Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

verlangen

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

VERLANGEN

Verlangen is een vuur dat niet en dooft,
't is als 'n zwaan klapwiekend, kan niet sterven:
de Dood komt om het hart, in 't jonge hoofd
droomt nog 't verlangen in parelmoeren verven.

Mijn broeder, ons verlangen is sterker dan de wil
de strijd is als 'n bloemknop om 't verlangen
het dunne hulsje houdt 't gloeiend blad gevangen,
dan breekt het uit! en in de zonne stil

bloeit het omhoog! omhoog! Mijn broeder,
uw verlangen overwint de dood, want als
zijn donkere arm zich wringelt om uw hals,
dan is het blank verlang' in u nog levend:

en als gij op zijn vleuglen, door hooge heemlen zwevend,
de englen zingen hoort uw doods,-en hemellied,
staart gij zoekend naar uw lief, hoort en begrijpt hen niet.

Geschreven door Dora om 11:54 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

traan

Een gedicht van van Isaac da Costa 1798-1860

De traan

De traan, die opbruist naar onze ogen,
In liefde en vriendschap, vreugde en smart,
Die is de ware tolk van 't hart!
Wie door een mond ooit werd bedrogen,
Die een geveinsde glimlach plooit,
Een traan!..... een traan misleidde nooit!

De traan, naar boven opgedreven
Bij 't heimlijk slaken van een zucht,
Geeft de geperste boezem lucht!
Men ziet hem als een nevel zweven:
Maar door die nevel speelt de gloed
Van 't weder ademend gemoed!

De traan van 't smeltend mededogen,
Dat in des naasten lijden lijdt,
En hem eens broeders zorgen wijdt,
Verkondigt in de glinstrende ogen
De Godlijke afkomst onzer ziel,
Hoe diep zij van zich zelf verviel!

De traan des zeemans, die gevaren,
Noch 't naderende doodsuur vreest,
Is 't afscheidsteken van de geest
Aan vrouw en kind, wanneer de baren
Van d' opgeruide Oceaan
Het dobbrend schip verzwelgen gaan!

Waar Roemzucht, wederzijds ontstoken,
D' onmenselijke kampstrijd mengt,
Ook daar wordt vaak een traan geplengd!
En 't recht der mensheid is gewroken,
Wanneer hij 's winnaars oog ontvloeit,
En 't vijandlijke lijk besproeit!

Of, als wij 't dierbaar oord begeven,
Dat onze eerste kinderlach,
Dat onze eerste bloeitijd zag,
Om dieper in te treên in 't leven;
Dan staren wij 't weemoedig aan,
En 't droef Vaarwel spreekt door een traan!

Maar gij, vooral, gevoel van liefde!
Uw alveroverende tocht
Wekt stromen van dit balsemvocht!
Voor wie uw gloênde pijl doorgriefde
Zijn tranen wellust van het hart,
In liefdes vreugd, in liefdes smart!

Ook wie de geestdrift heeft bevangen,
Die 't moedig hart, waarin zij blaakt,
Tot aller harten meester maakt,
Die verft een gloeiend rood de wangen,
Die wemelt in het oog een traan,
Die meer dan woorden doet verstaan.

Wie eerbied ooit de ziel vervulde
In 't brandend tijdperk van de jeugd,
Voor mannenmoed, voor mannendeugd;
De traan is 's harten eêlste hulde,
En die de nagedachtenis
Van grote namen waardig is!

Zo wekken Cesars lauwerkronen,
Zo Alexanders fiere moed,
Zo Maurits grootheid, waard zijn bloed,
Diep uit het hart der heldenzonen
Een traan op, die voor 't oog verraadt
Van welk een zucht de boezem slaat!

Het marmer is een koude hulde!
Mijn vrienden! welle een enkle drop
Uit uw gevoel'ge harten op,
(Is slechts de geest die mij vervulde
Zo liefelijk een hulde waard)
Wanneer 'k zal rusten onder de aard!

Da Costa's kompleete dichtwerken (1861)

 

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

oplossing

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

OPLOSSING

Is 't wonder dat de mens, in 't leven,
Het beste spoor zo moeilijk vindt?
Twee gidsen, die hem voort doen streven,
En beurtlings wenk en spoorslag geven, —
Fortuin en Min, zijn beiden blind!

Geschreven door Dora om 11:06 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht of vers bekend bij velen...

Slaap, kindje, slaap!

‘Slaap, kindje, slaap,
daarbuiten loopt een schaap!’
je hartje tegen mijn harte aan
ik voel het kloppen, voel het slaan.
‘Slaap, kindje, slaap!’

Daarbuiten gaan geen mensen meer,
de huizenogen loken neer,
de straatlichtjes zijn uitgedaan,
boven gingen de sterren aan
en 't is heel stil: alleen de wacht
trommelt, hol stappend, door de nacht:
... slaap... kindje... slaap!...

Je neusje zo gebogen, fijn,
dringt zich of 't in mijn borst wil zijn,
je oortje, als een bloem ivoor,
drong zwarte lokjes door naar voor,
je hoge hoofdje in mijn arm
duikt zich en schut zich warm.

Daar komt omhoog de witte maan
uit wolken zwart, en ziet mij aan
en kijkt mij door mijn ogen heen
en in mijn ziele, of ik ween!
als zij dan glanst op jou mijn kind,
is 't of je 'n zilv'ren kindje bent.

Die hoge maan die ziet zo ver
en wijst daar aan die goudenster,
zo blinkend op het glaskozijn,
waar of de dode mensen zijn:
de dode mensen zijn heel wijd,
nog verder dan de maanglans glijdt.

Daar zit in lichte nis een vrouw,
zo mooi als jij en droomt van jou;
haar witte armen saamgevouwen
om een kindeke er in te houden,
lonkt ze en lacht en zingt dan teer
- haar teerte deinend heen en weer -:
... ‘slaap... kindje... slaap!’...

Hoe heerlijk tikkert in de slaap
je hartje slagjes op het mijne
en starend in het maneschijnen
zing ik van 't arme dwalend schaap,
... ‘slaap... kindje... slaap!’...

Immortellen

Geschreven door Dora om 17:36 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Ik ben een vrouw

‘'k Ben een vrouw, als alle vrouwen,
waarom wilt ge mij omhangen
met het kleed van Uw verlangen
en mijn lichte lach vertrouwen?’
‘Om de zucht, die ik eens vond,
om d'onuitgesproken woorden,
die verdoolden op de boorden
van tomatenrode mond.’

‘'k Weet mijn ogen zijn mijn machten,
waarom wilt gij, dat hun stralen
dieper zin U zal verhalen
dan de heugenis der nachten?’
‘Om de schemerstille schijn
van een nauwelijks gebeuren,
dat ik heimelijk zag treuren
door het wimpren kantgordijn.’

‘'k Zie de schoonheid van mijn leden...
waarom wilt ge, dat mijn leven
niet zal stralen in zijn streven,
waar mijn lichte voet zal treden?’
‘Om het lusteloos gebaar,
dat U bleef van alle lusten,
om Uw hart, dat niet kan rusten,
wijl Uw wanhoop is te zwaar.’

‘'k Hoor de woorden van de monden,
waarom naar het hart te luistren,
als mijn minnaars mij toefluistren,
dat hun heilig zijn mijn zonden?’
‘Om de uren, die gij ducht,
om de dwaling te genezen,
dat gij van U zelf zoudt wezen,
nu ge mij, in U ontvlucht.’

‘'k Ben een vrouw, als alle vrouwen,
waarom wilt ge mij dan minnen,
nu geen hart is te gewinnen,
dat zich zuiver laat doorschouwen?’
‘Om de folt'ring, die gij lijdt,
om het brandend heet begeren.
dat door mij, gij nu moet leren
dragen in verwachte tijd.’

Parijsche verzen (1923)

 

Geschreven door Dora om 16:34 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Salomon Bonn 1891-1930

IK HOORDE UW STEM

Stemmen spraken tot mij,
ik hoorde ze niet,
ik hoorde uw stem
als 'n lied, als 'n lied!

Zoals 's avonds laat
wen de wereld zwijgt
over wateren, stil,
'n boot ver tijgt.

De wereld is stil
de wereld is donker,
alleen leeft de maan
en wat stargeflonker

Haar stem is muziek
in de stille oren,
zo kan ik maar niet
uw stemme horen.

Mijn land ligt zo ver
en uw stem is zo zacht,
en geen enkele ster
schijnt mij in mijn nacht.

Geschreven door Dora om 11:00 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Aan mijne vrouw

Je fijne gratie mij omwevend
Als geuren delicaat,
Je geest zo lichtend en zo levend
Mijn geest omzwevend, saâm opstrevend .....
Je tere vrouwlijkheid, mij gevend
Een nieuw geluk nog laat
Maar jong en lichtend als een avend
Van droom en kleur en koelte lavend,
Een avond die héél langzaam duistert,
Maar door geen duister wordt ontluisterd .....
Want de avond-Schoonheid wil niet marren:
Uit dage-scheiden Zij ontluikt
In mane-glans en gouden starren,
In blijheid die de vogel tjuikt:
Een avond die de nacht weerstaat
Tot aan de nieuwe dageraad!

Laat dan mijn avondbeê je danken
In zacht koraal van morgenklanken,
Alsof mijn ziel pas werd gewekt
En nu opééns zichzelve ontdekt,
Als zon uit wolken openbrekend,
En met een vreemde stemme sprekend,
Aan lang verzaamde zingens-stof
Ontlenend plots der Liefde lof!


20 juli 1932

Geschreven door Dora om 16:48 Reageer op dit bericht

lindeboom

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

DE LINDEBOOM

Er stond bij gindse molen
Een linde, zwaar en groot,
Die vaak bij 't ommedolen
Mij dak en schaduw bood.

Veel heb ik in haar lommer
Gezongen en gedicht,
En drukte me elders kommer,
Dáár scheen mij 't leven licht.

'k Ben laatst, toen zorgen kwamen,
Naar de oude plek gesneld;
Maar ach, mijn hart kromp samen:
De linde was geveld.

'Men heeft u omgehouwen,
Mijn trouwe lindeboom!
Wie zal ik nu vertrouwen,
Waar ik al peins en droom?'

Ik wilde een takje breken
Van 't stervend lindehout,
Een woord tot afscheid spreken;
Daar rilde ik bang en koud.

De linde hoorde ik klagen
In felle stervenspijn:
'Ik zal na luttel dagen
Uw laatste woning zijn.'

Veertig gedichten.(1882)

Geschreven door Dora om 16:15 Reageer op dit bericht

sterfbed

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Sterfbed

Ik zie de zon nog in het venster staan
maar reeds vervaagt de schemering de uren.
ik weet dat het niet lang meer duren kan,
totdat ik met de dood alleen zal zijn.
gij hebt mij lief; ik heb vergeefs getracht
u zo volledig lief te hebben als gij mij;
vergeef het mij: ik heb het slecht gedaan,
en bid voor mij en ga dan van mij heen;
hoe teer en machtig het ook is geweest
het heeft voor mij nu alles afgedaan.
schrei niet, ik zal u nazien totdat gij
de deur volkomen achter u zult hebben afgesloten
en mij alleen gelaten met de dood;
ik heb een leven lang in lafheden verdaan, en groot
zal het ook in het eind niet zijn,
maar ik wil in het enige gevecht
dat er op aan komt, trachten geen knecht te zijn.
kom, ga nu heen, slechts dan heb ik de kracht
dit laatste te doorstaan zoals gijzelf
dit laatste tussen u en mij doorstaat:
zonder veel tranen,
woordenloos en recht.

Verzamelde gedichten (1941)

 

Geschreven door Dora om 11:53 Reageer op dit bericht

verloren

Een hartenkreet van Elsa voor mij een onbekende maar wel iemand met gevoel

Een verloren wereld

Een wereld vol oorlog en haat,
Weten we nog wel waar het om gaat?
Oorlogen om geloof, macht en geld,
Om nog maar te zwijgen van al het zinloos geweld.
Waar is de tolerantie en de verdraagzaamheid,
Vanwaar al deze agressie en boosheid?
Kindsoldaten, moord en doodslag zijn heel gewoon,
Wanneer staan verdraagzaamheid en vrede weer eens centraal?

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

ochtendzon

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

De ochtendzon

De flamboyants ontluiken groen en rood;
Onder hun lommer zal de markt beginnen.
Wijdbeens gaand, balanceren negerinnen
De vruchten op haar hoofd en van haar schoot.

In het goedkoop hotel van Boabdil
Blijven de blinden dicht, de gangen stil;
Alleen een boy gluurt door de gescheurde deuren,
Maar ziet - het is te vroeg - nog niets gebeuren.

Eindlijk, aan 't hoogste raam rekt zich, nog loom en
Voor veertien jaar en een creoolse, groot,
Dolores, in 't halfdonker, schouderbloot,
En doet haar haren in de ochtend stromen.

Serenade (1923)

Illustratie: De flamboyants ontluiken groen en rood

Geschreven door Dora om 12:37 Reageer op dit bericht

interwieuw

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

INTERVIEW

Een interview? Waartoe? 'k Beeld nu al jaren,
— En 't laatst wel 't meest en nooit zo ongestoord -
In rijm, onrijm, met 't uitgezochtste woord
De stemmingen, die door mij henen varen;

En al de beelden grijp ik bij de haren,
Die 'k kan verpraaien van mijn kapersboord,
En ook begint — onlangs heb ik 't gehoord —
Mijn duistre Stijl, goddank! wat op te klaren.

Nu wilt gij van mij horen. 'Die of die,
Mijn meester is 't'. ''k Heb alles uit mij zelven'.
Of. 'Dichters moeten leren mythlogie,
Historie, Grieks'. Of: 'Laten zij maar delven
in 't eigen hart'. Neen, vriend, ik zie u garen
Eens bij geval, 't examen wil mij sparen.

Verzen (1920)

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

poëzie

Een gedicht van Alica Nahon 1896-1933

M'N POEZIE

O! Snaren van m'n jonge ziel
Ik voel uw trillen zacht,...
Wijl 't woordje op u nederviel,
Dat door m'n tranen lacht

O! Zacht en zangerige woord
Waarin ik peerlen vind,
Hebt ge m'n vreugde niet gehoord
Toen 'k worden mocht uw kind ?

O Gij, die m'n gedachtjes kust
En wiegt m'n droefenis
't Is of m'n innerlijke rust
Door u beveiligd is.

O lieflijkheid! o zanggetril!
Verwarm het harte mijn
Dat arm... verlaten hart, en wil
M'n eeuw'ge rijkdom zijn.

Vondelingskens

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

gekrenkt

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De gekrenkte jongen

Meen niet, dat hij te schreien stond,
Toen hem het giftige antwoord stak.
Hij voelde, dat iets in hem brak,
Maar hield de glimlach om zijn mond.

Even vertroebelde zijn oog,
Maar daadlijk keek hij strak en koel.
En sterk hield hij het lauw gevoel
Ten onder, dat zijn hart bewoog.

Hij zal de eerste stap niet doen.
Zijn fierheid, ten begeerde zoen,
Weigert het goede woord te spreken,
Al zou zijn hunkrend hart ook breken.

Maar toen hij zich vol stugheid wendde,
Snikte hij zacht van ellende.

Geschreven door Dora om 11:05 Reageer op dit bericht

zwane

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

DE ZWANE

Des hemels spiegel, mild en fris,
de lucht in 't ronde lavend,
daar ligt de vijver maagdelik schoon
in stille zomeravond.

En kalm in hare avondlust,
bij 't zoet gesching der mane,
ligt langzaam drijvend op het meer
de dromerige zwane.

De dichterlike vogel mint
het maagdelike water,
en baadt wellustig, spiegelt, drinkt,
aanhoort het lief geklater.

En onbewust bemint hem 't meer
en streelt zijn blanke veder,
en klatert zacht en spiegelt hem
zo teer zijn beeldnis weder.

Doch weiger en bescheiden in
bewondering verslonden,
nooit heeft des vogels reine min
die maagdelikheid geschonden.

--------------------------------
weiger - omzichtig

Geschreven door Dora om 13:17 Reageer op dit bericht

klein

Een gedicht van René de Clercg 1877-1932

Klein moederke

Moeder zit te driegen
Aan een mantelzoom.
Zusje moet nu wiegen:
Zoeteke, slaap en droom.
Broederke, broederke mijn,
Laat mij uw moederke zijn.

Dekken zal u zusje,
Ligt ge blootgewoeld;
Kussen met een kusje
Dat ge bijna niet voelt.
Broederke, broederke mijn,
Laat mij uw moederke zijn!

Moet ge mee naar schole,
Dwars door weer en wind,
Kom dan stil gescholen
Onder die mantel, kind.
Broederke, broederke mijn,
Laat mij uw moederke zijn.


-----------------------------------
driegen: naaien

Liedren voor 't volk (1903)

Geschreven door Dora om 10:55 Reageer op dit bericht

moedertaal

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Mijne moedertaal

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wie of haar ook kleinere,
Min ik als mijn vaderland,
Sta ik voor met hand en tand!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands,
Dat houd ik steeds in ere!

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wat andre komt daarnevens!
Zwaardgekletter, klokkenklank,
Snarenspel en minnezang,
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands,
Dat alles zijt gij tevens!

Mijne moedertaal is de schoonste taal,
En zou ze 't ook niet wezen,
Haar verkiezen zou ik nog,
Want zij is de mijne toch!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands,
Wees eeuwig mij geprezen!

 

Geschreven door Dora om 17:19 Reageer op dit bericht

gemijmer

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

GEMIJMER

Schoon de dag nog marre
Schittert door 't azuur
Vast der avondstarre
Rozenkwistend vuur:

Hoe zij liefdes wassen,
In 't ontwaakt gemoed,
Ons door haar verrassen
Laai aanschouwen doet!

Treffend toch gelijken,
Zusterlijk, ze elkaar
In 't wedijv'rend prijken
Met een glans zo klaar:

Dat tot zegepralen
Beider gloor volstond,
't Minnen noch het stralen
Ergens weerstand vond!-

Blinkende avondsterre!
Die het beukenwoud
Ginds de kruin van verre
Tooit met vloeiend goud;

Ziet gij uit den hogen,
Van 't balkon, uw vaart
Door de helderste ogen
Peinzende aangestaard?

Blijft ge dus die boeien
Dat, in de eenzaamheid,
Tranen haar ontvloeien
Nooit zo zoet geschreid?

Laat het lieflijkst wezen
Uit zijn mijmerij
U de klachte lezen:
Vreemd is ruste mij?

Siersel onzer transen,
Starre van het west!
Op wier vochte glansen
Nimmer blik zich vest,

Of der grijsheid harte
Voelt, ondanks 't gemis,
Lafenis van smarte
Door zijn heugenis;

Of aan hoger weelde
Dan in wulps genot
Ooit de zinnen streelde
Voert de jonkheid bot;

Tuig het, gij, die luister
't Spieg'lend meervlak schenkt,
Dat ze in 't schemerduister
Mijner stil gedenkt! -

Ster, zo dier der minne!
Strek haar mij ten tolk,
Vóór uw held're tinne
Prooi wordt van die wolk;

Eer zij zich verbrede
Langs uw aangezicht...
Ach! daar zijt ge alrede
Huiverziek gezwicht!

Om die brede zomen
Heeft de tint'ling uit:
Heel de rei van dromen
Ziet haar vlucht gestuit;

Droef de wieken strijkend
Schoon zo blij ze rees,-
Worst'lend maar bezwijkend,
Heerst voor hope vrees!

Poëzy 1827-1874. Tweede deel. Haarlem, 1890

 

Geschreven door Dora om 14:37 Reageer op dit bericht

zonnetje

Een gedicht van Frederik Hemkes 18554-1887

Aprilzonnetje

Een zonnetje in de lentetijd
heeft menig tere bloem misleid ;
het weet zo zoet te vleien
en wil het knopje vrijen.
Voorzichtig, argloos bloempje in 't gras !
Dat valse zonnetje is er pas,
of 't wijkt voor strenge koude, en ras
is 't knopje prijs gegeven
en boet zijn jonge leven,
kwijnt langzaam weg en mijmert stil
„'k Vertrouwde op 't zonnetje in April!"

Een zonnetje in de lentetijd
heeft menig tere maagd misleid ;
het weet zo zoet te vleien
en wil het knopje vrijen.
Voorzichtig, argloos maagdelijn !
Dat valse zonnetje is maar schijn ;
het kan en mag niet duurzaam zijn ;
straks vindt ge u zelf bedrogen
die zonneschijn is logen!
Dan kwijnt ge weg en mijmert stil
„'k Vertrouwde op 't zonnetje in April!"

Gedichten (1892)

Geschreven door Dora om 11:51 Reageer op dit bericht

kermisviering

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Kermisviering

Woelige dagen!
't Huis overhoop,
Kindren van school af;
Speelgoed te koop;
Nichtjes tot gasten,
Money op zak;
Alle dag Zondag;
IJs en gebak;
't Kladboek in 't honderd,
Eens maar in 't jaar!
Drukte in de lommerd,
Handen in 't haar;
Vlooien en beren,
Bom-bam-muziek!
Lammen en blinden,
Duitser en Griek;
Paardrijderskunsten,
Olie en smeer;
't Woord van de zotten:
Dát zie je meer.
Wafelfriezinnen,
O, wat een jok!
Laat in de veren,
Ná loopt de klok;
Magen van streek af,
Harten nog meer;
Vrijers en vrijsters;
Zelden mooi weer;
Besjes van 't spinwiel,
Wevers van 't touw;
Ra, ra, wat is zij:
Meid of mevrouw?
Kantjes en kleedjes,
Kleur en vernis;
Loven en bieden --
Geld bij de vis;
Foezelberoerten;
Vauxhall en bal:
Jongens met zwermen --
Weet ik het al!
Pronkzucht en vitlust,
Meer dan wel past;
Schuld bij de bakker,
't Weekloon verbrast;
En wat verboden
Verder geschiedt,
'k Wil het niet zeggen,
'k Weet het ook niet.
Dof staan de blikken,
't Leven verstomt,
Weg gaan de kramen -
Wee wat nog komt!

 

Geschreven door Dora om 11:16 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten