Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

bazar

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Specerijen-bazar.

Dromend gaan door de specerijenstraatjes.
De huisjes zijn van zoete geur doorstoofd.
Het wolkt uit dozen, balen, kast en laadjes
Ene bedwelming om mijn zalig hoofd.

Kwatrijnen (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

perlgrim

Een gedicht van Geert Gossaert 1884-1958

De stervende pelgrim

Wanneer, in 't moordend licht, te midden der woestijnen,
De moede karavaan van wrede dorst versmacht,
Ontschuilt ze, in 't zand gehukt, 't alzengend zonneschijnen,
En beidt, in lome slaap, de koele wind der nacht.

Maar dan, met d'eerste ster, herrijst ze en staat reisvaardig:
De lendenen omgord, de kemelen belaên...
Alleen één schaamle pelgrim voelt, ontzet, wreedaardig
De onmacht, als een boei, zijn lamme lende omvaên.

Wel, als in diepe droom, hoort hij van ver weerklinken
Het koperen signaal dat 't uur der afreis meldt,
En rijst...maar valt..., rijst wéér..voelt zich zijn krachte' ontzinken...,
En zijn berusting wéét zich tot de dóód geveld.

En langs zich, zwart fantoom, ziet hij de stoet verdwijnen
In 't melken licht der maan en, 't oor in 't zand geleend,
Hoort hij, een dof gerucht, der kem'len draf verkwijnen,
En heft zijne ogen op naar d'eenzaamheid, en wéént.

Zó al de bange nacht. Doch als de heuvlen vangen
De matte mauve gloor van 't rijzend morgenlicht,
Verheft hij, eerst, naar 't oost, de stad van zijn verlangen,
Nog eenmaal, en voor 't laatst, 't aanbiddende aangezicht.

Maar dan, met zijne huik, aleer, na weinige uren,
'T delirium der dorst hem zijn verstand verdwaast,
Verhult hij zijn gelaat voor 't fel geloer der gieren,
Wier geilheid op de buit van stervende ogen aast:

De dichter, met een wijle van woorden saamgeweven,
En rond zich als een waas van weemoed uitgespreid,
Verbergt, voor het gemeen, de waarheid van zijn leven...
Het smartelijk gelaat van eige' ellendigheid.

Experimenten

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

vergelding

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Vergelding

Ik ben gelukkig wijl ik mezelf 'n anders mens heb gevonden
die mij tot nog toe als een onbekende was;
hij heeft geleefd ver weg en komt nu ongeschonden
te voren in de Herfst, die voor mij als de schoonste Lente is.

Niet lang geleden
was een volmaakt sceptisch man te worden, mijn ideaal;
alle hartstocht vergeten,
het leven kalmpjes wegen en meten,
zijn enkel cerebraal,
en als een oud man, geheel bewust,
doden elke woeste levenslust.

Dikwijls heb ik tot mezelf gezegd:
Paul, je weet, het leven is niet goed, het is niet slecht,
het is slechts gewoon, gewoon door en door,
als het werk op je kantoor.

Je moet niet veel van het leven verwachten,
je moet ook niet naar dood-zijn trachten,
heel gewoon, zonder slag of stoot,
zonder dat je geleefd hebt, komt de dood.

Maar het leven heeft als 'n moeder, goed,
een hoorn van ik-weet-niet-wat-overvloed
over het hart van de verloren zoon
gestrooid, - zijn ondankbaarheid ten loon.

Ik ben zó blij, ik weet niet wat ik doen moet,
het is Herfst, en 't is mij of ik slechts kende
het eerste stralen van een nieuwe Lente
in een tere, gele gloed.

Ik zou willen lopen en elk mens
die voorbijkomt, door de lens
van mijn geluk doen kijken.

Ik ben zó blij, wijl het leven
mij ook gegeven
heeft de korte angst van 't pijnlijk wachten
op de welbeminde. En dag op dag
die 'k vroeger vlieden zag
in dorre eentonigheid, wordt tot een schaterlach:
zonnebundels van geluk.

Gedichten (1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

kameraadschap

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

Ik die had kameraadschap uitgegeven

Ik die had kameraadschap uitgegeven
tot levenswachtwoord in mijn jong getij,
ik word nu door de makkers uitgedreven
en kan geen schred meer houden met hun rij.

Er is geen plaats in het broederlijk leven,
bij 't volk der makkers is geen plaats voor mij:
nu moet ik mij in d'eenzaamheid begeven
en hullen in herin'rings grauwe pij.

Daarom omfloerst nu waas van smart mijn ogen,
ik zie mij door de leege jaren zwerven
die liggen voor mij een verlaten veld;

en zie de bronnen van mijn kracht uitdrogen,
mijn hart verdorren in dit levend sterven:
ik had mijn zaak op broederschap gesteld.

De vrouw in het woud (1912)

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

vergiftigd

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Vergiftigd.

Gelijk een vrouw, die weerkeerde over zee
Naar 't vaderland, en zich verkwijnen voelt,
Wijl slopend gif haar traag door de aadren woelt
- Ga waar zij wil, haar smarten neemt zij mee! -

Draag ik de pijn, waar vaak mijn zang op doelt,
Diep in mijn borst en 't rooft mij vreugde en vrêe.
Weer kruipt en knaagt mijn welbekende wee,
Weer vlamt de vuurgloed, die geen zucht verkoelt.

Ik zeilde ook eens naar 't verre dromenland
En toefde een poos, doch mocht niet lang daar zijn.
Droef toog ik heen van 't zegenrijke strand.

Sloop daar een slang? Was daar de lucht venijn?
Verried me een vriend? - O wist ik welke hand
Die druppel gif goot in mijn levenswijn!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

baanvegerslied

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858

  

Baanvegerslied

Leg reis aan! leg reis aan!
't Leven is een gladde baan.
Bittere borrels of melk en saffraan!
- Vegertje, bind mij mijn schaatsjes eens aan. -
'k Heb het voor grotere lui wel gedaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan!

- Vegertjelief, hoe leg ik het aan?
Vegertje! 'k ben hier voor 't eerst op de baan. -
Wil je niet zitten, dan moet je maar staan,
net als je 't daaglijks in 't leven ziet gaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan.
't Leven is een gladde baan.
Bitter en zoet uit eenzelfde kraan.
Leg reis aan! leg reis aan!

De gedichten van De Schoolmeester

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Julius Vuylsteke 1836-1903

  

Studentenlied.

Waar treurige blokkers in hun cel 
voor 't schrikkelijk examen waken,
en zich van 't zoete leven een hel, 
ja zich een helle van 't leven maken,
wij, minnaars van het blijde lied, 
daar zijn wij niet! 

Maar klinkt aan ons oor een feestakkoord, 
een vreugdig en ongebonden zingen,
een schaterlach, een geestig woord, 
een luid en prikkelend stopselenspringen,
Studenten, vrolijk, jong en blij, 
daar zijn ook wij! 

Waar knorrige mannen koud en stijf 
van wijsheid en bedaardheid spreken
aan alwie het dwanghemd om zijn lijf, 
de keten aan zijn hand - wil breken,
wij, minnaars van het vrije lied, 
daar zijn wij niet! 

Maar komt tot ons een vrije stem, 
een stemme uit mannenborsten gesprongen,
die roept met vaste, stoute klem: 
‘Vooruit! het oude pleit voldongen!’
Studenten, moedig, jong en vrij, 
daar zijn ook wij! 

Waar uit den hoge ‘waarheidstoel’ 
dweepzucht, bijgeloof en logen,
als kwade dampen uit een poel, 
over het aardrijk komen gevlogen,
wij, minnaars van een eerlijk lied, 
daar zijn wij niet! 

Maar waar de Rede haar' rijken vloed 
uitstort in brede, heilzame plassen,
waarin eenieder zijn dorst voldoet 
en de oude smetten weg kan wassen,
Studenten, van vooroordeel vrij, 
daar zijn ook wij! 

Waar kindren van den vreemde trant 
eigen kracht en licht vernielen,
en 't innig eergevoel van het land 
voor vreemde mode of macht doen knielen,
wij, minnaars van het Vlaamse lied, 
daar zijn wij niet! 

Maar ruist de Vaderlandse zang, 
en drukken handen andere handen,
en wederklinkt de glazenklank 
op 't heil der oude Nederlanden,
Studenten, jong, en Vlaams, en vrij, 
daar zijn ook wij!

Uit het studentenleven en andere gedichten (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

de maat

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

De Maat

Er is geen maat die ik in u niet vind.
Gij zijt de berg en gij zijt ook het grein,
Gij zijt de aardwoning en het hemelplein,
Gij zijt de vader en gij zijt het kind.

Ik heb mijn ogen die u zien, maar blind
Zie ik u ook: in mij het bloedgedein
Is zozeer u als de eindeloze trein
Van vormen, die nooit eindt en nooit begint.

En 't vormenloze is u - niet vormeloos
Maar reinste maat van vormen-mooglijkheid -
Ik ben daarin, een kern, gezaaid door u.

Zo is van u tot mij geen toen, geen nu,
Geen rechts, geen links, maar volheid mateloos,
Die ik - maar droom te zijn, doch die gij zijt.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:17 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1735-1813

De klagende vrouw

Wijs: Meent gij, dan jonge, Lizette!



Heeft er iemand stof tot klagen,
Ik heb daar wel reden toe, 
Want mijn man komt alle dagen
(ô Wat ben ik droef te moe) 
Als eens slet langs straat gestreken,
'k Heb al lang weer uitgekeken,
Maar hij komt hij komt nog niet.
Ach wat doet hij mij verdriet.
Ach wat doet hij mij verdriet.  

Door 't verlopen van de nering
Raakte hij eens van het pad, 
Dat ik juist ook mijn vertering
Niet heel nauw genomen had. 
't Ergst van alle de ongelukken,
Die daardoor mijn huis nu drukken.
Is, o bittre boezemsmart!
Dat ik knaging voel in 't hart.
Dat ik knaging voel in 't hart. 

ô Wat hoor ik daar een leven,
Om het hoekje van die straat, 
'k Zal mij daar eens heen begeven,
Pieter ach! wat wordt het laat. 
Goede Hemel! kan ik 't dragen,
Ach! mijn Pieter op een wagen.
Vast gebonden als een zwijn.
Mocht ik de oorzaak maar niet zijn.
Mocht ik de oorzaak maar niet zijn.

Volks-lieden-boek (1785)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:20 Reageer op dit bericht

verzuchting

Een gedicht van Pieter Boddaert 1766-1805

VERZUCHTING

'k Heb lang genoeg geleefd, indien 't u mocht behagen,
Vrijmatig Heer, die eerst mijn ziel in 't lichaam zond,
De enge band, die hen zo lang te samen bond,
Te ontbinden, en een end te maken van mijn dagen.

Maar zo gij rekenschap van mijn bedrijf zou vragen,
Sloot angst en schaamte mij gewis de bange mond,
Bewust, dat ik de tijd, die gij mij hebt gegond,
In mijne jeugd heb aan de wereld opgedragen.

'k Heb naderhand ('t is waar) mijn mannelijke tijd
(Gestuit door uw genâ) wel aan uw dienst gewijd,
En 't heil omhelsd, aan 't kruis door uwe Zoon verworven;

Maar noch kleeft mij, helaas! de zonde aan, tot mijn smert.
Och, Heer, wees gij mijn Borg! verlos mijn zuchtend hert!
Hij leefde lang genoeg, die zalig is gestorven.


18 dec. 1757.

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten