Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

sanctissima virgo

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Sanctissima virgo

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.

Toen is het zwijgend zwerk uit-een-geborsten,
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag,
Look ik mijne ogen, die niet ogen dorsten:

Een schelle schicht schoot schichtig uit den hogen,
En sloeg mij. Ik bezwijmde... ontwaakte, en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.

Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

vaarwel

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het vaarwel.

Vaarwel, witte duinen en Hollandsche kust!
Vaarwel, en voor jaren, Maria, mijn lust!
Maar voere ook het noodlot mij ver van u af,
Het hart blijft u bij, dat ik eenmaal u gaf.
Eer tellen mijn maats al de korlen van 't duin,
Eer legen zij de emmers van vader Neptuin,
Eer ik uit mijn zinnen uw beeltenis stel.
Vaarwel dan, zoet Holland! Maria, vaarwel!

Maria, vaarwel! - kan ons vaartuig vergaan?
Geen plank op het dek, die uw naam niet heeft staan.
Ja, 'k heb, als de maats zich vermaakten beneên,
In stengen en masten uw cijfer gesneên.
Hun spelen zijn mij geen vermaak, maar verdriet,
Mijn vreugd is te zuchten om haar, die 'k verliet,
En o! dan verzoet, onder leed en gekwel,
De hope des weerziens de smart van 't vaarwel.

De hope des weerziens, zij strekt op den plas
De zeeman tot poolster, tot roer en kompas:
Zij leeft in zijn ziel, sinds het uur van 't vertrek:
Zij kort hem de wachten op 't eenzame dek:
Zij straalt hem uit zee met den dageraad aan:
Zij doet hem haar stem in het windje verstaan:
Zij klingelt hem tegen bij 't kleppen der bel:
Het welkom verzoet eens het droeve vaarwel.

Zeemansliedtjens (1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:03 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

 

De trouwste vriend.

Gij flinke hond, getrouwe vrind
Van jager, reiziger en kind,
Men prijst u vele keren,
Omdat gij zo gehoorzaam zijt,
Zo waakzaam, vol geduld altijd,
En kunstjes ook wilt leren.

Men roemt u als gij in het veld
Het wild, dat angstig henensnelt,
Alras weet in te halen,
En aan komt dragen naar uw baas
Nu met een eend, dan met een haas,
Die 't met de dood betalen.

Men spreekt van u zo dikwijls goed,
Omdat gij uit de diepe vloed
- Vóór ze in de stroom verzinken -
De kindren pakt met sterke tand,
Voorzichtig voorttrekt naar de kant,
En redt, wie haast verdrinken.

Of als gij, door uw kracht en moed,
De Eskimo in 't Noord behoedt
Voor beren, die daar loeren,
En ander hongrend roofgediert;
Gij zult - wordt slechts uw toom gevierd -
Hem wel 't gevaar ontvoeren.

Maar ik roem u het meeste dan,
Wanneer gij d'arme blindeman
Geleidt langs straat en wegen;
Gij zijt voor hem haast meer dan vriend,
En hebt daarvoor een kluif verdiend,
Een grote, ja terdege.

't Is lang geleden  (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

geen

Een gedicht van Jacobus Daniël du Toit

Daar is geen dood

Daar is geen dood.
Wat lewe heet, is net die op en neer
as ons klein skuitjie al maar daal en klim;
en wat ons sterwe noem, is niks nie meer
as ons verdwyning op die gindse kim.

Daar is geen dood.
Ons wat van lae strand dit sien, en speur
hoedat hul vaart die afstand steeds vergroot
ons kan nie sien wat anderkant gebeur,
en daarom noem ons die verdwyning: dood.

Daar is geen dood.
Ons lae standpunt is te laag en ver,
en hul ontseil ons sfeer van ruimte en tyd,
daarom word eindelik ons blik versper
wanneer hul roerpen stuur in die eeuwigheid.

Passieblomme (1934)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Cornelis ten Hoet 1794-1831

Lied van Gelderland.

Kent gij - dat land, waar ronde gulheid woont;
Eenvoudigheid in taal en zeden troont;
Natuur, vol pracht, in maagden frisheid bloeit;
Een zilvren stroom langs malse beemden vloeit?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Kent gij dat land, vol heuvlen, lachend schoon,
En koele dalen, waar de reine toon
Des nachtegaals bij brongemurmel klinkt,
Als lentes zon aan d' avondhemel zinkt?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Kent gij dat land, waar, op het welig veld,
De gouden vrucht van Ceres golvend zwelt;
Pomona's ooft met keur van verwen gloort,
En door zijn waas 't verlangend oog bekoort?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Mijne Ida, ja, ik ken dit schoon gewest,
Waar gulheid nog en eenvoud zijn gevest,
En waar natuur, met schatten rijk bestrooid,
Gelijk een bruid, aanminnig is getooid:
't Is Gelderland! - Daarheen - daarheen
Trek dáár met mij, o mijn geliefde heen!

Dan klimmen wij die heuvlen vrolijk op,
En staren, diep verrukt, van hunne top;
Dan rusten wij in 't fraaiste bloemendal,
Bij vooglenzang, aan beekjes van kristal.
Mijne Ida, kom! - Daarheen - daarheen -
Trek dáár met mij, o mijn geliefde, heen!

Dan wandlen wij dat golvend graanveld door,
En aadmen bloemengeuren op ons spoor;
Dan lokt Pomona's ooft ons tot genot,
En 't zoet der min bekroont ons heilrijk lot.
Mijne Ida, kom! - Daarheen - daarheen -
Trek dáár met mij, o mijn geliefde, heen!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:41 Reageer op dit bericht

wensen

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Mijne wensen.

Vriendschap kwam mij zoetjes strelen
In mijn blijdschap, in mijn leed,
Toen ik bij de kinderspelen
's Levens lentedagen sleet.

Mocht wie in mijn vreugden deelde,
Met een traan mijn droefheid heelde;
Mocht die vriend en speelgenoot
Mij beminnen tot de dood!

Aan een meisje zacht van zinnen
Hechte ik mij met hart en oog.
't Was mijn zuiver, teder minnen,
Dat tot liefde haar bewoog.

Sinds een heilig band ons strengelt,
Vliet ons leven als verengeld.
Steeds bestrooi' met bloem en blad
Reine liefde ons effen pad.

Onze taal was vroeg ontloken,
Aan de frisse Scheldestrand;
Nog wordt zij met klem gesproken
In ons dierbaar vaderland.

Blijv' die taal met ere blinken,
En in 't lied der Belgen klinken!
Blijve ze immer lief en schoon
Boven elke vreemde toon.

'k Trotse, ver van 's werelds razen,
Pennenstrijd en wapenklank.
'k Zit gerust bij volle glazen,
'k Drink de vaderlandse drank,
'k Zing een Vlaams, een lustig liedje;
'k Droom mij zalig in 't gebiedje
Van mijn vrouwtje en mijn vrind;
En sla 't oovrige in de wind.

Gedichten (1850)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

vreugd

Een gedicht van rené de Clercq 1877-1932

ZON ZIT BINNEN ONZE VREUGD

Zon zit binnen onze vreugd
te stralen.
Het is het vurigst, reinst geneucht:
een ademhalen
in glans en jeugd.

Op aarde schittert geen vermogen
licht als uw ogen.
Geen slag, geen schok, geen ruk
kan liefde scheuren uit de hemel daar wij schijnen.
De ganse wereld mag verdwijnen:
Zon is de kern van ons geluk.

Het boek der liefde (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

zangers

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Meester-zangers.

Des morgens, bij het strelend zonnegloren,
Stijgt Meester Leeuwerk uit het dromend koren.
Hel trillend, fel schettrend klinkt zijn zonnezang;
De lovers, heesters luistren bevend... bang
Dat hun een toontje zoude gaan verloren.
Geliefde vogel, ik mocht u aanhoren.
o Leer me zingen, Meester? 'k Zing u dank! -
Bemin, riep hij, want liefde is zoet gezang.

't Is lentenacht, 'k ben in het bos aan 't dwalen,
'k Verneem het roerend lied der nachtegalen.
Mijn hert, betoverd, wil in 't grensloos gaan:
Ik zie der liefde en ook des lijdens traan.
'k Wil liefde met de zielegoedheid helpen,
'k Wil smerten troosten, elke ellende stelpen...
o Meester, leer mij trouw uw wondren klank,
Gevoel, leert hij; gevoelen leert gezang.

Ginds waait de wufte wind door wilgenbomen,
Hoe zalig in hun schaduw diep te dromen!
De wind, stil fluistrend, draagt de bloemengeur
Van wei tot wei, verdrijvend dwaas getreur.
Opééns begon hij breed te blazen, blazen;
Men hoorde bomen bruisen, stromen razen...
o Leer me, wind, uw orglend koorgeklank? -
Denk diep, galmt het, want denken wordt gezang.

Ik sta aan 't duin. Rondom grolt dol de donder,
De baren brullen, buitlen op en onder.
Door dwarlend, huilend, schuiflend stormgedans,
Slingren bliksems hun geelgroene glans.
Ter duine stuift het siddrend zand in wolken;
De wolken barsten bang, als waterkolken.
o Meesters, drijft in mij die driftendrang? -
Vloek 't kwaad, vloek smaad, door uwe stoute zang!

Ik zag een maagd, een schoonheidsengel knielen,
Voor 't outer Gods; een innig rein bezielen
Straalt uit heure ogen; uit de rozenmond
Stroomt hemelzoet gebed, tot vreêverbond
Der mensen. Handen, boezemwaarts gevouwen,
Getuigen van haar zalig Godsvertrouwen.
o Geef, vervoering, mij heur zilvren klank! -
Bid, zong ze teer, want bidden is gezang.

‘Volk op! de rode vane stout verheven!’
Zo tieren zij, door afgunst trots gedreven,
In 't wee der duisternis, door euveldaden rood...
Zij, die op 's volks ellende buitten laf en snood,
Vergeten 't vaderland, met 't vreemde draven...
Doch 't volk, verlicht, veracht die logenslaven,
En zingt een zang, verdelgend vuige dwang.
o Leer mij, Meester Volk, die vrijheidszang!

Ten krijgewaart! De vijands komen... komen!
De Vorst spreekt: reeds vloot 't bloed met stromen, stromen.
Soldaten, op! Uw moed is landes kracht en eer...
Ik snel vooruit met 't zwaard, volg mij ten landesweer!
Ach, hoort men moeders angstig snikken, wenen...
Vooruit! de vijand vlucht verslagen henen...
Daar klinkt een zegekreet, als donderklank! -
Soldaten, leer me fier die heldenzang.

Aan 't wiegje zit de moeder droef te wiegen,
Verjaagt voorzichtig de arge ronkersvliegen.
Het zieke kindje slaapt niet, jammert treurend voort...
Zacht klinkt uit 't moederhert een heilig liefdewoord:
Een liedje door de Schepper ingegeven,
Een moederzang, de reinste bron van 't leven!
En 't kindje sliep... God, zucht de moeder, dank!
Zij leert: o, gans de moeder is gezang.

Gedichten (1895)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

bij

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Bij een dode

Lief ik kan niet om hem wenen,
Waar hij stil en eenzaam ligt.
In het schoon doorzichtig stenen
Masker voor zijn aangezicht
Dat de dingen er om henen
Met zijn bleke toorts belicht.

Lief ik kan geen tranen vinden
Als mijn hart hem elders peist,
Waar zijn ziel met de beminde
Sterren van de avond rijst
En ons, dagelijks verblinden,
Hoger wegen wijst.

Naar de heemlen van de lage zoden
Stijg' de gouden offervlam!
Wie kan wenen naar de vroeg vergoden
Die de dood ons halen kwam? -
Tranen, lief, zijn enkel voor de doden
Die het leven nam.

--------------------------
Vergeten liedjes (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

raadsel

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

RAADSEL.

Met ons beide zijn wij zeven,
Met ons tienen zeventien.
En gij moogt ontelbre keren
Ons verdubblen of vermeeren,
Altijd zult ge ons zeven zien.

Londen, 1796.

De Dichtwerken I (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten