Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

avondstilte

Een gedicht van Hugo Verriest 1840-1922

Avondstilte

’t Wordt laat, en ’t zwijgen zinkt met stille avond neder,
En stille, de avond dringt me in ’t eindloos diepe hert,
En ’t eindloos herte, moe van ’t wentlen weg en weder,
Staakt ’t wentelen en rust in stille zoete smert.
O smert, geen zoetheid kan aan ’t rustend zoet genieten,
Het zoet genieten van uw ijdele eindloosheid,
Uwe ijdele eindloosheid die ’t dromen vol kan gieten,
Het stille dromen van des avonds enigheid.
’t Is eens en avond, en de duisternissen dalen
In halve duisternis doorschijnend in de nacht,
Waar schijnend heldre sterren aan de hemel pralen,
De hemel licht doorlaaid in heldre sterrenpracht;
Die sterrenpracht die ginds oneindig wendt en wiegelt;
Oneindig wendt en wiegt in ’t meteloos gespan,
En meetloos in de klene klare dauwdrop spiegelt,
De dauwdrop, mijne ziel, die ’t eindloos spieglen kan.
Het eindloos hangt daar hoog en ligt hier neer te dromen,
Te dromen in de vlakte en in het zwijgend woud,
Het woud dat zwijgend rijst met halfverlichte bomen,
Die bomen vormeloos die schijnen eeuwenoud:
Want eeuwenoud is ’t al en meteloos te samen
Als samen stilte ligt en nacht op de natuur,
Natuur, onroerbaar stil waar blad noch bomen aâmen,
Noch de adem van de tijd waait in de drijvende uur.
De drijvende uur ligt stil op roerloze bomen,
En roerloos voor de bos strekt ’t ongemeten land,
Het ongemeten land dat donkre verten zomen,
Die verten meteloos lijk zeeën zonder strand.
En zeeën zonder strand van stille zoete smerte,
Van smert onroerbaar, kalm en vrij van bitterheid,
Onroerbaar liggen, kalm, in ’t zwijgend einloos herte,
Met ’t eindloos gevoel der eeuwige eendloosheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

zon

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De zon hing laag.

De zon hing laag.
tussen de witte muren
verbloedde goud en zwart
het avondrood.
hij, van zijn hoog terras,
volgde de lange strepen,
het vluchtig zog
van nooit geziene
nooit gedroomde schepen
door het gemarmerd
zilver van de zee.

de huiveringen
van 't geschubd metaal,
door 't stijgend maanlicht
rimpelend beschenen,
waren die nacht op zee
het enig teken,
dat twintig eeuwen
ademloos verstreken
en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.

Tempel en Kruis (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841

Geen liefde is de eerste min gelijk.

Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men zich zelf misleidt,
Geen is zo zuiver, geen zo rijk
Aan onbaatzuchtigheid.
Ach, schoon men mij van liefde spreek'
'k Gevoel het diep in 't hart,
Het beeld van hem, die van mij week,
Diens liefde baart mij smart.
Geen liefde is de eerste min gelijk,
Geen dieper hartenwond,
Dan als, ná 't eerste liefdeblijk,
Men ontrouw ondervond. -
Al toon ik soms een blij gezicht,
En opgeruimde zin,
In 't binnenst van mijn boezem ligt
Altijd nog de eerste min.

Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men ook de andre roem:
Is 't lieflijkst waar deze aard mee prijk:
Niet de eerste lentebloem?
Klinkt de eerste toon niet dubbel schoon
Van 't nachtegalenlied;
Is de eerste min, hoe snel gevloôn,
De teerste en eêlste niet?

schrijver

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van P.C.Boutens 1870-1943

Ogen

De schemer die gestadig
Over mijn ogen dicht,
Breekt als een wolk weldadig
In dauw van aldoorvloeiend licht.

Of door de strakke weiden
Van zonneblinde lucht
De blonde bloei zou breiden
Van dagverloren sterrenvlucht,

Zo uit zijn luwe dekking
Mijn oog verhelderd ziet
In lentelijke ontwekking
De diepe tuinen van 't verschiet...

O horizon van ogen,
Op Gods onpeilbaarheid
In ommegaande bogen
Uitzicht ondeelbaar saamgereid

Uit watereêlste stenen,
Elk in zijn zuivre kleur,
In lachen en in wenen
Tot vensteren doorschenen
Op alle goddelijk gebeur...

De heemlen schijnen binnen
In 't schaduwbloede hart,
Der ziele vleuglen zinnen
In onbegrensd beminnen
Gaan op in lichtste vreugd en smart...

Niets kan van u ontluistren
Mijn overvloed en nood,
O ogen niet te duistren
Door 't leven en niet door de dood!

Bezonnen verzen (1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

klaaglied

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Klaaglied van Jan Chagrijn.

'k Ben niet wat ik eertijds leek:
Zo gezond en krachtig;
'k Dut soms bij de schoonste preek,
Kijk, het spijt me machtig!
'k Lig te waken in mijn bed,
'k Droom heel naar of sidder;
'k Haat gezelschap, schuw de pret,
'k Dwaal als dolend ridder;
'k Heb een hekel aan 't kantoor,
'k Maak er duizend bokken;
Stelt men mij iets deeglijks voor -
'k Gooi het in de stokken.
'k Heb het land aan mijn viool
Die men me eens benijdde;
Als 'k in mijn lectuur verdool,
Roept me een vriend ter zijde.
Let maar op: het weer is slecht
Als ik zal gaan vissen;
Wat ik zoek, komt nooit terecht;
Wat ik vind, kan 'k missen.
Wie ik liefst ontwijken wil
Kom ik 't eerste tegen;
Als ik graag mijn kooplust stil -
Ben 'k om geld verlegen.
Krijg ik wijn - ik heb geen dorst;
Als ik speel - verlies ik;
Vraag ik kip - men geeft mij worst;
Onder 't scheren - nies ik;
Meld ik nieuws - men kent het al;
'k Word al stug en stugger;
Vraag 'k een dame voor het bal -
Andren waren vlugger.
Als 'k met smart op brieven wacht -
Krijg ik.... rekeningen;
Heb 'k een aardig lied bedacht -
Buurman gaat het zingen;
Moet ik uit - mijn linnengoed
Is bevlekt of pover;
Eist mijn billet-doux veel spoed -
'k Smijt er d' inktpot over;
Geef ik iets mijn maaklaar op -
Hij verspeelt mijn renten;
Schrijf ik versjes - op mijn kop
Trommlen recensenten;
Is mijn weetlust opgewekt
Voor een stal van boeken -
Och ja wel! ze zijn defect
Waar 'k iets na wil zoeken.
Als 'k op reis ben en gejaagd -
Blijft de spoortrein steken;
Ben 'k op een diner gevraagd -
'k Las dan liever preken.
Drink ik thee en wens ik zwart -
Groene moet ik slikken;
Speel ik een partij biljart -
'k Beef als 'k mooi zal mikken.
Zo 'k eens op de jacht wil gaan,
Moet ik uit begraven;
Lacht een lekkre vrucht mij aan,
'k Mag me er niet aan laven.
Als ik liedjes zingen zou,
Ben ik dood verkouën;
Waar ik me op het ijs vertrouw -
Kan 't me niet meer houën....
En toch lachte ik dol van pret
Bij die zielensteken,
Was mijn lieve SIENE-BET
Niet voor mij verkeken.
Ach, wat troost me in al 't chagrijn?
Wijs me toch het klooster!
Of, zo daar geen plaats mocht zijn....
Word ik ziekentrooster!


1849.

De dichtwerken (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:20 Reageer op dit bericht

voorjaar

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Voorjaar.

Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt wit
Van bloesems aan de twijgen:
Reeds zoo veel malen zag ik dit,
Maar kon er nooit bij zwijgen.

Het blijft een wonder in mijn oog,
Zoo wonderschoon te aanschouwen,
Dat krachtig opwijst naar omhoog,
En aanspoort tot vertrouwen.

Hij leeft nog, die het leven geeft
En weergeeft uit de doden!
Hem lieve en loov' wat adem heeft,
En zoek' hem in zijn noden!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

IN DE AVOND

Des avonds buigt mijn lome mijmring over
Naar haar, mijn lief, en naar haar stil gemoed:
Zo nijgt een boom soms wel zijn bronzen lover
Over het koele water aan zijn voet.

En ik word droef. Want derft mijn ziel de tover
Dier lieve stem die 't wrangst gemis verzoet
Dan welkt mijn trots en ben ik naakt en pover,
Alleen verschroeid door felle hartstochtgloed.

Dan troost mij niets en schrei 'k in bange klachten
De helse pijnen mijner angsten uit,
Dan streelt mijn smart de somberste gedachten,

Tot mij de slaap de brandende ogen sluit
Om eindelijk mijn wezen traag te omnachten
Met zware droom, verscheurd door geen geluid.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:13 Reageer op dit bericht

de verrukking

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

De verrukking.

Geen grootheid der wereld bekoort mij.
Hoe zinkt gij, ô trotse paleizen,
Wanneer ik, naast Kloë gezeten,
Mijn oog op uw grootheid laat scheemren!
Wanneer op haar zwellende boezem
Mijn rusteloos harte mag kloppen -
ô Vorsten, wat zijn dan uw tronen? -
Daar ginds dwaalt de onlesbare hebzucht;
Verzadeloos hongert zij eeuwig.
De bleekheid bedekt hare wangen,
En de overvloed volgt hare schreden.
De heerszucht, met fonkelende ogen,
Door rustloze driften gefolterd,
Omstuwd van waanzinnige slaven,
Holt blindelings voort om de volken,
De Vorsten en Groten der aarde aan
Zijn ijzeren Rijksstaf te kluistren.

Hoe nietig, hoe klein in mijn ogen! -

Och, Kloë! uw oog wordt veel schoner;
Bekoorlijker worden uw wangen,
Uw boezem wordt blanker dan immer,
Verleidender zijt gij voor mij - als
Mijn oog op de glans van een kroon ziet!
ô Laat het heelal ons vergeten!
Wij minnen, wij minnen mijn Kloë!

Hoe?.... Lacht gij betoverend meisje,
Om dat uw bezit voor mij alles,
En alles, bij u, voor mij niets wordt?
Gij lacht, om die schone verrukking?....
Ik zal die betoovrende roosjes,
Hoe schoon ze op uw kaakjes ook bloeien,
Door zuigende kusjes verbleken,
Die flonkerende oogjes doen kwijnen,

En zo die vermetelheid straffen!
Ik zal ze.... Neen, zegt gij? - Ja zeker!
Mij nu te weerhouden, waar wreedheid,
En kunt gij voor Lykas wel wreed zijn?
Och, laat mij die banden ontstrikken!
Van hier al die schone beletsels!
'k Wil niets dan mijn Kloë omarmen!

- - - - - - - -

K l o ë.

Ach, zinken ook nu nog die tronen,
Mijn Lykas, of klimt hunne waarde?

L y k a s.

Zij zijn mij nog minder dan voormaals!


1786.

Gedichten (1819-1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:16 Reageer op dit bericht

sicut filius

Een gedicht van Geerten Gossaert

Sicut filius.

Wel vaak heb ik gezongen,
Voor menig droevig hart,
De melodieuze wijzen
Van 't stille lied van smart:
Maar nu ik heb ontvangen
't Begeren mijner jeugd,
Wil ik nog eenmaal zingen
Het hoge lied van vreugd!

Vroeg uit mijns vaders woning
Dreef mij verlangen uit
De woningen te vinden
Van harts beloofde bruid:
Om liefdes woon te vinden
Wou 't trotse hart voortaan
Wel eigen wegen volgen,
Op eigen paden gaan...

Naar welke woestenijen
Versteeg het dolend pad?
Mijn voeten werden 't stijgen
Mijn ogen 't staren mat.
Toen riep uit zijn ellende
Harts ongestilde nood
Om d' uiterste vertroosting
Van de verlangde dood!

Maar door het dichte lover
Riepen, bij avondval,
Verre verlichte venstren
Terug naar 't veilig dal:
En naderbij gekomen
Herkende ik bos en beemd,
En stond weer, arme zwerver,
Voor 't vaderhuis... vervreemd?

Schuw blikte ik door de ramen;
Daar stond, als tallentijd,
Voor de genoden velen,
Het bruiloftsmaal bereid...
Maar éne plaats was ledig...
Toen heb ik blij verstaan,
Dat ik, in liefdes woning,
Als zóon mocht binnengaan!

------------------------------
Sicut filius - Zoals een zoon

De Gids (73) (1909)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

onweder

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

HET ONWEDER.

Hoe natuur zo stil, zo plechtig
Het dartel windje kwijnt,
En lispelt, op een trillend blaadje,
Zijn laatste adem uit!
Geen vogel zingt nu blijde tonen,
Maar zwijgt eerbiedig stil!
De roos, dat sieraad van de maagden,
Hangt treurig naar de grond!
De dag verwisselt zijn gewaden,
Voor 't zwarte kleed des nachts!
De zee kust, kabblend, hare oever
De ganse schepping bidt!
Daar breekt, uit opgepreste wolken,
Een felle bliksemschicht!
Daar rolt de klaterende donder!
De ganse schepping beeft!


Zo schriklijk klaterde de donder,
Toen God de wereld sprak!
Nog beeft de wereld, voor die stemme!
Die schrik is dankbaarheid!
Daar vaart de Godheid, op haar stormen,
Door 't siddrend landschap heen!
Hoe beven honderdjarige eiken,
Gelijk een rillend riet!
Paleizen stuiven, voor haar wielen,
Als nietig stof, daar heen!
Daar storten trots gebouwde torens,
Als smeltend ijs ter neer!
& #8195;
Zo zinkt uw grootheid , wufte vorsten,
Als God, door donders, spreekt!
Als hij, gewapend, met zijn bliksem,
Zijn forse orkanen ment!
Dan werpen de verschrikte golven
Haar lillend schuim  omhoog!
Dan werpen zij de zwaarste kielen
Als lillend schuim, omhoog!

Daar lacht, door de uitgewoede wolken,
Het lieve zonlicht weer
Zo lacht een held, na 't bloedig strijden,
Met tranen in 't gezicht!
Nu dartelt weer een lieflijk windje,
Door 't afgematte bos,
En kust de frisse regendroppen,
Van 't schommlend lover, af!
Nu beuren weer de schone bloemen
Haar lachend hoofd omhoog!
Nu zingen weer de lieve vogels,
In 't bos, een dankbaar lied!
Nu vaart de Godheid, op de geuren
Van 't frisse lentekruid.
Nu durft al 't schepsel haar genaken!
De ganse Schepping juicht!

Gedichten (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten