Het bronstige rendier


Dat de verzorgers van de zoo er niets beters op vonden dan zich met enkele flinke tikken van een schop, tegen een aanvallend bronstig rendier te verdedigen, verwekte in sommige (fundamentalistische) dierenvriendenkringen grote verontwaardiging.
GAIA-baas Vandenbossche was er als de kippen (?) bij om de praktijk plechtig én heftig aan te klagen. Hij verklaarde zich ook bereid om voor de verzamelde barbaarse verzorgers van de zoo, eens te demonstreren hoe je een kolos van een rendier, zelfs al is het een bronstig mannetje, tegemoet treedt.
Dus betrad Michel op een mooie dag onder enorm grote belangstelling, een kooi in de Antwerpse zoo met daarin een bronstig rendier, dat, omdat het op 11 juli geboren was, de naam van Jan Breydel gekregen had.
Vandenbossche schuifelde naar het centrum van het hok, almaar fluisterend 'ik hou van alle dieren, in het bijzonder van jou'.
Daar had Jan Breydel geen oren naar. Het onderscheid tussen mannetjesmensen en wijfjesmensen was hem zo al niet erg duidelijk en bovendien verblind door de drift van zijn bronst, zag hij in de GAIA-president een te bespringen levend wezen, wat hij dan ook probeerde te doen.
Vandenbossche was nog net in staat 'in het bijzonder van jou' uit te brengen vooraleer hij op het enorme gewei van Breydel deskundig werd gespietst. Tot ontzetting van de toeschouwers (en tot leedvermaak van sommigen) paradeerde het rendier, nu rustig geworden, door de kooi, het bungelende en brullende lichaam van Vandenbossche als een trofee voor zich uit dragend.
Dankzij de met schoppen toesnellende verzorgers, kon Michel uit zijn netelige positie bevrijd en met bekwame spoed naar het AZ gevoerd worden, waar geconstateerd werd dat zijn verwondingen al bij al nog meevielen.
En Jan Breydel? Die had weliswaar wat meppen met de schoppen te verduren gekregen. Maar 's avonds kreeg hij van de verzorgers een extra verzorgd avondmaal.










