mijn blik op de wereld vanaf 60 Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin. Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating. Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
11-11-2010
Sint-Maarten
Vandaag is het Sint-Maarten, Sinte-Metten. De oorspronkelijke Martinus leefde van 316 of 317 tot 397. Hij was de zoon van een Romeins militair in het huidige Hongarije, waar hij ook geboren werd en zelf ook soldaat was. Later was hij gestationeerd in Frankrijk. Op een winterse dag was hij zo getroffen door de aanblik van een nauwelijks geklede bedelaar in Amiens dat hij met zijn zwaard zijn eigen mantel in twee sneed en de helft aan de bedelaar gaf. In een droom zag hij later Christus, die de halve mantel droeg die hij aan de bedelaar had gegeven. Martinus was in die tijd nog een catechumeen, een christen in opleiding. Na zijn doopsel werkte hij als missionaris, daarna was hij kluizenaar maar vervolgens bisschop van Tours, al deed hij dat in zijn eigen, sobere stijl. Hij stierf op 8 november en werd op de 11de begraven. Martinus was een van de meest geliefde heiligen van de middeleeuwen, talloze malen afgebeeld tijdens zijn nobele daad, op schilderijen en in beelden allerhande.
De halve mantel van Sint-Maarten was natuurlijk een belangrijke relikwie. Zoals men met al de vermeende splinters van het kruis van Christus een hele winter had kunnen stoken, zo kon men met al de zogezegde echte mantels van Sint-Maarten wellicht alle bedelaars van het rijk kleden. Eén exemplaar werd door de Frankische koningen bewaard in een speciale kamer. Het Latijnse woord voor mantel is cappa of het verkleinwoord, capella. Die naam is overgegaan op de plaats waar de relikwie bewaard werd en zo komen we aan ons woord voor een klein heiligdom: kapel, Fr. chapelle, E. chapel, Du. Kapelle, It. capella &c.
In veel streken zijn er volksfeesten, met plaatselijke gebruiken, zoals het eten van ganzen of pannenkoeken, het drinken van de nieuwe wijn, het branden van vuren... In sommige streken is het een alternatief van Halloween, in andere van Sinterklaas.
Sinds 1919 is het ook wereldwijd de dag waarop we de wapenstilstand van 1918 herdenken, op 11 november, 11 uur. Het heeft evenwel niemand weerhouden van oorlog te voeren, kijk vanavond maar eens naar het nieuws.
Categorie:historisch Tags:geschiedenis
09-11-2010
Geen argument voor atheïsme
Godsdienstfilosofie is die branche van de
filosofie die zich bezighoudt met het verschijnsel godsdienst. Of dat zou je
toch mogen veronderstellen. Het boekje van Robin Le Poidevin, Arguing for Atheism. An introduction to the
Philosophy of Religion, xxiii + 159 pp., Routledge, London & New York, 1996,
dat ik ontleende in de bibliotheek van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in
Leuven, heeft me daaraan doen twijfelen. De auteur richt zich mijns inziens
helemaal niet op het historisch of sociologisch verschijnsel van godsdiensten
in de samenleving, maar op het bestaan van God, zoals het verdedigd wordt door
de theologie en door sommige wetenschapsfilosofen. Dat is natuurlijk zijn goed
recht, maar het is goed dat op voorhand te weten. De titel van het boek is
immers misleidend in die zin, want het is helemaal geen argument voor atheïsme als
een levenshouding, maar wel voor atheïsme als de filosofische houding die er
overschiet wanneer elk filosofisch bewijs voor het bestaan van God is weerlegd.
De analyse van de godsbewijzen en hun
weerlegging, dat doet de auteur als de beste. Maar hij doet dat als
beroepsfilosoof, dat wil zeggen met een overvloed aan subtiele argumenten,
gesteund op het logisch en rationeel redeneren. Gelovigen zullen derhalve dit
boekje na enkele bladzijden naast zich neerleggen als niet ter zake. De auteur
is zich daarvan bewust, maar stoort er zich verder niet aan.
Het viel mij op dat Le Poidevin hier net
het tegenovergestelde doet van wat gebruikelijk was in de 17de en 18de
eeuw. Omdat openlijk atheïsme toen maatschappelijk onmogelijk was men stelde
zich bloot aan gerechtelijke vervolging, tot de doodstraf toe nam men zijn
toevlucht tot het etaleren van atheïstische standpunten onder de vorm van het
bestrijden ervan, Waarbij de hele aandacht ging naar het etaleren en slechts
een flauwe inspanning werd geleverd in het bestrijden. Onze auteur doet vooral
zijn best voor het weergeven van de argumenten voor het bestaan van God, zijn
weerleggingen zijn accuraat, maar ze missen naar mijn aanvoelen vooral door
zijn zeer zakelijke, wetenschappelijk-filosofische benadering, de
overtuigingskracht die je zou mogen verwachten op basis van de titel van het
boek: argumenteren voor het atheïsme.
De tekst is ongetwijfeld gegroeid uit de
colleges die professor Le Poidevin aan dit onderwerp heeft gewijd aan de
Universiteit van Leeds. Het zijn dus ietwat veredelde cursusnotities, bestemd
voor de studenten. Als dusdanig kan het wellicht goede diensten bewijzen. Op de
achterflap staat inderdaad te lezen dat, terwijl het een ideaal tekstboek is
voor universiteitscolleges over godsdienstfilosofie of metafysica, het ook
bedoeld is om toegankelijk te zijn, door zijn stijl en de talrijke
verduidelijkingen, voor een ruimer publiek. Dat laatste is zeker waar,
toegankelijk is het zeker, maar of het de lezer die niet verplicht is om het te
lezen (zoals de studenten) ook zal boeien, daar heb ik zo mijn bedenkingen
over. Het boek mist de flamboyante overtuigingskracht van een Dawkins of Dennett;
het weerlegt meer dan het aanbrengt. Wat het zegt is correct en zelfs goed
gezegd, maar het blijft altijd op de vlakte wanneer het gaat om de conclusies
voor het leven zelf. Alle filosofie die te theoretisch blijft is onvolkomen
filosofie, dat kon je hier onlangs nog lezen toen ik het had over de Phi Beta Kappa
Society: de filosofie is de leidraad voor het leven. In die zin kan de auteur
de claim van zijn titel niet waarmaken. Atheïsme is immers veel meer dan gewoon
maar de vaststelling dat er geen God is en dat godsdienst dus een vergissing
is. Atheïsme begint in feite pas wanneer die evidente vaststellingen voldoende
doorgedrongen zijn in een mens. Geen mens zal zich door zijn filosofische
argumenten, hoe spitsvondig ook, laten overtuigen van zijn gelijk. Atheïst word
je niet door het lezen van dit soort boekjes. Er is een Damascus-ervaring voor
nodig, dat is mijn aanvoelen. Op een dag moet je, onderweg naar ik weet niet
waar, als het ware van je paard vallen bij een donderslag bij heldere hemel. Je
moet plots met een verpletterende klaarheid inzien dat het verhaal dat men je
probeert te vertellen niet klopt, dat al de dingen waarvan men zegt dat ze
bestaan, in feite verzonnen zijn; dat je ze ook niet nodig hebt, voor niets,
dat je veel beter af bent zonder.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
Tot mijn verbazing en ergernis werd een deel
van mijn tekst geschrapt, als niet-beschaafd en beledigend, volgens de
moderator. Merkwaardig is dat hierover, volgens het intern reglement van de VRT,
niet wordt gecommuniceerd. Dat noemt men censuur en dat is verboden in België.
Om mijn lezers zelf te laten oordelen of ik
inderdaad beledigend en/of onbeschaafd ben geweest, druk ik hier de
oorspronkelijke tekst van mijn reactie af. Zij kunnen dan zien welke teksten op
de VRT niet mogen verschijnen en kunnen daaruit hun conclusies trekken.
Mevrouw de eresenator werkt op mijn
zenuwen. Vooreerst zou ik even willen stilstaan bij de titel die ze voert.
Eresenator. Dat is dus iemand die ooit senator is geweest en dat nu niet meer
is. Waarom is ze geen senator meer? Omdat ze niet meer verkozen is. Is dat een
eer?
Ze werkt ook op mijn zenuwen omdat ze niet
weet waarover ze het heeft. Evangeliseren is wel degelijk provoceren, dat staat
letterlijk in het Evangelie, Lukas 12, 49:
Ik ben gekomen om op aarde een
vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! 50 Ik moet
een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. 51
Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg
ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. 52 Vanaf heden zullen vijf in één huis
verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 De vader zal tegenover
zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar
dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar
schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.
De bijbel staat ook vol verhalen die
helemaal niet zachtzinnig of mensvriendelijk zijn. Ofwel heeft de ex-senator de
bijbel niet gelezen, ofwel heeft ze hem zeer gedeeltelijk en selectief gelezen,
zoals gebruikelijk bij gelovigen, en maakt ze zich dus schuldig aan het
verspreiden van zeer onvolledige en dus onjuiste informatie.
De ex-senator vergist zich echter nog veel
grondiger dan dat. Er is namelijk geen God, geen hemel, geen hel, geen
vagevuur, geen genade, geen erfzonde, geen leven na de dood; bidden helpt niet,
de sacramenten evenmin; Christus is niet aanwezig in het brood of de wijn; er
is geen vergeving voor onze zonden, er zijn immers geen zonden; er zijn geen
engelen of duivels; er zijn geen heiligen en geen martelaars (behalve misschien
de miljoenen onschuldige mensen die vermoord zijn door godsdienstfanatici). Het
hele verhaal van het christendom is niet meer dan dat, een verhaal, een verhaal
van mensen, sommige met goede, maar de allermeesten met heel wat minder fraaie
bedoelingen, zoals uit de kerkgeschiedenis mag blijken en zoals wij ook vandaag
kunnen vaststellen.
Niet het instituut is van belang, zegt ze,
maar de kerk. Maar de kerk is wel degelijk het instituut; het instituut heeft
de kerk uitgevonden. Neem het instituut weg, en wat blijft er over? Hoeveel
gelovigen zouden er in de wereld zijn als het instituut er niet was geweest?
Hoe durft ze, om het met Elio Di Rupo te
zeggen, hoe durft ze in deze dagen Augustinus citeren, uitgerekend met zijn
'ama et fac quod vis', je mag doen wat je wil, zolang je maar liefhebt... Het
zou het motto kunnen geweest zijn van de ex-bisschop (of moeten we misschien
ook hier zeggen: ere-bisschop?) van Brugge en van alle priesters en religieuzen
die zich hebben schuldig gemaakt aan het verkrachten van kinderen en het misleiden
van vrouwen.
Schandelijk, mevrouw de ex-senator, is wat
je doet met je misplaatste verdediging van misdadigers. Ofwel weet je wel
beter, en dat is dan heel erg, ofwel weet je niet beter en dat is dan jammer.
Karel
Mijn conclusie is dat ik van nu voort de
VRT-forums zal mijden als de pest.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
07-11-2010
De weinig fraaie fratsen van Ratzinger en Léonard
Dat het in de katholieke kerk niet goed
gaat, dat moet ik je niet vertellen.
In eigen land zijn het uitgerekend de
bisschoppen, de priesters en de religieuzen zelf die, hetzij door persoonlijk kinderen
en vrouwen te verkrachten en te misbruiken, hetzij door daarover schokkend ongevoelige
verklaringen af te leggen, voor veel gelovigen de laatste religieuze strohalm
wegnemen en op die manier de al zo weinig talrijke misgangers de kerk uitjagen.
De bisschop van Rome en zelfverklaard hoofd van de kerk, doet er nog een
schepje bovenop. Om een boutade uit de Sovjettijd te parafraseren: de kerk
stond aan de rand van de afgrond, maar sinds de wereldwijde aanstelling van
conservatieve en fundamentalistische leiders heeft ze een grote stap voorwaarts
gezet
Tegen het recent pausbezoek aan Engeland
was er te allen kante verzet, niet alleen omwille van de vele miljoenen ponden
die daarvoor werden uitgetrokken in een tijd van ongelooflijk pijnlijke
besparingen voor de man in de straat, maar ook omwille van de nauwelijks
verdoken pogingen van Rome om de Anglicaanse kerk haar meer conservatief
geaarde priesters te ontfutselen. Men verzette zich ook tegen de nationale eer
die aan Ratzinger werd bewezen, onder meer door het koningshuis. Niemand kan
vandaag immers nog de fictie bijtreden dat de bisschop van Rome een echt
staatshoofd is. Er was een grote manifestatie van tegenstanders, met
belangrijke sprekers, onder wie natuurlijk Richard Dawkins, de auteur van de
wereldwijde bestseller The God Delusion,
God als misvatting. De rede die hij bij die gelegenheid wou uitspreken moest
sterk ingekort worden omdat de stoet door het grote succes ver over tijd was
gelopen. De volledige Engelse tekst kan je hier nalezen: http://richarddawkins.net/articles/521113-updated-ratzinger-is-an-enemy-of-humanity.
Speciaal voor mijn lezers die liever
Nederlands lezen, geef ik hieronder mijn vertaling.
Dit is de volledige tekst van de toespraak
die ik gepland had voor de rally tegen de paus, op 18 september 2010. De toespraak
zoals die in feite gehouden werd in Whitehall was veel korter, vooral omdat de betoging
zo enorm was (naar schatting 15.000 deelnemers), dat de toespraken laat
begonnen en dus moesten ingekort worden.
Moest Joseph Ratzinger verwelkomd worden
met al de plechtstatigheid en ceremonie die men verschuldigd is aan een
staatshoofd? Neen. Zoals Geoffrey Robertson heeft aangetoond in The Case of the Pope, is de claim van
het Vaticaan op het statuut van staat gebaseerd op een Faustiaanse deal waarbij
Mussolini enkele hectaren in het centrum van Rome ter beschikking stelde in
ruil voor de steun van de kerk voor zijn fascistisch regime. Onze regering koos
de gelegenheid van het staatsbezoek uit om haar intentie aan te kondigen om God
te doen. Zoals een vriend van mij zei, moeten we ons misschien klaarmaken voor
een overdracht van Hyde Park aan het Vaticaan, om die deal te sluiten
Moest Ratzinger dan onthaald worden als het
hoofd van een kerk? Geen bezwaar; indien de individuele katholieken bereid zijn
om zijn vele misstappen over het hoofd te zien en de rode loper uit te rollen
voor zijn rode designer pantoffels, ze doen maar. Maar vraag aan de rest van
ons niet om daarvoor te betalen. Vraag aan de Britse belastingsbetaler niet om
de propagandamissie te subsidiëren van een instelling waarvan de rijkdom
geschat wordt op vele tientallen miljarden; een rijkdom overigens waarvoor de
uitdrukking onrechtmatig verkregen wel speciaal uitgevonden lijkt. En bespaar
ons het misselijk makend spektakel van de koningin, de hertog van Edinburgh en
een zootje Lord-luitenanten en andere dignitarissen die kruiperig voor hem door
het stof gaan als echte pluimstrijkers, als gold het iemand waarvoor we respect
zouden moeten opbrengen.
Het spijtige kleine detail dat Ratzinger in
zijn jeugd lid was van de Hitlerjugend is het voorwerp geweest van een wijd
verbreide doofpotoperatie. Tot nog toe heb ik me daarbij aangesloten. Maar na de
ongehoorde toespraak van de paus in Edinburgh, waarin hij de schuld voor Hitler
bij het atheïsme legt, kan men niet anders dan besluiten dat de tijd voor
beleefdheden voorbij is. Weet je wat hij zei?
Zelfs in onze eigen levensspanne kunnen we
ons herinneren hoe Groot-Brittannië en haar leiders geconfronteerd waren met
een Nazi-tirannie die de bedoeling had om God uit te roeien uit de samenleving
en die onze gemeenschappelijke menselijkheid ontkende tegenover zovelen, vooral
de Joden Wanneer we nadenken over de ontnuchterende lessen van het atheïstisch
extremisme van de 20ste eeuw
Men kan zich vragen stellen over
PR-kwaliteiten van de adviseurs die een dergelijke paragraaf lieten passeren.
Maar nee, ik was vergeten dat zijn voornaamste adviseur die kardinaal is die
één blik wierp op de immigratiebedienden op Heathrow en tot de conclusie kwam
dat hij in de Derde Wereld geland was. Wellicht kreeg de brave man een resem
Weesgegroeten opgelegd, bovenop zijn haastige aanval van diplomatisch jicht. De
voet in kwestie was waarschijnlijk dezelfde die hij zo vrolijk in de plat had
gezet.
Eerst was ik gestoord door de ontluisterende
aanval van de paus op atheïsten en secularisten, maar dan zag ik het eerder als
een geruststelling. Het betekent dat wij hen het leven zo moeilijk gemaakt
hebben, dat ze nu zo ver gaan dat ze ons beginnen uit te schelden, in een
wanhopige poging om de aandacht af te leiden van het schandaal van de
kinderverkrachtingen.
Het is waarschijnlijk teveel gevraagd dat de
15-jarige Ratzinger destijds de Nazis doorzien zou hebben. Als een vrome
katholiek moet hij in zich ingestampt gekregen hebben, samen met de
Catechismus, het verfoeilijke idee dat al de Joden verantwoordelijk moeten
gehouden worden voor het ombrengen van Jezus, de bekende valse beschuldiging
van de Jezus-moord, die pas in het Tweede Vaticaans Concilie werd herroepen
(1962-65). De Duitse Rooms-katholieke ziel was in die tijd nog vol van het
eeuwenoude antisemitisme.
Adolf Hitler was rooms-katholiek. Of ten
minste toch even rooms-katholiek als de vijf miljoen rooms-katholieken in dit
land vandaag. Want Hitler heeft nooit het katholicisme van zijn doopsel
herroepen, en dat is toch ongetwijfeld het criterium waarbij men de vijf
miljoen Britse katholieken vandaag heeft geteld. Het is het een of het ander.
Ofwel zijn er vijf miljoen katholieken, maar dan heb je Hitler er ook bij.
Ofwel was Hitler geen katholiek, maar dan moet men ons een eerlijker cijfer
opgeven voor het aantal echte katholieken in Groot-Brittannië vandaag: het
aantal dat werkelijk gelooft dat Jezus zich omtovert in een koekje, zoals de
vroegere professor Ratzinger allicht doet.
Hoe dan ook, Hitler was zeker geen atheïst.
In 1933 maakte hij zich sterk dat hij het atheïsme had uitgeroeid, doordat
hij de meest atheïstisch organisaties had verbannen uit Duitsland, inclusief de
Liga van Duitse Vrijdenkers, wiens gebouw dan werd omgevormd tot een
informatiekantoor voor kerkelijke aangelegenheden.
Op zijn allerminst geloofde Hitler in een
persoonlijke Voorzienigheid, een die allicht verwant was aan de Goddelijke
Voorzienigheid die werd ingeroepen door de Kardinaal Aartsbisschop van München
in 1939, toen Hitler ontsnapte aan een aanslag en de Kardinaal een speciaal Te
Deum liet opdragen in de kathedraal van München, om de Goddelijke
Voorzienigheid te danken, namens het Aartsbisdom, voor de goede afloop voor de
Führer.
We zullen nooit te weten komen of Hitler
zijn Voorzienigheid identificeerde met de God van de Kardinaal. Maar Hitler
wist verdomd goed dat zijn achterban overweldigend christelijk was, de miljoenen
goedchristelijke Duitsers met de leuze Gott mit uns op de gesp van hun riem
die in feite het vuile werk voor hem opknapten. Hij kende zeer goed de basis
waarop hij steunde. Hitler heeft zeer zeker God gedaan. Dit is een citaat uit
een rede die hij hield in München, het hartje van katholiek Beieren, in 1922:
Mijn gevoelens als een christen wijzen mij naar de Heer en Verlosser als een
vechter. Ze tonen me een man die ooit in diepe eenzaamheid, omringd door
slechts enkele volgelingen, de Joden herkende voor wat ze waren en de mensen
opriep om tegen hen te strijden en die, zo helpe mij God, de grootste was niet
als een lijder maar als een vechter. In grenzeloze liefde als een christen en
als een man lees ik de passage waarin de Heer eindelijk oprees in al zijn macht
en naar de zweep greep om het addergebroed uit de tempel te verjagen. Hoe
verschrikkelijk was zijn gevecht tegen het Joodse vergif. Vandaag, tweeduizend
jaar later, herken ik met de diepste emotie grondiger dan ooit tevoren het feit
dat het voor die reden was dat hij zijn bloed moest vergieten aan het Kruis.
Dit is maar één van de vele toespraken, en
passages in Mein Kampf, waarin Hitler
zijn christen-zijn inroept. Geen wonder dat hij met zoveel warme steun onthaald
werd door de Duitse katholieke hiërarchie. En Benedictus voorganger, Pius XII,
is niet zonder schuld, zoals de katholieke auteur John Cornwell zo
verpletterend heeft aangetoond in zijn boek Hitlers Paus.
Het zou onvriendelijk zijn om hier nog
langer bij stil te staan, maar de toespraak van Ratzinger in Edinburgh vorige
donderdag was zo schandelijk, zo hypocriet, zoveel de pot verwijt de ketel
dat ik wel moest antwoorden.
Zelfs indien Hitler een atheïst was
geweest, zoals Stalin er zeker een was, hoe durft Ratzinger het aan om te suggereren
dat het atheïsme ook maar iets zou te maken hebben gehad met hun beider verschrikkelijke
misdaden? Zij geloofden niet in God, maar evenmin in elfjes of in eenhoorns, dus
wat heeft dat ermee te maken? Ze hadden ook allebei en snor, net als Franco en
Sadam Hoessein, wat al even weinig relevant is. Er is geen logische weg die
leidt van atheïsme naar verdorvenheid. Tenzij je natuurlijk vervuld bent van de
walgelijke obsceniteit die ten grondslag ligt van de katholieke theologie. Ik
verwijs hierbij, met dank aan Paula Kirby, naar de doctrine van de Erfzonde.
Die mensen geloven, en leren dat aan aan kleine kinderen, samen met de
vreesaanjagende leugen van de hel, dat elke baby geboren wordt met de erfzonde.
Dat is, terloops gezegd, de zonde van Adam, dezelfde Adam die, zoals ze nu zelf
ook toegeven, nooit bestaan heeft. Erfzonde betekent dat we, vanaf het ogenblik
dat we geboren worden, kwaadaardig zijn, ontaard, verdoemd. Tenzij we in hun
God geloven. Of tenzij we ons laten leiden door de wortel van de hemel of de
stok van de hel. Dit, dames en heren, is de walgelijke theorie die hen ertoe
gebracht heeft te veronderstellen dat het goddeloosheid was die Hitler en
Stalin tot de monsters heeft gemaakt die ze geweest zijn. Wij zijn allen
monsters tenzij we gered worden door Jezus. Wat een afschuwelijke, ontaarde,
onmenselijke theorie is dat toch om je leven op te baseren.
Joseph
Ratzinger is een vijand van de mensheid
Hij is een vijand van kinderen, want hij
heeft toegestaan dat hun lichaam werd verkracht en hij heeft erop aangedrongen
dat hun geest werd besmet met schuldgevoelens. Het is ontstellend klaar dat de
kerk veel minder begaan is met het redden van kinderlichamen uit de handen van
verkrachters dan met het redden van de zielen van priesters van de helse
verdoemenis, en nog het meest van al bezorgd is om de lange-termijn reputatie
van de kerk zelf.
Hij is een vijand van homoseksuelen, die
hij met het soort kwezelachtigheid bejegent die vroeger door hem voorbehouden
was voor de Joden.
Hij is een vijand van de vrouw, die hij
uitsluit van het priesterschap, alsof een penis een onmisbaar instrument is
voor pastorale taken. Is er één andere werkgever die het zich kan veroorloven
om te discrimineren op basis van geslacht, specifiek voor taken die geen fysieke
kracht vereisen of enige andere kwalificatie die alleen mannen worden
verondersteld te hebben?
Hij is een vijand van de waarheid, want hij
promoot, vooral in Afrika, onmiskenbare leugens over condooms: dat ze geen
bescherming bieden tegen aids.
Hij is een vijand van de armste mensen op
aarde, want hij veroordeelt hen om te leven in overbevolkte gezinnen die ze
niet kunnen voeden, en houdt hen zo in verslaving en blijvende armoede. Een
armoede die in schril contrast staat met de obscene rijkdom van het Vaticaan.
Hij is een vijand van de wetenschap, want
hij verzet zich tegen noodzakelijk stamcellenonderzoek, niet op grond van enige
morele overweging maar op basis van voorwetenschappelijk bijgeloof.
Wat minder belangrijk is vanuit mijn
standpunt, Ratzinger is ook een vijand van de kerk van de Koningin zelf, want
hij beaamt op arrogante wijze het misprijzen van zijn voorganger voor de
Anglicaanse wijdingen als van nul en generlei waarde, terwijl hij ondertussen
op een schaamteloze manier probeert om haar Anglicaanse pastoors af te snoepen
in een poging om het jammerlijk tanend aantal van zijn eigen priesters te
compenseren.
Ten slotte, en dit is voor mij persoonlijk
het belangrijkste, hij is een vijand van opvoeding. Nog los van de levenslange
psychologische schade die veroorzaakt is door de schuldcomplexen en de angst
die het katholiek onderwijs berucht gemaakt hebben de wereld rond, nog los
daarvan, zeg ik, huldigen hij en zijn kerk de opvoedkundig vernietigende
leerstelling dat bewijzen een minder betrouwbare basis vormen voor iemands
overtuiging dan geloof, traditie, openbaring en gezag, zijn gezag.
Tot zover deze welsprekende rede. Ik wil
daarbij aansluitend inpikken op de zoveelste gaffe van Ratzinger; blijkbaar is het in de katholieke kerk
tegenwoordig zo dat, hoe hoger je op de ladder staat, hoe vaker en hoe dieper
je de vinger in je eigen oog moet steken.
In het vliegtuig op weg naar Santiago de
Compostela sprak hij de verzamelde meereizende pers toe, nadat die zijn
apostolische ring hadden gekust, sommige met kennelijk misbaar. In niet mis te
verstane en goed voorbereide bewoordingen sprak hij over het agressieve antiklerikalisme
en atheïsme in Spanje vandaag en verwees daarbij, net zoals in Edinburgh, naar
het recente verleden, zijn verleden, namelijk de Spaanse burgeroorlog in de
jaren dertig. Nu wil ik nog toegeven dat die burgeroorlog voor de meesten van
ons een blinde vlek is in ons inzicht en onze kennis van onze recente
geschiedenis, mede dank zij ons puik katholiek onderwijs. Maar we moeten toch
beseffen dat de burgeroorlog in gang is gezet door generaal Franco en zijn
leger, tegen de democratisch verkozen regering; dat het Duitse Stukas waren
die zijn muitend leger ondersteunden, bijvoorbeeld door een vernietigende
aanval op het onschuldige en onooglijke dorp Guernica; dat Franco een ware
jacht heeft georganiseerd op al wat links, communistisch, liberaal, artistiek,
kritisch, vrijzinnig of atheïstisch was; dat de kerk zich volledig heeft
aangesloten bij Franco, die niet voor niets wereldwijd als de bloedhond
Franco bekend staat, die de trouwe bond- en zielsgenoot was van Hitler zelve. Met
andere woorden, Ratzinger schaart zich achter Franco en zijn extreemrechtse rabiaat
fascistische en nietsontziende moordzuchtige falange. Om het met Di Rupo te
zeggen: comment on ose, comment on oooooose!
Afsluiten doe ik met een citaat van een
dame die in Sint-Lambrechts-Woluwe een eredienst bijwoonde waarin aartsbisschop
Léonard voorging. Zij uitte haar steun en bewondering voor haar grote voorbeeld
op deze manier: Hij heeft gelijk. Als er mannen zijn die zomaar overal gaan
rondneuken, dan moeten die maar le sida krijgen, dat is hun terechte straf.
Toen ik dat hoorde, ging er bij mij een
licht op. Plots begreep ik de pointe van de uitspraak van Léonard over de
immanente gerechtigheid van aids. Deze oudere dame, net zoals de oudere heer
Léonard, heeft waarschijnlijk een leven lang kuis geleefd, zonder ooit aan seks
te doen of, indien dan uitzonderlijk toch eens, dan op een louter kerkelijk
gesanctioneerde manier, namelijk een die utsluitend op de voortplanting is
gericht. Zij moeten allebei, het klopje en haar aartspriester, al die jaren een
diepe verontwaardiging en haat gekoesterd hebben, geboren uit hun eigen verdrongen
lustgevoelens, tegenover al die anderen die totaal ongestraft zomaar wat
rondneukten, die daaraan zelfs danig plezier beleefden en wellicht ook
schonken en die, hoewel ze God noch gebod kenden, toch een lang en gelukkig
leven leidden. Welnu, met le sida, aids dus, is daaraan eindelijk een einde
gekomen! Immanente gerechtigheid is het die al die hoererende viespeuken
eindelijk treft en die precies daardoor de vrome rechtvaardigen, de gerechtigen,
gelijk geeft in hun seksuele abstinentie en hun erotische ascese. Zie je wel
dat het de moeite was om je niet te buiten te gaan aan al die uitspattingen?
Zie je nu wat ervan komt?
Het is een typisch christelijke deugd om
leedvermaak te hebben, het woord komst zelfs niet voor in de talen van
niet-christelijke landen of bevolkingsgroepen. Het is niet zozeer dat zij zelf
gelukkig willen zijn, verre vandaar: genot is immers uit den boze. Nee, ze
willen alleen maar dat de anderen, de zondaars, hun terechte straf niet
ontlopen, dat is hen genoeg, dat is al het genot dat ze betrachten. Ze hoeven
niet zozeer zelf naar de hemel, als de anderen maar in de hel belanden. Dat is
het opperste hemelse genot van Lazarus, dat hij kan toekijken hoe de rijke man
voor eeuwig afziet in de hel, hoewel die volgens de Bijbel zelf geen andere
zonden heeft begaan dan rijk te zijn, zich mooi te kleden en te genieten van
het leven. Lees wat Lukas erover vertelt, hoofdstuk 16.
19 Er was eens een rijke man die
gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks
uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor
de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag
te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen
alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag
stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams
hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in
het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de
verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: Vader
Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het
topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd
pijn in deze vlammen. 25 Maar Abraham zei: Kind, bedenk wel dat jij
je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets
dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij
pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie,
zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie
naar ons kan oversteken. 27 Toen zei de rijke man: Dan smeek ik u,
vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,28 want ik heb nog
vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord
van martelingen terechtkomen.29 Abraham zei: Ze hebben Mozes en de
profeten: laten ze naar hen luisteren! 30 De rijke man zei: Nee,
vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot
inkeer komen. 31 Maar Abraham zei: Als ze niet naar Mozes en de profeten
luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood
opstaat.
Het is een verschrikkelijke parabel, die
ons Jezus toont als revendicatieve, revanchistische aartssocialist en zijn hemelse
Vader in al zijn majestueuze, onverzoenlijke, onmenselijk wrede wraaklustige gerechtigheid.
Ik vermoed dat deze tekst tot de geliefkoosde lectuur behoort van de vrome
vrouw in Sint-Lambrechts-Woluwe en dwaze maagden overal ter wereld, daarin
bijgetreden door deze ware toonbeelden van Gods liefde, zijn plaatsvervangers op
aarde, de heidens dwaze bisschop van Rome en zijn ijverige dienaar, de aartsdomme
bisschop van Mechelen-Brussel.
Categorie:God of geen god? Tags:godsdienst, atheïsme
06-11-2010
briljant! Jared Diamond: Zwaarden, paarden en ziektekiemen
Het boek van Jared Diamond, Guns, Germs and Steel. The Fates of Human
Societies, Norton, 1997, 1999 (paperback), 494 pp., toen nieuw $16,95,
tweedehands gekocht voor 11 bij de Slegte, stond al enige tijd op mijn
boekenplank. Ik had geen idee waarover het ging, maar toen ik in een ander werk
nogmaals een verwijzing ernaar tegenkwam, was dat een voldoende reden om het meteen
te beginnen lezen. De uitroeptekens op het kaft liegen er niet om: New York Times Bestseller! Over 1 million
copies sold! Winner of the Pulitzer prize! Winner of the Phi Beta Kappa Award
in Science!
Bij dat laatste even een randbemerking. We
hebben allemaal wel al eens een verwijzing naar Phi beta kappa gehoord of
gelezen, maar wat is dat eigenlijk? Het zijn drie Griekse letters: Φ Β Κ en ze
staan voor de Griekse spreuk Φιλοσοφία Βίου Κυβερνήτης, de filosofie is de gids
voor het leven. De Phi Beta Kappa Society is een Amerikaanse instelling die
zich inzet voor excellence in de
wetenschappen en de kunsten en die haar leden rekruteert onder de beste
universiteitsstudenten. Als je er meer wil over weten, zoek het dan even op
Wikipedia, daar vind je een uitgebreid artikel, doch niet in het Nederlands.
Voor we verder gaan, kan ik met genoegen
vermelden dat dit boek van Jared Diamond in het Nederlands vertaald is als Zwaarden, paarden en ziektekiemen. De ongelijkheid
in de wereld verklaard, te koop voor ongeveer 20. Ook de andere populaire
werken van deze auteur zijn in het Nederlands te vinden, kijk even bij je
boekhandel of in je plaatselijke bibliotheek.
Ik was gefascineerd van bij de eerste
bladzijden. Dit is een meesterlijk boek en het is ook fantastisch goed
geschreven.
Waarover gaat het? Zoals de Nederlandse
ondertitel verraadt, probeert het een antwoord te bieden op de vraag: waarom is
er ongelijkheid in de wereld vandaag? Hoe is die ongelijkheid en diversiteit er
gekomen?
Het is niet alleen een belangrijke kwestie
voor ons allen vandaag, het is ook een terechte historische vraag. Het is
immers een wetenschappelijk feit dat de mens ontstaan is op slechts één plaats,
ergens in centraal Afrika, zeven miljoen jaar geleden en zich van daaruit verspreid
heeft over de hele wereld. We stammen dus allemaal af van dezelfde groep
primitieve mensen. Dat is al een eerste aanwijzing voor de
onwetenschappelijkheid van elke vorm van racisme. Hoe die verspreiding gebeurd
is, wanneer en waarheen doet de auteur zorgvuldig uit de doeken. Het is
verbazend hoe weinig we daarover weten, voor mij was dit onbekend terrein en
dus uitermate boeiend om te vernemen.
In het tweede hoofdstuk komt de
grondstelling van het boek aan bod: de invloed van de omgeving, inde ruimste
zin van het woord, op de menselijke samenleving in de jongste 13.000 jaar. Aan
de hand van zeer concrete en rijk geïllustreerde voorbeelden uit de
Polynesische eilanden gaat de auteur na hoe samenlevingsvormen verschillen in
hun economische specialisatie, sociale complexiteit, politieke organisatie en
materiële producten, naargelang de verschillen in de omvang en de dichtheid van
hun bevolking, die dan weer te maken hebben met de verschillen in oppervlakte,
fragmentering en isolatie van het bewoonde gebied, en met de kansen op
overleven op grond van wat er aanwezig was aan voedsel en de mogelijkheden om
de voedselproductie op te voeren.
Het derde hoofdstuk begint met een
verbazende analyse van de verovering van Midden- en Zuid-Amerika door Europa.
Hoe komt het dat een handvol Spaanse en Portugese huurlingen op uiterst korte
tijd een einde konden maken aan reusachtige inheemse rijken zoals de Incas en de
Azteken? Waarom konden zij triomferen, waarom werden ze niet terug de zee
ingedreven? Waarom hebben de Incas Europa niet overmeesterd?
Hier komt voor het eerst het belang naar
voren van de wapens, de paarden, het staal en de ziektekiemen uit de titel.
Het tweede deel handelt over de opkomst en
de verspreiding van voedselproductie. De eerste mensen waren hunter-gatherers, jagers-verzamelaars.
Ze leefden van wat er ter beschikking was, de jacht, de visvangst en de planten
en het fruit dat ze aantroffen, het water dat ze vonden op hun weg. Op een
bepaald moment is daarin verandering gekomen en is men bewust voedsel gaan
produceren, is men aan landbouw en veeteelt beginnen doen. Waarom? En hoe is
dat in zijn werk gegaan? Wat waren de gevolgen? Waarom is dat op sommige
plaatsen gelukt, soms ondanks ongunstige omstandigheden, en waarom niet op
andere, hoewel de omstandigheden daar veel beter waren? Het is een wonderlijke
geschiedenis die ons leert waar en wanneer de eerste graansoorten verbouwd
werden en waarom die daar succes hadden (hoofdstuk 4 en 5).
In het zesde hoofdstuk gaat de auteur in
detail in op de redenen voor de overgang van het nomadenbestaan van de
jagers-verzamelaars naar de (meer) sedentaire landbouwers. Welke voordelen bood
een bestaan in grotere groepen, gebaseerd op een min of meer vaste bron van
voedsel?
Het volgende hoofdstuk onderzoekt in detail
hoe bepaalde wilde planten konden gebruikt worden voor intensieve kweek als landbouwproducten.
Waarom lukte dat met sommige wel, met andere helemaal niet? Hoe is de mens
ertoe gekomen om daarmee te experimenteren? Om welke planten gaat het en waar
en wanneer werden die voor het eerst gebruikt? Blijkt dat dit een zeer beperkt lijstje
is: allerlei graansoorten, bonen, fiberplanten (zoals vlas, hennep, katoen),
wortelplanten (maniok, aardappelen) en meloensoorten. Dat zijn ook vandaag nog
de landbouwproducten waarmee ongeveer de hele mensheid zich voedt.
Uit het achtste hoofdstuk citeer ik graag
deze passage (ik vertaal): Van de 200.000 wilde plantensoorten worden er maar
een paar duizend gegeten door de mens en slechts een paar honderd zijn door de
mens min of meer getemd (domesticated).
Van die paar honderd gewassen produceren de meeste slechts een klein supplement
in ons dieet en zouden dus op zichzelf niet voldoende geweest zijn om de
opkomst van beschavingen te dragen. Amper een paar dozijn soorten zorgen voor
80% van de jaarlijkse tonnage van de gewassen in de moderne wereld. ( )
Graangewassen alleen staan in voor meer dan de helft van de calorieën die
verbruikt worden door de menselijke populaties van de wereld.
Het zijn dergelijke analyses en gegevens die
je doen stilstaan bij je eigen eetpatronen en gebruiken en die je nieuwsgierig
maken naar het begin, hoe het zover gekomen is, waarom zo en niet anders.
Voortdurend kom je zo bij verrassende inzichten en informatie. Zo blijkt dat
van de 56 wilde graansoorten er 43 oorspronkelijk voorkwamen buiten Amerika
(noord en zuid) en slechts 11 op Amerikaanse bodem. Het is dus de aanwezigheid
van planten op een bepaalde plaats en die zich leenden tot cultivering die
bepaalde waar en wanneer in de loop van de geschiedenis men aan landbouw deed
en met welk succes.
In hoofdstuk negen gaat het dan over
veeteelt. Waar, wanneer en hoe begon dat, waarom lukte het hier en daar niet?
Er zijn vijf belangrijke diersoorten voor de landbouw: schapen, geiten, koeien,
varkens en paarden. Waarom vinden we die op sommige plaatsten al heel vroeg en
op andere nooit? Ook hier zien we weer verrassende resultaten. In Eurazië
(Europa en Azië) waren er 72 diersoorten die zich leenden tot gebruik in de
landbouw. Daarvan werden er 13 effectief tam gemaakt, of 18%. In Afrika
bezuiden de Sahara waren er 51 dergelijke soorten, maar geen enkel daarvan is ooit
getemd. In Heel Amerika (N+Z) waren er 24 soorten, maar slechts één kwam in de
veeteelt terecht. Voor Australië was er slechts één soort en die werd niet
getemd. Vergelijk paarden met zebras en stel je dan de vraag waarom paarden
zon belangrijke rol hebben gespeeld in onze beschaving en zebras geen enkele
Het tiende hoofdstuk bekijkt de redenen
waarom landbouw en veeteelt zich gemakkelijk verspreid hebben over sommige
gebieden en helemaal niet in andere. Belangrijk daarbij blijkt de oriëntering
te zijn van de continenten. Eurazië strekt zich vooral uit van oost naar west,
terwijl zowel Amerika als Afrika een noord-zuidelijke as heeft. Dat brengt met
zich mee dat je in Eurazië een vrij gemakkelijke verspreiding krijgt van
gewassen, omdat ze in ongeveer dezelfde klimaatsgordel kunnen blijven, terwijl dat
in de andere continenten niet het geval is.
Waar komen onze ziekten vandaan? Dat is de
vraag in hoofdstuk 11. Zoals we weten uit de recente episodes met de vogel- en
varkenspest, kunnen ziekten van dieren overgaan op mensen. Anderzijds zullen
mensen die in de nabijheid van dieren leven door de natuurlijke selectie een al
dan niet grote immuniteit verwerven tegen dergelijke ziektekiemen. Toch zijn er
in de loop van de geschiedenis verschrikkelijke ziektes geweest, die vele
miljoenen mensenlevens hebben gekost. Aan het einde van WO I maakte de Spaanse
griep 21 miljoen slachtoffers, veel meer dan de gruwelijke oorlog zelf. Tussen
1346 en 1352 stierf een vierde van de Europese bevolking aan de pest, waarbij
in sommige streken meer dan 70% van de bevolking werd geveld. Bij de aanleg van
een spoorweg in Canada stierf de Indiaanse bevolking door tbc a rato van bijna
10% per jaar! De rol van dodelijke microben is van enorm belang geweest bij de verovering
van de Nieuwe Wereld door Europa. In 1520 bereikt de pokken Mexico. Honderd
jaar later was er van de 20 miljoen oorspronkelijke bewoners nog slechts 1,6
miljoen over! De auteur besluit: Voor het geheel van de Nieuwe Wereld was de
terugloop van de oorspronkelijke bevolking in de twee eeuwen na de landing van
Columbus ongeveer 95%.
Het volgende hoofdstuk gooit het over een
gans andere boeg. Kennis is macht. Maar hoe wordt kennis opgeslagen en
overgedragen? Zo komen we bij het schrift. Waar is het ontstaan en hoe? Hoe
heeft het zich verspreid? We zien een merkwaardige parallellie met het ontstaan
en de verspreiding van landbouw en veeteelt uit de vorige hoofdstukken, maar
ook enkele opmerkelijke verschillen. De auteur gaat ook in op de manier waarop uitvindingen
ontstaan en verspreid worden; wij denken nogal gemakkelijk dat die beantwoorden
aan een nood, maar vaak is het tegenovergestelde waar. Edison ontdekte de
fonograaf in 1877, maar het heeft nog twintig jaar geduurd voor hij inzag dat
het meest populaire gebruik ervan het weergeven van opgenomen muziek was Het
is ook niet zo dat dingen zomaar uitgevonden worden op een blauwe maandag. De
stoommachine van Watt, bijvoorbeeld, dateert van 1769, maar Newcomen bouwde er
al een 57 jaar vroeger en Watt kende die zeer goed; ze was trouwens gebaseerd
op een model uit 1698 van Savery en die was op haar beurt een toepassing van de
stoompot van Papin uit 1680 De auteur geeft zo een hele reeks voorbeelden van
uitvindingen, inzichten en toepassingen die al dan niet succes hebben gehad en
die een ruime verspreiding kregen of net niet. Het Qwertytoetsenbord is
helemaal niet geschikt om snel te typen, net zo min als het AZERTY-bord, maar
het is wel overal ter wereld gebruikt en pogingen om het te veranderen zijn
gedoemd om te mislukken. De A en de Z staan naast elkaar, terwijl die bijna
nooit naast elkaar in een woord voorkomen, terwijl de e en de n helemaal niet
bij elkaar staan, wat nochtans nuttig zou zijn, het zijn de meest voorkomende
klinker en medeklinker in het Nederlands.
Hoofdstuk 14 heeft het over
samenlevingsvormen: de familie of troep, de stam, het dorp (chiefdom), de staat en hun respectieve
kenmerken. Hij bespreekt ook het ontstaan en de evolutie van die manieren
waarop mensen met elkaar omgaan in die verschillende modellen en de voor- en nadelen
ervan. De voedselproductie blijkt daarin een primordiale rol te spelen. Dat alles
werpt een heel bijzonder verhelderend licht op onze democratische samenleving
of het gebrek daaraan in dictaturen, oud en nieuw.
Het 15de hoofdstuk gaat dieper
in op de vraag waarom bepaalde primitieve stammen tot op vandaag zo primitief (achterlijk)
zijn gebleven. Dat heeft vooral te maken met de verspreiding van volkeren,
stammen en gemeenschappen over de aarde. Groepen die afgesloten waren van de
rest kenden nooit een snelle ontwikkeling en bereikten nooit een hoge
beschavingsgraad zoals wij die ons voorstellen. Het is vooral door de vlotte uitwisseling
van kennis met buren dat er vooruitgang gemaakt wordt. Groepen die geografisch
afgesneden zijn van hun omgeving, zoals de Indianenstammen in het
Amazonegebied, blijven steken op een bepaald niveau van ontwikkeling. Hij
onderzoekt dat hier vooral voor Nieuw-Guinea en Australië. In het volgende
hoofdstuk doet hij dat voor China, in het 17de hoofdstuk voor
Polynesië, in het volgende voor Amerika, voor en na de ontdekking door
Columbus. Hoofdstuk 19 handelt over Zwart Afrika. In een epiloog bekijkt hij de
toekomst van de geschiedenis als een positieve wetenschap, zoals hij ze heeft
toegepast in dit boek. Er is ook een Nawoord, geschreven in 2003, dus zeven
jaar na het boek. Een uitgebreide literatuuropgave en een index ronden dit werk
af.
GGS, zoals Guns, Germs, and Steel ook wel genoemd wordt, is een tour de force.
Het is een beschrijving van onze beschaving zoals je ze zelden tegenkomt,
vanuit een zeer breed perspectief en met vooral aandacht voor de zeer grote
lijnen. Dit staat in schril contrast met de manier waarop wij destijds
geschiedenisles kregen. Ik herinner me dat onze leraar in de 5de Latijnse
een hele les wijdde aan de troonsopvolging van Eleonora van Aquitanië rond
1150, met heel haar stamboom op het bord Aan de universiteit kreeg ik ooit als
examenvraag: welke waren de drie prinsbisdommen die de Bourgondiërs verloren na
de slag bij Nancy?
Een basiswerk als dit is zo leerrijk en
verhelderend dat het eigenlijk verplichte materie zou moeten zijn voor iedereen
in het onderwijs.
Het mooie is dat, hoe oud of jong en hoe
geleerd of dom je ook bent, je vandaag dit onmisbare boek gewoon kan kopen of
ontlenen en het in een ruk uitlezen, zoals ik gedaan heb, en zo je schade kan
inhalen en ten minste een gedeelte van de fouten uit je opvoeding kan goedmaken.
Doen!
Categorie:wetenschap Tags:wetenschap
04-11-2010
de mislukking van het integratiebeleid
In Vlaanderen hebben we al vele jaren een
politieke partij die zich, zij het op puur negatieve en hatelijke wijze, bijna
volledig concentreert op de vele migranten die naar ons land gekomen zijn.
Volgens hen moet Vlaanderen niet zozeer onafhankelijk zijn, maar vooral bevrijd
van alle vreemden: integreren of vertrekken is hun simplistische, rabiate boodschap.
Zij lijken nu steun te krijgen uit
onverdachte bron: bondskanselier Angela Merkel, daarin bijgetreden door onze
dienstdoende eerste minister, de gefrustreerde kluns Leterme, beweren publiekelijk
dat het immigratiebeleid mislukt is: er is te weinig integratie, de
inwijkelingen hebben zich niet aangepast maar leven in eigen gemeenschappen,
met behoud van hun gebruiken en gewoonten, hun taal en godsdienst. Het naast
elkaar bestaan van gemeenschappen met een in essentie verschillende cultuur, ja
zelfs een verschillende beschaving, wordt aangevoeld als een mislukking, als
iets dat niet goed is, dat niet mag, iets dat aanleiding geeft tot conflicten,
een bedreiging van de maatschappij en de welvaart.
Men gaat er daarbij zonder verder nadenken
van uit dat de immigranten zich zonder meer moeten aanpassen aan hun nieuw
vaderland: zij moeten de taal of zelfs de talen leren, ze moeten zich kleden
zoals wij en al onze culturele normen en regels overnemen. Wat de godsdienst
betreft, is het duidelijk dat men beducht is voor de islamisering, kijk maar
naar het succes van Wilders in Nederland. Andere politieke partijen mompelen
wel iets over godsdienstvrijheid, maar ook over grenzen: niemand wil hier de
sharia ingevoerd zien, zelfs niet voor moslims.
Dat verlangen, of die eis tot algehele of
grotendeelse integratie, is mijns inziens onredelijk en ook onterecht. Zo werkt
immigratie niet. Wanneer een land vreemde arbeidskrachten aantrekt,
asielzoekers toelaat, gezinshereniging aanvaardt, buitenlandse studenten lokt
en burgers van een groot deel van de wereld zonder meer toelaat om legaal in te
wijken, dan moet men daarvan de gevolgen dragen, alle gevolgen, ook de
onvoorziene, ook de ongemakken.
Zeker, er moet aanpassing zijn, maar geen
eenzijdige! Wij moeten ons evenzeer aanpassen aan hun aanwezigheid als zij aan
hun nieuwe levensomstandigheden. Het zou mooi zijn als zij onze taal vlekkeloos
spraken op korte tijd, maar laten we ernstig zijn: Elio Di Rupo, eventjes de
toekomstige eerste minister, en bijna alle andere Waalse en Brusselse
vooraanstaande politici schieten op dat punt eveneens flagrant tekort; nochtans
meent men dat we daaraan geen aanstoot mogen nemen We veroordelen en verbieden
zelfs het dragen van een hoofddoek aan moslimas, maar we tolereren de
vreemdste klederdrachten bij onze schoolgaande jeugd, bijvoorbeeld de
lachwekkende hangbroeken die zo ver naar beneden zakken dat zowat de hele
onderbroek zichtbaar is.
Vreemdelingen verschillen van ons, maar wij
verschillen onderling niet minder. Ik voel me meer verbonden met een Indiase
theologiestudent dan met een Vlaamse Blokker, meer met een combattieve moslima
met hoofddoek dan met een morbide autochtone gothic. Ik heb minder last van het
vrijdagavondgebed dan van de wekelijkse voetbalrelletjes. Ik erger me meer aan de
katholieke kerk in Vlaanderen dan aan de Dalai Lama.
Laten we eerlijk zijn: we weten zelf zo
weinig van onze eigen cultuur, dat we allerminst reden hebben om van recente allochtonen
te eisen dat zij er wel alles over weten.
En dan de taalvereisten waarop iedereen zo insisteert.
De meeste allochtonen kennen ten minste drie talen; Nederlands, Frans of Duits,
onze nationale talen zijn voor hen vaak al de vierde taal. Hoeveel Vlamingen kunnen
zich op een dergelijke taalknobbel beroemen?
Racisten menen dat iemands begaafdheid en
intellectuele vermogens verschillen naargelang de etnische afkomst. Een neger kan
nooit zo slim zijn als een blanke, wat ie ook doet, dat is dan de regel. Dat is
natuurlijk onzin. Niemand twijfelt eraan dat Kofi Annan of Nelson Mandela
beschaafde mensen zijn en elke vergelijking met om het even welke blanke kunnen
doorstaan. Er zijn talloze voorbeelden van individuele niet-blanken die tijdens
hun eigen leven de sprong hebben gemaakt van onder de klapperboom naar het
beschaafde westen en die in niets moeten onderdoen voor blanken die hier al
tienduizend jaar hun roots hebben. De wetenschap heeft ons op afdoende wijze aangetoond
dat er wel raciale kenmerken zijn, maar dat ze niets te maken hebben met de
intrinsieke verstandelijke en emotionele vermogens van de mens.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er helemaal
geen verschillen zijn. Verspreid over de hele wereld heb je allerlei groepen
van mensen en die hebben allemaal een geschiedenis, die voor een groot gedeelte
bepaalt wie en wat ze zijn, individueel en als groep. Het is evident dat er
concentraties zijn van hoge beschaving en er zijn ook manifest fel achtergestelde
gebieden, ik moet daarvan zelfs geen voorbeelden geven. Soms ben ik diep pessimistisch,
op het wanhopige af, over de kansen om de onderontwikkeling van bijvoorbeeld zwart
Afrika te keren. Maar ik twijfel er geen ogenblik aan dat individuele Afrikaanse
negers in staat zijn om zich op uiterst korte tijd te ontwikkelen tot het
hoogste beschavingsniveau, noch dat het zwarte ras in globo staat is om
integraal deel uit te maken van de beschaafde wereld. Onder de juiste
omstandigheden kunnen zij zich evengoed opwerken als wij gedaan hebben. Daarbij
moeten wij steeds bedenken dat wij, westerse blanken, voor een groot stuk
verantwoordelijk zijn voor de ongunstige omstandigheden waarin de onderontwikkelde
wereld zich bevindt. Wij zijn rijk geworden door de koloniale roofbouw op de
grondstoffen en de slavenarbeid van de Derde Wereld en ons beschavingspeil
wordt nog steeds in ruime mate bepaald door het schrijnende, blijvende onevenwicht
in de betalingsbalans tussen Noord en Zuid.
Wanneer wij dus spreken over immigratie,
dan hebben we het over het samenleven van gelijkwaardige burgers, met dezelfde
rechten en plichten, maar niet noodzakelijk met dezelfde waarden, dezelfde
cultuur, dezelfde godsdienst, dezelfde huidskleur. De internationaal erkende
mensenrechten stellen uitdrukkelijk dat elkeen vrij is om zijn of haar leven in
te richten zoals het hem belieft, binnen de grenzen van de geldende wetgeving.
Het is evenmin toegelaten om wetten op te stellen die mensen discrimineren op niet-essentiële
kenmerken of eigenschappen zoals ras, huidskleur, godsdienstige of levensbeschouwelijke
overtuiging, geslacht, seksuele voorkeur, afkomst, laat staan kledij, haartooi
of culinaire smaak, of literaire en artistieke interesse.
De massale migratie van onze moderne tijd brengt
dus mee dat er in bepaalde landen, vooral in West-Europa en Noord-Amerika, een steeds
grotere diversiteit zal zijn, die in de plaats komt van de monocultuur die
honderd jaar geleden nog vrijwel overal intact was.
Merkel, Leterme en het Vlaams Belang en ook
Wilders hebben gelijk als ze zeggen dat de integratie mislukt is, je moet
ziende blind zijn om dat te ontkennen. Maar zij trekken allen helaas dezelfde totaal
verkeerde conclusie. Zij denken dat we moeten blijven proberen om de volledige integratie
na te streven en zelfs af te dwingen, terwijl we allen niet anders kunnen dan
vaststellen dat dit nergens lukt, dat het in recente tijden nergens volledig of
zelfs maar goeddeels geslaagd is.
Ik meen dat men realist moet zijn en de
volledige integratie van allochtone immigranten zelfs niet moet beogen.
Zeker, er zijn minimale vereisten, maar die
zijn wettelijk vastgelegd of kunnen in niet-discriminerende regels vastgelegd
worden. Een elementaire basiskennis van een landstaal is daar zeker bij, maar
dat moet niet eens opgelegd worden: zonder die taalkennis kan men in onze
maatschappij niet functioneren. Maar men zal wel moeten aanvaarden dat allerlei
mensen hun moedertaal spreken thuis, in de eigen kerk en de eigen verenigingen,
misschien zelfs de eigen scholen en zelfs op het werk: de ploegen van
allochtone arbeiders die onze straten opbreken hebben geen Nederlands of Frans
nodig en als zij zich niet wensen te integreren, kunnen zij perfect op alle
gebied aan hun trekken komen in hun lokale nationale of taalkundige gemeenschap.
Daarmee verhogen ze hun kansen niet, noch die van hun kinderen om hogerop te
geraken, bijvoorbeeld door hoger onderwijs te volgen, maar ook voor veel Vlaamse
gezinnen is dat niet de eerste doelstelling.
Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen
voorstander van dergelijke gettos, want dat zijn het uiteindelijk, maar ik
meen dat we ons daar niet kunnen of mogen tegen verzetten, uit respect voor de eigenheid
van de immigranten. Het is een manier van samenleven die wij moeten aanvaarden
in onze ruimere gemeenschap. Wat is er verkeerd mee dat bijvoorbeeld een
Roemeens, Berbers of Peruviaans immigrantengezin de eigen taal blijft spreken,
generaties lang? Als ze maar voldoende kennis hebben van een andere gangbare
taal, dan is dat voldoende om hier te overleven en een waardig bestaan uit te
bouwen. In het zuiden van de Verenigde Staten is het Spaans zowat de landstaal.
Een reëel probleem met dergelijke gettos
of concentratiewijken is echter dat ons onderwijs, in een van de landstalen,
daaronder lijdt. Wie een taalachterstand heeft omdat ie een andere moedertaal
heeft en de onderwijstaal enkel op school gebruikt, die heeft een probleem,
niet alleen voor de taalvakken, maar ook voor de andere, omdat taal nu eenmaal
het middel is om kennis door te geven, alle kennis, ook wiskunde, fysica,
scheikunde
Wie dus alle kansen wil open houden om zich
op te werken, zal een zo goed als perfecte taalbeheersing moeten hebben. Maar
net zoals voor de autochtone bevolking is dat een ideaal dat slecht voor
weinigen weggelegd is. Er is nog steeds een Vlaams slecht opgeleid en werkloos
of slecht betaald proletariaat, naast een gelijksoortige allochtone onderlaag
van de maatschappij. Er is geen enkele intrinsieke reden (maar wel historische)
waarom er een oververtegenwoordiging zou zijn van de allochtonen in dat
proletariaat, tenzij ze daar zelf voor kiezen en er is geen enkele reden die ik
kan bedenken waarom ze dat zouden willen blijven doen.
Het ziet er niet naar uit dat wij op korte
termijn naar de uniforme samenleving gaan waarvan Merkel, Leterme of de
racisten in Vlaanderen en Nederland dromen, een situatie waarin de allochtone
immigranten en hun nakomelingen naadloos geïntegreerd zijn op alle gebied. Wij
zullen moeten leren leven met allerlei tussenvormen, gaande van individuen die
alle obstakels overwinnen en tot de top van de maatschappelijke ladder
doordringen, over anderen die enkel de laagste sporten bestijgen. Sommigen
zullen op termijn als gelijken omgaan met de autochtone blanken en ook door hen
aanvaard worden, anderen zullen verkiezen om hun culturele eigenheid te behouden
en zich in een eigen midden op te houden, hun eigen culturele verenigingen uit
te bouwen enzovoort.
Er is geen formule die voor iedereen
geschikt is of die we aan iedereen moeten willen opleggen. We doen dat niet
voor de eigen bevolking, waarom zouden we het doen voor de allochtonen? We
zullen moeten leren leven met zichtbare, tastbare diversiteit op velerlei manieren,
met mensen van allerlei afkomst, geaardheid, belangstelling en voorkeur. Dat is
de toekomst van de mensheid en ik verkies ze boven elke vorm van opgelegde eenvormigheid
of afgedwongen kunstmatige of valse gelijkheid.
Categorie:samenleving Tags:maatschappij
01-11-2010
Chrysanten, Crisantemi
Vandaag trekken we massaal naar onze begraafplaatsen, zoals we dat deden als kleine kinderen, aan de hand van onze ouders en later met onze eigen kinderen aan de hand. Sinds jaar en dag is ook de commercie aanwezig met bloemen, voornamelijk chrysanten. Vroeger waren het vooral van die barokke bloemen, roodbruin en geel gevlamd. Chrusos of chrysos is Grieks voor goud, goudkleurig en anthos betekent bloem. Nu heb je meer van die kleine gele bloemen maar dan in enorme struiken. Je ziet ook kunstige of bloemstukken en stilaan ook allerlei kitscherige dingen, vooral houders voor theelichtjes en kaarsen. De mensen willen iets om op het graf te zetten, zomaar er even gaan bij staan is niet genoeg en het bidden zijn we verleerd. Weduwen en weduwnaars, oudere koppels, moeders en dochters komen soms dagen van tevoren het graf poetsen van een geliefde, ze maken het klaar voor 1 november.
Toen ik klein was, waren er naast de bloemenverkopers ook enkele kraampjes waar je oliebollen kon kopen in een puntzak, met veel bloemsuiker. In Eeklo, mijn geboortestad, gingen we dan ook even binnen in de grafkapel aan de overkant, me de nu bevreemdende marmeren votiefplaten, waarop men zijn dankbaarheid schreef voor een genezing of een andere gunst. De kapel heeft een plaatsje gekregen in onze literatuur, Johan Daisne schreef in 1958 een kortverhaal, De vierde engel, waarin de drie levens-grote engelen aan de buitenkant een vierde, magisch-realistische levensreddende kompaan krijgen. Wie leest nu nog Daisne?
Deze dagen hoor je ook aangepaste muziek op de radio en ook op TV zijn er programmas met sfeervolle muziek op de achtergrond, het is ongepast om nu luide en opgewekte muziek te laten horen of frivole shows te brengen, alhoewel
Vrijwel zeker zal je vandaag of morgen ook dat eigenaardige stukje intieme kamermuziek van Puccini horen, Crisantemi, dat hij in 1892 componeerde ter gelegenheid van het overlijden van een lid van de Italiaanse koninklijke familie, naar eigen zeggen zou hij het in één nacht geschreven hebben. Hij gebruikte het thema ook in zijn opera Manon Lescaut die in dat jaar in première ging, maar wat was er eerst, het kamermuziekstuk of de opera? Wie weet
Vrijwel steeds vind je op Cds met Crisantemi twee andere werken die al even ongebruikelijk zijn voor hun componist. Puccini heeft vrijwel niets anders geschreven dan operas en dat geldt ook voor Verdi en Donizetti. Die twee laatsten schreven elk ook een strijkkwartet en dat zijn de gebruikelijke buren van onze Crisantemi. Alle drie zijn het verstilde, rustig ontroerende werken die je op een dag als vandaag kunnen vergezellen in gedachten die ongewild, geleid door de omstandigheden wegdwalen of door tedere herinneringen met zachte hand naar vroeger terugglijden, naar wat niet meer is, naar wat je mist als je er durft bij stil te staan.