tranen, die mijn wanhoop schreide

Van ál de tranen, die mijn wanhoop schreide,
Zijn de allerdroefste voor mijzelve niet,
Doch voor uw ziel, die gij zo laf misleidde,
Uw arme ziel, die gij zo vals verried.

Gelijk een lam, dat, in een wilgenweide,
Tevreden graast, tot lokt een fluitelied
Van herders vijand naar de zompe-zijde
En 't lam zinkt weg, verraden door het riet; -

Zo liet ge uw ziel door de eigen lust verlokken
Uit liefdes weide, waar 't zo veilig was.
Dede' u de wilgen van mijn weemoed wrokken,
Vol teedre bloemen geurde er 't welig gras.
En zoetjes droeg, wen luidden de avondklokken,
Haar wel de herder vér van 't zwart moeras.

Geschreven door Dora om 13:36 Reageer op dit bericht

avondhemel

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Zacht kijkt de avondhemel heen

Zacht kijkt de avondhemel heen
door 't broze loof der sparren.
Aan 't avondlichte blauw staat één
reeds van de gouden starren.

Ik ga in 't kleine sparrenwoud
zo vrij denkend te lopen,
dat 't is of mijn gevoel door 't hout
zich op de grond spreidt open.

Liedjes

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

ziekte

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Ziekte

Wanneer men ziek te bed ligt en de nacht
In slaaploze uren wegglijdt zonder dromen,
Als van de dagen die men heeft verwacht
Men zeker weet dat nimmer één zal komen,

Luistert men rustig naar 't geruis der bomen
En naar de regen. En de sombre klacht
Die door het duister vaart is welgekomen:
Men weet zich eenzaam, alles lijkt volbracht.

Zó is het best, zó hoeft de strenge dood
Met zachte waan ons niet meer te overreden.
Men ziet in hem de laatste bondgenoot,

De ultieme vriend, die onz' vermoeide leden
In vage droom, bij 't kille morgenrood,
Voert naar een oord (men zegt: een oord!) van vrede.



1933

Geschreven door Dora om 11:04 Reageer op dit bericht

stil

Een gedicht van Salomon Bon 1881-1930

IK LIG ZO STIL

Ik lig zo stil aan u als kind aan moeder,
mijn dode levend lief, en hoor hoe zacht
het kloppen tikkert van uw zachte hart
en 't bloed hoor 'k ruisen als water zoetkens doet er.

De sterren bloeien langs haar zilvren baan
en blinken met het licht van duizend glanzende ogen,
de heemlen om hen, als heerlijk hoge togen
van blauw-zwart marmer welvend staan.

Daar is geen lichten en daar is geen vrede
dat ik mij denken kan, lief, zonder u
de uren, dagen, weken, weven om u nu,

en als zij uw niet zijn, zoek ik haar reden.
Mag zo mijn leven bij uw hart vergaan:
mag 'k in uw ogen 't laatste licht zien staan.

Zangen van hoop

Geschreven door Dora om 12:42 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De lente-ik sta midden in haar-

De lente - ik sta midden in haar -
o daar komt ze, daar, daar,
daar vliegt ze op me aan, ze zoent me
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen woord voor woord -
o en daar vliegt ze voort
de honnige, fladderende lente
naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente
de zomerige lente.
Kijk nu ze strooit de zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar benen
zo donslicht-omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht,
en daar midden in haar gezicht,
zie je het wel, zie je het wel,
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we 't toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij mij weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve ogenbegeer.
O ze valt op mijn borst
haar mond midden in de dorst
van mijn mond, haar rode zachte weeke punttong,
't is of ze helemaal in me drong.

Verzen (1890)

Geschreven door Dora om 11:47 Reageer op dit bericht

parel

Een gedicht van Jan prins 1876-1948

De Parel

De wereld, zoals onze geest die kent
ligt in de schoot van toekomst en verleden
het onvergankelijke toegewend,
dat zich voltrekt in haar verganklijkheden.

Al wat zij voortbrengt heeft zich opgericht
vanuit een aanvang, in zichzelf gevonden,
en breidt zich uit en bloeit onder het licht, -
en gaat dan in zichzelve weer te gronde.

Maar over de gerustheid uwer ogen
liggen de schalen, rond en zwaar, gebogen
van 't losse haar, dat om de slapen vlucht. -
Een gave parel schemert aan uw hals.

't Oneindige dat ons vervult is als
het even licht zijn nog van de avondlucht.

Verschijningen

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

knaapje

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Het knaapje in het bos

Het knaapje had gelopen
De ganse dag in 't bos;
De slaap heeft hem bekropen
Daar op het groene mos.

Toen daalden uit de bomen
De eekhorens naar beneên;
De hazen zijn gekomen
En dansten om hem heen;

De dartle reetjes speelden
Om hem in struik en riet;
De lieve vogels kweelden
Hun allerzoetste lied.

Maar niemand stoorde 't knaapje
En niemand deed hem leed,
Tot hij, verkwikt door 't slaapje,
Weer de ogen open deed.

Toen zijn ze op eens verdwenen
In 't allerdichtste geboomt;
En 't heeft de knaap geschenen,
Dat hij 't al had gedroomd.

Prettige tijdkorting (1857)

Geschreven door Dora om 10:55 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

MEEUWEN

Gij koninklijk gediert,
dat met uw rode poten
en hermelijnen mantel zwiert
en vaart onder de zon.

Hoe blinkt uw dons, als sneeuw
zo fijn,

hoe is de glans op 't
hermelijn
als van de zonne zelf.

Gij vaart en scheert
onder blauw 't gewelf
en laat de zachte winden gaan,
en doet de blanke vleugels staan
als blaren van 'n bloeme.

Lijk corpulente vrouwtjes gaat
g' op ijsvloer wiegend, wiegend maat,
en oogt al naar uw heertjes
en naar hun bonte veertjes.

De zonne zegent uw gezicht,
de wind wiegt u te dansen:
op 't water, boomen, kaden al!
zie ik u met uw duizendtal
als witte bloemen kransen.

Gij bloemen van de wintertijd,
gij lopers op het water,
'k vergeet der Noorderwind gebijt door uw zangend gesnater.

En 'k zing, m'n meeuwkens,
maatjes zacht,
om de schone vederkens
van u,
om 't zonneke
dat lacht.

Immortellen

Geschreven door Dora om 19:41 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

LEVEN

Mevr. Dr jur. heeft prachtig verdedigd
de éen-kilo-brood-dief
zijn gezin
en bedenkt 7 (zeven) arme kinderen
vader
een korst brood
de rechters hebben gesnikt Het was een sterk stuk

In de avondkoelte wandelt Mevr. Dr jur.
Lützowplatz
en zet zich op een bank
juist tegenover de kont van de zeegod
Verdiende rust

0 Wonne

Geschreven door Dora om 19:02 Reageer op dit bericht

een verdoolde

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Een verdoolde

Nu is zij dood —
ze was van mij,
ze leefde jaren aan mijn zij
en kende nauwelijks mijn taal;
haar leven was een vreemd verhaal.
Zij kwam een avond met een lach
en bleef ook na de eerste dag;
zij is mij met een lach verschenen,
na vele tranen ging zij henen;
ik gaf haar meer dan kleed en brood...
Nu is zij dood!

Nu is zij dood —
haar kleine hart
kan niet meer zeggen wat het mart,
en beide ogen zijn gedoofd;
'k heb in hun gloed heel lang geloofd;
haar lippen zijn van klank ontdaan,
nu zij voor goed is heen gegaan.
Zo sluipend stil is zij verdwenen;
zij ging voor altijd van mij henen
het leven in, dat flonk'ring bood .. .
Nu is zij dood!

Parijsche verzen (1923)

 

Geschreven door Dora om 10:36 Reageer op dit bericht

het werk

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

HET WERK

Bij dag buig ik gewillig en strijk loon
mijn zwarte hand gedurig in zijn arbeid,
mijn zwarte kop nijgt onder 's meesters hoon
en krimpt; en lacht; en doet naar hem gezeid.

Maar 's avonds op mijn kamer in 't gouden lampelicht
maak ik gedichten zangerig en zacht
en zie niet, dat terwijl heel knokerig en spicht
op hoeken van mijn tafel een wezenke veil lacht.

Het grijze baardje valt op 't borstje, zwart,
zwarte kooloogjes glinstren goud in 't licht,
witte tandrijen blik'ren blank en hard
de grauwe handjes liggen mager, roerloos, dicht.

Zij spotten zo met spotlichtende ogen:
de Dwaasheid links en rechts de armoe lacht:
en ik blijf naarstig over 't blad gebogen
en maak gedichten zangerig en zacht.

Zangen van hoop, Amsterdam(1919)

 

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

als

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Als heemlen blauw en heuvlen groen

Als heemlen blauw en heuvlen groen
en de aarde spruit uit pracht van bomen,
dan voel ik met zijn wilde zoen
de sterke zomer komen.

Dan staat mijn liefste voor de heg,
hoort blijde slag en tierelieren,
en al wat winters gooit ze weg
in lucht van eglantieren.

Om scherpe torens waait de wind,
vol hoog verlangen, wonder hopen.
Schouw op, mijn heerlijk zomerkind:
de grote zon bloeit open.

Meidoorn (1925)

Geschreven door Dora om 13:08 Reageer op dit bericht

poes

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De poes springt met haar stille sprong

De poes springt met haar stille sprong
En nestelt zich weer op mijn schoot,
Zij lijkt, een rasp gelijkt haat tong,
Ons beider gein is even groot.

Haar vacht is zacht gelijk fluweel,
Haar ogen glanzen in het donker,
En als zij spint, stijgt uit haar keel
Een vreemd gerucht, als van een ronker.

Zij spint de muzikale draden
Van een geheim, dat niemand kent,
Dat geen mens ooit vermocht te raden,
Dat eeuwig blijve, onbekend.

O diertje zoet, dat ik vergood,
Gelijk zovele dichters deden,
Ge bergt in uw geheime schoot,
Gelijk de sfinx, uw eigen reden.

 

Geschreven door Dora om 14:58 Reageer op dit bericht

wiegeliedje

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Wiegeliedje

Al wat mijn liefje doet
Luidt als een liedje zoet.
- Slaap, kindje, slaap! -
Over de marmertrap
Zingen zijn stapjes rap,
Zingen van trappeltrap.
- Slaap, kindje, slaap!

Maar als mijn knaapje rust,
Vredig in slaap gekust,
- Droom, kindje, droom! -
Vedelt een melodie,
Zingt er ik weet niet wie,
Ziel die 'k in nevel zie.
- Droom, kindje, droom! -

Woelt zich mijn blondje bloot,
Bloeit er zijn mondje rood,
- Slaap, kindje, slaap! -
Engelen komen zacht,
Zingen van zomernacht,
Zo dat mijn dromer lacht.
- Slaap, kindje, slaap!

Zilver in zilvermaan,
Zingend de wilgen staan,
- Droom, kindje, droom! -
't Ruisende molenrad
Sprankelt de rozen nat,
De aarde is in dromenbad.
- Droom, kindje, droom!

Moederverzen (1909)

Geschreven door Dora om 17:02 Reageer op dit bericht

ritje

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

RITJE

Het paardje reed zo klinkend
met hoeven tinkellinkend
al op de klinkerdijk.

Zij droegen róse hoedjes
op roodgeverfde snoetjes
en voeren langs de dijk.

De sleepman had een zweepje, slap,
en zweepte 'hurt' bij elke stap
van 't paardje op de dijk.

Zij hadden gouden zon gehuurd,
en 't tuigje was zo blank geschuurd
dat voerde over de dijk.

en blanke bloempjes aan de kant
die keken in de vigilant
wie voer over de dijk.

Zo menig vent en jonggezel
die werd wat raar aan zijn gestel
bij 't langs-gaan op de dijk.

Door die guitig rode snoetjes
onder die róse hoedjes;
die meisjes, langs de dijk.

Een bonte vlucht, Bussum.(1911)

Geschreven door Dora om 12:03 Reageer op dit bericht

de avond

Een gedicht van Salomon Bonn 1891-1930

DE AVOND

De avond verfde rood de zee
en zwart de wijde hemel,
een late vogel scherend glee
langs 't koperrood gewemel.

Een vreemde stem gromde van ver
en neurde zwarte klachten,
en uit der wolken zwarte vachten
glansde een bleke verre ster.

Je adem zoemde in mijn oor
en zong er wijzen, zacht,
de zee weedroef neurde erdoor,-
...heel donker kwam de nacht.

Wat zang en melody, Mij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam.(1910)

Geschreven door Dora om 16:58 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten