janne ligt te lachen en te kijken
naar de wereld rondom haar:
grootva en omi en al wat daar
rond beweegt. haar vuistjes
toe, nog niet grijpgraag naar
naar de morgen die zijn nog
niet kent. de warme aandacht
waarin zij zich koestert is haar
meer dan genoeg. de werelden
van grootva en omi zijn haar
vreemd. zij heeft nog tijd
om er in te stappen en op zoek
te gaan naar haar deel. jaar na
jaar dichter bij zichzelf en
in de grote wereld. stap voor
stap ontdekken wie zij is.
en gelukkig zijn.
het zand is hel geel en de wind jaagt door de heuvels die hij opbouwt en verstuift. geen winter en geen zomer blijven hangen. het zand is do…
het zand is hel geel en de wind
jaagt door de heuvels die hij
opbouwt en verstuift. geen winter
en geen zomer blijven hangen.
het zand is dor en kruimelt door
mijn vingers zoals dromen. het
zand dekt toe wat wil vergeten
zijn. het zand is ook genadig,
het kleedt de naakten die vredig
slapen zonder al de pijn van dit
bestaan. zand kan hard slaan
en bekoorlijk ritselen in de warme
plooien van mijn huid. en ooit
draagt iemand mijn as naar hier,
verstrooit ze in het zand. dan wordt
voltooid wat ooit begon.
ik word het wonder dan.
Herman
het water krimpt ineen tot ijs de jonge scheuten sterven de vogels zoeken eten op en water dat ik regelmatig warm. de kou kruipt in mijn bot…
het water krimpt ineen tot ijs
de jonge scheuten sterven
de vogels zoeken eten op
en water dat ik regelmatig warm.
de kou kruipt in mijn botten
ongevraagd. ik voel het bibbergeld
nu letterlijk mijn lijf inkrimpen
dat rilt met al die graden onder celcius.
de haard wordt nu mijn metgezel
met boeken en gedichten die van
binnenuit het ijs van buiten smelten.
hoe plots kan alles anders worden!
ik ben een zomermens, ik wil mij
wentelen in zonnestralen en een
hemel die als een deken mij verwarmt.
maar ook mijn hart en ziel zoeken
de warmte op. ik wil mij koesteren
in wie mij wiegt, mijn bloed doet
jagen naar mijn hart, mijn hart
ontdooit en mij een huis bouwt
waarin mijn winter altijd zomer wordt!
Herman
in het begin was er het woord. en ook het licht. maar het woord en het licht herkenden wij niet. wij leefden in duisternis en onwetendheid. …
in het begin was er het woord.
en ook het licht. maar het woord
en het licht herkenden wij niet.
wij leefden in duisternis en
onwetendheid. we weten dat
het woord en het licht er is
en dat ze eigen zijn aan ons
bestaan. maar wij kijken
teveel naar wat buiten ons
leeft. de stilte en de rust
binnen in ons maken ons
bang. ze komen over als
leegte waarin we onszelf
verliezen. we vluchten dan
naar wat grijpbaar en
herkenbaar is. en zo ontglipt
ons het woord en het licht.
Herman