Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

geloven

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Geloven doe ik niets als slechts in mijns

Geloven doe ik niets als slechts in mijns
Diepst-innerlijke voelens Algemeenheid, 
Die niet voor niets zo jammerlijk weg heen zijt 
In eignen Zijn's, door niets aantastbare Eenheid,

Maar boven alles in God-zelf, die Zijns
Al-oppermachtiglijkste Wils geween leit 
In dit arm kind, dat niets dan iets heel reins 
Bedoelt tegenover al die Gemeenheid

Van der mensheid aller-afschuwlijkst kleinst
Gedoe om wat, wie weet dat, weet dat? dan wie 't fijnst, 
Willen en doen kent, dat daar als een steen leit 

Op 's Levens weg, Uw Zelf, tot ge eens gedeinsd 
Wel hebben moetend, op een drafje heenrijdt, 
Waar ieder eenmaal als een koud gebeent leit.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

les

Een gedicht van J.F Werumeus Buning 1891-1959

Les

Men moet de dichters niet veel vreugd vermaken;
Laat ze wrang worden tot ze heilzaam zijn,
Als kruidendranken die genezend zijn;
God geeft hen 't zoet eerst als zij bitter smaken.

Voert men de jachthond vet, hij jaagt niet meer.
De vink zingt beter als hij is verblind.
Niet zonder tucht krijgt men een man van 't kind.
De nachtegaal met vol nest zingt niet meer.

Wat heeft men aan de zachtere gezangen
Die ieder zingen kan? Met straffe maat,
Met teugel en met trens regeert men 't kwaad.
Houd dichters niet in liefdes kooi gevangen;
Stuur ze in ijskoude lucht. De zwaluw keert
Sterker terug, als ze over zeeën scheert.

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

aarde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Uit de donkere aarde  ...

Uit de donkere aarde 
Komt op het licht,
En het Heelal zweeft in het licht
Der Liefde. 



Gij ligt in 't licht der Eeuwigheid,
In dat licht, dat zich om ons breidt,
Zweef ik. 



O niet van mij het licht,
Dat zich over u breidt, 
Het is, het is het licht
Der Eeuwigheid. 

O niet van u het licht,
Dat zich uit u verspreidt, 
Het is, het is het licht
Der Liefde der Eeuwigheid. 
Gij ligt daarin,
Ik zweef daarin.

Liedjes

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Aart de Leeuw 1876-1931

DE WERELD

Hij hield de handen voor 't gezicht,
Hij dacht door tranen te verstaan,
En in dit duister, diep en dicht,
Zag hij de bonte wereld aan;

Hoe blonk het goud, hoe rees de stad
Gehorend opwaarts voor het blauw;
Wie ooit gezocht had en bezat,
Hoe maakte rook zijn vensters grauw.

Hij nam de handen van 't gezicht,
En Mei liep lieflijk langs het land,
Er scheen een ander, reiner licht,
En groen ook werd het naakte zand,

Het leek eenvoudig wat hij zag,
Dat het een kind bedenken kon,
En toch, niet anders bleek de dag,
En zo was God, en zo de zon.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

kees

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

  

Kees op reis.

Kees spekt zijn beurs en koopt een pas,
En wil de wereld zien: 
En vliegt door 't ruim en maakt, per as,
Van honderd uren - tien. 

Kees kijkt in 't rond en suizebolt
En veegt zijn bril eens af: 
't Is of de wereld draait en tolt,
De dommelaar tot straf. 

Kees klaagt zijn nood en wrijft zijn neus;
En ruikt slechts stank en stoom; 
En 't woord ontvalt hem: had ik keus,
Dan liever log en loom! 

Kees krijgt wat moed en schikt zich wat
En spreekt zijn reisbuur aan, 
Deez gluurt hem toe, vrij stroef en prat,
En kan hem niet verstaan. 

Kees wikt zijn beurs en zucht er van
En derft zijn lange pijp; 
En ieder rood-gekraagde man
Brengt Kees wát in de knijp! 

Kees tuurt in 't rond door grote steên
En mist nu dit dan dat, 
En wordt verdrongen en vertreên
Op 't druk belopen pad. 

Kees zweet zich dood en loopt zich lam
En eet wat hij niet lust, 
En kruipt naar bed verstijfd en stram,
En - vond hij dan nog rust! 

Kees keert terug en snakt naar huis,
Verwenst het vreemde land, 
Roemt zedig eigen haard en kluis,
Waar 't eigen vuurtje brandt.

Kees eist bewond'ring voor zijn tocht;
Men ziet het Kees wel aan, 
Dat hij veel nieuws, veel schoons... bezocht?...
Neen, is voorbijgegaan. 


1846.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

gebed

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

 

Morgen-gebed

In ‘t oosten klaar laat blozen
De dageraad
De liefelijke rozen
Van haar gelaat.

O helle morgensterre
Gods eeuwig zoon
Schiet op ons hert van verre
Uw stralen schoon.

Vermeer tot uwe love
Het kranke licht
Van onze klein gelove
En toeverzicht.

Maak wakker al ons leden
En traag gemoed
Om vlijtig in te treden
Uw paden goed.

Totdat wij eens in waarheid
Verheven hoog
Aanschouwen uwe klaarheid
Van oog tot oog.

Over-Ysselsche sangen en dichten (1630)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

piet lut

Een gedicht van Speenhoff 1869-1945

Piet Lut

Meneer Piet Lut kent iedereen, 't is een man van zaken
Die zich zeer gewichtig voelt, als de schoenen kraken
Zondags loopt 'ie langs de kerk, o, 't is zo'n fijne!
Als 'ie op de dienstmeid vloekt, zegt 'ie 'Gossiemijne'

Meneer Piet Lut, die rekent zich bij de brave mensen
Die de prostitutiezaak vreselijk verwensen
Hij is van dat fijne soort, die de schijn vermijden
Maar de kat in 't donker knijpt, op de keukenmeiden

Meneer Piet Lut, als vrijgezel, had een aardig meissie
Daarmee deed 'ie in 't geniep menig boemelreissie
Eens zei hij: "Vaarwel, lief kind, ik ga deftig trouwen
Maar ik laat je niet alleen, jij mag ons kindje houen"

Hij zit in een Duitse kroeg, 's avonds tegen tienen
Knijpt 'ie stiekem in 't vlees van de kelnerienen.
En die zeggen 'm aan z'n oor: "O, jou stoute blondje
Ieder kneepie kost een fooi, of je geeft een rondje"

Meneer Piet Lut z'n neus is rood, net zo rood als kroten
Als een vlieg d'r lang op zit, is 'ie aangeschoten
"Daar kan ik toch niks aan doen", hoor je hem steeds urmen
"Dat komt niet van de rooie wijn, ik heb last van wurmen"

Hij denkt dat 'ie om z'n geld overal gezien is
De meisies schelden 'm op de straat uit voor uitgeholde Tinus
En wanneer 'ie dan zo loopt, schijnt 'ie te vergeten
Dat z'n opoe in een kroeg proppies heeft gesleten

Meneer Piet Lut heeft de koetsier en een open koessie
Ze rijden samen langs de straat, enkel voor 'n smoessie
Dan zie je nooit wie van de twee, of toch de koetsier is
't Enige wat je wel kan zien, is, wie de grootste klier is




schrijver

Geschreven door Dora om 15:38 Reageer op dit bericht

voorspook

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Voorspook

Zij die dood zijn en die gauw moeten,
Schijnen elkaar vooruit te ontmoeten;
In 't laatst van hun leven hebben zij dromen
Waarin reeds gestorvnen binnenkomen
En rustig met hen zitten te praten
En zeggen: ‘Je moet het leven laten
Glijden, dan gaat het haast vanzelve...’
Maar die nog leven plotseling haten
Hen, die zo gemakkelijk praten,
En verlangen hen weer te bedelven.

Dan zeggen ze niets meer, zweven weg,
Nog momplend: ‘Zo zijn wij doodgegaan.’
En die nog leven informeren
En horen dan van zware doodsstrijd
En denken: ‘Dan zullen we 't wel niet leren,
Al hebben we ook nog zoveel tijd.

‘Of zullen we ook rustig overgaan
En later de nog levenden kwellen
Door hun zeer mild en zacht te voorspellen,
Dat zij foltringen zullen doorstaan,
Waarbij al 't eerder lijden niets was,
Dat het is een spitsroedenpad
Van levend mens uit de drukke stad
Naar die plek stil, diep onder gras?’

Al dwalend (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

vioolspel

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

VADERS VIOOLSPEL

Hij speelde viool, in de schemering ~
En de weemoed doorbeefde mijn kinderziel.
En ik voelde mij veilig als hij mij omving
En 'k begrijp niet waarom hij zo vroeg mij ontviel.

O ik danste aan zijn arm als hij bracht mij naar school!
Zelfs in regen en storm leek de weg mij niet lang —
Waarom moet ik nu dromen van die viool
En verlangen zo droef naar zijn kus op mijn wang?

Ik was nog zó jong, een zó argeloos kind!
'k Had zózeer nog van node zijn liefde en zijn steun.
'k Riep, toen 'k hém niet meer had: — ‘Is er géen, die mij mint?’
En ik tastte, in het donker, naar d'arm, waar 'k op leun.

Wel waren wij stil, voor elkaar wat schuw.
Maar hij had mij gered, eer mijn vrede verging,
Uit de greep van het leven, zó hard, zó ruw
Met zijn zoete viool, in de schemering.

Morgenrood (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:49 Reageer op dit bericht

harmonicaspeler

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De harmonicaspeler 

Gezeten op de drempel van een huis,
speelt hij gewichtig, stoer en onbaatzuchtig
voor iedereen. Zij, die het vaderhuis
nimmer vergeten en zij, die voortvluchtig
dolen van land tot land: de dichters, de matrozen,
de reizigers, die zonder éne cent,
het land ontdekken door hun droom verkozen,
luistren naar 't schreien van zijn instrument.

Hij weent, hij juicht, de goede goochelaar,
en door zijn droomrig, langoureus gebaar
voelt iedereen zich weer het dwaze kind:

de rentenier vergeet zijn lieve renten,
de filosoof zijn kostbaarste argumenten,
de veertigjaarge dat hij heeft bemind.

De vogel Phoenix (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten