Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

eeuwelingen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

 

EEUWELINGEN

Gedaagde, bodemvaste bosgenoten,
bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang,
boom wete; en zo hoge als nu geschoten,
gezien hebbe, op zo menig wandelgang;
wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!

Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
beuken, op wel twee drie vamen naar,
vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken,
noch meten uwe stam, die, machtig zwaar,
die machtig diepe staat, de grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.

Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele
vreze mij het hert des herten slaan,
hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele
gedaver van de winden dóór u gaan!...
Gij spreekt dan tegen hen zo'n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!


9/2/1897

Rijmsnoer (VI Zomermaand)

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

mysterie

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Mysterie

Soms luister ik lang naar het zwijgen
Van die donkre viool, mijn hart,
En scheemring na schemering zijgen
Door een stilte die sluimert en mart.

Doch eindlijk begint het te trillen,
Of een zucht langs de snaren streelt,
Of een enkel met liedren te stillen
Verlangen er droomt vóór het speelt.

En een mijmring van tonen zingt éven
Uit de stilte, als de huivrende geest
Eener geur die schaduws deed beven...
Maar mijn ziel is vervúld geweest.

En hetgeen in haar duister blijft hangen,
Een levende smart schoon ze zwijgt,
Is de snik van een eindloos verlangen
Uit een droefheid die woordenloos hijgt.

Gedichten - Het ronde perk(1917)

Geschreven door Dora om 22:47 1 reactie Reageer op dit bericht

avondromance

Een gedicht van Adiraan van der Hoop 1802-1841

Avondromance

Het laatste geflonker
Der zonne ging ter rust;
De beek is door ’t donker
In sluimring gekust;
Maar ’t zwijgende duister
Toont lieflijke pracht:
Want de aard groet uw luister,
Vorstinne der nacht!

Geen nevelen betrekken
Uw Goddelijk schoon;
Geen schaduwen dekken
’t Azuur van uw troon.
Vol glans zijn de blikken,
Waarmee ge op ons staart,
En ’t oog komt verkwikken,
Vriendinne der aard!

Doe lichtstralen wieglen,
o Zilvren Planeet!
Doe ’t stroomvocht weerspieglen
De glans van uw kleed.
Blink vrolijk: want de ogen
Van haar, die ik min,
Begroeten bewogen
U, Nachtkoningin!

Lente en Herfst (1842)

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

wenen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Wenen

Ha! beklaag hem, die gevangen
Onder 't wegen van de pijn,
Niet en kan een trane ontvangen,
Wenen en gelukkig zijn!
Arme schaap! hoe moet het lijden
Door en door zijn herte snijden
Daar het blijft in barensnood
Van de bittre vrucht ontbloot!

Tranen, bittre vrucht des lijdens,
Drank die 't smachtend herte laaft,
Zaad der vreugde en des verblijdens,
Die God zelf verlichting gaaft,
Toen, nog wandlende op de wereld,
Menige uur, Zijne oog, bepereld
En met droefheid overlaên,
Stortte aanbiddelijk getraan.

Tranen, als bij noenestonde
't Blussend reegnen op het kruid,
Als de perel die de wonde
Van 't gekwetste pijnhout sluit,
Als de frisse navondkoelte
Na de hete zomerzoelte,
Zoeter, ja, veel zoeter nog,
Zijt gij, bittre tranen, toch!

Dank o Heer, die mij ontsloten
Hebt de bronne van 't getraan,
Die 'k zo dikwijls heb genoten,
Dikwijls er naar toe gegaan:
Moet het krimpend alsemdrinken
Vriend of vijand mij nog schinken,
Geef mij, anders niet, o neen!
Geef mij dat ik tranen ween.

Stroom van droefheid, eedle tranen;
Bittre beken des geweens,
Hoe kunt gij de wegel banen
Tot vertroosting, wat gemeens
Hebt gij, dreuplen van de smerte,
Met de honingdauw des herten?
Waarom, als ik lijden moet,
Zijt gij, tranen, toch zo zoet?

God-zijn wegen zijn verholen,
Als Hij zalfkruid wassen doet
Waar de slange zit verscholen
Die de wandlaar bijten moet:
Dank aan Hem, aan Wie 't bekend is
Of er mate in onze ellende is.
Dank aan die 't geween daar van
Met het wenen troosten kan!

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

moord

Een gedicht van Edgar du Perron  1899-1940

De nieuwe moord van Raamsdonk

Men had de man vermoord, hij was
bezitter van een hoeve.
En toen zijn jonge vrouw vermoord,
die hulp had willen roepen.

En toen hun dochtertje vermoord,
van even zeven jaren.
Haar bedje was doorweekt van bloed,
haar peluwtje vol scheuren.

Ten slotte nog de hond vermoord,
de hond had scherpe tanden.
Een groot portret van de andere drie
stond schrap in alle kranten.

De vrouw was ietwat krom, de man
besnord, kaal, bruut van poten.
Het meisje had de fronsblik van
beginnende idioten.

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

IK BEN GEEN VADER EN IK HÈB GEEN ZOON

Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.

Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.

Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.

God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.

-----------------------------------------------
eerste gedicht uit de cyclus: De gedroomde zoon

Geschreven door Dora om 16:58 Reageer op dit bericht

muggendans

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenburg 1808-1869

De muggendans

Waar 't voetpad langs de heining vlucht
Door beemd en weide heen,
Daar zit ik soms in de avondlucht
Gans stillekens alleen.

De krekels zingen daar in 't gras
Hun allerschelste toon,
De muggen vinden wis de bas
Dier zangren wonderschoon.

Zij draaien, zwaaien blij vergaard
In 't dalend hemellicht,
Zij ruisen, kruisen dicht geschaard
Voor mijn verrukt gezicht.

En blijdschap hier, en vreugde daar,
Men ziet het iedre dag;
Des stem ik nimmer de eigen snaar
Op somber wee en ach.

En zingt en springt in 't zoel getij
De krekel en de mug,
Krioelt en woelt de schepping blij,
Dan blijf ik niet terug;

Dan vest ik buiten mijne woon
In 's hemels bloemenhal,
Dan zing ik ook mijn schelste toon
Door 't eenzaam vreugdedal.

Geschreven door Dora om 22:17 1 reactie Reageer op dit bericht

thuisreis

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Op de thuisreis

In het stergedoofde Zuiden,
In het vroeg ondiepe licht
Bleekt een grote wassen maan,
Als een droom niet meer te duiden,
Een verduisterd zielsgezicht
Door de dagen met ons gaan.

Naar het Oosten reikt mijn reizen,
Waar de diepe horizon
Achter donkre heuvlen brandt:
Van hun toppen zie ik rijzen
Straks de stille gouden zon
Over 't onbegrensde land.

Weinig lange weken straalden
Zon en maan voor oog en voet
Vreemde paden schoon en licht -
Nimmer week wat rees of daalde,
Aan de kimmen van 't gemoed
Weerglans van uw aangezicht.

Eer een tweede zon zal stijgen,
Nacht de komst der maan vermoedt,
De eerste ster door 't donker bloedt,
Zien mijn ogen weer ziels eigen
Vaste zon, uw oog doorgloed
Van het licht dat ebt noch vloedt!

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

sterkste

Een gedicht van J.J.A. Gouverneuer 1809-1898

 

Het sterkste

Sterk is-wie zal het tegenspreken?
De Steen; doch ’t IJzer kan hem breken.

Sterk is het Ijzer; maar het zwicht
Toch voor de laaie Vuurgloed licht.

Sterk is het Vuur; doch ’t moet bezwijken
En voor de kracht des Waters wijken.

Sterk is het Water; maar, hoe sterk,
De Wolken trekken ’t op in ’t zwerk.

Sterk zijn de Wolken; doch de vlagen
Des Stormwinds kunnen haar verjagen.

Sterk is de Storm; maar hoe hij woed’,
De Man spot met zijn overmoed.

Sterk is de Man; die wonderwerker;
Maar toch is vaak de Wijn nog sterker.

Sterk is de Wijn; maar, hoe vol kracht,
De Slaap verwint hem door zijn macht.

Dus moogt ge op Sterkte u niet verheffen;
Iets anders kan u overtreffen.

Geschreven door Dora om 23:20 Reageer op dit bericht

gevoel

Een gedicht van Isaac Da Costa 1798-1860

Gevoel

O! wie beschrijft mij 'tgeen gij zijt,
Gevoel van 't kloppend harte!
Wiens werking vaak de ziel verblijdt,
Maar meer nog klemt in smarte!

Gij, mijner dichtkunst ziel en doel!
Gij zijt de bron mijns levens!
Maar, overweldigend gevoel!
Die van mijn sterven tevens!

Gij zijt de onwederstaanbre gloed,
Die mij tot dichter maakte!
Die in mijn rusteloos gemoed
Sinds de eerste kindsheid blaakte!

Gij zijt die min, wier zaal'ge smart
Mijn eerste zuchten riepen,
Toen in 't nog pas ontluikend hart
Der driften stormen sliepen.

Gij zijt die zucht naar hoger lust
Dan van een nietige aarde,
Waardoor 'k mij-zelve ben bewust
Van een verheev'ner waarde!

Gij zijt, 'tgeen mij verbindt met Hem
Voor wie de Serafs knielen!
Gij zijt de weergalm van Zijn stem
In onze doffe zielen!

Gelijk de poging van het kind,
Dat zwikt bij iedre schrede,
En ieder stond zich hulploos vindt!
Zo is de kracht der Rede!

Maar als gij onze stappen leidt,
Gevoel, van God gegeven!
Zo snellen wij ter zaligheid,
Door 't stormen heen van 't leven!

'k Wil op mijn Rede, zwak en koel,
Mijns levens hoop niet bouwen!
Mijn krachtig, brandend zielsgevoel!
Op u wil ik vertrouwen!

Hetzij gij vreugde brengt of smart,
En sterven doet of leven,
Aan uwe invloed wil mijn hart
Zich eindloos overgeven!

'k Wil naar uw toverend gebod
Beminnen, zingen, loven!
En 't oovrig van mijn levenslot
Verblijve aan God hier boven!

Doordring het stof, dat mij omkleedt!
Dooradem en beziel het!
Of, is uw ademgloed te heet,
Ontzie niet, en verniel het!

Te sterven op het veld van eer
Is echte krijgsmansglorie!
De dood heeft niets verschriklijks meer
In de armen der victorie!

Maar ook de priester van het schoon
Laat zonder leed het leven,
Wanneer hij in zijn laatste toon
Zijn laatste zucht mag geven!

Geschreven door Dora om 19:54 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten