Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

ach

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Ach hemellawerke

Ach, hemellawerke, waar zit-je gij dan
zo luide en zo lange te preken,
waar dat ik met de ogen niet achter en kan,
al hebbe ik zo dikkens gekeken?
o Mocht ik u volgen en, vleriken aan,
lijk gij, in de hemel, de hoge,
te choore met de andere veugelen gaan,
en vluchten de mensen hun ogen!
Dan zonge ik, o vogel, en schaterde ik blij,
en niemand en zou het mij weten,
terwijl ik, aan 't zingen en 't preken, lijk gij,
waar' hoge op de wolken gezeten!
Hei, hemellawerke, mij liefelijk dier,
o, mag er een mens u wat heten,
kom neder, kom neder, kom nader, kom hier,
kom, wil toch een stondeke beten!
Verstond-je mijn tale zo 'k de uwe verstaan,
gij kwaamt en gij liet mij... Wat baat het?
Gij zingt, en mijn klachte ze en gaat u niet aan,
gij zingt en al 't ander - gij laat het!...


------------------------------
Hemellawerke - Leeuwerik

31 Maart 1859

schrijver

Geschreven door Dora om 15:22 Reageer op dit bericht

zaterdagavond

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Zaterdagavond

Avond; aan de bleke blauwe lucht, zie
Hoe 't bloeisel van de sterren stil ontspruit,
Ach: nu vieren vromen de Sabbath uit
Met wijn en wierook, licht en melodie.

Mijn Vader schenkt de wijn over de randen
Van zijn beker, teken van overvloed;
Hij ruikt de specerijen scherp en zoet,
En zegent het licht met geheven handen.

Dit is zijn bede: ‘Die 't onheilig scheidt
Van 't heilig hoede ons in zijn veiligheid,
Vermere ons als sterren in 't nachtgetijde.’

Vader, Vader, hoe fel heb ik geleden
Sinds ik uw zegen schond en uwe beden
En 't heilig niet van 't heilloos onderscheidde.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:57 Reageer op dit bericht

gij

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Gij wast aan mij gelijk de winde

Gij wast aan mij gelijk de winde
die wentelt om een koren-aar;
dra zal ik aan mijn wang bevinden
de zoete streling van uw haar.

Dra zult gij 't glanzend voorhoofd beuren
tot waar mijn slapen komm'rend staan:
zo ziet men, wild, een winde geuren
naast 't wegend rijpen van het graan.

o, 'k Ben geen sterke; moe-gedragen,
verzwaart vaak de angst mijn levens-last;
maar 't is mij waar 'k uw wasdom schrage,
of blijde een échte steun me omwast.

Zo reikt de liefde, o mijn beminde,
verrijkt me uw liefde in vreze en vaar,
- gelijk een geur'ge wentel-winde
die sterkt en loont haar koren-aar.

Liederen voor een kind (1911-1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:31 Reageer op dit bericht

mensen

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Mensen onmacht

Wonderlijk zijn Gods almachtige werken;
Maar wij verzuimen der wel op te merken.
Treed op een mier, het en schijnt niet met al,
Evenwel in deze mier is het al
Wat w’in een machtige olifant vinden:
’t Schepsel is schoon, maar de mensen zijn blinden.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

wijzen

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Aan de drie wijzen uit het Oosten

Gij die, gewoon omhoog met uwe geest te zweven,
de voorbeduidselen des Hemels, eer het daagt,
met gouden letteren op bruin azuur geschreven,
de op- en ondergang der aardse rijken vraagt:

Wat hope is uwe kunst van boven toch gegeven,
waardoor gij hier beneên zo zware landreis waagt?
Wat is er dat uw hart, door weetlust aangedreven,
uit uwe morgenstond naar deze middag jaagt?

Ja, wereldwijzen, ja, die reden is gevonden.
Terwijl uwe ogen vast de Hemelen doorgrondden,
verslingerde uw ziel op zoveel heerlijkheid.

En speurende uit het licht van een genadesterre,
dat hier de leidstar was, die derwaarts aangeleidt,
zo volgde uw graag geloof haar heilrijk spoor van verre.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

Er is een stem gekomen...

Er is een stem gekomen uit de stemmen
Veler vogels, zingend in de morgen,
Uit de klankroepers van de hoge dag,
Uit de kleurzaaiers op de witte ruimte,
Uit de verheugden is een lied ontstaan,
En kleine mensen op de aarde horen,
En kleine stappers op de bergen zien,
Zij zien het zwevende alom ontstijgen,
Zij worden zelve zwevenden, die stijgen,
Zij worden zelve zingenden, die zaaien,
Zij horen in het aanstormende koor
De stem des mensen schrijden, stem van God.

Van God en van de natuur (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

haven

Een gedicht van J.P Heije 1809-1876

In de haven.

Een scheepje in de haven landt
Gevuld met specerijen; 
En menig flinke, jonge kwant
Met buidels, vol tot aan de rand,
En harten, vol verblijên. 

Wel geurig kruid, wel blanke munt,
Wat zult ge nu gaan dwalen; 
't Is, of ge nimmer einden kunt,
Zo komt, van ieder hoek en punt,
Een ieder van u halen. 

Maar... als dan 't schip is leeggehaald,
Vindt Koopman en vindt Reder 
Zijn specerij met goud betaald:
Doch - als uw zilver is verdwaald
Matroos!... waar vindt ge 't weder? 

Een béétje pret, ná leed en last,
Wie zou het u misgunnen? 
Maar - niet de zeilen vòlgebrast...
Toe! leg een reefje, waar het past:
Het zou eens s t o r m e n kunnen!

Al de volksdichten, deel 1 (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:57 Reageer op dit bericht

smaakmaker

Een gedicht van Hilarion Thans 1884-1963

SMAAKMAKER

Nog houdt de omheining, als weleer
– een hoge muur – de hoven dicht.
De middag groent in schemer neer:
een loof-getemperd bovenlicht.

Dezelfde mooi-gebogen dreef
koel, zwijgend, als een kerkenbeuk.
Mijn tuinbank – of ze wachten bleef
verscholen onder rode beuk.

De merel, in de koepelkroon,
fluit bij deze avond als van oud?
Weer schakelt ginder toon in toon
het torenlied zijn keten goud.

Hier woonde ik, uur gewaar noch dag,
verloren in diep droomprieel –
tot ik veel vreemde steden zag,
en nam van ‘t grote leed mijn deel.

Ik weifel bij de tuinbank die ‘t
geheim van diepe stonden weet…
Was dit wellicht mijn laatste lied
van eigen lief en eigen leed?…

Verloren stroom (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:56 Reageer op dit bericht

als

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

 

Als, bij moe-tanend avond-lichten...

Als, bij moe-tanend avond-lichten,
angst daalt in onze aanwezigheid,
zijt gij 't, die voor onze aangezichten
de vreê der avond-lampe breidt.

Wij zitten en ons leden wegen,
zwaar van stil-naedre dage-dood;
gíj hebt zacht woorden die verplegen,
en breekt het vredige avond-brood.

En wij, die uwe gaven eten,
wij rusten in uw blijde haard,
en zien, ons leed bijna vergeten,
uw hand die stil de kruimels gaart;

en slapen in uw tere zorgen,
en raden niet, hoe troost-gewijd,
gij, voor u zelf misschien verborgen,
van lijde' een béetre liefde zijt.

Vader-huis (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht

geduld

Een gedicht vasn Hilation Thans 1884-1963

Geduld.

Gelijk Gij niet gezegd hebt, toen Ge zocht
mijn ziel, verloren schaap, in bitter lijden -
een lijden met U groeiend door de tijden,
en dat zich, slinger-rank van doornen, vlocht

rondom uw huivre leden, tot het mocht
als dolken-kroon u door de slapen snijden:
‘genoeg! ik deed genoeg u te bevrijden!’ -
maar lijdend gaaft uw laatsten ademtocht;

zo schrei ik ook niet, 'schoon mijn klein geloven
wou dat uw hand de taaie rank besnoeit
die enger, hoger, om mijn lenden gloeit:

‘genoeg! ik deed genoeg uw Naam te loven!’ -
maar zwijgend dulden tot volgroeide pijn
zal kroon van doornen, kroon van glorie zijn.

Verloren stroom (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten