Graven

Zo stonden zestevig oud te zijn
omringd door het tapijt
van okergele bladeren
De avond viel
traag en vochtig
gekoeld door de herfstbries
van ruisende geluiden
Wij liepen langs
grove stenen zerken
luisterend naar hun taal
de zinnen van de dood
Het bleef niet stil
trage voeten stapten
fluisterend de mars
van macabere accordeons
Groene klimop
woekerde wreed en
woelde vredig verder
over het verduurde grijs
Woorden woeien
op de achtergrond
in de nacht van mijn geest
koude graven omarmend
Floreanne




















