Zondag 26 februari 2012
monnik in de abdijkerk in dendermonde
kromgebogen en steunend op zijn stok
slofte hij door het hoogkoor al biddend
naar zijn eeuwenoude plaats waar hij
als jonge monnik duizend psalmen zong.
er zijn zoveel plaatsen leeg naast hem.
in wierook en gezangen heeft hij zijn hoofd
veel jaren gebogen aan het kruis vooraan.
zijn pij blinkt in het licht van opgebrande kaarsen.
zijn lippen prevelen nog de lofzang en het gebed
dat hij zo lang geleden van zijn moeder leerde.
en bij geconsacreerde woorden buigt hij nog dieper
zijn moegebeden hoofd voor wie hij God noemt
in alle riten die hij meebeleefde. de galm hangt hoog
in het ogief waarin hij naar zijn hemel keek. nu bidt
hij met gesloten ogen in zijn ziel voor al zijn broeders
die hij niet meer ziet maar wéét. de klokken luiden
in zijn plaats. hij weet dat God hem zegent.
slofte hij door het hoogkoor al biddend
naar zijn eeuwenoude plaats waar hij
als jonge monnik duizend psalmen zong.
er zijn zoveel plaatsen leeg naast hem.
in wierook en gezangen heeft hij zijn hoofd
veel jaren gebogen aan het kruis vooraan.
zijn pij blinkt in het licht van opgebrande kaarsen.
zijn lippen prevelen nog de lofzang en het gebed
dat hij zo lang geleden van zijn moeder leerde.
en bij geconsacreerde woorden buigt hij nog dieper
zijn moegebeden hoofd voor wie hij God noemt
in alle riten die hij meebeleefde. de galm hangt hoog
in het ogief waarin hij naar zijn hemel keek. nu bidt
hij met gesloten ogen in zijn ziel voor al zijn broeders
die hij niet meer ziet maar wéét. de klokken luiden
in zijn plaats. hij weet dat God hem zegent.

