Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

zingende

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind -
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst...
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

Vroege gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

perzik

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

TE VROEG BLOEIENDE PERZIK

Het voorjaar kwam zó vroeg
Met zon en luwe winden,
Dat ik in een verblinde
Verrukking bloemen droeg.

Ik kon de vaste tijd,
Door U besteld, niet wachten.
't Hunkren van mijn gedachten
Werd teedre werklijkheid.

0, de eerste morgen, dat
Mijn bloei zich openbaarde,
In de verdorde gaarde,
Hebt Gij mij liefgehad.

Toen, voor mijn weligheid,
Waarvan de twijgen rillen,
Hebt Gij mij gekastijd,
En mij omhuld met stille

Huiven van sneeuw, en dauw
Die stierde tot kristallen;
Nu sta ik star en grauw
Tussen de bloei van allen.

Maar wie mijn doodheid laakt,
Gij weet, dat ik kàn bloeien.
En uit verholen gloeien
Gij bloem en vruchten maakt.

Och God, Uw lente prijkt -
Wie weet - nog vele jaren.
Laat 't hart Uw gunst ervaren,
Tot het in bloei bezwijkt.

De donkere bloei (1923 - 1925)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

niet goed

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Het is niet goed.

Het is niet goed, door 't leven te gaan,
met hoofd en blikken omhoog gericht,
omhoog, - ter glanzende starrenbaan,
ter eeuwig stralende lichtsfeer.

Het is niet goed op een hoogte te staan,
wel vele duizenden in 't gezicht,
hoog boven het slijk, midden storm en orkaan,
waar de kiem van worstelen en strijden in ligt.

Want zij die daar gaan door de schemernacht,
vrijwillig, - naar geest, en hart en gemoed,
vergeven het niet, dat u 't licht begroet;
en wee! - het zijn er velen.

Want zij, wie de kracht tot hoger ontbreekt,
die baggren ontzenuwd in modder en slijk,
vergeven ze u niet, de verhevene wijk:
en wee! - het zijn er velen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

geen

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er is geen tijd

Er is geen tijd. Wat gistren was
is wat vandaag me een liefde wijst.
Herdenken: ongedronken glas
dat morgen laaft en spijst.

Wat is me droeve scheppings-daad
en baren in 't gelaat der dood?:
een kindje dat aan 't schaatren slaat
daar 't wemelt in mijn schoot.

Welke is de krankheid die me pijnt
bij dreigend komen en vergaan?
Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
een sterre aan hare baan.

Wij reizen, en uit ieder punt
verrijst een einde, ontrijst begin;
waar alles wat het leven gunt
verlies is, en gewin.

En komt eens de ongenode Gast
ons scheemren in 't vervaald gelaat,
o Dood, met avond rijk belast:
dàn wordt het dageraad.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

voor de geestelijke middenstand

Neem gij het leven
Zoals het is -
Een beetje onrechtvaardig,
Een beetje boosaardig,
Maar ook wel eens aardig
En soms lang niet mis!

Leef gij het leven
Zoals het gaat -
Niet al te opzichtig,
Niet al te gewichtig,
Een beetje voorzichtig
Dan is 't niet zo kwaad!

Houd gij het leven
Bedaard in het oog -
Toon gij u krachtig,
Uw doel steeds gedachtig,
Nooit onwaarachtig,
En dan: kop omhoog!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

dernier refuge

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DERNIER REFUGE

Vrouw, ik wil wel met u leven,
treed mijn open kamer in,
mijn bezit zij u gegeven,
doch verzwijg mij voze min.

De juwelen van een Carmen
zijn de zonde, die verwondt,
ik wil liggen in uw armen,
met uw adem op mijn mond.

'k Stoot dan 't hoge venster open
op de neergevelde nacht,
waar verdoemde zielen lopen
in een onbegrepen pracht.

En de uren zal ik proeven
als een geurend gift-likeur,
en uw leven blijve toeven
tussen 't venster en mijn deur.

En de maanden en de dagen
gaan ons ongekend voorbij;
alle bloesems die zij dragen
zijn gewenst door u noch mij.

En de nachten zullen groeien
en ons leven zal vergaan,
't lege hart zal stil verbloeien
in een zelf bedachte waan.

Nu gij 't leven dorst verspelen
afgestompt voor vreugd en pijn,
wil ik wel met u nog delen
dit bestaan van zielloos zijn.

Parijsche verzen Bussum 1923

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Th. van Ameide 1877-1955

Maannacht.

Een lichten en een wuiven
ging door het wakend woud
in ruisend, schittrend stuiven
door het bebladerd hout;
de volle takken hingen
te zwieren en te zingen
in zilvren flikkeringen
op 't feest van wind en maan.

De wijde, heldre hemel
blonk rijk in elk verschiet,
waar 't fijnere gewemel
zijn glans een doortocht liet,
en luistervolle ronden
van gulden misten bonden
de stralen, die zij vonden
vervloeien door de boog.

En waar de maan in 't hoge
hing heerlijk aan de lucht,
veel grote wolken vlogen
hun snel-gejaagde vlucht;
maar als hun ijl gevaarte
vlood langs de ontzagbre klaarte,
versmolt zijn laatste zwaarte,
in 't machtig licht vergaan.

De hoge wind liet rustig
de dichtomgroeide gang,
maar schudde sterk en lustig
der kronen bladervang:
het was een deinend neigen,
een zinken en een stijgen,
een vleien en een dreigen
van allen onderéén.

Het licht viel neer in plassen
op de verschrokken grond,
of ging een boom verrassen
waar hij te dromen stond
en weefde door zijn lover
een stille vonkentover,
of speels vergleed weer, pover
hem latend als hij was.

Toen zagen wij de vlugge
nimfen uit oud verhaal
aanschimmen en terugge
duiken in loverzaal,
hun schijnig blanke leden
opeens hun lokking breden,
dan in de heimlijkheden
verdwijnen weer als damp.

Wij voelden als die ouden,
die uit hun hoop en vrees
zoo in hun duister bouwden
het beeld dat ons verrees;
in wisselender schijnen
ontbloeien en verkwijnen
het stoeien en verdwijnen
zagen van god of geest.

Wij zijn, ach, zoveel wijzer,
weten van maan en wind;
ons hart is zoveel grijzer,
zo helemaal geen kind:
de nimfen zijn gevloden
met woud- en watergoden,
geen schemering bergt boden
meer uit een andre weerld.

Maar 't oog, dat groot kan schouwen,
ziet strakker, sterker schoon
dan wat zich kindren bouwen:
op aarde een tover-woon.
Ons was dit woud niet ledig,
de wind, het maanlicht vredig
maakte' ons zo zacht en zedig:
wij meenden te verstaan.

Wij voelden zonder windsel
van beeld en woord en waan
't mysterie als beginsel
van heel ons aards bestaan:
rondom en in ons zelven,
te dieper, naar wij delven
al dieper de gewelven
van onze wetensgang.

Mysterievol blijft bloeien
ons leven als voorheen:
't geweetne gaat vermoeien,
laat leeg ons en alleen,
maar in deez' weerld van wonder
gaat onze ziel niet onder,
zij ziet zich zelf er, zonder
te wèten wat zij ziet.

Een woud in licht aan 't wieglen
is vol van haar beweeg,
zij mag zich zelf er spieglen,
ook zij niet zwart en leeg
noch weemlend van fantomen,
maar als een woud van dromen,
doorbruist in helste stromen
door storm en gloed van God.





 

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

maan

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1931
De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.

De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.
waaraan de witte bloesems bottend hangen,
en giet mijn weelde in rijzende gezangen,
die als een wijdend lied ten hemel stijgen.

In zilvren luister, de oude kruinen neigen
hun geel-bedroomde schaûw, wijl roerloos, bange
ontbloeit, rond hen, mijn tros-gebouwd verlangen,
zachtkens verruisend tot een heilig zwijgen.

Langs 't rustend blauw, met mijmer-blond omweven,
voel ik mijn ziel langs klare tonen zweven,
opbeurend in wijd-klinkend koor gedragen.

En in de bladerstille lucht, met trage
glinsters, lichtend-gestrooide sterren blinken,
wijl Nacht en Vrede in 't zwellend harte zinken.

bron: Van Nu en Straks jrg 2 (1894)  

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

bloemen

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

Bloemen

Ach, heb toch altijd ergens
Een beetje bloemen staan -
Zij doen toch altijd wel even
Een beetje gelukkig aan!

Een stil liedje van kleuren,
Een fijne, blij-mooie tint -
Even een kleine ontroering,
Als de lach van een lief kind.

Alles, alles neemt het leven,
Het laat ons ieder eenmaal berooid -
Maar het geluk van een beetje schoonheid
Dat ontneemt het ons nooit!

De keerende kudde (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

ploert

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1735-1813

De ploert.

Wijs: Ach hoe lekker is het zoenen.

A g n i e t.


Kijk daar gaat die grootse jongen!
Kaatjebuur! kijk over deur,
'k Heb mezelve daar bedwongen,
Dat 's de kleinzeun van de Fleur.
De oudjes leefden zo bedaardjes,
Pieter is een schand op straat,
Zie zijn hoed staat op drie haartjes,
En hij kijkt als een soldaat.

Misselijk zijn al zijn trekken
Hij mag stappen als een pauw.
Foei die rooie en blauwe plekken!
Lippen als lazuur zo blauw.
't Is net of er eens een regen
Puisten op zijn wezen viel,
'k Loof hij het te bleek gelegen
Kaatje! 't is zo'n slechte ziel.

K a a t j e.

Wel kwam jij me wat vertellen,
Had je dit dan maar gespaard,
Want hij slaat met zijn gezellen
Menigmaal de kreuple waard.
Hij kan zelf de wacht bedriegen,
't Is met hem geheel niet pluis,
Als de vledermuizen vliegen,
Krijgt hij vrouwvolk aan zijn huis

Laatst, daar wij nu van hem praten,
Kreeg 'k een reekning aan mijn huis.
Toen 'k de man had ingelaten,
Zei ik al: jij hebt abuis.
Maar de karel wist wel beter.
Oele! zij was net voor Piet.
'k Zag toen, hoe hij in Czaar Peter
Menig maaltje geven liet.

't Was veel meer als honderd gulden.
Kees de snijer zei dees dag,
‘ô Hij het zijn naars vol schulden
En zijn kleren zijn als rag.’
Nou pronkt hij met zijen kousen,
Die hij kocht bij Franse Lot.
ô Hij leent het geld van smousen,
Schielijk raakt achter slot.

Volks lieden-boek  (1785)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten