Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

als

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Als heemlen blauw en heuvlen groen

Als heemlen blauw en heuvlen groen
en de aarde spruit uit pracht van bomen,
dan voel ik met zijn wilde zoen
de sterke zomer komen.

Dan staat mijn liefste voor de heg,
hoort blijde slag en tierelieren,
en al wat winters gooit ze weg
in lucht van eglantieren.

Om scherpe torens waait de wind,
vol hoog verlangen, wonder hopen.
Schouw op, mijn heerlijk zomerkind:
de grote zon bloeit open.

Meidoorn (1925)

Geschreven door Dora om 13:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

poes

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De poes springt met haar stille sprong

De poes springt met haar stille sprong
En nestelt zich weer op mijn schoot,
Zij lijkt, een rasp gelijkt haat tong,
Ons beider gein is even groot.

Haar vacht is zacht gelijk fluweel,
Haar ogen glanzen in het donker,
En als zij spint, stijgt uit haar keel
Een vreemd gerucht, als van een ronker.

Zij spint de muzikale draden
Van een geheim, dat niemand kent,
Dat geen mens ooit vermocht te raden,
Dat eeuwig blijve, onbekend.

O diertje zoet, dat ik vergood,
Gelijk zovele dichters deden,
Ge bergt in uw geheime schoot,
Gelijk de sfinx, uw eigen reden.

 

Geschreven door Dora om 14:58 Reageer op dit bericht

wiegeliedje

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Wiegeliedje

Al wat mijn liefje doet
Luidt als een liedje zoet.
- Slaap, kindje, slaap! -
Over de marmertrap
Zingen zijn stapjes rap,
Zingen van trappeltrap.
- Slaap, kindje, slaap!

Maar als mijn knaapje rust,
Vredig in slaap gekust,
- Droom, kindje, droom! -
Vedelt een melodie,
Zingt er ik weet niet wie,
Ziel die 'k in nevel zie.
- Droom, kindje, droom! -

Woelt zich mijn blondje bloot,
Bloeit er zijn mondje rood,
- Slaap, kindje, slaap! -
Engelen komen zacht,
Zingen van zomernacht,
Zo dat mijn dromer lacht.
- Slaap, kindje, slaap!

Zilver in zilvermaan,
Zingend de wilgen staan,
- Droom, kindje, droom! -
't Ruisende molenrad
Sprankelt de rozen nat,
De aarde is in dromenbad.
- Droom, kindje, droom!

Moederverzen (1909)

Geschreven door Dora om 17:02 Reageer op dit bericht

ritje

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

RITJE

Het paardje reed zo klinkend
met hoeven tinkellinkend
al op de klinkerdijk.

Zij droegen róse hoedjes
op roodgeverfde snoetjes
en voeren langs de dijk.

De sleepman had een zweepje, slap,
en zweepte 'hurt' bij elke stap
van 't paardje op de dijk.

Zij hadden gouden zon gehuurd,
en 't tuigje was zo blank geschuurd
dat voerde over de dijk.

en blanke bloempjes aan de kant
die keken in de vigilant
wie voer over de dijk.

Zo menig vent en jonggezel
die werd wat raar aan zijn gestel
bij 't langs-gaan op de dijk.

Door die guitig rode snoetjes
onder die róse hoedjes;
die meisjes, langs de dijk.

Een bonte vlucht, Bussum.(1911)

Geschreven door Dora om 12:03 Reageer op dit bericht

de avond

Een gedicht van Salomon Bonn 1891-1930

DE AVOND

De avond verfde rood de zee
en zwart de wijde hemel,
een late vogel scherend glee
langs 't koperrood gewemel.

Een vreemde stem gromde van ver
en neurde zwarte klachten,
en uit der wolken zwarte vachten
glansde een bleke verre ster.

Je adem zoemde in mijn oor
en zong er wijzen, zacht,
de zee weedroef neurde erdoor,-
...heel donker kwam de nacht.

Wat zang en melody, Mij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam.(1910)

Geschreven door Dora om 16:58 1 reactie Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

LENTE

Wanneer het lente worden zal?

Reeds bloeit de vlier en ritselen de gronden,
De trage beken krijgen duizend monden...
De lente, lente.

Wanneer het lente worden zal?

Aan strakke lucht een helle ster gaat lopen,
De heide legt een blad van purper open, .. .
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Hoort gij de nacht? de schemering wordt klare
Uit de zee-diepte rijst een blijde mare...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Er is van overal gerucht vernomen,
Van af de bergen is een stem gekomen...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Schermutseling wordt hoorbaar in de velden,
De Dood stijgt uit, hij gaat nieuw leven melden...
De lente, lente...

Wanneer het lente worden zal?

Wij zijn de vlier, de ritselende gronden,
De trage beken met de duizend monden,
De helle ster die aan de lucht ging lopen,
De paarse heide die kwam lichtend open,
De komers die de schemer maakten klare
Wij zijn de makers van de blijde mare —
Schermutseling die opsteeg uit de velden,
De Dood zijn wij en komen mensheid melden,
Haar lente, lente, lente.

Opstandige liederen (1919)


Geschreven door Dora om 15:09 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht over het wel en wee in het leven door mijzelf geschreven

De zee

 

De zee nam een man en vader

Een zoon, broer en zwager mee

Wat een familiewee

Het graf is nu de bodem van de zee

Geen afscheid kan nog voor een

laatste keer worden genomen

Toen ze wegvoeren

Had niemand dit kunnen dromen

Het kan een mens zomaar overkomen

Hoe moet je dit grote verdriet nu doorkomen

Zo’n onwezenlijk gebeuren

Dat je leven ineens kapot kan scheuren

Het leven moet opnieuw worden aangevangen

Want alles gaat gewoon door

Het lijkt dan of een mens niets verloor

Maar zo’n verlies kan zo diep snijden

Dat men de eerste jaren gaat lijden

Aan al wat zo afgenomen werd

Niet door de woeste zee

Maar door het varen met een boot

Die kapseisde en de mensen door het zeewater omsloot

Waar geen weg meer in terug is te vinden

Maar achterblijvers worden misschien nu wel als de hinde

Die de weg naar de Troost mogen vinden

En dat het verdriet de mensen niet gaat verslinden!

 

 

 

Geschreven door Dora om 10:23 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Hoort ge die vogel...

Hoort ge die vogel daarbuiten niet fluiten
Zijn liedeke klein?
Lieve wil nu nog de ruiten niet sluiten
Voor wonderen fijn.

Zweeft met zijn zingen geen geur van seringen
In ons kleine huis?
De ziel der dingen lijkt binnen te dringen
Met bomengeruis...

Hoort ge die vogel daar buiten niet fluiten
Zijn liedeke klein?
Lieve wil nu nog de ruiten niet sluiten
Voor wonderen fijn...


1910

Geschreven door Dora om 14:33 Reageer op dit bericht

circus

Een gedicht van Helene Swarth Swart 1859-1941

CIRCUS-RIJDEN

Op melkwit paard, met telkens wuifgewiek
Van d' open kelk der rose rokjes, rijdt
Een tenger meisje, als vleugelen gespreid
De ranke lelie-armen, bij muziek
Brutaal van koper-schetter-jool, bereid
Tot vogelzweven, voor verwend publiek,
Door linte'-omwoelden ring die, star-comiek,
Een clown hoog óphoudt, dat zij 't blank doorrijt'.

In 't ronde renwerk, arglooze oogenprooi,
Een kind nog, ijdel, soms wel heimelijk bang,
Rijdt zij voor 't eerst , verblijd door eigen mooi.

Zoo zweeft de dichter, blij met eigen zang
En blank gevoel en kleur'ge woordentooi,
In duizelvaart, door levens cirkelgang.

Gedichten, P. N. van Kampen en Zoon, Amsterdam.(1902)

 

Geschreven door Dora om 15:52 Reageer op dit bericht

hiernamaals

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Hiernamaals

Zal ik in een nevel waren,
Of in tastbre duisternis?
Zal ik in een ledig staren
Angstig dat ik mij vergis?
Zal ik dom'len of ontwaken?
Zal ik weten waar ik ben?
Zal ik bange zuchten slaken
twijflend wie ik straks herken? —
Zal ik voelen hitte en koude?
Zal ik horen? zal ik zien?
Ach, mij arme! ach mij oude
Wat zal er met mij geschien?
Aanstonds valt het zwarte kleed
Arme zondaar! wees gereed!

Jeugd-verzen (1926)

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

de dragers

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

De dragers

De dragers, de dragers treden zo hard.
Hoe vaak droeg ik u in mijn sterke armen
als een vogel verschrikt, in netten verward,
met bang fluiten en schriklijk alarmen.

Nu, vreemdige kerels, voor een slok en een munt
sjorren, sjokken, en stappen hoogluid,
als slagers versjouwen gespleten rund
en dragen 't de slachtplaats uit.

Wee! dat mij niet blijft nu, dit zacht kleinood,
dat zacht voorhoofd, die dode ogen,
blanke handen, met als een kleen vlamke, rood,
de ring, nauw aanvaard, diep bewogen...

Zo zwart is de wereld nu buiten voor u
zo zwart en donker en koud:
en ik ga bukkend en ween om u,
mijn hart is droef en oud.

Geschreven door Dora om 14:44 Reageer op dit bericht

herfsteinde

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

HERFSTHEIDE

Vol grijze dreiging hangt het zware zwerk
Op 't rossigbruin van de uitgebloeide hei.
Langs 't bleke zandpad zeult een kar voorbij
Een donker schonkig paard. Eén tengre berk
Rijst rank op 't grauw met siddrend bladgesprei.
En plechtig ruist, 'lijk 't orgel in een kerk,
De wind door 't woud van sparren lenig sterk
En sombre beuken, 't heideveld terzij.

'k Vlij me in een kuil en dek mijn leden moe
Met geurend blad en ros ruig heikruid toe
En luister, oor en hart aan heideschoot.

Nu waar 't wel zoet, terwijl ik d' aardgeur dronk,
Zo stil dit hart werd en hier zacht verzonk
In 't lang verlangd mysterie van den dood.

Natuurpoëzie, J. H. Kok, Kampen(1930)

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

park

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Uyemo Park, Tokio

De kindren lopen uit hun kleurig spel
En laten 't park schuw en verwaarloosd achter.
De vogels zwijgen om een oude wachter,
Alleen de krekels sjirpen snel en schel.

Het groene en rode loof wordt even vaal.
Een flakkerlicht ontwaakt in bronzen lampen.
De avond komt gedempt, gehuld in dampen
Nader, als een sluipmoordnaar in een zaal.

Maar plechtig aangetrokken klokken tampen
En langgerekte heilige tonen gonzen
Boven het dor en streng gebed der bonzen,
Beveiligd voor de nacht in 't heiligdom.

Verzamelde gedichten

Illustratie: Shinto poorten in Uyemo of Ueno Park in Tokio (Japan)

Geschreven door Dora om 10:39 Reageer op dit bericht

liefste

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Mijn liefste.

Mijn liefste waar zal ik
slapen
vannacht?

De nacht is zo zwart
en de winden gieren
en voor mijn voet, bange geesten,
slieren
tak en takken, in knakken
verward.

Mijn liefste waar zal ik
slapen
vannacht?

Als een lam, moegedwaald
van de kudde verlaten,
dat dwaalt en dwaalt,
jammerend loopt te blaten,
zo dwaal ik, en donker
donker zwart is rondom;
de winden gieren,
vallend lof ritselt om.

Mijn liefste
uw armen zijn van mij gegaan
uw ogen gesloten, uw adem ruist niet
als een teder moederlijk sluimerlied
zacht tegen mijn voorhoofd aan.

En uw boezem, een kussen
zo zacht, voor mij
is nu koud en ver, ver heen,
in de plaats van uw monklende
ochtendlach
vind ik tranen
en kermend gesteen.

Mijn liefste
waar zal ik nu
slapen
vannacht?

Zo moe is mijn hart
en het kan niet rusten,
wijl uw lippen mij altijd
te slapen kusten,
en uw lippen zijn weg nu
en ach... hoe zwart.

Mijn liefste
waar zal ik
slapen vannacht?

O een droom! van nog eenmaal
met u te zijn:
in uw harenvacht
in uw ogenschijn;
en dan niets meer te weten
en te sterven, zacht.

Immortellen

 

Geschreven door Dora om 11:58 Reageer op dit bericht

herinneringen

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Herinneringen

Ach, laat ons van 't verleden spreken...
Gij luistert immers gaarne, vrouw?
'k herinner mij, hoe lang verstreken,
Mijns levens lentetijd getrouw.
Toen had ik appelrode wangen,
Mijn baard was blond, gekroesd mijn haar;
En 'k zag vol fierheid allegaar
De meisjes me aan de slippen hangen!

Brunetten, zwarten of blondinnen,
Mij waren alle liefjes goed,
Maar geen en wilde ik ernstig minnen...
De vrijheid scheen mij veel te zoet!
't was echter in de wind gesproken:
Eens had ik u gezien, vriendin,
En 't frisse bloemeke der min
Was in mijn hart opeens ontloken!

Ik mocht ten outer u geleiden...
De spaarpot schudde vader om.
Dit nette huiske werd ons beiden
Ten zoete liefdeheiligdom.
Wat sleten wij genoeglijke uren
Hier hand in hand en hart aan hart!
Ach, nooit, vrouw lief, bezocht de smart
Ons binnen deze zalige muren!

De tranen staan me nog in de ogen,
Als ik herdenk de blijde stond,
Toen ik, van 't werk naar huis gevlogen,
Een zoontje aan uwen boezem vond...
Hoe mild heeft ons het lot bejegend!
Nog negenmalen bovendien
Mocht ik een pasgeboorne zien,
Waarmede ons huwlijk werd gezegend!

Nog zijn zij alle tien in 't leven,
En mannen zijn 't naar geest en lijf.
Nog heeft geen hunner ons begeven,
Al worden wij wel oud en stijf!
Doch komt de liefde ze ons ontstelen...
Wel doet het scheiden lijden; maar,
Gaat, kinders lief, 't geluk is daar,
Waar kleintjes bij de haard spelen!

Liederen (1868)

Geschreven door Dora om 09:44 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

VERLANGEN

Verlangen is een vuur dat niet en dooft,
't is als 'n zwaan klapwiekend, kan niet sterven:
de Dood komt om het hart, in 't jonge hoofd
droomt nog 't verlangen in parelmoeren verven.

Mijn broeder, ons verlangen is sterker dan de wil
de strijd is als 'n bloemknop om 't verlangen
het dunne hulsje houdt 't gloeiend blad gevangen,
dan breekt het uit! en in de zonne stil

bloeit het omhoog! omhoog! Mijn broeder,
uw verlangen overwint de dood, want als
zijn donkere arm zich wringelt om uw hals,
dan is het blank verlang' in u nog levend:

en als gij op zijn vleuglen, door hooge heemlen zwevend,
de englen zingen hoort uw doods,-en hemellied,
staart gij zoekend naar uw lief, hoort en begrijpt hen niet.

Geschreven door Dora om 11:54 Reageer op dit bericht

traan

Een gedicht van van Isaac da Costa 1798-1860

De traan

De traan, die opbruist naar onze ogen,
In liefde en vriendschap, vreugde en smart,
Die is de ware tolk van 't hart!
Wie door een mond ooit werd bedrogen,
Die een geveinsde glimlach plooit,
Een traan!..... een traan misleidde nooit!

De traan, naar boven opgedreven
Bij 't heimlijk slaken van een zucht,
Geeft de geperste boezem lucht!
Men ziet hem als een nevel zweven:
Maar door die nevel speelt de gloed
Van 't weder ademend gemoed!

De traan van 't smeltend mededogen,
Dat in des naasten lijden lijdt,
En hem eens broeders zorgen wijdt,
Verkondigt in de glinstrende ogen
De Godlijke afkomst onzer ziel,
Hoe diep zij van zich zelf verviel!

De traan des zeemans, die gevaren,
Noch 't naderende doodsuur vreest,
Is 't afscheidsteken van de geest
Aan vrouw en kind, wanneer de baren
Van d' opgeruide Oceaan
Het dobbrend schip verzwelgen gaan!

Waar Roemzucht, wederzijds ontstoken,
D' onmenselijke kampstrijd mengt,
Ook daar wordt vaak een traan geplengd!
En 't recht der mensheid is gewroken,
Wanneer hij 's winnaars oog ontvloeit,
En 't vijandlijke lijk besproeit!

Of, als wij 't dierbaar oord begeven,
Dat onze eerste kinderlach,
Dat onze eerste bloeitijd zag,
Om dieper in te treên in 't leven;
Dan staren wij 't weemoedig aan,
En 't droef Vaarwel spreekt door een traan!

Maar gij, vooral, gevoel van liefde!
Uw alveroverende tocht
Wekt stromen van dit balsemvocht!
Voor wie uw gloênde pijl doorgriefde
Zijn tranen wellust van het hart,
In liefdes vreugd, in liefdes smart!

Ook wie de geestdrift heeft bevangen,
Die 't moedig hart, waarin zij blaakt,
Tot aller harten meester maakt,
Die verft een gloeiend rood de wangen,
Die wemelt in het oog een traan,
Die meer dan woorden doet verstaan.

Wie eerbied ooit de ziel vervulde
In 't brandend tijdperk van de jeugd,
Voor mannenmoed, voor mannendeugd;
De traan is 's harten eêlste hulde,
En die de nagedachtenis
Van grote namen waardig is!

Zo wekken Cesars lauwerkronen,
Zo Alexanders fiere moed,
Zo Maurits grootheid, waard zijn bloed,
Diep uit het hart der heldenzonen
Een traan op, die voor 't oog verraadt
Van welk een zucht de boezem slaat!

Het marmer is een koude hulde!
Mijn vrienden! welle een enkle drop
Uit uw gevoel'ge harten op,
(Is slechts de geest die mij vervulde
Zo liefelijk een hulde waard)
Wanneer 'k zal rusten onder de aard!

Da Costa's kompleete dichtwerken (1861)

 

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

oplossing

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

OPLOSSING

Is 't wonder dat de mens, in 't leven,
Het beste spoor zo moeilijk vindt?
Twee gidsen, die hem voort doen streven,
En beurtlings wenk en spoorslag geven, —
Fortuin en Min, zijn beiden blind!

Geschreven door Dora om 11:06 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht of vers bekend bij velen...

Slaap, kindje, slaap!

‘Slaap, kindje, slaap,
daarbuiten loopt een schaap!’
je hartje tegen mijn harte aan
ik voel het kloppen, voel het slaan.
‘Slaap, kindje, slaap!’

Daarbuiten gaan geen mensen meer,
de huizenogen loken neer,
de straatlichtjes zijn uitgedaan,
boven gingen de sterren aan
en 't is heel stil: alleen de wacht
trommelt, hol stappend, door de nacht:
... slaap... kindje... slaap!...

Je neusje zo gebogen, fijn,
dringt zich of 't in mijn borst wil zijn,
je oortje, als een bloem ivoor,
drong zwarte lokjes door naar voor,
je hoge hoofdje in mijn arm
duikt zich en schut zich warm.

Daar komt omhoog de witte maan
uit wolken zwart, en ziet mij aan
en kijkt mij door mijn ogen heen
en in mijn ziele, of ik ween!
als zij dan glanst op jou mijn kind,
is 't of je 'n zilv'ren kindje bent.

Die hoge maan die ziet zo ver
en wijst daar aan die goudenster,
zo blinkend op het glaskozijn,
waar of de dode mensen zijn:
de dode mensen zijn heel wijd,
nog verder dan de maanglans glijdt.

Daar zit in lichte nis een vrouw,
zo mooi als jij en droomt van jou;
haar witte armen saamgevouwen
om een kindeke er in te houden,
lonkt ze en lacht en zingt dan teer
- haar teerte deinend heen en weer -:
... ‘slaap... kindje... slaap!’...

Hoe heerlijk tikkert in de slaap
je hartje slagjes op het mijne
en starend in het maneschijnen
zing ik van 't arme dwalend schaap,
... ‘slaap... kindje... slaap!’...

Immortellen

Geschreven door Dora om 17:36 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Ik ben een vrouw

‘'k Ben een vrouw, als alle vrouwen,
waarom wilt ge mij omhangen
met het kleed van Uw verlangen
en mijn lichte lach vertrouwen?’
‘Om de zucht, die ik eens vond,
om d'onuitgesproken woorden,
die verdoolden op de boorden
van tomatenrode mond.’

‘'k Weet mijn ogen zijn mijn machten,
waarom wilt gij, dat hun stralen
dieper zin U zal verhalen
dan de heugenis der nachten?’
‘Om de schemerstille schijn
van een nauwelijks gebeuren,
dat ik heimelijk zag treuren
door het wimpren kantgordijn.’

‘'k Zie de schoonheid van mijn leden...
waarom wilt ge, dat mijn leven
niet zal stralen in zijn streven,
waar mijn lichte voet zal treden?’
‘Om het lusteloos gebaar,
dat U bleef van alle lusten,
om Uw hart, dat niet kan rusten,
wijl Uw wanhoop is te zwaar.’

‘'k Hoor de woorden van de monden,
waarom naar het hart te luistren,
als mijn minnaars mij toefluistren,
dat hun heilig zijn mijn zonden?’
‘Om de uren, die gij ducht,
om de dwaling te genezen,
dat gij van U zelf zoudt wezen,
nu ge mij, in U ontvlucht.’

‘'k Ben een vrouw, als alle vrouwen,
waarom wilt ge mij dan minnen,
nu geen hart is te gewinnen,
dat zich zuiver laat doorschouwen?’
‘Om de folt'ring, die gij lijdt,
om het brandend heet begeren.
dat door mij, gij nu moet leren
dragen in verwachte tijd.’

Parijsche verzen (1923)

 

Geschreven door Dora om 16:34 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten