gevoel
Een gedicht over gevoel
gevoelEen gedicht over gevoel
gedicht
beetje
Een gedicht van Toon Hermans
sterven doe je niet ineens
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je sterft
't is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls ontgaan
je zegt ik ben wat moe
maar op 'n keer ben je aan
je laatste beetje toe


Een kort gedichtje het geeft een zomergezichtje

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927
Ik heb u niet genoeg bemind,
Mijn jonge jaren.
Ik speelde met u, als een kind
Met groene blaren.
Ik wist niet dat in u bestond
Wat ik steeds wachtte
En immer zocht en nimmer vond,
In u verachtte.
Nu ben ik als een die verkreeg
Zonder te weten
Het liefste waar zijn hart toe neeg,
En 't was vergeten.
U die ik niet begrijpen mocht
Vergleden dagen
Gij droeg de schoonheid die ik zocht...
En ik bleef klagen!...
Onze Eeuw, jrg 12 (1912)
deuntje
Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647
Op de wijs: Si c’est pour mon pucellage
Als Jan Sijbrech zou belezen
en haar sprak van liefde an,
zei ze: ‘Ja, maar Janneman,
zou het Reine Liefde wezen,
die gij mij geeft te verstaan?
die…verstaan: Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
‘Reine Liefd’ van d’allerreinste’,
zeid’ hij, ‘Sijbrech, bolle meid!’
‘Wel’, zei zij, ‘dat’s goed bescheid,
’t huw’lijk is op ’t allerheinste,
Jan, ik wil ’t met u bestaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Vijftig builen in twee slagen
smeet hem laatst de boze feeks
met een wakk’re sleutelreeks.
Als hij toen begon te klagen,
zei ze: ‘Jan, wat gaat u aan?
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Zij heeft een zweep ontboên uit Polen,
die ze bij haar kammen hangt.
Als haar dan een lust bevangt,
zegt ze: ‘Jan, licht op uw zolen,
hippel luchtig, onbelaên.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Jan bestond zijn wijf te vragen:
‘Was het u al Reine Liefd’?’
Sijbrech zeide: ‘Ja ’t ontdieft!
Daarom moet gij mij verdragen
als ik lust heb wat te slaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
‘Wel, verdraag dan ook mijn smijten’,
zeide Jan, en stelde doe
ook een bos met sleutels toe.
En als zij begon te krijten,
kreet hij daar weer tegen aan:
‘Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Wildij Reine Liefd’ doen duren?
Voegt er Reine Liefde bij,
want de Liefd’ aan ene zij
kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan:
Reine Liefde’ kan niet vergaan!

liefde
Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859
Wat in u mij zo heeft bekoord,
Vóor nog uw ziel in enig woord
Was uitgebroken
Voor gij me nog, met maagdenlach,
Een buiging bood, een goeden-dag,
Zacht uitgesproken;
Wat in u mij het meeste trof,
Als ik u, in dien rozenhof,
Het eerst ontmoette,
En u, met half verwonnen hart,
Met droeve lust, met zoete smart,
Aanschouwde en groette?
Wat anders, dan uw bleek gelaat?
Geen levend wangeninkarnaat,
Geen purpren lippen,
Geen gloeiende ogenflonkering
Deed, aan d'ontroerde jongeling,
Een zucht ontglippen.
Het was die zweem van treurigheid,
Die wang met lelies overspreid,
Die me innig griefde.
0 neen! Geen bruisend driftgewoel
Maar medelij', vol teer gevoel,
Dàt was mij liefde.

mijnEen gedicht van J.Jongbloed-Talen
Mijn Nederland
Ik roem uw vrije blauwe luchten
De vette weiden van uw polderland
Uw zeekust, waar de blonde duinen rijen
En de oude toren blikt op het brede strand
Ik roem uw hofstee in ’t geboomd verscholen
De blanke zeilen op het spiegelend meer
Het vredig landschap met de oude molen
De bongerd met zijn bloesems, fijn en teer
Ik heb u lief mijn land om uw verleden
Ik heb u lief, mijn eigen plekje op aard
En wil een vijand ooit uw grond betreden
Een land als Neerland is ‘t beschermen waard
zaadmaand
Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
Daar stond een late zonnebloem
te sterven in de leste zon,
en niemand in de wereld
die haar nog helpen kon.
Van lijve zo belachelijk
gelijk een leuterwijf,
met vuil versleten kleren
om 't uitgedroogde lijf,
Een mensenhand, gerimpeld,
had die haar troost beloofd?
Die sneed van 't mager halsken
dat diep-gebogen hoofd.
En op zijn stramme vingren
woog het van zaden zwaar;
ze hebben elkaar bekeken
en hij werd bang van haar,
en peinsde bij zijn eigen,
voelend zijn groot verval:
‘Zal ik zó prachtig wezen
als God mij plukken zal?’
Dietsche Warande en Belfort, jrg 1926.

bergreis
Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
De bergbries rilt door 't water voort
Dat rint door beek en rotsge spleet,
Mos groeit op blok en vochtge boord,
De varen wiegt, de spar stijgt heet
In zon: haar wortel, kronklend, schoort
De rechte stam, het naaldrijk groen,
En eik en beuk hun weidser dracht
In 't bos blinken en welken doen,
Tot waar in dag-doorschimde nacht
De drop weer glinstert en de vaart
Van 't water vonkt plast en bedaart
En schiet langs gladbegroende steen,
Licht in, licht uit, door weiden heen.
En waar de bomen schaduw wuiven
En als kwikzilver 't razend nat
De wiegelende bloem bespat,
Buigt zich de wandlaar warm en mat
Van 't stijgen, knielt en drinkt zich zat
Aan 't leven dat de stroom bevat,
Dat vóór de stroom de wind bezat,
Dat uit de ether hem gegeven
Een vlaag is van het eeuwig leven,
Verschonken voor de moede mond
Van mens die het, verdorstend, vond
En altijd weer en altijd meer
Begeert - wat niemand ooit ontbeer' -
De etherdronk, die ziel van 't Al,
Die bries, die drop, die water-val,
Die vonk van zon-gelijke koelt
Die zilvrig door de wereld spoelt
En kelen trekt en krachten wekt
In 't lichaam dat langs de aarde trekt
En op zijn eeuwig-vreemde reis
Begeert dat hem die vloeistof spijz'
Die meer dan vaste vrucht en dier
Hem vult met aards, en hemels, vier.
De Beweging, jrg 4 (1908)
