Ode aan de kroketmachine

Ode aan de kroketmachine
Als je over keukenlijken praat, past-ie perfect in het rijtje: de kroketmachine. Want wie maakt anno 2009 nog zelf kroketten? Elk dorp heeft zijn snackbar waar je voor een eurootje een standaardkroket koopt. Lekkerbekken, zoals ik, slaan een extra kwartje stuk op zo’n romige ragoutbom van Van Dobben of Laan.
Ook verkrijgbaar met kalfsvlees-, kaas-, saté-, goulash- en groentevulling. Onverwacht werd ik op mijn vingers getikt, toen ik een collega gisteren bovenstaande argumenten vóór de afhaalvariant (en dus tégen de ’huisgemaakte kroket’) opsomde. „Zelfgemaakte kroketten zijn véél lekkerder” , peperde ze me in. „Mijn tante maakt ze soms. Daar kan Van Dobben niet tegenop!”
Mijn vrouwelijke collega houdt van lekker koken en kan het dus weten. Ik eet (bijna) alles wat me wordt voorgezet. Ook als het in een wit, plastic bakje zit en door een morsig type met vettig schort over een vlekkerige toonbank in mijn richting wordt geduwd. Ik bedoel maar: ik moet dus eigenlijk vol lof spreken over de ’Millecroquettes’, ofwel op z’n Hollands: krokettenmaker.
Eerst maar eens de werking ervan onder de loep nemen. ’Kroketvulling, bijvoorbeeld aardappelmengsel, afgekoeld in apparaat scheppen. Bij gelijkmatig drukken op het handvat worden drie fraai gevormde aardappelrollen uit de openingen geduwd. Opvangen op meegeleverd plankje op wieltjes. Daarna opstijven, op maat snijden en paneren’, mailt Irene Eising, die ons op dit keukenlijk attendeerde.
Eising kreeg het culinaire kunstje zelf onder de knie tijdens een kookcursus in België, veertig jaar geleden. „We maakten kroketten met vulling van garnalen, ham, truffels en aardappels. Die laatste wordt vaak in grotere hoeveelheden bereid. Daarbij kwam mijn prachtige machine van zachtgele kunststof goed van pas. Vooral toentertijd, in mijn groeiende gezin.”
Sinds de kinderen zijn uitgevlogen, is in huize Eising de vraag naar kroketten ingestort. Het apparaat met de chique naam is verhuisd naar een donkere hoek van de bijkeuken. Maar niet voor lang: „Opeens bedacht ik me: er zijn kleinkinderen, het is tijd voor een revival! Dat komische gezicht van het plankje op wieltjes, de hilariteit in de keuken: hup oma, de pret mag weer beginnen! Pas veel later mag mijn Millecroquettes uitrusten in een kroketmuseum.”
Begrijpelijk. Maar ook spijtig, vooral nu ik ’om’ ben, dat déze prachtoccasion – in 1968 gekocht voor 500 Belgische frank – niet te koop is. De standaardpaneerstaaf van mijn frituurspecialist komt er evengoed niet meer in. Het wordt behelpen, met hooguit een Van Dobben.
bron; gelderlander.nl





















