Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

de lente

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De lente-ik sta midden in haar-

De lente - ik sta midden in haar -
o daar komt ze, daar, daar,
daar vliegt ze op me aan, ze zoent me
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen woord voor woord -
o en daar vliegt ze voort
de honnige, fladderende lente
naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente
de zomerige lente.
Kijk nu ze strooit de zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar benen
zo donslicht-omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht,
en daar midden in haar gezicht,
zie je het wel, zie je het wel,
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we 't toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij mij weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve ogenbegeer.
O ze valt op mijn borst
haar mond midden in de dorst
van mijn mond, haar rode zachte weeke punttong,
't is of ze helemaal in me drong.

Verzen (1890)

Geschreven door Dora om 11:47 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

parel

Een gedicht van Jan prins 1876-1948

De Parel

De wereld, zoals onze geest die kent
ligt in de schoot van toekomst en verleden
het onvergankelijke toegewend,
dat zich voltrekt in haar verganklijkheden.

Al wat zij voortbrengt heeft zich opgericht
vanuit een aanvang, in zichzelf gevonden,
en breidt zich uit en bloeit onder het licht, -
en gaat dan in zichzelve weer te gronde.

Maar over de gerustheid uwer ogen
liggen de schalen, rond en zwaar, gebogen
van 't losse haar, dat om de slapen vlucht. -
Een gave parel schemert aan uw hals.

't Oneindige dat ons vervult is als
het even licht zijn nog van de avondlucht.

Verschijningen

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

knaapje

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Het knaapje in het bos

Het knaapje had gelopen
De ganse dag in 't bos;
De slaap heeft hem bekropen
Daar op het groene mos.

Toen daalden uit de bomen
De eekhorens naar beneên;
De hazen zijn gekomen
En dansten om hem heen;

De dartle reetjes speelden
Om hem in struik en riet;
De lieve vogels kweelden
Hun allerzoetste lied.

Maar niemand stoorde 't knaapje
En niemand deed hem leed,
Tot hij, verkwikt door 't slaapje,
Weer de ogen open deed.

Toen zijn ze op eens verdwenen
In 't allerdichtste geboomt;
En 't heeft de knaap geschenen,
Dat hij 't al had gedroomd.

Prettige tijdkorting (1857)

Geschreven door Dora om 10:55 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

MEEUWEN

Gij koninklijk gediert,
dat met uw rode poten
en hermelijnen mantel zwiert
en vaart onder de zon.

Hoe blinkt uw dons, als sneeuw
zo fijn,

hoe is de glans op 't
hermelijn
als van de zonne zelf.

Gij vaart en scheert
onder blauw 't gewelf
en laat de zachte winden gaan,
en doet de blanke vleugels staan
als blaren van 'n bloeme.

Lijk corpulente vrouwtjes gaat
g' op ijsvloer wiegend, wiegend maat,
en oogt al naar uw heertjes
en naar hun bonte veertjes.

De zonne zegent uw gezicht,
de wind wiegt u te dansen:
op 't water, boomen, kaden al!
zie ik u met uw duizendtal
als witte bloemen kransen.

Gij bloemen van de wintertijd,
gij lopers op het water,
'k vergeet der Noorderwind gebijt door uw zangend gesnater.

En 'k zing, m'n meeuwkens,
maatjes zacht,
om de schone vederkens
van u,
om 't zonneke
dat lacht.

Immortellen

Geschreven door Dora om 19:41 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

LEVEN

Mevr. Dr jur. heeft prachtig verdedigd
de éen-kilo-brood-dief
zijn gezin
en bedenkt 7 (zeven) arme kinderen
vader
een korst brood
de rechters hebben gesnikt Het was een sterk stuk

In de avondkoelte wandelt Mevr. Dr jur.
Lützowplatz
en zet zich op een bank
juist tegenover de kont van de zeegod
Verdiende rust

0 Wonne

Geschreven door Dora om 19:02 Reageer op dit bericht

een verdoolde

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Een verdoolde

Nu is zij dood —
ze was van mij,
ze leefde jaren aan mijn zij
en kende nauwelijks mijn taal;
haar leven was een vreemd verhaal.
Zij kwam een avond met een lach
en bleef ook na de eerste dag;
zij is mij met een lach verschenen,
na vele tranen ging zij henen;
ik gaf haar meer dan kleed en brood...
Nu is zij dood!

Nu is zij dood —
haar kleine hart
kan niet meer zeggen wat het mart,
en beide ogen zijn gedoofd;
'k heb in hun gloed heel lang geloofd;
haar lippen zijn van klank ontdaan,
nu zij voor goed is heen gegaan.
Zo sluipend stil is zij verdwenen;
zij ging voor altijd van mij henen
het leven in, dat flonk'ring bood .. .
Nu is zij dood!

Parijsche verzen (1923)

 

Geschreven door Dora om 10:36 Reageer op dit bericht

het werk

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

HET WERK

Bij dag buig ik gewillig en strijk loon
mijn zwarte hand gedurig in zijn arbeid,
mijn zwarte kop nijgt onder 's meesters hoon
en krimpt; en lacht; en doet naar hem gezeid.

Maar 's avonds op mijn kamer in 't gouden lampelicht
maak ik gedichten zangerig en zacht
en zie niet, dat terwijl heel knokerig en spicht
op hoeken van mijn tafel een wezenke veil lacht.

Het grijze baardje valt op 't borstje, zwart,
zwarte kooloogjes glinstren goud in 't licht,
witte tandrijen blik'ren blank en hard
de grauwe handjes liggen mager, roerloos, dicht.

Zij spotten zo met spotlichtende ogen:
de Dwaasheid links en rechts de armoe lacht:
en ik blijf naarstig over 't blad gebogen
en maak gedichten zangerig en zacht.

Zangen van hoop, Amsterdam(1919)

 

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

als

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Als heemlen blauw en heuvlen groen

Als heemlen blauw en heuvlen groen
en de aarde spruit uit pracht van bomen,
dan voel ik met zijn wilde zoen
de sterke zomer komen.

Dan staat mijn liefste voor de heg,
hoort blijde slag en tierelieren,
en al wat winters gooit ze weg
in lucht van eglantieren.

Om scherpe torens waait de wind,
vol hoog verlangen, wonder hopen.
Schouw op, mijn heerlijk zomerkind:
de grote zon bloeit open.

Meidoorn (1925)

Geschreven door Dora om 13:08 Reageer op dit bericht

poes

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De poes springt met haar stille sprong

De poes springt met haar stille sprong
En nestelt zich weer op mijn schoot,
Zij lijkt, een rasp gelijkt haat tong,
Ons beider gein is even groot.

Haar vacht is zacht gelijk fluweel,
Haar ogen glanzen in het donker,
En als zij spint, stijgt uit haar keel
Een vreemd gerucht, als van een ronker.

Zij spint de muzikale draden
Van een geheim, dat niemand kent,
Dat geen mens ooit vermocht te raden,
Dat eeuwig blijve, onbekend.

O diertje zoet, dat ik vergood,
Gelijk zovele dichters deden,
Ge bergt in uw geheime schoot,
Gelijk de sfinx, uw eigen reden.

 

Geschreven door Dora om 14:58 Reageer op dit bericht

wiegeliedje

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Wiegeliedje

Al wat mijn liefje doet
Luidt als een liedje zoet.
- Slaap, kindje, slaap! -
Over de marmertrap
Zingen zijn stapjes rap,
Zingen van trappeltrap.
- Slaap, kindje, slaap!

Maar als mijn knaapje rust,
Vredig in slaap gekust,
- Droom, kindje, droom! -
Vedelt een melodie,
Zingt er ik weet niet wie,
Ziel die 'k in nevel zie.
- Droom, kindje, droom! -

Woelt zich mijn blondje bloot,
Bloeit er zijn mondje rood,
- Slaap, kindje, slaap! -
Engelen komen zacht,
Zingen van zomernacht,
Zo dat mijn dromer lacht.
- Slaap, kindje, slaap!

Zilver in zilvermaan,
Zingend de wilgen staan,
- Droom, kindje, droom! -
't Ruisende molenrad
Sprankelt de rozen nat,
De aarde is in dromenbad.
- Droom, kindje, droom!

Moederverzen (1909)

Geschreven door Dora om 17:02 Reageer op dit bericht

ritje

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

RITJE

Het paardje reed zo klinkend
met hoeven tinkellinkend
al op de klinkerdijk.

Zij droegen róse hoedjes
op roodgeverfde snoetjes
en voeren langs de dijk.

De sleepman had een zweepje, slap,
en zweepte 'hurt' bij elke stap
van 't paardje op de dijk.

Zij hadden gouden zon gehuurd,
en 't tuigje was zo blank geschuurd
dat voerde over de dijk.

en blanke bloempjes aan de kant
die keken in de vigilant
wie voer over de dijk.

Zo menig vent en jonggezel
die werd wat raar aan zijn gestel
bij 't langs-gaan op de dijk.

Door die guitig rode snoetjes
onder die róse hoedjes;
die meisjes, langs de dijk.

Een bonte vlucht, Bussum.(1911)

Geschreven door Dora om 12:03 Reageer op dit bericht

de avond

Een gedicht van Salomon Bonn 1891-1930

DE AVOND

De avond verfde rood de zee
en zwart de wijde hemel,
een late vogel scherend glee
langs 't koperrood gewemel.

Een vreemde stem gromde van ver
en neurde zwarte klachten,
en uit der wolken zwarte vachten
glansde een bleke verre ster.

Je adem zoemde in mijn oor
en zong er wijzen, zacht,
de zee weedroef neurde erdoor,-
...heel donker kwam de nacht.

Wat zang en melody, Mij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam.(1910)

Geschreven door Dora om 16:58 1 reactie Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

LENTE

Wanneer het lente worden zal?

Reeds bloeit de vlier en ritselen de gronden,
De trage beken krijgen duizend monden...
De lente, lente.

Wanneer het lente worden zal?

Aan strakke lucht een helle ster gaat lopen,
De heide legt een blad van purper open, .. .
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Hoort gij de nacht? de schemering wordt klare
Uit de zee-diepte rijst een blijde mare...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Er is van overal gerucht vernomen,
Van af de bergen is een stem gekomen...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Schermutseling wordt hoorbaar in de velden,
De Dood stijgt uit, hij gaat nieuw leven melden...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Wij zijn de vlier, de ritselende gronden,
De trage beken met de duizend monden,
De helle ster die aan de lucht ging lopen,
De paarse heide die kwam lichtend open,
De komers die de schemer maakten klare
Wij zijn de makers van de blijde mare —
Schermutseling die opsteeg uit de velden,
De Dood zijn wij en komen mensheid melden,
Haar lente, lente, lente.

Opstandige liederen (1919)


Geschreven door Dora om 15:09 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht over het wel en wee in het leven door mijzelf geschreven

De zee

 

De zee nam een man en vader

Een zoon, broer en zwager mee

Wat een familiewee

Het graf is nu de bodem van de zee

Geen afscheid kan nog voor een

laatste keer worden genomen

Toen ze wegvoeren

Had niemand dit kunnen dromen

Het kan een mens zomaar overkomen

Hoe moet je dit grote verdriet nu doorkomen

Zo’n onwezenlijk gebeuren

Dat je leven ineens kapot kan scheuren

Het leven moet opnieuw worden aangevangen

Want alles gaat gewoon door

Het lijkt dan of een mens niets verloor

Maar zo’n verlies kan zo diep snijden

Dat men de eerste jaren gaat lijden

Aan al wat zo afgenomen werd

Niet door de woeste zee

Maar door het varen met een boot

Die kapseisde en de mensen door het zeewater omsloot

Waar geen weg meer in terug is te vinden

Maar achterblijvers worden misschien nu wel als de hinde

Die de weg naar de Troost mogen vinden

En dat het verdriet de mensen niet gaat verslinden!

 

 

 

Geschreven door Dora om 10:23 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Hoort ge die vogel...

Hoort ge die vogel daarbuiten niet fluiten
Zijn liedeke klein?
Lieve wil nu nog de ruiten niet sluiten
Voor wonderen fijn.

Zweeft met zijn zingen geen geur van seringen
In ons kleine huis?
De ziel der dingen lijkt binnen te dringen
Met bomengeruis...

Hoort ge die vogel daar buiten niet fluiten
Zijn liedeke klein?
Lieve wil nu nog de ruiten niet sluiten
Voor wonderen fijn...


1910

Geschreven door Dora om 14:33 Reageer op dit bericht

circus

Een gedicht van Helene Swarth Swart 1859-1941

CIRCUS-RIJDEN

Op melkwit paard, met telkens wuifgewiek
Van d' open kelk der rose rokjes, rijdt
Een tenger meisje, als vleugelen gespreid
De ranke lelie-armen, bij muziek
Brutaal van koper-schetter-jool, bereid
Tot vogelzweven, voor verwend publiek,
Door linte'-omwoelden ring die, star-comiek,
Een clown hoog óphoudt, dat zij 't blank doorrijt'.

In 't ronde renwerk, arglooze oogenprooi,
Een kind nog, ijdel, soms wel heimelijk bang,
Rijdt zij voor 't eerst , verblijd door eigen mooi.

Zoo zweeft de dichter, blij met eigen zang
En blank gevoel en kleur'ge woordentooi,
In duizelvaart, door levens cirkelgang.

Gedichten, P. N. van Kampen en Zoon, Amsterdam.(1902)

 

Geschreven door Dora om 15:52 Reageer op dit bericht

hiernamaals

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Hiernamaals

Zal ik in een nevel waren,
Of in tastbre duisternis?
Zal ik in een ledig staren
Angstig dat ik mij vergis?
Zal ik dom'len of ontwaken?
Zal ik weten waar ik ben?
Zal ik bange zuchten slaken
twijflend wie ik straks herken? —
Zal ik voelen hitte en koude?
Zal ik horen? zal ik zien?
Ach, mij arme! ach mij oude
Wat zal er met mij geschien?
Aanstonds valt het zwarte kleed
Arme zondaar! wees gereed!

Jeugd-verzen (1926)

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

de dragers

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

De dragers

De dragers, de dragers treden zo hard.
Hoe vaak droeg ik u in mijn sterke armen
als een vogel verschrikt, in netten verward,
met bang fluiten en schriklijk alarmen.

Nu, vreemdige kerels, voor een slok en een munt
sjorren, sjokken, en stappen hoogluid,
als slagers versjouwen gespleten rund
en dragen 't de slachtplaats uit.

Wee! dat mij niet blijft nu, dit zacht kleinood,
dat zacht voorhoofd, die dode ogen,
blanke handen, met als een kleen vlamke, rood,
de ring, nauw aanvaard, diep bewogen...

Zo zwart is de wereld nu buiten voor u
zo zwart en donker en koud:
en ik ga bukkend en ween om u,
mijn hart is droef en oud.

Geschreven door Dora om 14:44 Reageer op dit bericht

herfsteinde

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

HERFSTHEIDE

Vol grijze dreiging hangt het zware zwerk
Op 't rossigbruin van de uitgebloeide hei.
Langs 't bleke zandpad zeult een kar voorbij
Een donker schonkig paard. Eén tengre berk
Rijst rank op 't grauw met siddrend bladgesprei.
En plechtig ruist, 'lijk 't orgel in een kerk,
De wind door 't woud van sparren lenig sterk
En sombre beuken, 't heideveld terzij.

'k Vlij me in een kuil en dek mijn leden moe
Met geurend blad en ros ruig heikruid toe
En luister, oor en hart aan heideschoot.

Nu waar 't wel zoet, terwijl ik d' aardgeur dronk,
Zo stil dit hart werd en hier zacht verzonk
In 't lang verlangd mysterie van den dood.

Natuurpoëzie, J. H. Kok, Kampen(1930)

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

park

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Uyemo Park, Tokio

De kindren lopen uit hun kleurig spel
En laten 't park schuw en verwaarloosd achter.
De vogels zwijgen om een oude wachter,
Alleen de krekels sjirpen snel en schel.

Het groene en rode loof wordt even vaal.
Een flakkerlicht ontwaakt in bronzen lampen.
De avond komt gedempt, gehuld in dampen
Nader, als een sluipmoordnaar in een zaal.

Maar plechtig aangetrokken klokken tampen
En langgerekte heilige tonen gonzen
Boven het dor en streng gebed der bonzen,
Beveiligd voor de nacht in 't heiligdom.

Verzamelde gedichten

Illustratie: Shinto poorten in Uyemo of Ueno Park in Tokio (Japan)

Geschreven door Dora om 10:39 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten