Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

dieven

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

 Zag dieven uit mijn huis...

'k Zag dieven uit mijn huis met zak en pakken gaan.
Ik volgde ze wat ras en sprak ze zoetjes aan.
'k Zei, mannen, met verlof, wilt gij mij wel eens tonen,
dewijl ge mij verhuist, waar ik omtrent ga wonen?

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

boerendochter

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

 

DE BOERENDOCHTER

Zie, hoe zij met haar rokken zwaait,
De brede handen staan naar grijpen.
Reeds voor zij duidelijk gaat rijpen,
Weet zij waarom de wereld draait.

En daarom is zij zo onhandig
Met haar gebaren; en haar woord,
Ofschoon haar frisse mond bekoort,
Maakt knapen roekeloos losbandig.

Maar voor haar blik wordt ieder stil.
Plotseling is ze, uit steen gehouwen,
Een veldgodin met groot gezag.

Ze weet best wie ze hebben wil,
Maar neemt, als alle boerenvrouwen,
De jongen die ze hebben mag.

Kaleidoscoop (1927/1931-1936)

Geschreven door Dora om 12:25 Reageer op dit bericht

Alarmisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
  Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
  Je malen maakt me ziek.

Je duffe konversatie
Is ééne lamentatie,
  En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en snottert....
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
  D’ effektenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
  De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
  Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
  Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
  Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
  Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
  Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
  De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
  In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
  En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
  Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
  Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
  Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
  En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen....
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
  Is ver van amuzant,
’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk....
  En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
  Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeeren
En eeuwig redeneren
  Als kippen zonder kop!

1884

----------------------------------------------------

- alarmist: iemand die opschudding, onrust teweegbrengt
- podagrist: iemand die lijdt aan podagra (gewrichtsaandoening van voet- en teengewrichten)
- bankroetier: iemand die bankroet gaat m.n. wanneer daarbij bedrog gepleegd wordt
- smousen: bedriegers, sjacheraars
- metalliek: Oostenrijkse effecten waarvan de rente in muntgoud werd uitbetaald
- karikel: licht tweewielig rijtuig
- Louis Blanc: Frans politieker ten tijde van de Franse revolutie
- joppe: goed gekleed

 

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vodderij

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Is mij een vodderij

Is mij een vodderij gevallen uit de pen
(weet, lezer, dat ik al mijn vodden daarvoor ken):
ik sluit ze van mij af en laat ze liggen rotten.
Lang, lang na haar geboorte onthaal ik ze de motten
en val er met de keur van een vers oog op aan.
Bevalt mij 't kind dan nog als 't eertijds heeft gedaan
dan houd ik 't voor zo schoon als ik er een kan baren,
en breng het in de wereld. Er hoort een tijd van jaren
om de eerste blinde min die de geboorte gaf
haar ogen te openen met alle vliezen af.
Wij moeten elk onszelf als vreemdelingen lezen:
dan kan elk, en niet eer, zijn eigen rechter wezen.

Geschreven door Dora om 21:59 1 reactie Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Ik ben van u zo verre

Ik ben van u zo verre,
Ik waar bij u zo graag,
En zeide u alle de liefde
Die ‘k in de ziele draag!

Ik fluisterde u in de oren
Zo geren een enkel woord!
-ik zong het reeds duizend keren!
nog hebt gij het  nooit gehoord!

Ik zong het aan de rozen
Wel honderd, honderd maal –
Licht heeft het afgeluisterd
De wilde nachtegaal.

Ik zei het aan de oostwind
Die ’t aan de wolken bracht –
Ik zei het aan de sterre
In stille, diepe nacht.

O vogels, winden, bloemen,
Zegt heur dat woord toch niet –
Wie weet of zij niet spotte,
Niet lachtte om mijn verdriet?…

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

moritura

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moritura te salutat

Dit zijn Uwe wegen,
Ook de  mijne?  'k weet het niet, mijn God,
Al mijn wensen en begeerten zwegen.
Toen Gij tot mij spraakt, ik sprak niet tegen,
Ik aanvaardde Uw gebod.

Of mijn hart dit wilde?
'k Heb niet naar het schreien van mijn hart gevraagd.
Toen Uw glimlach mijne ziel doortrilde
En mijn glimlach gloren deed, verstilde
't Al in mij, dat schreit of klaagt.

Dit zijn Uw gedachten,
Ave, Heer, U groet die sterven gaat.
Dat het ja van hare stille nachten
En het amen harer dagen door geen klachte
Worde ontheiligd en geschaad.

-------------------------------------------------------
Moritura te salutat - Zij die gaat sterven groet U

Geschreven door Dora om 19:38 Reageer op dit bericht

laat

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Laat mij nog éénmaal...

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan die boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tussen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In die zo lieve tijd, toen, zonder blussen,
’t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef –
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koû des doods, mijn armen vrezen
In beven, hangende op hun laatste val.

Geschreven door Dora om 12:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Hermanus Asselberg(h)  1726-1792

vrouwen zijn geenszins mensen

Een liedjeszanger schreeuwde op straat, dat elk 't kon horen:
'Hier heb je nou 't bewijs, zo klaar als zonneschijn,
Dat vrouwen geenszins mensen zijn!
Eén oortje; koop! 't zal jou gewis bekoren.'

Dit maakte Griet en Trijn verwoed:
De toorn ontstak haar beider bloed:
Griet greep hem aan en zeide: 'ô Guit! men zal jou leren
De vrouwen naar haar waarde te eren.
Zijn wij geen mensen? schurk! waar ziet ge ons dan voor aan?
Kom, Trijn! laat ons hem straks de kop te plettren slaan'.

Hij, ziende, wat 'er, door haar dolheid, zou geschieden,
Riep hard: Ik hou het uit dat zij geen mensen zijn:
''t Zijn engelen, in mensenschijn!'
Elk lachte; en deze trek deed hem haar woede ontvlieden.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

woordjes

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

O woordjes mijn...

O woordjes mijn, wat moet 'k u dankbaar zijn!
Waar zijt gij toch, waar komt gij toch vandaan?
Gij kunt altijd mijn heerlijkheid verstaan,
Veel beter dan ik denken kan in mijn

Klein geestje: kom, laat ik u bidden aan,
Want telkens als ik bidden durf: verschijn!
Komt gij rondom me als vlinderkens zo rein,
En licht, en wit, zó komt gij rond mij aan.

En zó ook nu, nu ik u murmlend roep,
Komt gij rondom mij fladderend zo zoet,
Mijn lippe' en wangen strelend, lichte troep,
Als werd gij altijd uit mijn hand gevoed,

En toch, och alle menschen konde' u lokken
Maar enkelen, wie gij laat zó met u jokken.

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

DE VERTOORNDE DICHTER

Hoe haatlijk is 't Publiek omtrent mijn lettervruchten!
Ik schonk het reeds een trits van welbekookte kluchten,
En, nochtans, 't lachte niet! maar 'k loer nu weer op wraak:
't zal boeten voor zijn grillen,
Ja, lachen zal het, 't moog dan willen of niet willen,-
Daar ik een treurspel maak.

Gedichten (1823)

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten