Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

kind

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Het geredde kind

‘Gij kunt niet raden met wat liefde wonderbaar
De grote diepe zee ik minnen moet,
Sinds, vader, gij met eigen lijfsgevaar
Mij opbracht uit haar vloed.

En dagen lag ik, niet, zo stil alsof ik sliep
Achter gordijngedonkerd raam
En hoorde niet of moeder riep
Mij bij mijn eigen naam? -

Hoe kan ik anders dan gelukkig zijn
Bij dit geluk dat uit uw ogen lacht
Zo teer dat nimmer zonder tranenschijn
Het wordt herdacht?

Maar o de zee en o de droom
Waar ik mij nog niet op bezinnen kon,
Maar waar ik weg uit kwam zo traag, zo loom,
Juist toen het mooist begon!’

Gegeven keur (1942)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

ouderdom

Een gedicht van L,P Vooys 1875-1855

 

Mijn ouderdom is rijp om uit te spreken

Mijn ouderdom is rijp om uit te spreken
het diepste wat mijn hart ervaren mocht, en toch -
toen ik voor 't eerst naar rijmen zocht,
was één uur rijker dan nu reeksen weken.

De kracht, waarmee 'k als jongen dwalend vocht,
is nu gestaald, en vaak vertrouwd gebleken; en toch -
nu ik mijn hart wil openbreken, faalt mij de macht,
die jeugdzang samenvlocht.

Ik heb gewacht en mijn geduld beproefd,  
van dag tot dag in onverzwakt vertrouwen,
tot eens de zang - hoe lang zij in mij toeft
zich als een rijpe bloei zal openvouwen.
Hoe werd ik daaglijks meer en meer bedroefd
dat week de lust om woorden op te bouwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De sprakeloze rust

Gelukkig, die de stilte kent,
Die, als de avond zinkt,
De beker van vergeten drinkt
En zich van 't leven wendt;

Die mede met het licht bezwijkt
In 't kleureloos verschiet,
En kleureloze dingen ziet
Waarin de wereld wijkt.

Gelukkig, die geen luid gebed
Meer op de lippen heeft,
Die niet meer mee dit leven leeft,
Doch, als een beeld op bed,

Zijn vingers om zijn vingers vouwt
En zich het harte blust,
Waarop de eindeloze rust
Haar piramide bouwt.

Gelukkig, die geen licht of lied
Of leven meer verbeidt,
Die luistert naar de Eeuwigheid
En in de hemel ziet!

Uit stilte en strijd (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

kliniek

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener 1881-1941

Kliniek

Die bleke wangen, levens laatste schans,
'n vege strijd nog en 't is al gevloden.
Vlucht dan dat éne ook, zo grif geboden,
Schuchter aanvaard - slinkt dan voorgoed haar glans,


als zonk van 't laatste rood de laatste vaan?
Moet ook dat éne - eerst in schroom gemeden
en toen gedeeld en fluisterend beleden -
met het verwonnen leven ondergaan?


Klinkt weer, ontroostbaar diep, verlangens-roep?
Roffelt fluwelig-ver een spook-cadans?
Wat wekt opnieuw de afgestreden troep?

Verzet en aanval weten niet van wijken
Nog krampt de hoop zich aan de laatste kans:
Een ijle grens tussen twee koninkrijken.

Silvedene - Liefde (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

dialogue mystique

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Dialogue mystique

Komt ge zo laat tot mij? de dauw
Der nacht dampt uit uw donkre kleren.
Wilt ge den jammer van dit uur vermeêren,
Dat bitter is van wroeging en berouw?

Ik ben om u de woeste weg gegaan,
Door wildernis en doornige valleien.
Ik hoorde u, hopeloos, om deernis schreien ...
Laat ge mij voor gesloten deuren staan?"

'k Vermoedde uw komen door den nacht,
En vrees de marteling van uw vergeven,
Want ik kan toch niet naar uw liefde leven.
Wat staat gij voor mijn woon en klaagt zo zacht?

Laat ge mij wreed ter deure staan?
Kunnen mijn handen u niet teder helen?
Mag ik den weedom van uw haat niet delen?
Maakt dan mijn liefde uw kwaad niet ongedaan?

Ik riep u niet. Ik heb mijn hart
Verboden aan uw hoge heil te denken,
Want al begeren, wàt gij mij kunt schenken,
Moet ik verliezen, en geeft dubble smart.

'En als ik allen hoon vergeet?'
Ga ik u nieuwe krenkingen bereiden.
'Wilt ge dan, dat wij van elkander scheiden?
Wilt ge dan scheiden? en gij noemt mij wreed?'

Ach, Heer, ik weet niet, wat ik wil.
Mijn hart heeft liefde en alle hoop verloren.
'Open uw deur ... ik min u als tevoren.
Open uw deur ... ik maak u goed en stil!'

Maar ik ben arm! 'Ben ik niet rijk?
Heb ik geen brood en wijn voor vele malen?
Uw hoofd aan mijne borst, zal ik verhalen
Van al mijn schatten en mijn heerlijk koninkrijk.'

'Ik ben zo verre weg gegaan …'
Zo kom dan in mijn woning rusten,
Ik bied de hijgingen van al mijn lusten.
En mijn berouw... 'en ik neem alles aan.'

De overgave (1914 - 1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:14 Reageer op dit bericht

schijn

Een gedicht van Fracois Pauwels 1888-1966

Schijn

Zo gij mij ziet,
zo ben ik niet,
't is schijn, 't is leugen:
bij u, lief kind,
te droef bemind,
moet ik wel deugen.

Uw fantasie
is goudglans, die
m' een zon doet lijken;
dat maakt mij bang
want, ach, hoe lang,
op eens zal blijken,

dat g' op uw wens
een ander mens
hebt doen verrijzen,
een mens die leeft
en waarheid heeft
slechts in gepeinzen,

dat g' aan mijn beeld
hebt toebedeeld
te grote schoonheid,
en dat uw droom
zinkt in de stroom
van mijn gewoonheid.

Maar wil dan toch
niet aan bedrog
of aan komedie denken,
want aan uw zij
moest ik van mij
wel 't allerbeste schenken.

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

fernando

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Fernando de Noronha

De vinger Gods - een steile, plompe rots
Staat op 't genaadloos strak azuur gericht.
De ballingen op deze bruine schots
Zijn ook gevangenen van zee en licht.

Ontsnappingspogingen mislukken steeds,
Het vasteland is duizend mijlen ver;
Wel zijn drie hunner, vroeger, zeilend er
Geland, maar als verdorste lijken reeds.

Nooit heb ik in de neevlen van het Noorden -
Die winters dempen weiden, sloten dicht,
Waarin wanhopige boeren zich vermoorden,
Door Godsdienst en Geweten streng gericht -

Bevroed dat er een land van zonneschijn,
Waar ook de dorste rots bloei moet ontvangen,
Zo godvergeten desolaat kon zijn
Dat het naar 't land der wolken doet verlangen.

Een eiland, wel voor eeuwig vastgelopen
In de staalblauwe harde hemelkring,
Een ballingschap die niets meer heeft te hopen
Van een aardbeving of omwenteling.

Soleares

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

blijde

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Wij zullen blijde zijn

Wij zullen blíjde zijn... De bomen blozen
van vruchten. En ons hoofd is schoon als duizend rozen,
nu we overvloedig zijn van zwenkend zomer-bloed...
o God, God, ik en kende U niet, en was verlóren;
maar nu ge Uw adem door mijn adem deinen doet,
is Uw gedaante menig-voud in mijn herboren,
'lijk, beken-veel door 't barstend lente-land, een vloed.

- Ik ben geheel; ik wéet U; en mijn dromen
zijn gaanderijen voor Uw stem. En heel mijn lijf
is 't duizel-ruisend huis en eindloos-wijd verblijf
waar Uwe zomerheên als vaarten vreugd door stromen.
Want thans is zomer zwaar der daden van Uw Daad,
en 'k voel, ik die gelúkkig ben, hoe door de bomen
bremstig Uw godd'lijk sap naar bast en blaêren slaat.

Het vader-huis (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

in

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

IN VLAANDEREN.

Waar was men vrij toen alles boog?
                In Vlaanderen!
Waar leefde 't volk ‘dat niet en boog?’
In Vlaanderen!
Waar was men vrij toen alles boog?
Waar leefde 't volk ‘dat niet en loog?’
In Vlaanderen, ons Vaderland.

Waar leefde 't vrije kerelsdiet?
Waar klonk des klauwaarts zegelied?

Waar leeft een volk nu zonder taal?
Waar leeft een volk van apen kaal?

Waar woont verbastering en smaad?
Waar 't volk dat zich vertrappelen laat?

Waar is het dat de Vlaming zwicht?
Waar spuigt men in zijn aangezicht?

Waar zucht een volk zijn zwanenlied?
Waar sterft een groot en edel diet?


Febr. 1876.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

sinds

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

Sinds ik u álles gaf, ál wat ik ben

Sinds ik u álles gaf, ál wat ik ben,
En thans in ú mijzelve heerlijkst vind,
Wat klage ik dan, daar gij een andre mint,
Daar ik me, als de uwe, eraan meêplichtig ken?

En daar ik ú ben, ben ’k dan niet verblind,
Zo ’k op u toorn en dus mijzelve schen?
En me aan úw liefde zoveel minder wen
Dan aan mijn eigne, die ons zó verbindt?

Moet ik niet vinden dat gij rijker zijt,
Daar ge ál die liefde in u alleen vereent,
En blij zijn dat ’k uw rijkdom met u deel?

Zou ’t mij niet winst zijn dat ’k in ú altijd
U min èn mij èn hem, om wie gij weent,
Drieën in één en d’éne reeds zoveel.

Van de liefde die vriendschap heet (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten