Onder deze titel publiceerde Toon Osaer enkele weken geleden in Kerk + Leven, een opiniestuk, waarin hij stelde dat het wenselijk is dat de Kerk ook kan gedijen in een hedendaagse, kritisch-wetenschappelijke samenleving als de onze. Dat is inderdaad wenselijk. De hoofdredacteur van Kerk+Leven suggereert evenwel dat de Kerk zich ook moet conformeren aan of niet frontaal moet ingaan tegen het extreme materialisme van onze maatschappij.
Er zijn nochtans genoeg evangelieteksten waaruit de scherpe afwijzing van materiële rijkdom blijkt. Een Kerk, die niet uitermate kritisch blijft ten aanzien van het materialisme, kan m.i. niet de Kerk van Jezus Christus zijn. Christus’ leer staat haaks op een systeem waar het kapitaal tot doel geworden is met enorme ongelijkheid en tragedies tot gevolg.
Doorheen de eeuwen heeft de Kerk geworsteld met haar verhouding tot het materiële. Hoe welgestelder een samenleving, hoe sterker de Kerk vanuit machts- of populariteitsoverwegingen, de neiging had om kritiek op winstbejag en uitbuiting te milderen of achterwege te laten. Voor de Belgische en Vlaamse Kerk , die tegenwoordig hoofdzakelijk ‘bevolkt’ wordt door oudere praktiserenden uit de middenklasse, is die verleiding ook nu nog bijzonder groot.
Bisschop Aloys Jousten van Luik, herinnert in een opiniestuk in ‘De Standaard’ aan enkele pertinente elementen van de sociale leer van de Kerk. Een dogmatische visie op het kapitalisme wordt verworpen. Dergelijke visie zou de armen laten opdraaien voor de hebzucht van de kapitaalbezitters. Het positieve van de markt en van de onderneming wordt door de Kerk erkend. Maar zij moeten gericht zijn op het algemeen welzijn. Het ‘algemeen welzijn’ is het morele besef dat eraan herinnert dat de economie er is voor de mens en niet omgekeerd.
Het is duidelijk dat deze sociale visie en principes ook gelden voor de plaatselijke kerkgemeenschappen en individuele christenen. Zowel het instituut Kerk als de christen persoonlijk, worden er én door het evangelie én door de sociale leer van de Kerk, toe gedwongen zich permanent kritisch te bevragen over de verhouding tot het materiële, en dat geldt zeker voor de Westerse overvloed- en consumptiemaatschappij. En op zijn minst een poging te doen losser te komen van het materialisme. Een Kerk die dat niet (voldoende) doet, kan de ware Kerk van Jezus Christus niet zijn.
God, religie, de Kerk mogen inderdaad niet misbruikt worden als zoethoudertjes voor moeilijke tijden. Maar nog veel minder mag de Kerk een zoethoudertje zijn voor degenen die in materiële weelde zwelgen.













