Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

de hoveling

Een gedicht van Hermanus Asschenberg(h)  1726-1792

De hoveling

Een zekre koning maakte een jammerlijk gedicht,
En gaf 't een hovling, om te zien of 't wierd geprezen.
Dees sprak: wat weetniet, welk een zot, heeft dit verricht?
't Is een ellendig vers, niet waardig om te lezen.
De koning zeide: Ik heb 't gemaakt.  Hoe! gij, mijnheer?
Hernam de hoveling: 'k wil zweren, op mijn eer,
Dat gij 't met voordacht, dan zo slecht hebt willen maken:
Uw majesteit is toch bekwaam tot alle zaken.


1793

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

schitterende

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Schitterende starre

Ik zag een starre schittren,
Maar ’t was niet aan de trans;
’t Was in twee dierbre ogen,
Een starretje vol glans.

’t Betoverde en bezielde
Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd,
’t Spreidde in mijn blijde woning
Gods licht en vrede en vreugd.

Het blonk op al mijn wegen
Zo vriendlijk en zo zacht,
Een zonnetje van zegen,
Te morgen en te nacht.

Het blonk van heilge liefde
Voor zoveel goeds en groots;
Het scheen een licht des levens,
Maar ’t bleek - een boô des doods!

Dat was het Teringstarretje –
Beware Gods genaê,
Dat gij het ooit ziet schittren
In ’t oog van kind of gaê!

 

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

driekleur

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Verbleekte driekleur

Hoe is uw lief gelaat zo bleek,
Dat eenmaal zo vriendlijk kon blozen?
Ach, als de zuivre zonne week,
Verbleken de lachende rozen.

Hoe is uw voorhoofd nu zo dof,
Zo stroef en zo droef en zo duister?
Ach, als de wind ze sleurde in 't stof,
Verliezen de lelies hun luister.

Hoe staan die oogjes nu zo flauw,
In wenende wimpers verscholen?
Ach, drijvende in te kille dauw,
Besterven de blauwe violen.

In den Bloemhof

Geschreven door Dora om 22:50 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Nieuwe reis

De zilvren eilanden van Denemarken,
In 't zomers-vroege licht waar ik ze zag,
Lagen als perken in de waterparken
Waardoor ik voer bij 't opgaan van de dag.

Geen morgen was ooit lieflijker, ooit reinder.
Een pasgeslepen wereld toonde nog
In land en water en verborgen einder
Haar vreemdheid, maar geen aanvang van bedrog.

En ook wij beiden waren, bij 't beginnen
Van zulk een nieuwe reis, in hoop en schroom,
Als zonder zonde, als met gebade zinnen
Open naar 't waken en nog vol van droom.

Oorspronkelijk dichtwerk (1938)

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Eduard Brom 1864-1935

In zulk een nacht...

In zulk een nacht, - als waarvan Shakespeare zong
In 't toovrig beurtgezang 'in such a night',
Van 't stralende Venetiaanse spel, -
In zulk een nacht, waarvan dàt lied nòg klinkt,
Is àl de schoonheid van de klare dag,
Verinnigd en vertederd en de droom,
En àl de klaarheid van de schone nacht,
Tezaamgevloeid tot die betovering
Die is Venetië's ziel en innigst leven:
De wonder-tedere melancholie
Die aantrekt, aantrekt en niet los meer laat
En, waar zij smarten gaat, weer stil verijlt,
Uitvloeiende tot dromen van verlangen...
In zulk een nacht...

Geschreven door Dora om 16:56 Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van Marnix van Sint Aldegonde 1540-1598

Psalm 30

1.
Een Psalm Dauids, (welck is) een Liedt der wyinghe des huys Dauids.

2.
Ick wil met lofsang wel bequaem
O Godt verheffen dynen naem.
Want du my nae mijn toeversicht
Om hoogh' hebst weder opghericht,
End' hebst doch geenssins willen lyden,
Dat sick mijn vyant soud' verblyden.

3. 
O Heer mijn Godt ick riep tot dy
End' mijn ghesontheyt gaefstu my.

4.
Mijn leuen hebstu uyt het graf
Ghelost: want ick nam gheheel aff:
Ick was schier onder d'eerde bleuen
Als du my gaefst een nieuwe leuen.

5.
Godts uytvercoren al ghelijck
Looft Godt den Heer in hemelrijck:
Houdt in ghedacht'nis all' te saem
De weerde van zijn heyl'ghen naem:

6.
Want syne gramschap wort verswonden
End' gantz ghestilt in corter stonden.
Maer zijn ghenade, gunst' end' danck
Gheduert all' onse leuen lanck,
Daer uyt gheschiet dat druck end' clacht'
Des auonts t'onsent wel vernacht:
Maer als de daeg'raet is gheresen
Verthoont hem we'er een vrolijck wesen.

7.
Doet my al ginck na mynen lust
End' dat ick was in vred' end' rust,
Ick sprack: t'gaet nu met my te deg'
Ick sal niet struyck'len uyt de weg'.

8.
Du hadtst uyt gunst end' wel ghevallen
Mijn berg' ghesterckt met goede wallen.
Maer so haest als dijn aensicht werdt
Voor my ghebergt: versloeg mijn hert'.

9.
Ick riep tot dy met ancxt bevaen,
End' badt dy Heer ootmoedich aen.

10.
Ick sprack: o Heer, wat salt dy baten
Dat ick int graf werd' ne'erghelaten.
Soud' onder d'eerd' een leeflos stoff
Verbreyden kunnen dynen loff?
Oft dyne waerheyt maken kondt?

11.
Verhoor my Heer' tot deser stondt,
End' wil dy mijnr' ellend' ontfermen
Du sy mijn hulp, wil my beschermen.

12.
Du hebst ghewendt mijn rouw' end' leedt
In vrolijckheyt, end' my vercleet
In stede van een sack met vreugt.

13.
Op dat mijn tonge seer verheugt
Niet swyghe, maer dijn loff verconde.
Dies lou'ick dy Heer t'elcker stonde.



HUIDIGE VERSIE:

1.
Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel van David.

2.
Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.

3.
HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.

4.
HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.

5.
Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.

6.
Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

7.
In mijn overmoed dacht ik:
Nooit zal ik wankelen.

8.
HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg,
u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst.

9.
U, HEER roep ik aan
u, Heer, smeek ik om genade.

10.
Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?

11.
Luister, HEER, en toon uw genade,
HEER, kom mij te hulp.

12.
U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.

13.
Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen,
HEER, mijn God, ik wil u eeuwig loven.

Het boeck der psalmen Davids (1580)

 

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1976

Engelen

In de Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in de nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!

Dikwijls als ik had gebeden
Was 't, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik - en met heilig vrezen
Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Sonnet

De wereld is dezelfde; overal
De blauwe hemel en de grauwe steden,
Drijvende wolken en, daar vér beneden
De velden en de mensen; morgen zal
Deze aarde mij niet anders zijn dan heden
En dan zij gisteren was; en zonder tal,
Trekken bij zonneschijn, bij regenval
De dagen verder, als zij altijd deden.
Alleen, lief, waar wij vluchtige uren leven
Te zaam in immer wisselende vreugd
En zo grondloos verzonken in elkanders
Geluk, of de uren eeuwig bij ons bleven
Met prille glans van nooit vergane jeugd,
Is álles eender en is álles anders.

Beeld en stroom (1943)

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

peter

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

PATER  BIBAMUS

Al woon ik in het klooster,
van steen is mijn harte niet.
Wijn is mijn vertrooster,
vasten mijn verdriet.
Bibamus*, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Van alle goeie dingen
is 't beste nog de wijn.
Wil pater vrolijk zingen,
daar moet gedronken zijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Gij hoort, mijn stem is helder
als 't vocht in mijne kruik.
De sleutels van de kelder,
die rinkelen op mijn buik.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water,
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het schijnt u allen wonder,
hoe vol mijn wangen zijn.
Dat komt van rooie Bourgonder,
dat komt van gouden Rijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het staat niet in een boekske,
wat ik ten hemel bid.
Zet mij maar in het hoekske
waar vader Noach zit.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Al noemt men mij eerwaarde,
'k Maak u geen leugens wijs:
daar is een hel op aarde,
maar ook een paradijs!
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

-----------------------------------------
Bibamus - (latijn) laten we drinken

Nagelaten gedichten (1937)

Geschreven door Dora om 22:48 Reageer op dit bericht

planeet

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

De Planeet.

Blank-glanzende planeet
betuurt aandachtig weder,
strak-fonkelend en teder,
mijn stille avond-weg - alsof zij weet -
Gaat hare hoge baan,
blij-bezig, zeer verheven,
zelf wel vol moeizaam leven,
doch ziet men 't haar serene blik niet aan.
Stelt mij het hart gerust, -
zó hoog en zó ontzaglijk! -
Scheen 't al daar-even hachlijk,
mijn ziel nu glimlacht weer in milde lust.
Haar scherp gekijk behaagt
wie even klaar durft schouwen,
wiens blik niet zal verflauwen
door 't lastig leven dat hij lachend draagt.
Als zij, mijn glans-planeet,
draag ik een volk van zorgen,
toch vindt mij elke morgen
tot strenge gang in heldre vreugd gereed.
Wat bergt zij, wonder-ster,
voor vreemd, gestaltrijk woelen?
Kent zij mijn licht bedoelen?
Eens ken ik 't hare - als is zij nóg zo ver.

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten